28.12.19

Bij het afscheid van Freek Neirynck



Dag Freek,

Toen Luk me vertelde dat je me graag wilde horen spreken over je literair werk, kwam als vanzelf een metafoor boven drijven: die van een ijsberg, en dat het werk van een kunstenaar zich voor het grootste deel onder de oppervlakte situeert. En hoezeer dit ook van toepassing is op een toch wel zeer zichtbare schrijver zoals jij, met een respectabel oeuvre zoals het jouwe. En dat ik het voorrecht heb genoten deel uit te maken van het topje van jouw ijsberg, maar bij tijden even goed heel erg aanwezig was in dat deel dat nooit in de openbaarheid is gekomen.

Die ‘bij tijden’ moeten we vooral situeren in de jaren negentig. Dat waren nog eens tijden! Mijn vriend en collega Guy Didelez en ikzelf hadden toen net elk ons ‘boek van de doorbraak’ geschreven: voor Guy was dat de jeugdroman Raspoetin, voor mij de thriller in essayvorm Mysteries van het Lam Gods. Guy had met jou – als scenarist – samengewerkt voor het populaire radiofeuilleton Het KoekoeksnestJij was toen al een gevestigde waarde: je had met o.a. Taptoe een hele carrière in het theater achter de rug, je had net de biografische jeugdroman The Kid geschreven – over Charlie Chaplin – en je had meegewerkt aan de TV-reeks Alfa, Papa, Tango. Zo kort nadat VTM zichzelf had opgericht, was er een grote nood aan Vlaamse fictie, op alle fronten. Die werd naar buitenlandse voorbeelden, zeker voor langlopende reeksen, vaak geschreven in collectieven. Maar zelfs binnen het collectief dat werkte aan Het Koekoeksnest, had jij nog voor een duoformule gekozen. Een ervaren rot die alle truken van de dramatische foor al lang onder de knie had, koos voor een samenwerking met een schrijver die nog alles te bewijzen had.

In een literair portret, met woorden geschilderd, moet dit een wezenlijke penseeltrek zijn, zeg maar een forse veeg. Jij huldigde het principe, zo mooi bezongen door Wannes Van de Velde: ‘Ne zanger is een groep.’ – Een schrijver mocht dat, voor jou, duidelijk ook zijn. De collectiviteit was niet alleen een glanzend rood principe, het was voor jou ook een manier van artistiek functioneren. Niet eenzaam schrijvend op een zolderkamer, maar als wezenlijk deel van een groter geheel, waarin het individu zijn individualiteit evenwel niet opgeeft. Integendeel, zelfs. De som kan alleen groter worden dan de afzonderlijke delen, als zij erin slaagt die delen op hun hoogstpersoonlijke en unieke manier individueel te laten schitteren. Eén voor allen, allen voor één.

De samenwerking was jullie allebei zo goed meegevallen, dat jullie die wilden verder zetten – maar omdat een duo slechts een duo is, geen echt collectief, wilden jullie er nog een derde lid bij, en dat werd ik.


Doorgaans wordt een collectief van bovenaf gevormd en heb je als scenarist geen inspraak over de personen met wie je wel of niet zult samenwerken. Soms wil de mayonaise in die omstandigheden al pakken, en maak je er gewoon het beste van. Maar stel je zelf een collectief samen, omdat je reeds hebt mogen ervaren dat er een unieke chemie, een vanzelfsprekende synergie in de lucht hangt, en dat het niet alleen professioneel, maar ook persoonlijk klikt, dan stijgt de kans op lekkere mayonaise exponentieel.

Zo hielden we ergens in het jaar 1992, in het huis aan de Bomastraat, het collectief PLOTS boven de doopvont, waarin we tien jaar lang bijzonder lekkere mayonaise maakten. Ik kijk nog steeds met vertedering en weemoed terug naar die ontelbare voor- en namiddagen aan je keukentafel, Freek. Meestal lieten we onze gezamenlijke breinen daar stormen – jij had een zeer stormachtig brein  –, terwijl ik een verslag van die turbulentie op papier probeerde te zetten. Moesten we om een of andere reden direct aan de PC werken, dan verhuisden we naar het souterrain, naar je werkkamer en bibliotheek. 

Jij woonde centraal tussen Erembodegem en Merksem in; dat de Bomastraat ons hoofdkwartier zou worden, lag om die en andere redenen al bij voorbaat vast. De werkzaamheden werden doorgaans aangevat om 10 uur, ’s middags trokken we naar de Lieve voor de lunch, en zo omstreeks 16 uur zat onze werkdag erop.

Aan die keukentafel werd het zeer zichtbare Taptoe stuk Beerenbodegem geschreven, gecreëerd in 1997. Of, twee jaar eerder, Monsieur Arsène. Konden we het voor elkaar krijgen de pers te doen geloven dat we een nooit afgewerkt toneelstuk van John Flanders/Jean Ray hadden gevonden op de bibliotheekzolder van het Willemsfonds, in het Lakenmetershuis? En dat hierin de bergplaats van de Rechtvaardige Rechters werd geopenbaard? Het antwoord was twee keer ja. We schreven het stuk, schoven het in de schoenen van John Flanders/Jean Ray en haalden er, via het persagentschap Belga, zowat de hele nationale pers mee. In het kader van dit stuk leerde ik van Gentenaar Flanders het woord ‘lollekensheer’; jij was onmiskenbaar ook een literaire lollekensheer. Hoewel, denkend aan Beerenbodegem én aan je robuuste postuur, het ook een ‘lollekensbeer’ mocht zijn.

Minder zichtbaar waren de twee filmscenario’s die we schreven: Raspoetin,  gebaseerd op het jeugdboek van Guy, en De Schat van Orval, naar de eerste jeugdroman die Guy en ik samen schreven. Voor beide projecten kregen we een schrijfsubsidie, maar voor een filmscenario stonden er ook toen al tussen droom en daad vooral praktische bezwaren in de weg. Uiteindelijk slaagden we er niet in een producent te vinden. Maar we deden wel tonnen ervaring op als scenarist – alleen al omdat we als elkaars klankbord konden fungeren.


Ik leerde je in die context kennen als iemand die voor de buitenwereld zeer zelfverzekerd kon overkomen, maar onder de STOLP van ons collectief PLOTS – ja, die naam en zijn omkering had je ook bedacht – een klein, bang hartje durfde laten zien. Met ons collectief schreven we ook een piloot voor een komische tv-serie, Geel Oost, rond een wegrestaurant. Het was gebaseerd op een idee van jou, we werkten op eigen risico en kregen het uiteindelijk ook niet in productie. Maar ja, wie niet waagt, niet wint.

Het klikte zo goed dat jij en ik ook al eens als duo aan het werk gingen, Freek. Ergens in die jaren 90 schreven we Drummer gezocht, dat werd gepubliceerd in de reeks Historische Verhalen voor de jeugd, van De Sikkel. Een verhaal uit de late jaren 50, toen de Beatles nog geen Beatles waren, en zelfs nog geen drummer hadden. Een en ander was gebaseerd op een biografisch boek over de Beatles waaraan jij werkte, en dat in 2013 zou verschijnen als All you need is lef. Ja, zo lang doet een boek er al eens over. En zoals The Kid tegelijk over het leven van Chaplin en over jouw eigen leven ging – je toenmalige vriendin had een zoontje in Zuid-Amerika, voor wie je als voogd functioneerde en dat je naar België liet overkomen – ging All you need is lef  ook over je vriendschap en samenwerking met Luk. ‘Eigenlijk zijn wij een beetje de Paul McCartney en de John Lennon van Gent,’ zei je daarover. ‘Met dat verschil dat we geen noot kunnen zingen.’ – Het citaat typeert je ten voeten uit.

We hadden nogal wat gemeen, Freek: jij als volledig geassimileerde Gentenaar, ik als een gemankeerde uit Aalst, deelden we een wat aparte, soms bijtende, satirische vorm van redelijk anarchistische humor. Er was onze fascinatie voor Gentenaar Jean Ray – De hand van Jean Ray was van jouw hand – maar we hadden ook allebei iets met mijn dorpsgenoot Louis Paul Boon, van wie jij de prijs had gewonnen. Jij had hem nog meegemaakt als stukjesschrijver in de Vooruit en schreef daar later enkele stukjes over – want ja, cursiefjes schreef je ook, als Straatloper. En daar kwam dan weer het stuk Louis Paul Boon Ontmaskerd? van… met vraagteken én dt. In 2012 zouden we een laatste keer samenwerken, rond de honderdste verjaardag van Boon, met de Bende van de Boonaparten, toen ik met dank aan de Aalsterse dorpspolitiek, literair asiel moest aanvragen in Gent en wij een nieuwe versie van ons stuk ten tonele brachten, tijdens de Gentse Feesten, in de Parnassus.

Daar heb jij nu je vaste stek gevonden, Freek, in de Parnassus – jij Roste Wasser, lollekensbeer, harlekijn met al je touwtjes los, Amaat Heur, tekstfoernisseur van Pierke Pierlala, perfesser Gents en wat nog al meer. Volgens mij ben je daar ondertussen alweer druk in de weer in een of ander nieuw opgericht collectief. 

Schrijft ze, maat!  

7.12.19

In de bibliotheek van het Kasteel van Verdoemenis


Anna van Ro brengt een verslag uit over vreemde, angstwekkende gebeurtenissen in de bibliotheek van het Kasteel van Verdoemenis, Aalst. Ze doet dat in een paar blackout poetry stukken (stiftgedichten) en ik zette ze met veel genoegen in een clip. Met een soundscape van mijn broer Fernand (http://www.naami.be).




Het Kasteel van Verdoemenis (Park Terlinden, Aalst) zou zijn naam te danken hebben aan een beruchte ketter die er ooit woonde, aan het nabijgelegen Galgenveld of de leprozerij die zich daar bevond… en/of aan de moord die hier gepleegd werd. De laatste eigenaar zou immers zijn vrouw vermoord hebben door haar met een grote nagel door haar voorhoofd vast te spijkeren aan de deur. Haar lichaam werd in de tuin begraven, maar jaren later groef hij haar ontvleesde schedel op en zette die op tafel, zodat hij ‘m dagelijks kon bekijken. Na zijn dood werd het landgoed te koop gesteld, maar er daagden geen kopers op. Het Kasteel Terlinden raakte in verval, het spookte in de ruïnes…

Patrick Bernauw en zijn schrijversklas van de Academie voor Podiumkunsten te Aalst organiseren nu een literair-wetenschappelijk paranormaal experiment. Zoals de spiritisten destijds in contact traden met de geestenwereld door o.a. het automatisch schrift in de praktijk te brengen, proberen zijn cursisten gene zijde te bereiken door de technieken van de “blackout poetry” (stiftgedichten) toe te passen. Op die manier hopen zij de geheimen van het Kasteel van Verdoemenis te ontsluieren. Een en ander zal gebeuren in het kader van een heuse seance… aan de Tafel van Elise!

Waar? De Tafel van Elise, Erembodegem-Dorp 39, 9320 Erembodegem
Wanneer? Zaterdag 1 februari, 19.30 uur. Toegang: 5 euro.
Reserveren? Noodzakelijk, want de plaatsen zijn ten zeerste beperkt: info@detafelvanelise.be of 053 216266