21.3.21

De tekstologen: schrijfcoaches & tekstschrijvers


Wat hebben Jean-Paul Mulders, Diane Broeckhoven, Sam De Graeve, Rita Bossaer, Guinevere Claeys,  Ludo Permentier, Vivian de Gier, Mark Uytterhoeven, Niels Boutsen (Stoomboot), Chris Van Camp, Bas Birker, Ann Michielsen, Carmien Michels, Marc De Neve, Rachida Lamrabet, Bartho Kriek, Terry Verbiest, Daniel Billiet, Barbara Boels, Dominique Biebau, Peter Holvoet-Hanssen, Noëlla Elpers, Gaston Dorren, Kris Van Steenberge, Erik Raeven, Brigitte Raskin, Philippe Humblé, Moya De Feyter, Johan Verest, Dahlia Pessemiers-Benamar, Ludo de Jager, Tine Hens, Sara Brouckaert, Tania Verhelst, Ivo Victoria, Lies Van Gasse, Geert Stadeus, Luc Bouquet, Han Zinzen en ikzelf met elkaar gemeen?



Wij zijn allemaal 'tekstologen'. Zo heet inderdaad het nieuwe collectief van schrijfcoaches en tekstschrijvers dat vandaag boven de doopvont wordt gehouden. 

Zo'n tekstexpert, da's duur zeker? Begeleiden jullie schrijvers van elk niveau? Volgt een coachingtraject altijd hetzelfde stramien? Helpen tekstologen alleen met tekst of gaat de service verder dan dat? Kan ik echt kiezen wie ik zelf wil? Of gewoon nieuwsgierig? Dan moet je zeker even een kijkje nemen op de tekstologen site. 

En als je daar dan toch bent, kun je meteen het gratis ebook downloaden, waarin 40 auteurs in alle genres jou vertellen hoe zij het aanpakken. 


18.3.21

Hoe muziek ons leven tekent: 60 jaar Marc Borms


Marc Borms wordt 60 en dus tekende hij 60 van zijn muzikale helden, en vertelde lief An Staels ook 60 keer waarom zij die status verdien(d)en. Zij zette de vertellingen vervolgens op papier. Enfin, op glanzend karton, want illustraties en teksten kwamen terecht in een prachtig, nostalgisch kijk- en leesboek. Met zowel zeer bekende als zeer onbekende usual suspects uit de wereld van de rock 'n' roll, americana, blues & folk -, maar ook met onverwachte uitstapjes in de klassieke muziek of kleinkunst. De verhalen variëren van beschouwend over anekdotisch tot humoristisch en geëngageerd - maar zijn altijd zeer persoonlijk en vormen samen als het ware een 61ste portret, dat van embee zelve. Het zijn cursiefjes met soul, en hetzelfde kan gezegd worden van de illustraties: veeleer dan een zo gelijkend mogelijk portret te borstelen, leggen ze de ziel van de artiest vast, en zoeken ze de essentie op,  minimale input, maximale output.    


Ik schreef een nawoord voor het boek, want onze paden kruisten elkaar niet alleen op artistiek gebied - het weze muzikaal, of grafisch. Hieronder publiceer ik graag het eerste deel, voor het volledige stuk zul je je het boek moeten aanschaffen. Dat kan via deze link. En dan zul je meteen ook te weten komen wat de ware én de artiestennaam zijn van onderstaand heerschap.




Onze eerste ontmoeting vond plaats bij de Duivelsputten en had het karakter van een gewapende overval. Ik weet niet meer of ik voor de gelegenheid Jan De Lichte was, of Winnetou. De eerste had een musket waarvan de loop bestond uit een tv-antenne en waarover je met een elastieke ‘mik’ eikels kon afschieten, die zelden of nooit doel troffen. De tweede hield het eenvoudig bij een boog uit essenhout en rieten pijlen met modder in de punt, die de grote – en enige – verdienste hadden in een sierlijke eh… boog naar beneden te komen. Ik denk dat ‘onze Ferna’ er ook bij was, maar zeker weet ik het niet meer, want soms opereerde ik solo. De slachtoffers waren in ieder geval de beide broertjes Borms en hun zusje An.

 

Wees gerust, er zijn geen gewonden gevallen. En tien jaar later, of iets van die strekking, zijn we met z’n allen toegetreden tot het gewetensbezwaardendom en was het uit met gewapende overvallen. Tien jaar later, dat moet eind jaren 70 geweest zijn, of de nog zeer prille jaren 80, toen Luc op de kamer van de Ferre verscheen. Luc schreef ook liedjes, van blues was toen wel nog geen sprake. ’t Was meer country en kleinkunst: Ik ben wie ik ben, zo van die dingen. Ik weet dat ik hem meteen herkende als één van onze slachtoffers van destijds, toen de ‘Bromsen’ nog aan de Brusselbaan woonden, waar ik alle weekends en vakanties in het huis van mijn grootouders doorbracht – het huis op de heuvel, waar ik nu nog woon, tussen Galgenberg en Duivelsput.

 

Bij hun wederopdagen woonden ze al vlakbij de Gerstjens, geloof ik. De scènes die Marc beschrijft – in de rokerige kamers en kelders – gingen ook al eens door in dat huis, dat boer Ursmaar als buur had, en waar in één kamer een enorme piano stond. Enfin, ik herinner ze mij toch als zijnde enorm. Onze bijeenkomsten resulteerden in een eerste artistieke samenwerking, die nog helemaal in het teken van de kleinkunst en de volksmuziek en de poëzie stond, en grote artikels in de regionale pers haalde. In augustus ’82 stelde ik namelijk mijn eerste officiële dichtbundel voor, Een tuiltje antarctische rozen, en ik deed dat samen met de groep Tromantieksken (ja sorry, zeg maar niks, ik weet het) en de volksdansgroep De Eglantier. De reporter van dienst vond het ‘gezonde, rekreatieve vrijetijdsbesteding’ voor de jeugd – als hij maar geen punker wordt, meneer! – en op een foto is een kwartet te zien met de broertjes Borms, onze Ferna, en gelegenheidsmuzikant Bart Staes. Ferna speelt viool, Luc gitaar, Bart klarinet en ik vrees dat Marc het met een blokfuit doet. Maar oké, in De Nieuwe Gazet van Aalst zitten daar wel degelijk drie gitaristen – de harde kern, dus – en volgens het onderschrift kon ‘zelfs een springende snaar de mannen van Tromantieksken niet tegenhouden’.

 

Je street credibility gaat behoorlijk naar de vaantjes, als je muzikale held B. Springsteen heet en je – niet gehinderd door enige toonvastheid – in een groep wil zingen die Tromantieksken heet. Maar er zijn wel jarenlange vriendschappen uit ontstaan.


 


4.3.21

Van Amanda Gorman tot Lisette Ma Neza


Okay, boomer... Nu het stof min of meer is gaan liggen, moet er mij alsnog iets van de lever. Het is enigszins running after the facts, ik weet het, maar dat komt omdat ik ten eerste al niet uitblink in wokigheid en ten tweede toch eerst al die facts op een rijtje wilde hebben. 


Waar ik dus met de beste wil van de wereld niet bij kan, is dat een gerespecteerde uitgever als Meulenhoff voor het werk van Amanda Gorman een vertaler kiest (m/v/x) die 

A./ zelf aangeeft de Louis - 'one swallow does not make a summer' - van Gaal van de Nederlandse letteren te zijn en

B./ ongetwijfeld een literair-poëtisch talent is, maar niet echt veel affiniteit vertoont met het specifieke spoken word genre dat Amanda Gorman bedrijft. Je vraagt ook niet aan een operazangeres om een rapper te coveren.



Dat een witte auteur niet de nodige empathie, laat staan de nodige sensitivity, aan de dag zou kunnen leggen om een werk van een zwarte auteur te vertalen, durf ik te betwijfelen. Het zou een miskenning zijn van het ware schrijverschap in het algemeen en dat van Marieke Lucas Rijneveld in het bijzonder. Maar het neemt de vraag niet weg of de beste keuze in dit geval niet van meet af aan een zwarte auteur was geweest, die de problematiek dagelijks aan den lijve ervaart en zich niet hoeft te laten bijstaan door een team van sensitivity readers. Tenslotte is dit een tekst met een grote maatschappelijke impact, een tekst over zwarte emancipatie gebracht op een iconisch moment van zwarte emancipatie. Dat zal toch wel wat gevoeliger liggen dan, ik zeg maar wat, de vertaling van een boek over de klimaatopwarming. 


Was er in het hele Nederlandse taalgebied dan heus geen enkele zwarte auteur te vinden, die het Engels uitstekend beheerst, en qua spoken word een aardig palmares kan voorleggen? Misschien zelfs een jonge, vrouwelijke auteur, een generatiegenote, die zowaar nog haar Nederlandstalige versie naar onze podia kon brengen ook?   


O jawel. Alleen is die vraag blijkbaar op geen enkel moment gesteld. Een vluchtig zoekertje op het internet levert overigens twee vertalingen op van The Hill We Climb, gemaakt in opdracht van de kranten De Standaard en het Nederlands Dagblad - en ook op die redacties werd de vraag, blijkbaar, niet gesteld.


Dat heet dan onzichtbaar zijn.


Janice Deul noemde een stuk of wat potentiële kandidaten in haar opiniestuk in De Volkskrant, dat tendentieus werd gereduceerd tot 'witte mens mag geen zwarte mens meer vertalen'. Dat zegt zij nergens, zij zegt wel dat Rijneveld niet de beste keuze was, om hoger vermelde redenen. En dat men ongetwijfeld beter af was geweest met, pak weg, 'Munganyende Hélène Christelle, Rachel Rumai, Zaïre Krieger, Rellie Telg, Lisette Ma Neza, Babs Gons, Sanguilla Vabrie, Alida Aurora, Pelumi Adejumo, Schiavone Simson'.


Ik licht er Lisette Ma Neza even uit. Omdat zij afkomstig is uit Nederland, maar in Brussel woont, waar ze film studeert. Omdat ze het Belgisch Kampioenschap Poetry Slam won, en tweede eindigde in het Europees Kampioenschap (2017). Omdat ze al in januari een antwoord schreef op The Hill We Climb van Amanda Gorman. Omdat haar Engels mij beter lijkt dan dat van Louis van Gaal. Omdat...







Naschrift, 06/03/2021:

Op de Facebook-pagina van Marieke Lucas Rijneveld, 1 maart: 'Mijn hoofd en hart zitten nog vol van wat er de afgelopen dagen gebeurde. Ik denk dat stilte niet de juiste reactie is, maar ik kan ook niet op alles ingaan. De beste manier om mijn gedachten en gevoelens te verwoorden en te reageren op wat er gezegd is, is het schrijven van een gedicht. Dat zal aanstaande zaterdag in de krant verschijnen. Poëzie verbindt, verzoent en heelt.'

Op 6 maart volgde dan het gedicht Alles bewoonbaar, dat o.m. werd gepubliceerd in de kranten De Standaard en De Volkskrant. Geen vertaling van Amanda Gorman, maar wat mij betreft even krachtig... en bovendien heel & al ML Rijneveld. Of hoe het glas niet half leeg hoeft achter te blijven, zelfs niet half vol, maar daar plotseling weer bruisend & boordevol voor je neus staat... en een prachtig rond punt zet achter alle pijnlijke discussies. En dat poëzie inderdaad rijmt op empathie, en 'verbindt, verzoent en heelt'. 'Respect' is het sleutelwoord.