25.1.10

Scharpenelle 15 - Wij bidden, nu en tot in de eeuwigheid




In mijn dromen hoor ik hem schreeuwen:

‘De wereld gelooft dat wij dood zijn!’

‘Zelfs onze familie werd officieel meegedeeld dat wij gevallen zijn op het veld van eer!’

‘Op de dodenlijsten dragen wij de namen van onze gesneuvelde wapenbroeders!’

‘Maar wij leven nog, ma belle Scharpenelle!’

‘Ik lééf nog!’

‘Hoor je?’






In mijn dromen prevelt hij:

‘Wij mogen niet aan het licht komen. Wij mogen het licht niet zien. Onze geestelijke conditie laat het niet toe en onze fysieke toestand nog minder.’

‘Wij zijn ten prooi aan shell shock. Wij zijn afzichtelijk verminkt door bommen & granaten, shrapnel & bajonetten, dumdum kogels die uw ingewanden doen exploderen en gifgas dat uw longen verbrandt.’

‘Wij zijn verlamd, blind, doof en stom.’

‘Wij zijn halve mannen.’

‘Wij liggen in wasmanden en het enige dat wij nog kunnen doen, is eten, drinken en ademhalen.’






In mijn dromen bidt hij:

‘Niemand weet wat wij denken of welke folteringen wij doorstaan, want geen woord ontsnapt aan onze lippen. Al onze woorden zijn opgebruikt, mijn engeltje. ’t Is daarom dat ze mij Sansparole hebben genoemd.’

‘Sommigen onder ons waren nog jongens toen de Grote Oorlog kwam die ze misvormde tot wezens uit de Hellevuur Hoek.’

‘Al bijna twintig jaar liggen wij hier nu en we wachten, mijn bewaarengeltje.’

‘We wachten… op wie? En waarop? Wie verlost ons van het kwade?’

‘Zonder woorden wachten wij op de Engel die zal komen als wij diep genoeg dromen, ma belle Scharpenelle. Kom en verlos mij.’

‘En wij bidden. Dat gij werkelijkheid moge worden, uw witte vleugels wijd gespreid.’

‘Wij bidden. Nu en tot in de eeuwigheid.’

Geen opmerkingen: