4.8.26

Groetjes uit Brocéliande - verhalend essay in Fantastische Vertellingen



In het nawoord van mijn boek Groetjes uit de Vierde Dimensie vertelt Ginette Pas-Tourette hoe ik in augustus 2025 op vakantie ging naar Rennes, de hoofdstad van Bretagne, vlak bij de betoverde wouden van Brocéliande, waar de beroemde magiër Merlijn nog springlevend is. Het is inderdaad zo dat ik specifiek naar Rennes trok om over Brocéliande en Merlijn te schrijven, dat hij op de eerste ochtend van mijn verblijf al meteen gewoon buiten op de stoep bleek te zitten, tegenover mijn hotel. Het leverde voor de bundel bovenstaande postkaart op, gebaseerd op onderstaande échte foto, én op het ultrakorte verhaal Merlijn in Rennes.

 


Merlijn in Rennes

Men zegt dat Merlijn nooit echt gestorven is in het woud van Brocéliande. De tovenaar die ooit koning Arthur adviseerde, die de tijd boog en met draken sprak, werd moe van paleizen, gedoe met feeën en oorlogen. Hij verdween in de anonimiteit en liet legendes ontstaan ​​ terwijl hij verder zwierf, van eeuw tot eeuw.

In Rennes fluisteren sommigen dat hij een nieuwe gedaante heeft aangenomen — dat hij niet langer gehuld is in pracht en praal, maar in vodden en zeilen, gezeten op de koude straatstenen. Zijn baard is nog steeds lang, zijn blik nog steeds diep van wijsheid. Weinigen herkennen hem. Ze lopen hem voorbij, terwijl de tekens toch duidelijke taal spreken: hij vertoeft op de grens van de Elyzeese Velden, vlakbij bakker Augustinus, die als kerkvader een indrukwekkende autobiografie schreef, de Confessiones. Naast hem ligt zijn trouwe metgezel — geen magisch hert, maar een straathond.

Voor de meesten onder ons lijkt hij op elke andere verloren ziel van de stad. Maar soms, wanneer het vroege ochtendlicht op zijn gezicht valt, zeggen mensen dat ze iets anders zien: een gloed, een zwaartekracht, een fluistering van oude macht.

De waarheid is dat Merlijn wacht in Rennes, dicht bij het betoverde bos waar zijn verhaal begon. Op een reden om weer op te staan? Op de fee Viviane, die in hem de magiër van weleer zal herkennen, en haar minnaar? Tot die tijd schrijft hij zijn autobiografie op gevonden vellen papier, mompelt hij vergeten profetieën en gaat zijn magie vermomd als waanzin uit een vierde dimensie.




Het essay, of het reisverhaal, of de lijvige fantastische vertelling die ik eraan overhield, verscheen nu in het onvolprezen blad Fantastische Vertellingen, uitgegeven door de stichting waar ook zopas dat andere lijvige essay over Malpertuis van Jean Ray verscheen, in de Rare Boekjes Reeks. 

Fantastische Vertellingen is aan zijn 47e jaargang nummer 79 toe. Het nummer kan besteld worden aan €8,95 via de webshop en ik kan ook van harte een abonnement aanbevelen op dit unieke tijdschrift voor fantastiek, horror, sciencefiction & aanverwante literatuur.

Hieronder enkele impressies van mijn trip, waarover veel meer - zoniet alles - te lezen valt in de essayistische fantastische vertelling Groetjes uit Brocéliande.



De menukaart bestuderen van Le Gorille Bleu, op de hoek van de Rue du Griffon.



In deze feeërieke winkelstraat van Rennes hing Merlijn ook rond,
met zijn hele hebben en houden in een winkelkarretje.




De rue de l'Enchanteur Merlin in Paimpont kent nogal wat geboden en verboden...

Een betoverd meer (of een dito grote vijver) in Paimpont.


De Tombe van Merlijn, met offerandes...

Felix Bellamy populariseerde de legenden
en vond er de plekken bij waar ze zich afspeelden.

De Bron van de Eeuwige Jeugd trekt nog steeds veel toeristen...



Eindpunt van de ontdekkingstocht was het kerkje van abbé Gillard
in Tréhorenteuc, de Kerk van de Graal
met het vreemd mystieke opschrift boven de deur:
"La Porte Est Dedans!"


Christelijke en Keltische mythen en Graalsymboliek zijn hier verenigd.

Haalden de promotoren van Rennes-le-Château
en de abbé Saunière hier in Tréhorenteuc bij abbé Gillard
hun mosterd vandaan?

Dàt en nog veel meer kom je te weten in...
Groetjes uit Brocéliande!

31.7.26

101 Familiefoto's - 005: Onverwagt & Victime

 



Mijn vrouw, Elke, doet al vele jaren onderzoek naar haar stamboom, die voor een deel ook de mijne is. Daar zijn al enkele curieuze ontdekkingen uit voortgekomen – bijvoorbeeld, dat ik nog verre familie ben van die andere schrijver uit Erembodegem, Louis Paul Boon. Maar daar moet ik het een andere keer over hebben, omstreeks Familiefoto 90 of zo. Want nu zit ik met hetfotoalbum van ons moe op schoot omdat ik iets wil gaan schrijven over de mensen die daarin terug te vinden zijn. Geneanet kan daarbij een uitstekend hulpmiddel zijn, als je tenminste een poging wil doen om de feiten van de fictie te scheiden, al dan niet van eigen fabricaat, je herinneringen te checken en je memoires in min of meer correcte banen te leiden.



Het is mijn voornemen in eerste instantie te vertrekken vanuit mijn parate geheugen: de verzameling uitspraken, anekdotes en familielegendes die vooralsnog ergens in het voorgeborchte van de vergetelheid rondzweven. Vervolgens wil ik in de mate van het mogelijke achterhalen hoe groot hun waarheidsgehalte is. Wie mij en mijn werk een beetje kent, weet dat ik er ook niet voor terug zal schrikken, als de gelegenheid zich voordoet, met onversneden plezier een nieuwe legende te creëren. Ik woon nu eenmaal in twee werelden tegelijk: die van jouw en mijn werkelijkheid, en die van de verbeelding.

Wat de Nonkel Victor betreft van de familiefoto waarmee ik deze reeks begonnen ben, moet ik al meteen een bekentenis doen. In de verbeelding die mijn herinneringen creëerden, behoorde hij  tot het geslacht Temmerman (‘het Daensistisch nest’, weet je wel) maar blijkt dat niet zo te zijn en heb ik hem dus mogelijk ten onrechte ‘zwarte gedachten’ onder zijn panama geschoven. En het beeld dat ik in dat stukje ophang van Rosa klopt – wat de roodgestifte lippen en de rouge op haar wangen betreft – en het zal ongetwijfeld wel waar zijn dat zij ook een goeie partij huwde, maar als echtgenoot had ik een andere in gedachten, getrouwd met een andere tante van ons va (eveneens met roodgestifte lippen en rouge op de wangen, maar iets minder).

Nog zoiets: het is altijd mijn stellige overtuiging geweest dat Petjen uit een boerenfamilie kwam uit het gehucht Essene, gelegen op enkele flinke boogscheuten van Erembodegem, en dat hij altijd schrijnwerker is geweest, timmerman. In 2020, toen het fotoalbum van ons moe boven water kwam, bleek ineens dat hij in zijn jonge jaren als brouwersgast de baan op was gegaan, samen met zijn broer Jean Baptist, aka Nonkel Zjang. En dat hun vader, Henricus Onverwagt – de man van de foto bij dit stukje – in de huwelijksakte van Petjen niet als ‘landbouwer’ maar evenzeer als ‘brouwersgast’ vermeld staat. Het album van ons moe opent nogal pontificaal met een grote landscape foto uit de jaren 30 van de twee broers bij hun vrachtwagen. Was het dan dat brouwersgastenschap dat in de familie zat, in plaats van de boerderij?  Ook aan die kwestie moet ik nog een apart stuk wijden.

Ik wil maar zeggen dat ik enige reserves had bij misschien wel de grootste, maar ook – dacht ik – de moeilijkst verifieerbare familielegende van het geslacht Onverwagt. Zowel ons moe als Petjen waren nogal fier op hun naam, die ze – terecht – heel mooi en zelfs een tikje mysterieus vonden. ‘Wij zijn afkomstig van een vondeling!’ beweerden ze, die ergens onverwacht was opgedoken in een tijd toen de ch en de g in de spelling van de Nederlandse taal nog inwisselbaar waren.




Via Henricus Onverwagt, gehuwd met Joanna-Francisca Van Schuerbeeck brengt Geneanet mij onverwijld bij zijn ouders: Petrus Joannes Onverwagt en Barbara De Raedt. En een generatie verder bij ‘Joannes Onverwacht (sic), geboren op 2 februari 1808 te Aalst, 26 jaar oud, vondeling, wonende te Esschene, dienstbode van beroep, vondeling zonder bekende ouders geboren omstreeks 02-02-1808; voldaan aan wet op Militie’. De huwelijksakte is te vinden in de Open Archieven (openarchieven.nl) en op de website Familiegeschiedenis (familiegeschiedenis.be), in de parochieregisters. Henricus trouwde op 15 januari 1834 in Essene met ‘Melania Victime, geboren op 29 oktober 1805 te Brussel, meerderjarige, vondelinge, wonende te Esschene, dienstmeyt van beroep, vondelinge zonder (on)bekende ouders geboren omstreeks 07 brumaire jaar XIV.’ De alternatieve jaartelling slingert ons meteen terug naar revolutionaire tijden. Getuigen bij het huwelijk waren overigens twee landbouwers, een herbergier en een ‘veldwagter’.




De unieke achternamen van Joannes en Melania schijnen typerend te zijn voor de naamloze kinderen die destijds in het vondelingenhuis werden ‘afgegeven’. Enig speurwerk leert me dat Vlaanderen rond 1800 een sterke stijging kende van het aantal vondelingen als gevolg van zware armoede en de textielcrisis. Onder het Frans bewind werd in 1811 een decreet uitgevaardigd dat zorgde voor officiële vondelingentehuizen en de beruchte 'vondelingenschuif'. Vondelingen werden door de ambtenaar van de burgerlijke stand geregistreerd. Ze kregen een willekeurige voor- en achternaam, vaak afgeleid van de vindplaats, het tijdstip of de maand van vondst. De vondelingentehuizen fungeerden vooral als depots; de overlevingskans was daar zeer laag, door ondervoeding en ziektes. Zodra het kon, werden de baby’s uitbesteed aan pleeggezinnen op het platteland, die hiervoor een vergoeding kregen. Vanaf hun zesde of twaalfde jaar moesten de kinderen er vaak als dienstbode of landarbeider werken.

Vondelingen werden door ambtenaren of de kerk vaak bedacht met fantasierijke of symbolische namen, zoals Onverwacht (het kind kan het gevolg geweest zijn van een ‘ongelukje’) en Victime. Blijkbaar gebeurde het wel meer dan vondelingen met elkaar trouwden: zij groeiden nu eenmaal vaak op in dezelfde instellingen of bij specifieke pleeggezinnen in dezelfde regio.

Kunnen synchroniciteiten – in het oog springende toevalligheden, zie daarvoor Een magisch-realist in Mysterieus België – zich op magisch-realistische wijze ook manifesteren in je voorgeslacht? Blijkbaar zijn Petjen – Jan Ferdinand Onverwagt – en zijn gevonden overgrootvader Joannes getrouwd met exact honderd jaar verschil. En de ontvanger die negentig frank incasseerde voor de huwelijksakte van Jan Ferdinand in 1934, heette Toussaint… net zoals de brouwerij waar hij als brouwersgast aan de slag was.






 Alle 101 Familiefoto's zullen op termijn hier te vinden zijn.


21.7.26

101 Familiefoto's - 004: Het Groene Boek van ons Moe

 



Het fotoalbum is typisch jaren zeventig. Op een zacht glooiende grashelling, badend in warm namiddaglicht, schurkt een jong koppel dicht tegen elkaar aan. Hun gezichten zijn nauwelijks zichtbaar; ze lijken volledig op te gaan in elkaar, zich niet bewust van de camera – dit is een gestolen moment.

Rond hen strekt zich een uitgestrekt parklandschap uit. Het gazon golft zacht naar beneden, als een groene zee waarin het zonlicht brede banen van goud trekt. Hoge bomen omringen de scène als een natuurlijke kathedraal. Hun bladeren filteren het licht, waardoor overal kleine schitteringen ontstaan. Links hangen takken laag over een donkere waterpartij of een schaduwrijke greppel; rechts valt het zonlicht fel op een treurwilg waarvan de lange takken als een gordijn naar beneden hangen.

Precies dit in hels groen plastic verpakt album met een nostalgisch coverbeeld naar vervlogen zomers en jeugdige liefdes heeft ons moe uitgekozen als familiaal fotoalbum. Het past als de spreekwoordelijke tang op het dito varken, al besef ik dat ook die beeldspraak hier min of meer ongepast is. De handige cellofaan maakt het onhandig knoeien met klevertjes overbodig, misschien heeft ze daarom dit album gekozen. Of het lag in de solden, dat kan ook. Nu goed, het is het binnenste dat telt, nietwaar. Niet de verpakking, maar de inhoud.




Zonder dit Groene Boek zou er geen sprake zijn van deze reeks 101 Familiefoto’s. Zoals je kunt zien, heb ik het volgeplakt met papiertjes die me eraan moeten herinneren wat ik nog zoal wil vertellen bij de foto’s die het bevat. Ik ben er vrij zeker van dat ons moe eraan begonnen is kort na de dood van haar vader, mijn Petjen, in 1976. En ze is zeer selectief geweest: dit album was duidelijk bedoeld voor haar tak van de familie, voor het geslacht Onverwagt – en aangezien Jan Ferdinand trouwde met Florine Van Gheit, min of meer ook voor die vertakking. Een Bernauw of een Temmerman (mijn grootmoeder langs vaders kant) zijn nog in geen velden of wegen te bekennen.

Eigenlijk is het bijna symbolisch dat er toch tamelijk veel ruimte in het album wordt besteed aan ‘tante Louise’, de jongere zus van Florine. Je kon ons moe niet echt een fan noemen van tante Louise, het Orakel van de Brusselbaan die een glansrijke carrière als Gendarme of Dragonder had gemist. Tante Louise (spreek uit: ‘Lowis’) heeft op het reilen en zeilen van het gezin Onverwagt-Van Gheit erg veel invloed uitgeoefend, en doorgaans niet in de goede zin van het woord. Haar talent om onrust te zaaien heeft ook voor haar eigen gezin desastreuze gevolgen gehad. Maar daarover later meer.






Ik wist nauwelijks af van het bestaan van dit album tot 2020. Na de dood van ons va in 2009 had ons moe zich vrij snel ‘herpakt’, en was ze vol goede moed begonnen aan een nieuw leven zonder haar ‘halve trouwboek’. Fysiek mocht hij er dan niet meer zijn, in onze – en haar – gedachten en gevoelens bleef hij nog zeer levendig. Vanaf 2016 zo ongeveer begon ons moe lichamelijk en geestelijk erg achteruit te gaan: ze sloot zich af van vrienden, kennissen en buren – maar ook van haar naaste familie. Als Ferna en Johan – mijn twee broers – en ik op zondagvoormiddag kwamen aperitieven, trok ze naar buiten om bladeren op te rapen van het gazon. Ook als ze bij ons thuis kwam eten, nam ze nog nauwelijks deel aan de conversatie. Ze verwaarloosde zichzelf, het huis aan de Roomshofstraat raakte in verval, maar daarover met haar in gesprek gaan was onmogelijk.

Ik denk dat ze bang was dat ze dement werd. We gaven bij de Scriptomanen in die periode een dichtbundel van Eddy Vaernewyck uit, Over het geluk van oude zomers. Omdat ik meende dat ze deze poëzie wel zou kunnen smaken en omdat er enkele pakkende gedichten over dementie in stonden – ons moe was erg geïnteresseerd in dat onderwerp, sinds ze haar demente moeder had verzorgd – gaf ik haar een exemplaar cadeau. Ze gooide het weg, met de boodschap dat ze dat allemaal niet meer wilde lezen.

Eind december 2019 vond mijn jongste broer Johan haar in de gang, waar ook de telefoon stond. Ze had daar al een hele tijd gelegen, had een toeval gekregen, een attakske – of een reeks attakskes – en was gevallen toen ze wellicht op weg was naar de telefoon. Ze was erg verward, werd opgenomen in het ziekenhuis, knapte daar lichamelijk vrij goed op – al zou ze vanaf nu voortdurend aangewezen zijn op een rollator, of zelfs een rolstoel – en moest opgenomen worden in een woonzorgcentrum. We kozen voor de Gerstjens: het was dichtbij, in het hart van Erembodegem waar ze altijd gewoond had, en er verbleven al enkele oude bekenden van haar, onder wie ook een bijzonder goeie jeugdvriendin.

Begin januari 2020 verhuisde ze van het ziekenhuis recht naar het woonzorgcentrum – waar ze een paar maanden later al meteen geconfronteerd werd met corona – en werd haar huis aan de Roomshofstraat verkocht. Het huis moest leeg gemaakt worden, en bij die gelegenheid stootte ik op het Groene Boek, dat in mijn archieven belandde, op de zolder van de garage. In 2008 hadden we het huis van Nonkel Frans al leeggemaakt – de jongste broer van Petjen – en had ik mij ook ontfermd over zijn archief. Vroeg of laat zou ik daar eens iets mee aanvangen, had ik gedacht. En omdat hij de jongste van het geslacht Onverwagt was geweest, en al zijn broers en zussen inmiddels ook waren gestorven, waren veel memorabilia via hem ook al bij mij verzeild geraakt.

Op die manier wist ik dat veel foto’s het Groene Boek niet hadden gehaald, niet alleen omdat het hoogstwaarschijnlijk al kort na 1976 was samengesteld, maar ook omdat de focus ervoor duidelijk bij het gezin Onverwagt-Van Gheit had gelegen, met tante Lowis als onvermijdelijk aanhangsel.



Uiteraard dook het ook weer op bij het overlijden van ons moe in mei 2026, toen mijn broers en ik op zoek gingen naar foto’s voor de montage bij haar levensloop en het liedje In de ogen van ons moe dat we gemaakt hadden. Daar en dan heeft het idee voor dit boek vaste vorm aangenomen. Ik was verplicht een selectie te maken, maar bij elke mij al bekende of nog redelijk onbekende foto die ik onder ogen kreeg, ontsprong telkens ook weer een stroom herinneringen…

En wat doe je dan, als schrijver?

Dan schrijf je die op, natuurlijk.




Podcast Luisterboeken