21.7.26

101 Familiefoto's - 004: Het Groene Boek van ons Moe

 



Het fotoalbum is typisch jaren zeventig. Op een zacht glooiende grashelling, badend in warm namiddaglicht, schurkt een jong koppel dicht tegen elkaar aan. Hun gezichten zijn nauwelijks zichtbaar; ze lijken volledig op te gaan in elkaar, zich niet bewust van de camera – dit is een gestolen moment.

Rond hen strekt zich een uitgestrekt parklandschap uit. Het gazon golft zacht naar beneden, als een groene zee waarin het zonlicht brede banen van goud trekt. Hoge bomen omringen de scène als een natuurlijke kathedraal. Hun bladeren filteren het licht, waardoor overal kleine schitteringen ontstaan. Links hangen takken laag over een donkere waterpartij of een schaduwrijke greppel; rechts valt het zonlicht fel op een treurwilg waarvan de lange takken als een gordijn naar beneden hangen.

Precies dit in hels groen plastic verpakt album met een nostalgisch coverbeeld naar vervlogen zomers en jeugdige liefdes heeft ons moe uitgekozen als familiaal fotoalbum. Het past als de spreekwoordelijke tang op het dito varken, al besef ik dat ook die beeldspraak hier min of meer ongepast is. De handige cellofaan maakt het onhandig knoeien met klevertjes overbodig, misschien heeft ze daarom dit album gekozen. Of het lag in de solden, dat kan ook. Nu goed, het is het binnenste dat telt, nietwaar. Niet de verpakking, maar de inhoud.




Zonder dit Groene Boek zou er geen sprake zijn van deze reeks 101 Familiefoto’s. Zoals je kunt zien, heb ik het volgeplakt met papiertjes die me eraan moeten herinneren wat ik nog zoal wil vertellen bij de foto’s die het bevat. Ik ben er vrij zeker van dat ons moe eraan begonnen is kort na de dood van haar vader, mijn Petjen, in 1976. En ze is zeer selectief geweest: dit album was duidelijk bedoeld voor haar tak van de familie, voor het geslacht Onverwagt – en aangezien Jan Ferdinand trouwde met Florine Van Gheit, min of meer ook voor die vertakking. Een Bernauw of een Temmerman (mijn grootmoeder langs vaders kant) zijn nog in geen velden of wegen te bekennen.

Eigenlijk is het bijna symbolisch dat er toch tamelijk veel ruimte in het album wordt besteed aan ‘tante Louise’, de jongere zus van Florine. Je kon ons moe niet echt een fan noemen van tante Louise, het Orakel van de Brusselbaan die een glansrijke carrière als Gendarme of Dragonder had gemist. Tante Louise (spreek uit: ‘Lowis’) heeft op het reilen en zeilen van het gezin Onverwagt-Van Gheit erg veel invloed uitgeoefend, en doorgaans niet in de goede zin van het woord. Haar talent om onrust te zaaien heeft ook voor haar eigen gezin desastreuze gevolgen gehad. Maar daarover later meer.






Ik wist nauwelijks af van het bestaan van dit album tot 2020. Na de dood van ons va in 2009 had ons moe zich vrij snel ‘herpakt’, en was ze vol goede moed begonnen aan een nieuw leven zonder haar ‘halve trouwboek’. Fysiek mocht hij er dan niet meer zijn, in onze – en haar – gedachten en gevoelens bleef hij nog zeer levendig. Vanaf 2016 zo ongeveer begon ons moe lichamelijk en geestelijk erg achteruit te gaan: ze sloot zich af van vrienden, kennissen en buren – maar ook van haar naaste familie. Als Ferna en Johan – mijn twee broers – en ik op zondagvoormiddag kwamen aperitieven, trok ze naar buiten om bladeren op te rapen van het gazon. Ook als ze bij ons thuis kwam eten, nam ze nog nauwelijks deel aan de conversatie. Ze verwaarloosde zichzelf, het huis aan de Roomshofstraat raakte in verval, maar daarover met haar in gesprek gaan was onmogelijk.

Ik denk dat ze bang was dat ze dement werd. We gaven bij de Scriptomanen in die periode een dichtbundel van Eddy Vaernewyck uit, Over het geluk van oude zomers. Omdat ik meende dat ze deze poëzie wel zou kunnen smaken en omdat er enkele pakkende gedichten over dementie in stonden – ons moe was erg geïnteresseerd in dat onderwerp, sinds ze haar demente moeder had verzorgd – gaf ik haar een exemplaar cadeau. Ze gooide het weg, met de boodschap dat ze dat allemaal niet meer wilde lezen.

Eind december 2019 vond mijn jongste broer Johan haar in de gang, waar ook de telefoon stond. Ze had daar al een hele tijd gelegen, had een toeval gekregen, een attakske – of een reeks attakskes – en was gevallen toen ze wellicht op weg was naar de telefoon. Ze was erg verward, werd opgenomen in het ziekenhuis, knapte daar lichamelijk vrij goed op – al zou ze vanaf nu voortdurend aangewezen zijn op een rollator, of zelfs een rolstoel – en moest opgenomen worden in een woonzorgcentrum. We kozen voor de Gerstjens: het was dichtbij, in het hart van Erembodegem waar ze altijd gewoond had, en er verbleven al enkele oude bekenden van haar, onder wie ook een bijzonder goeie jeugdvriendin.

Begin januari 2020 verhuisde ze van het ziekenhuis recht naar het woonzorgcentrum – waar ze een paar maanden later al meteen geconfronteerd werd met corona – en werd haar huis aan de Roomshofstraat verkocht. Het huis moest leeg gemaakt worden, en bij die gelegenheid stootte ik op het Groene Boek, dat in mijn archieven belandde, op de zolder van de garage. In 2008 hadden we het huis van Nonkel Frans al leeggemaakt – de jongste broer van Petjen – en had ik mij ook ontfermd over zijn archief. Vroeg of laat zou ik daar eens iets mee aanvangen, had ik gedacht. En omdat hij de jongste van het geslacht Onverwagt was geweest, en al zijn broers en zussen inmiddels ook waren gestorven, waren veel memorabilia via hem ook al bij mij verzeild geraakt.

Op die manier wist ik dat veel foto’s het Groene Boek niet hadden gehaald, niet alleen omdat het hoogstwaarschijnlijk al kort na 1976 was samengesteld, maar ook omdat de focus ervoor duidelijk bij het gezin Onverwagt-Van Gheit had gelegen, met tante Lowis als onvermijdelijk aanhangsel.



Uiteraard dook het ook weer op bij het overlijden van ons moe in mei 2026, toen mijn broers en ik op zoek gingen naar foto’s voor de montage bij haar levensloop en het liedje In de ogen van ons moe dat we gemaakt hadden. Daar en dan heeft het idee voor dit boek vaste vorm aangenomen. Ik was verplicht een selectie te maken, maar bij elke mij al bekende of nog redelijk onbekende foto die ik onder ogen kreeg, ontsprong telkens ook weer een stroom herinneringen…

En wat doe je dan, als schrijver?

Dan schrijf je die op, natuurlijk.


20.7.26

Blackout 04: De eerste keer dat hij stierf

 




De eerste keer dat hij stierf, merkte hij het nauwelijks.

Er was een ziekenhuiskamer geweest, een winteravond waarop de regen tegen de ramen tikte en een verpleegster die hem nog iets had gevraagd wat hij niet meer verstond omdat haar stem al van heel ver leek te komen. Daarna volgde een duisternis die zo volmaakt was dat zij niet eens als duisternis kon worden ervaren. Er waren geen dromen, geen herinneringen, geen tunnel van licht of reeds gestorven familieleden die hem stonden op te wachten. Er was eenvoudigweg Niets.

En vervolgens was er opnieuw Iets.

Toen hij zijn ogen opende, zat hij in de woonkamer van zijn ouderlijk huis. De versleten sofa stond nog naast de kachel, de klok boven de schoorsteenmantel wees tien over acht aan en door het raam zag hij de appelboom die vroeger precies in het midden van de tuin had gestaan. Alles was nog net zoals hij het zich herinnerde.

Aanvankelijk dacht hij dat hij droomde. Maar toen hij naar buiten liep, kreeg hij steeds sterker het gevoel dat niet hijzelf, maar de wereld rondom hem een droom was. De straat lag er verlaten bij, er reden geen auto's voorbij, er klonken geen stemmen. Hij wandelde door de stilte van een toneeldecor dat wacht tot de acteurs hun plaatsen innemen.

Maandenlang dwaalde hij door deze merkwaardige stad die de zijne was. Hij vond winkels waarvan de deuren nooit opengingen, cafés waarin glazen op tafels stonden alsof de klanten elk moment konden terugkeren en stations waar treinen aankwamen zonder passagiers.

Pas veel later ontmoette hij een andere mens. Een jonge vrouw zat op een bank aan een rivier die op geen enkele kaart voorkwam. Ze vroeg hem wanneer hij was gestorven en toen hij antwoordde dat dit vorige week was gebeurd, glimlachte ze en zei: "Dat denkt u maar."

Zijzelf werd geveld in 1912 door een longontsteking. Sindsdien woonde ze hier, in deze vreemde wereld waar mensen uit verschillende tijden elkaar soms ontmoetten alsof de geschiedenis was samengevouwen tot één enkele bladzijde.

In de jaren die volgden ontmoette hij nog lotgenoten: een zeeman uit de zeventiende eeuw, een monnik uit de middeleeuwen, een programmeur uit een verre toekomst die beweerde dat heel deze wereld niet meer dan een simulatie was. Hun verhalen verschilden in bijna alles, behalve in één detail: iedereen was gestorven, en hij of zij was daarna hier terechtgekomen.

Langzaam groeide het vermoeden dat deze plaats geen hiernamaals was, maar… iets anders. Gebouwen leken soms alleen te bestaan omdat iemand ze zich herinnerde. Straten verdwenen wanneer hun laatste bewoner vergeten werd... of ze vergat. De stad was niet opgebouwd uit steen en beton, maar uit herinneringen die hardnekkig weigerden te verdwijnen.

Op een avond bracht de vrouw hem naar een verlaten vlakte waar een eenzame deur stond, zonder muur eromheen, zonder huis - alsof ze daar door niemand en voor niemand was achtergelaten.

"Wat bevindt zich erachter?" vroeg hij.

"Dat weet niemand," antwoordde de vrouw. "Wie erdoor gaat, keert nooit terug."

Jarenlang bleef de deur hem achtervolgen - spreekwoordelijk, uiteraard. Uiteindelijk won zijn nieuwsgierigheid het pleit. Op een dag legde hij zijn hand op de koude klink, dacht aan de regen tegen het ziekenhuisraam op de avond van zijn dood en aan alle herinneringen waaruit deze wereld was opgebouwd.

Toen opende hij de deur.



Alle blackouts zullen op termijn te vinden zijn via deze link. Hier vind je ook alle info over het boek Groetjes uit de vierde dimensie, dat eveneens samengesteld is uit microfictie en illustraties (postkaarten) geïnspireerd door blackout poetry, en andere produkten van het Mystiek Actie Front MAF.

14.7.26

101 Familiefoto's - 003: Petjen

 


Nu we dan toch bezig zijn, hier komt nog een fragment aan uit Een magisch-realist in Mysterieus België:

 

Mijn grootvader, ‘Petjen’, was mijn held… en omgekeerd was dat ongetwijfeld ook het geval. Petjen maakte voor mij een boog van essenhout, en in de Zavelputten gingen we riet snoeien, en als je dan wat modder in zo’n uiteinde van een stuk riet stopte, kreeg je een pijl die goed rechtdoor kon vliegen en ook recht naar beneden kwam.

Hij leerde mij ‘muziekskes’ blazen op een stugge grasspriet, en vertelde mij bij de Duivelsputten verhalen over de stuikrover Jan De Lichte. In het moeras kon je nog de restanten van de postkoets zien drijven die zijn bende daar had overvallen. En hij drukte me op het hart nooit voorbij het roestige ijzeren hek te gaan dat het domein ‘van de baron’ afsloot, want daar lagen allemaal wolfsijzers en schietgeweren.

Petjen toonde me hoe je op een landerige zaterdagnamiddag spannende avonturen kon beleven, door een lege portefeuille aan een dun touwtje te hangen en op het fietspad te leggen – hij woonde op de Brusselse Steenweg, daar kwamen behalve tamelijk veel auto’s ook wel wat fietsers voorbij. Hij deed me voor hoe ik me in het struikgewas kon verstoppen, wachtend op de argeloze fietser die de portefeuille zou opmerken en van zijn fiets stappen, net voor de top van de Boechoutberg (67 meter boven de zeespiegel, leerden we in de gemeenteschool) en volstrekt buiten adem. En hoe ik ten slotte heel hard lachend heel hard moest wegrennen, met portefeuille en al. 

Ik vertelde hem op zijn vraag vanalles over wat ik op school had geleerd. Hoe de mensen tegenwoordig naar de maan vlogen en zo – al begrijp ik dat zelf nog altijd niet goed – en hoe de Romeinen destijds ons land hadden bezet – daar wist ik dan weer alles over – en wanneer ik iets aan het lezen was, vroeg hij me soms een stukje voor te lezen. Want zelf kon hij amper lezen, hij was maar tot zijn veertiende naar school geweest, en dan nog vooral ‘achter de haag’.

Ik was gek op paarden; dat kwam door al die boeken over Winnetou en Old Shatterhand. Ik las Petjen bij voorkeur een passage voor waarin paarden opdraafden, en schetste in geuren en kleuren hoe je als ruiter één kon worden met je paard en dat je ermee kon praten, maar dat je elkaar ook begreep zonder woorden. En daar op de Boechoutberg had Petjen een heel grote moestuin en hield hij ook veel kippen en konijnen, maar daarachter kon hij nog wel een wei huren om het paard op te zetten dat hij voor mij zou kopen.

Er was maar één probleem. Mijn moeder zei ‘nee’.

Maar toen kregen we nieuwe overburen, en op de wei waar mijn paard had moeten staan, stond nu dat van de dochter van de overburen. Het paard heette Cry. En Petjen regelde het zo dat hij het paard mocht verzorgen als de eigenaars op reis waren – ze waren nogal rijk, die overburen, en dus gingen ze skiën in de winter, naar de Côte d’Azur in de zomer, en tussendoor bezochten ze allerlei wereldsteden. Zo kwam ik dan toch nog op de rug van een paard terecht. Dat van die eenheid van mens en dier viel wat tegen, maar praten met een paard kon ik als de beste.

Vanuit mijn tuin – ik woon nu in het huis dat ooit eigenhandig door mijn grootvader werd gebouwd – kan ik nog steeds de bedding zien waar ooit de laatste tram tussen Gent en Brussel reed. En de wei waar ‘mijn’ paard stond. Tot Petjen in die mythische zomer van ’76 stierf en er een einde kwam aan mijn weekfends en vakanties op de Boechoutberg. Voor een jaar of tien dan toch.

Petjen had prostaatkanker en we wisten dat die zomer zijn laatste zou worden. Ik was veertien, het werd september en ik ging met de fiets naar school. Toen ik terugkeerde naar huis, kruiste ik ter hoogte van het park van Aalst, net voor de Kapellekensbaan van Louis Paul Boon, een lijkwagen. Plotseling voelde het alsof ik lood in de benen kreeg, ik wist gewoon dat Petjen er niet meer zou zijn. Mijn voorgevoel had me niet bedrogen; er waren nog lang geen smartphones, we hadden thuis zelfs nog maar sinds kort telefoon… Maar toen ik de deur opende en mijn fiets stalde en mijn moeder in het smalle gangetje verscheen, moest ze niets meer zeggen. Ik wist het al. Petjen had een fatale hersenbloeding gekregen.



 

De foto die de motor is van deze stroom van herinneringen staat aan het begin van dit stukje. Hij hing in groot formaat, in een zwaar kader op de badkamer van het huis op de heuvel. Die badkamer had toen nog alleen een bad en een lavabo, een toilet was er niet. Daarvoor moest je naar tosjke of ‘het huisje’ dat was aangebouwd aan het stalletje dat was aangebouwd aan de veranda die was aangebouwd aan de eigenlijke woning. In de badkamer stond een nachtemmer – als kind moest ik ’s nachts nog niet opstaan om te gaan plassen, maar ’s ochtends keken petjen, metjen en ‘ons moe’ altijd sereen en ernstig op mij neer als ik het in de emmer liet klateren.  

Het is een zorgvuldig gecomponeerd familieportret zoals dat gebruikelijk was in de vroege jaren 1940. Alles wijst erop dat de foto werd gemaakt in een studio, waar licht, houding en compositie zorgvuldig werden geregisseerd om een beeld van respectabiliteit en familiale verbondenheid vast te leggen.

Het kleine meisje, mijn moeder, zit vooraan op een ronde kruk. Ze vormt letterlijk en figuurlijk het middelpunt van de compositie. De enorme witte strik boven op haar hoofd, zo groot als haar gezicht, fungeert als een visueel ankerpunt. Ze zit ontspannen, met de benen schuin over elkaar op de kruk… als helemaal niet mijn moeder.

Wat het beeld zo ontroerend maakt, realiseer ik me nu, is een subtiel evenwicht tussen ernst en tederheid. Petjen straalt bescherming uit, metjen warmte, mijn moeder zorgt voor een vleugje onvoorspelbaarheid. Ze vormen een driehoek van blikken en houdingen die bijna een klein verhaal vertellen: van een papa en een mama die hun toekomst voor zich zien zitten op een kruk, met een grote witte strik in het haar en de aandacht al half gericht op de wereld die zich buiten het kader van de foto bevindt.

Podcast Luisterboeken