14.3.11

01. Gustaaf Schellinck, biograaf


De Verenigde Staten van Amerika, 30 oktober 1938. Halloween.



Na het weerbericht schakelt de radiozender CBS dadelijk over naar het Park Plaza Hotel, waar het orkest van Ramon Raquello er lustig op los swingt. Tot het programma wordt onderbroken door een extra nieuwsbericht: op de planeet Mars werden ongewone gaserupties waargenomen. Korte tijd later blijkt er een groot vlammend voorwerp neergestort te zijn bij Grover's Mill in New Jersey.


De plaatselijke correspondent Carl Phillips brengt live verslag uit van op de plek van het onheil. Een Martiaan wringt zich uit het ongeïdentificeerd vliegend object en zet de hele omgeving in lichtelaaie. Het Rode Kruis, acht bataljons infanteristen, de Amerikaanse luchtmacht... allen staan machteloos tegenover de Martiaanse invasietroepen. De eerste interplanetaire oorlog is een feit...


Tot zover een hoorspel van Orson Welles, naar de SF-roman The War of the Worlds van H.G. Wells. Een Halloween-grapje, dat zich zoals elke geslaagde mystificatie afspeelde in het slecht gemarkeerde grensgebied tussen waarheid en bedrog. Twee miljoen Amerikanen geloofden dat het wérkelijk zover was... Wellicht was het nooit tot deze massahysterie gekomen, als er geen reële voedingsbodem had bestaan voor allerlei gevoelens van sociale onlust en onveiligheid. In Europa dreigde een tweede wereldoorlog, in Spanje woedde een burgeroorlog en zelf hadden de Amerikanen net een zware economische crisis achter de rug.

‘We hebben hier een prachtige gelegenheid om te zien hoe een legende wordt gevormd en hoe in voor de mensheid moeilijke en donkere tijden een wonderbaarlijk verhaal ontstaat over een poging tot interventie door buitenaardse “hemelse machten”,’ schreef Carl Gustav Jung.



 
In januari 1992 raakten wij geïntrigeerd door de bladzijden die Emiel Ramoudt aan  'de zieneres van Onkerzele' wijdde in zijn boek Mens zonder grens. Leonie Van den Dijck was haar naam.


'We hebben Leonie Van den Dijck niet meer persoonlijk gekend, wel haar biograaf en diens echtgenote uit Aalst,' schrijft Ramoudt. 'Deze mensen hebben Leonie gedurende zestien jaar van dichtbij gevolgd en trouw alles opgetekend wat in haar boeiend leven gebeurde. We kregen het "Handschrift" ter beschikking en hebben er werk van gemaakt om de nog levende ooggetuigen op te zoeken.'

De biograaf heette Gustaaf Schellinck (1896-1973). Uit de bibliografie van Ramoudt bleek dat het 'Handschrift' in kwestie min of meer openbaar gemaakt was als een privé-uitgave, gedrukt op een beperkt aantal exemplaren. Maar hoe dit in handen te krijgen? Het werk was niet in de handel verkrijgbaar geweest en droeg geen wettelijk depotnummer, zodat het zelfs niet aanwezig was in de Koninklijke Bibliotheek!

Een gelukkig toeval bracht ons in contact met een streekgenoot van Leonie Van den Dijck, die bovendien actief was in een heemkundige kring. Hij bezorgde ons een exemplaar van Verschijningen en voorspellingen van Leonie Van den Dijck, verschenen kort na de opgraving van de zieneres in juni 1972. Er waren heel wat foto's van deze gebeurtenis in het boek opgenomen.

Met dit lijvige werk van meer dan 500 verward geschreven, slecht getypte en slordig gestencilde kwarto-
bladzijden begon voor ons een verbijsterend avontuur. Het was duidelijk dat dit typoscript een letterlijke weergave was van het 'logboek' dat Gustaaf Schellinck had bijgehouden over de zieneres van Onkerzele. Het chaotisch gestructureerde typoscript, waarvan sommige passages nog in oude spelling gesteld waren, noodzaakte ons de informatie rond een bepaald thema iedere keer weer op te sporen.

Pas in mei 1992, toen we de laatste hand legden aan de eerste versie van dit boek, kwamen wij - alweer dooi een gelukkig toeval - in contact met oud-senator Wim Verleysen, voorzitter van "het 'Komiteit voor de zaak Leonie Van den Dijck' in Onkerzele. Tot op dat ogenblik verkeerden we in de waan dat dit Komiteit, waarvan wij wisten dat het nog tot in de jaren tachtig actief was geweest, ondertussen opgehouden had te bestaan.

Wij maakten een lezing mee van Wim Verleysen in de kelder van Zaal De Keizer op de Grote Markt in Geraardsbergen, zagen een amateurfilmpje over de eerste ontgraving in 1972 en kregen de beschikking over Het Wonderbare Leven van Leonie Van den Dijck, een tweede, vervolledigde en geordende uitgave van de notities van Gustaaf Schellinck, gepubliceerd 'in het 54ste jaar van de verschijningen, 1987'. In dit degelijker uitgegeven werk, overigens evenmin verspreid via de gebruikelijke kanalen of voorzien van een wettelijk depotnummer, werden de notities van Schellinck nagenoeg onveranderd weergegeven.

'Voor de leesbaarheid en om het terugvinden van de verschillende onderwerpen te vergemakkelijken, werden verdelingen aangebracht in delen, hoofdstukken en paragrafen, elk voorzien van een behoorlijke en voldoende gedetailleerde inhoudsopgave, waardoor men bij het lezen van de inhoudstafel alleen reeds een duidelijk inzicht heeft in wat er behandeld wordt,' verklaart het Komiteit in de inleiding bij de... tweede uitgave. 'Het boek werd verrijkt en aangevuld met nieuw verkregen waardevolle getuigenissen, data werden bijgevoegd, ook enkele nota' s waar het nodig bleek om misverstand te voorkomen of recht te zetten. Enkele evidente onnauwkeurigheden werden gecorrigeerd, en het taalgebruik werd lichtjes aangepast aan onze nieuwe uitdrukkingswijze, of waar er klaarblijkelijk een taalfout ingeslopen was. Uiteenzettingen over hetzelfde onderwerp werden bij elkaar gebracht en onnodige herhalingen geëlimineerd.'

Wanneer wij uit de notities van Schellinck citeren, doen wij dat op basis van de eerste uitgave. Het Wonderbare Leven van Leonie Van den Dijck hebben wij vooral geraadpleegd voor de nieuw verkregen getuigenissen en data, en de verhelderende voetnoten.



In een 'voorafgaande verklaring' licht Schellinck zijn positie ten opzichte van Leonie Van den Dijck toe. Toen hij aan het 'logboek' begon, had hij er nog geen idee van wat de zieneres precies van hem verlangde. Pas na een proefperiode van een vijftal jaar was hij voldoende gekneed om echt als haar biograaf te mogen fungeren. Maar zelfs dan bleef zijn rol beperkt tot die van een zuiver registrerende' ontvangpost'. Schellinck vergelijkt zich met een soldaat die gedrild werd om bevelen uit te voeren. Hij moest noteren wat de zieneres hem meedeelde, zonder te vragen naar het hoe of waarom.

Gustaaf Schellinck startte zijn activiteiten in het begin van 1934. Op losse papieren en steekkaarten nam hij de dictaten van Leonie Van den Dijck op, die hij vervolgens thuis overtypte, waarna hij haar de teksten voorlas. Leonie corrigeerde deze teksten, tot ze exact weergaven wat zij bedoeld had.

We kunnen Gustaaf Schellinck bezwaarlijk een objectief waarnemer noemen. Hij vertelt van zichzelf dat hij als kind al 'een vurige godsdienstverering' bezat en hij trok een twintigtal keren op bedevaart naar Beauraing en Banneux, waar zich vanaf 1932 verschijningen voordeden.

Het was trouwens een drukke tijd voor de Heilige Familie, want in september 1933 deed het gerucht de ronde dat er ook in Onkerzele, nabij Geraardsbergen, vreemde verschijningen waren waargenomen. Omdat in de pers 'den draak gestoken werd met deze verschijningen', was Schellinck zeer voorzichtig geworden. Toch trok hij in oktober 1933 samen met zijn echtgenote en tal van andere bedevaarders een eerste maal naar Onkerzele.


'Te tien ure stond het volk zodanig opeengepakt, dat het onmogelijk geworden was nog van plaats of van houding te veranderen en dierf men een voet opheffen, dan was men niet meer in staat hem nog op de grond te plaatsen.'

Op die dag zagen Schellinck en zijn vrouw de zieneres van Onkerzele voor het eerst in levenden lijve. Voor de kapel bad ze het rozenhoedje en riep ze Onze Lieve Vrouw aan, terwijl het volk in koor de gebeden en aanroepingen beantwoordde. Hier en daar raakte iemand in extase.

Omdat hij een dergelijke godsvrucht in Beauraing noch in Banneux had gezien, besloot Schellinck geregeld naar Onkerzele terug te keren. Niettemin zou het nog een tijdje duren vooraleer de toekomstige biograaf persoonlijk in contact kwam met Leonie Van den Dijck. In tegenstelling tot de grote massa, voelde het echtpaar Schellinck 'te veel respect voor haar om ons in hare omgeving op te dringen'.

Op 18 december 1933 greep er een heus Zonnewonder plaats in Onkerzele. Schellinck kwam hier zo van onder de indruk, dat hij samen met een heleboel andere bedevaarders het huis van Leonie binnenstapte. Meteen voelde hij zich in dit gezelschap 'als bij goede, oude vrienden' .

Korte tijd later was Gustaaf Schellinck er getuige van dat Leonie boos werd op sommige al te loslippige leden van een officieuze onderzoekscommissie, die de fenomenen van Onkerzele op hun authenticiteit wilde
beoordelen en waarvan Standaard-redacteur en radioreporter Jan Boon de centrale figuur was.

'Het is een schand gelijk al die mannen met geheimen rondspringen. Nu is 't voor goed gedaan met hen en geen enkele zal nog mijn mond openbreken!' riep Leonie uit.

Vervolgens vroeg ze Schellinck of hij kon zwijgen. Zonder dat Schellinck het besefte, promoveerde zijn bevestigend antwoord hem tot haar secretaris en biograaf.

Vanaf dat moment kwam hij steeds vaker bij haar over de vloer, soms zelfs tot vijfmaal per week, om te noteren wat zij hem dicteerde. Daarbij zou hij haar, ook in een later stadium, haast nooit rechtstreekse vragen stellen. Leonie hield daar niet van...



In hoever strookt het relaas van Gustaaf Schellinck met de feiten? Tot op welke hoogte werd zijn biografie bijgekleurd door zijn religieuze en morele opvattingen, en door zijn jarenlange omgang met Leonie Van den Dijck?

Als het werk van Schellinck betrouwbaar is, mogen wij Leonie Van den Dijck met een gerust geweten een van de grootste paranormale fenomenen van deze eeuw noemen. Zo niet, dan hebben we te maken met een verbluffend staaltje science-fiction én met een gigantische mystificatie. Werd Gustaaf Schellinck in dat geval gemanipuleerd door Leonie Van den Dijck, of was het de secretaris die de levensloop van zijn opdrachtgeefster - misschien voor een stuk onbewust - enigszins bijkleurde?

Het eigenaardige is dat niets wijst in de richting van een werk dat grotendeels aan de fantasie is ontsproten. Wat drijft een schrijver of een mystificator? Eerzucht, geldnood, artistieke motieven... Niets van dat alles vinden we terug bij Schellinck. Zijn naam is op de cover van zijn publikatie niet terug te vinden en men zal hem slechts moeizaam her en der in het boek ontdekken, meestal dan nog onvolledig of afgekort. Zijn financiën zullen er met deze slordig gestencilde notities ook al niet veel beter op geworden zijn. Taal, stijl en structuur van zijn werk staan er borg voor dat hij evenmin literaire ambities had.

Was het dan de bedoeling van Gustaaf Schellinck te pleiten voor de heiligverklaring van Leonie Van den Dijck?

'Neen!' roept Schellinck uit, om meteen daarop nadrukkelijk te stellen dat hij zich niet 'op het terrein van de godgeleerdheid' wil wagen en zich onderwerpt aan (de uitsluitelijke bevoegdheid van het kerkelijk gezag'. Aan de andere kant kunnen we hem, zij het in mindere mate dan Leonie Van den Dijck, een zeker godsdienstwaan niet ontzeggen.

Belangrijk is dat Schellinck niets heeft willen schrijven dat niet strookte met de dictaten van Leonie. In zijn relaas van haar visioenen komen details voor die bij nader inzien volstrekt onjuist zijn gebleken. Schellinck had dit makkelijk kunnen verzwijgen of maskeren.

'Het is een aanduiding te meer dat hij de toekomstvisioenen van Leonie achteraf niet aan de realiteit aanpaste,' meent Ramoudt. 'Evenmin deed hij een poging om de voorspellingen op hun technische waarschijn
lijkheid na te trekken. Schellinck hechtte alleen maar belang aan wat Leonie "gezegd" had. Haar woord was voor hem "evangelie" in de letterlijke zin van het woord.'

Waar mogelijk, verwijst Gustaaf Schellinck naar getuigen die zijn beweringen kunnen staven. Hij beweert in het bezit te zijn 'van een aanzienlijk getal schriftelijke getuigenissen van de feiten die er zich' hebben afgespeeld en van voorspellingen die Leonie aan de talrijke vrienden bekend heeft gemaakt'.

Jammer genoeg neemt hij hoogst uitzonderlijk een dergelijke concrete getuigenis in zijn verslag op. Bovendien had Leonie Van den Dijck de onhebbelijke gewoonte haar uitvoerige correspondentie - ze zou zelfs brieven uit Amerika en Japan ontvangen hebben - op tijd en stond te verbranden, omdat de 'hartsgeheimen' van haar correspondenten alleen voor haar bestemd waren.

In verband met de getuigen dient ten slotte opgemerkt te worden dat Emiel Ramoudt er in de jaren zeventig nog in geslaagd is diverse personen op te sporen die in het 'Handschrift' van Gustaaf Schellinck slechts met de initialen of een voornaam worden vermeld. Dit is, weer twintig jaar later, zo goed als onmogelijk geworden. Gustaaf Schellinck, met wie Ramoudt nog contact heeft gehad, en zowat alle andere protagonisten zijn ondertussen overleden.



Het moet voor de biograaf niet altijd een pretje geweest zijn om te gaan met een vrouw die hem, zoals hij zelf zegt, 'losdoor' kende. Als de spreekwoordelijke vlieg kon Leonie hem namelijk overal volgen, zodat hij echte privacy wel kon vergeten.

De zieneres bemoeide zich bijvoorbeeld met de vraag welke vrienden geschikt waren voor haar biograaf. Over een 'zwartharige man' die hij op een dag had ontmoet, wist ze 's anderendaags te vertellen dat die absoluut niet te vertrouwen was.

Niet alleen op straat zat Leonie haar secretaris als een schim op de hielen.. Haar geest wandelde geregeld zijn huis binnen: 'Op de horloge was het kwart na negen ure. Gij waart bezig met uw voeten te wassen en er stond voor u een klein rond kuipke. Maria (de echtgenote van Schellinck) was reeds gewassen en was bezig met zich de haren te kammen. (...) Mathilda (een dochter des huizes) zat in de plaats daarneven aan den vuurhaard met den rug gekeerd naar de keuken; ze was bezig met kousen stoppen en ze droeg een oranje blouse met grijze voorschoot.'

Ook het verleden en de toekomst van Schellinck en zijn familie waren niet veilig voor het alziend oog van Leonie. Zo voorspelde ze de dood van Schellincks schoonbroer.

Schellinck beschrijft zijn relatie met Leonie als die van een moeder en haar kind: 'We waren spoedig zeer gemeen onder elkaar, zodanig gewoon aan elkaar dat het me voorkwam dat ik niet meer buiten haar kon; dat mijn bestaan zonder haar geen zin had. (...) Alles was voor mij nieuw en onbekend en 'k was als een kind dat snoep krijgt van moeder om stil te zijn en dat dan bij haar kruipt om te luisteren naar wat ze zo mooi weet te vertellen.'

In een andere passage spreekt hij dit dan weer tegen: 'Ik voelde Leonie niet of heb ze ook nooit als een moeder gevoeld; ook niet als een zuster voor mij. Ik kan dat onder geen woorden uitdrukken; 't scheen of we op elkander afgestemd waren. Ik kon niet buiten haar en zij scheen mij als het ware nodig te hebben... Soms was het of ze me op bepaalde ogenblikken als naar haar toe trok, en dat ik zonder van iets af te weten ginder bij haar toekwam, zonder dat ik voor mijn zonderlinge komst een motief kon vinden.'

Sigmund Freud zou hier een kluif aan gehad hebben. De nauwe banden tussen de alwetende Leonie en de ijverig noterende biograaf schijnen overigens nooit aanleiding gegeven te hebben tot conflicten binnen het gezin van Gustaaf Schellinck. Integendeel, Schellinck vertelt dat de relatie tussen Leonie en zijn vrouw Maria uitstekend was en Emiel Ramoudt noemt Maria de 'grote morele steunpilaar' van Leonie. Frappant hierbij is de anekdote waarin Schellinck zijn zakgeld zonder het medeweten van Maria aan Leonie geeft en kort voor Leonies dood verneemt dat Maria jarenlang hetzelfde heeft gedaan.

Door dik en dun nam het echtpaar Schellinck de verdediging van Leonie op zich: 'Reeds dikwijls hadden we ons thuis afgevraagd hoe het toch kwam dat rond het geval Leonie zo'n stilte bewaard werd. Hoe het kwam dat er de meeste mensen onverschillig tegenover stonden en dat er zelfs nog velen waren die er den spot mee dreven. Telkenmale het er eens over te pas kwam, werden we als in het belachelijke getrokken en ten laatste zwegen we over Leonie en Onkerzele als vermoord, liever dan er den spot te laten mede drijven.'

Uit zijn biografie van Leonie Van den Dijck komt Gustaaf Schellinck, te voorschijn als een diepgelovig man, die veel belang hecht aan zijn gezin van negen kinderen. Tussen de regels door komen we te weten dat hij op een kantoor werkt, maar waaruit zijn job precies bestaat, blijft in het ongewisse. Hij moet hoe dan ook een aantal vreemde talen gekend hebben, want hij trad meer dan eens op als tolk voor Leonie. (Uit een interview met Wim Verleysen, de dato 14/5/92, bleek dat Schellinck stadsbediende was in Aalst.)

Gustaaf Schellinck was een zachtaardig iemand, soms ook bijzonder naïef. Tijdens de oorlog bouwde hij in zijn huis met allerlei meubelstukken een grote schuilplaats, waarin 38 bange buren kwamen slapen.

'De oorlog was' s vrijdags begonnen en toen het de volgende week donderdag was, hadden ik en mijn echtgenote nog geen oog gesloten. Al die mensen vonden dat wij... moesten waken.'

Toen hij ten slotte boven op de schuilplaats indommelde, vroegen de buren zich verontwaardigd af 'hoe het toch mogelijk was dat wij konden slapen, terwijl daar zoveel mensen onder onze hoede moesten vertoeven' . Hoewel Schellinck enige kritiek had op de reactie van zijn buren, kwam het blijkbaar niet bij hem op het hele zootje zijn huis uit te borstelen...


Het boek van Patrick Bernauw & Guy Didelez, dat oorspronkelijk verscheen in 1993 wordt nu integraal online gepubliceerd, afwisselend op de blog Mysterieus België en op de blog van Patrick Bernauw.

Geen opmerkingen: