21.10.26

101 Familiefoto's van Patrick Bernauw - 015/016: Wie werd hier weggeknipt?

 



Familiegeheimen… Je merkt aan een gesprek dat plotseling een andere richting uitgaat wanneer een bepaalde naam valt, dat je ze hebt aangeraakt. Een tante zegt dat je daar beter niet naar vraagt, een grootmoeder is ineens heel druk bezig met het inschenken van koffie… Maar er bestaan ook familiegeheimen waarvan je niet wist dat ze bestonden en die pas aan het licht komen als degenen die ze kenden er niet meer zijn. Dan blijft er soms nauwelijks meer over dan een voorwerp, een brief zonder context, een naam op de achterkant van een postkaart of, zoals in dit geval, twee oude foto’s waar iemand ooit iemand anders heeft weggeknipt.

De foto’s in kwestie bevinden zich in het familiealbum dat mijn moeder Justine Onverwagt heeft samengesteld rond haar ouders, Jan Ferdinand Onverwagt en Florine Van Gheit. Het fameuze Groene Boek met de schreeuwlelijke jaren 70 cover kwam wellicht kort na 1976 tot stand, toen mijn 'Petjen', haar vader, overleed. Pas toen ook mijn moeder overleed, in mei 2026, rijpte bij mij het idee iets te gaan doen met dat album en met een aantal andere foto’s uit haar nalatenschap.

Ik kan mij mijn Petjen onmogelijk voorstellen als iemand die foto’s bijhield, en er was ook geen foto-album aanwezig in het huis op de Boechoutberg van Erembodegem, dat hij zelf gebouwd had en waar ik zovele vakantiedagen en weekends doorbracht. Daar ben ik heel zeker van, want anders zou ik zo’n album zeker gezien hebben. Waarschijnlijk staken de foto’s in een doos, mogelijk zo’n blikken koekjesdoos met een huwelijksfoto op van koning Boudewijn en koningin Fabiola, of met een huiselijk tafereel ontleend aan een schilderij van Vermeer of Rembrandt. Die heb ik hier in het huis op de heuvel wél gezien, er werd ook vanalles in bewaard – van naald en draad en knopen en dobbelstenen voor het ganzenspel… tot, jawel, koekjes en snoepjes.

Metjen Florine was het administratieve hoofd van het gezin – Petjen kon amper lezen en schrijven, maar hij bouwde wel huizen in zijn vrije tijd, grotendeels in zijn eentje, en hield er een uitgebreide moestuin op na, en kippen en konijnen, en hij had ook nog een full time job als schrijnwerker… tot hij met pensioen ging en prompt ziek werd. Metjen zal ongetwijfeld ook de foto’s verzameld en bijgehouden hebben die uiteindelijk terechtgekomen zijn in het album van mijn moeder. Na het overlijden van Petjen in 1976 trok zij in bij ons thuis, eerst aan de Kerkhofbaan in Erembodegem en daarna aan de Roomshofstraat.

Het lijkt er dus op dat het Metjen was die de persoon of personen op de twee foto’s zonder veel consideratie met een schaar heeft weggeknipt – want haar dochter, mijn moeder, heeft het niet gedaan. Tot mijn grote spijt heb ik haar nooit gevraagd naar de Weggeknipte. Ik had dat al kunnen doen in 2020, toen ze verhuisde naar een woonzorgcentrum, en ik het fotoalbum voor het eerst te zien kreeg. Ze maakte een vage allusie op de gecensureerde figuren, waardoor ik begreep dat ze er ook niet echt het fijne van wist – en ik moest nog zoveel andere grote historische mysteries oplossen, ik had geen tijd om mij te verdiepen in dit simpele kleine familiegeheim.

Zodus… wie was daar te zien op deze twee foto’s, die niet langer gezien mocht worden? Misschien doe ik Petjen onrecht aan, als ik hem al bij voorbaat niet als verdacht in beeld laat komen. Kleinkinderen leren hun grootouders tenslotte pas kennen wanneer het grootste en vaak interessantste deel van hun leven al voorbij is. Maar ik kan mij eerlijk gezegd niemand anders voorstellen dan metjen Florine, die de schaar hanteerde… zodat deze twee beschadigde familiefoto’s daarmee plotseling zijn veranderd in een boodschap van mijn grootmoeder die ik vele jaren te laat probeer te ontcijferen.

Over het mysterie van de eerste foto heb ik een voor de helft fictief en voor de andere helft redelijk feitelijk verhaal geschreven, dat te beluisteren valt op de podcast Mysterieus België.

Maar in hetzelfde familiealbum bevindt zich nog een tweede foto met een weggeknipte figuur, waarover ik het hier wil hebben... en daar staat Nand wel degelijk op. Hij zit met Florine in een roeiboot. Achter hen strekt zich een brede waterpartij uit, met een dichtbegroeide, lage oever en verschillende andere bootjes waarop mensen spelevaren. Rechts liggen nog enkele roeiboten. Het is duidelijk een recreatieoord, waar men een boot kon huren, en een aantrekkelijke piste is dat de foto aan het Donkmeer in Berlare werd gemaakt. Zeker weten kunnen we het niet, want er staat geen herkenbaar gebouw of ander uniek landschapselement op, maar historisch past het uitstekend. Overmere-Donk was al vanaf het einde van de negentiende eeuw een bestemming voor volkstoerisme, en in de eerste decennia van de twintigste eeuw kwamen er dagjesmensen uit onder meer Aalst, Dendermonde en Gent om te wandelen, te vissen, te zwemmen en in roeibootjes rond te dobberen.  

Ik stel mij dus voor dat Jan en Florine op een zondag vanuit het Land van Aalst naar Overmere-Donk zijn getrokken. Met zijn tweetjes, met zijn drieën of met zijn vieren? Geen idee. Ze wandelden, dronken iets, waarschijnlijk aten ze hun meegebrachte boterhammetjes met ei op, en uiteindelijk huurden ze een roeiboot. Nand trok zijn jas uit, als hij die al bij zich had, en zat in zijn lichte overhemd met das en bretels naast Florine. Zij droeg een eenvoudige lichte blouse en zat met haar handen rustig voor zich. Hij sloeg zijn arm om haar schouders en beiden keken naar de fotograaf.

Hier zijn ze duidelijk al samen, en niet als toevallige kennissen die voor de fotograaf beleefd naast elkaar zijn gaan zitten. Er spreekt vertrouwdheid uit die arm rond haar schouders. Wie de foto nam, zag een jong paar voor zich – en nog een of twee anderen, want opnieuw ontbreekt links een deel van het beeld. Twee foto's uit dezelfde periode en van dezelfde tak van de familie, allebei via Metjen Florine bij haar dochter terechtgekomen, allebei met Florine erop, en allebei met de schaar onder handen genomen.

Wie wilde Florine niet langer op haar foto's te zien krijgen? Leggen we de beide foto’s bij elkaar, dan wordt het ook duidelijk dat we de onbekende niet geloofwaardig kunnen situeren in een romantische context. Hij – of zij - moet iemand geweest zijn die deel uitmaakte van hun bredere kring: familie, een vriend of een vriendin, iemand die een tijdlang vanzelfsprekend aanwezig was op uitstappen en bijeenkomsten en later even vanzelfsprekend uit het familieverhaal verdween. Hoewel het technisch mogelijk blijft dat er op de tweede foto een koppel te zien was, hecht ik hier ook weinig geloof aan, omdat mijn moeder alludeerde op één iemand.

Waarom moet een persoon 'uitgewist' worden? Een huwelijk dat verkeerd afloopt, kan voldoende zijn. Een broer of zus die na een erfeniskwestie nooit meer over de vloer komt. Een schoonbroer die zijn vrouw verlaat voor een andere vrouw. Een vriend die geld leent en het niet terugbetaalt. Een familielid dat iets zegt of doet wat op dat ogenblik onvergeeflijk wordt geacht en waarvan twee generaties later niemand nog begrijpt waarom het zoveel woede veroorzaakte. Families kunnen tientallen jaren zwijgen om redenen die, wanneer ze uiteindelijk worden opgehelderd, verbijsterend klein blijken te zijn.

Maar deze foto's stammen waarschijnlijk uit een periode waarin de geschiedenis zelf voldoende redenen leverde om mensen uit foto's te willen verwijderen. Als ze tijdens het interbellum zijn gemaakt en pas na de Tweede Wereldoorlog werden verknipt, kan iemand die in pak en hoed vrolijk meeging op een uitstap tien jaar later een naam geworden zijn die men liever niet meer uitsprak. Collaboratie en verzet hebben niet alleen politieke geschiedenis geschreven; ze zijn dwars door families heen gegaan. Vriendschappen werden opgebroken, buren werden vijanden, familie kwam na de bevrijding in de gevangenis terecht. Er werden na de oorlog officiële vonnissen uitgesproken, maar daarnaast bestonden er duizenden kleine privévonnissen waarvan geen archief werd bijgehouden. Soms betekende zo'n vonnis eenvoudig dat iemand uit de intieme kring werd verbannen, en dat zijn of haar naam niet meer werd genoemd.

Het meest van al intrigeert me nog waarom Metjen Florine de verknipte foto’s bewaard heeft. Als ze de herinnering wilde vernietigen, was het toch veel effectiever geweest de foto’s weg te gooien? Ze bezat voor die tijd redelijk veel andere foto’s om haar jaren als jonge vrouw te documenteren. Het lijkt erop alsof ze niet simpelweg wilde vergeten – dat gebeurt trouwens vanzelf, daarvoor heb je geen schaar nodig.

Het is een volmaakt familiegeheim. Geen gezicht meer te bekennen, geen naam die overgeleverd werd… alleen die leegte met zijn bruuske, scherpe rand.


20.10.26

Amadeus, de serie van de gemiste kansen


De serie stond al even op VRT Max, maar ik durfde de stap niet te wagen om ze ook te bekijken. De film van Miloš Forman uit 1984 behoort nog steeds tot mijn favoriete top 5 aller tijden, en zette me destijds op het spoor van toneelschrijver Peter Shaffer. Hij schreef het scenario voor de film op basis van zijn eigen toneelwerk, dat in 1979 in Londen in première ging. De film sleepte zomaar eventjes 8 Oscars in de wacht, waaronder die voor beste film, beste regisseur, beste bewerkte script en beste acteur (F. Murray Abraham als Salieri won het van Tom Hulce als Mozart). Hij zorgde er ook voor dat mijn muzikale horizon aanzienlijk verbreed werd, en dat ik behalve Bruce Springsteen, Jacques Brel of Boudewijn de Groot nu ook een klassieke componist als Mozart tot mijn muzikale helden kon rekenen.

Het verhaal begint - zowel in het toneelstuk als in de film - in 1823 wanneer een oude Salieri na een mislukte zelfmoordpoging zijn biecht uitspreekt en vertelt hoe zijn allesverterende jaloezie leidde tot de ondergang van Mozart. Het centrale thema is die van Salieri's worsteling met zijn middelmatigheid; de vrome en gedisciplineerde hofcomponist kan het niet verkroppen dat God van de vulgaire en losbandige Mozart een muzikaal genie heeft gemaakt... en neemt wraak op de door God geliefde - hoewel 'Amadeus' eigenlijk betekent: God liefhebbend.

Begin jaren 90 vond ik in De Slegte in Gent de tweede en definitieve versie die Peter Shaffer maakte van zijn Amadeus, en waarin hij de inzichten verwerkte die hij had opgedaan bij het schrijven van het filmscenario. Het was voor mij een hernieuwde coup de foudre, en hoewel ik wist dat de kans klein was, ging ik op onderzoek uit om te achterhalen of deze tweede versie (uit 1980, en dan opnieuw gereviseerd in 1981) in het Nederlands vertaald was. Dat bleek tot mijn grote verbazing niet zo te zijn: alleen de eerste versie was vertaald.  Waarop ik mij aan het werk zette en mijn vertaling in 1994 aanbood aan het literair agentschap ALMO.

Eigenlijk had ik geen andere bedoeling met dit werk van liefde dan het ooit mogelijk te maken het voor een Vlaams amateurgezelschap te regisseren. Ik had toen al wat eigen werk geregisseerd, en ik had de smaak te pakken. Op dit meesterwerk kon ik al mijn theatrale duivels ontbinden... Maar al snel bleek dat er niet meteen een amateurgezelschap voorhanden was dat de kwaliteit in huis had om deze toch wel grote productie te dragen. Ik wilde het stuk integraal brengen - dat betekende dat je met meer dan twintig mensen zo'n uur of drie op de scène zou staan. En vooral de rol van Salieri - met zijn intense monologen - vereiste erg veel talent en inzet van een acteur. 

Het zou nog drie jaar duren, tot Garamondi Teater uit Geraardsbergen zich eraan waagde, met een van mijn allermooiste toneelervaringen tot gevolg. Daarna was het hek blijkbaar van de dam en werd Amadeus zowel in het amateur- als in het beroepstheater regelmatig en met succes opgevoerd. De meest bekende versie was wellicht die van Loge10.


Het toneelstuk en de film hebben een aantal ronduit iconische scènes opgeleverd, die je vooral voor zichzelf moet laten spreken en waar je voor de rest - als bewerker of regisseur - best zoveel mogelijk met je tengels afblijft. De openingsscène bijvoorbeeld, waarin de knecht en de kok van Salieri ontdekken dat hun meester een probleem heeft (Mozart! Mozart! Perdonami!... Il tuo assassino ti chiede perdono!) en waarvoor Shaffer een 100% theatraal verantwoorde oplossing én een andere, maar even goed perfect filmische gevonden heeft. In de serie krijgen we daarvan een flauw afkooksel te zien. Waarom een scène veranderen door een mindere scène? De spanningsboog voor een (lange) film is anders dan die voor 5 afleveringen op televisie, maar als bewerker doe je er dan beter aan zo dicht mogelijk bij de film te blijven - het is immers nog steeds een serie 'naar Peter Shaffer' - dan met een veel blekere versie voor de pinnen te komen. Het ligt niet aan de acteurs: Will Sharpe (Mozart), Paul Bettany (Salieri), Gabrielle Creevy (Constanze) doen het meer dan behoorlijk. Het ligt aan het slappe script van Joe Barton, dat blijkbaar moet beantwoorden aan de Netflix Norm en zich verhoudt tot de film of het toneelstuk als een McDonalds tot een driesterren restaurant.

Neem nu bijvoorbeeld tafereel 5 uit het toneelstuk. We bevinden ons in de bibliotheek van barones Waldstädten. Salieri is daar in een fauteuil gaan zitten met een hoge rug, onzichtbaar voor wie toevallig binnen komt, om zich te goed te doen aan allerlei versnaperingen. En dan:

  

Achter de schermen worden geluiden hoorbaar.

CONSTANZE (off): Piep! Piep! Piep!

CONSTANZE komt van achter oprennen: een knap en levenslustig meisje van vooraan in de twintig. Op dit moment doet ze alsof ze een muis is. Ze rent over het toneel in haar vrolijke feestjapon en verstopt zich onder de pianoforte. Plotseling loopt er een klein en bleek mannetje met grote ogen en met een opzichtige pruik en dito kledij achter haar aan en bevriest - in het midden van het toneel - als een kat die op een muis jaagt. Dit is WOLFGANG AMADEUS MOZART. Naarmate we hem in de volgende scènes beter leren kennen, ontdekken we een aantal dingen: dat hij bijzonder onrustig is, dat zijn handen en voeten bijna voortdurend in beweging zijn; dat zijn stem licht en hoog is; en dat hij beschikt over een onvergetelijke giechel, doordringend en infantiel.

MOZART: Miauw!

CONSTANZE (die hiermee verraadt waar ze zich bevindt): Piep!

MOZART: Miauw! Miauw! Miauw!

De componist valt op handen en voeten en begint blazend en grimassend zijn prooi te besluipen. De muis - giechelend van opwinding - verlaat haar schuilplaats en rent naar de overkant. De kat achtervolgt haar. Bijna bij de stoel waar SALIERI verstopt zit, keert de muis zich om. De kat - in kniebroek en geklede jas - drijft haar in het nauw.


Hij valt op haar, zij giechelt verrukt maar blijft liggen. Amadeus vertrouwt zijn Constanze toe dat hij denkt dat ze bang is voor hem. 'Ik denk dat je in je broek gaat schijten. Zo meteen ligt het hier allemaal op de vloer!' Hij imiteert het geluid van een wind, waarna ze nog even doorgaan met allerlei pis-en-kak spelletjes... terwijl Salieri er als versteend bij zit.

Meteen daarop begint het concert, dat Amadeus moet dirigeren. Salieri: 'Ik hoorde het door de deur - één of andere Serenade, vaag eerst -, te zeer van afschuw vervuld om echt te luisteren. Maar het hield niet af - een plechtig Adagio in Mi mineur.'

In het toneelstuk beschrijft Salieri, over de muziek heen (het ontieglijk mooie Adagio van de Serenade voor Dertien Blazers, K. 361), wat hij hoort... tot in iedere vezel van zijn lichaam ontroerd. Als regisseur moet je hier niets anders doen dan voluit de muziek te laten spreken: je kunt daar gewoon niet over. In de film volstaat het zelfs om de ogen van Salieri zich langzaam te zien vullen met tranen. Zo eenvoudig en tegelijk zo effectief kan film zijn, dat je er zelf de tranen van in de ogen krijgt.

In de serie bespringt Mozart in de gauwte Katharina Cavalieri - alle subtiliteit, alle emotionele intensiteit wordt afgevlakt. Waarna er vrij snel over de muzikale passage heen geschaatst wordt, en de ontroering van Salieri niet echt wordt vastgehouden. In een toneelzaal kan Salieri zijn innerlijke wereld, van pijnlijke schoonheid doordrongen, overbrengen op de toeschouwer - in de film wordt de ontoering van Salieri ook die van de kijker. Maar in de serie schaatst men zo goed als over dit hoogtepunt heen.

Idem dito voor de scène met de welkomstmars van Salieri, door hem geschreven ter ere van Mozart, en ten gehore gebracht in de aanwezigheid van de Keizer... die door Mozart bijna terloops wordt verbeterd, van stijf naar zwierig. Er wordt nu een 'duel' opgezet, dat de dramatische spanning tussen de twee rivalen absoluut niet vergroot, en eigenlijk alleen maar langdradig is. In de oorspronkelijke versie ging dat veel 'directer'.

Ik zal wellicht ook naar de andere afleveringen kijken - zo'n historisch kostuumdrama kan er bij mij altijd in... Maar deze eerste aflevering was voor mij vooral een opeenstapeling van gemiste kansen. Wat je zelf doet, doe je niet noodzakelijk beter... en al helemaal niet als je Joe Barton heet en je basismateriaal van Peter Shaffer is. 

 


16.9.26

In de Zevende Hemel van Roode / De Zaak Tony Marino

 

Tony Marino / foto Wikipedia



De naam Tony Marino is voor eeuwig en een dag onlosmakelijk verbonden met die van Michael Malloy, de onverwoestbare dronkelap die de geschiedenis zou ingaan als "de man die niet wilde sterven". Het was Tony Marino die de moord beraamde en zijn clandestiene “speakeasy” in de Bronx tot het decor maakte van een van de meest bizarre complotten uit de Amerikaanse criminele geschiedenis.  

Anthony Marino was nog geen dertig toen de Grote Depressie New York in haar greep kreeg. Hij was van Italiaanse afkomst en baatte tijdens de Drooglegging een kleine illegale kroeg uit aan Third Avenue. De zaak stelde weinig voor. Vier tafeltjes, een toog, goedkope alcohol en een vaste klantenkring van werklozen, kleine criminelen, zwervers en beroepsdrinkers – niet bepaald de plek waar de Amerikaanse Droom floreerde.

De Bronx van 1930 was ook een wijk in vrije val, in de greep van werkloosheid, armoede en uitzichtloosheid. Overal probeerden mensen te overleven met kleine handeltjes, illegale cafés en schimmige transacties. Marino was geen gangster van het kaliber van Al Capone, maar een kleine opportunist, voortdurend op zoek naar een snelle manier om geld te verdienen. Volgens latere getuigenissen zou hij eerder al succes gehad met een verzekeringsfraude waarbij een eenzame vrouw, Mabel Carlson, onder verdachte omstandigheden om het leven kwam nadat Marino zichzelf als begunstigde van haar levensverzekering had laten registreren. Of hij toen al besefte dat hij een winstgevend businessmodel had ontdekt, weten we niet. Maar tegen de zomer van 1932 begon het idee vaste vorm aan te nemen.

De kroeg van Tony Marino / foto Wikipedia


Aan de toog van zijn café hing bijna dagelijks een Ierse alcoholist rond: Michael Malloy. Hij was ooit brandweerman geweest, had verschillende banen gehad en was inmiddels afgezakt naar de onderkant van de samenleving. Hij had geen gezin, geen vaste woonplaats en nauwelijks vrienden. Voor Marino leek hij de ideale kandidaat voor een verzekeringsfraude. Niemand zou vragen stellen als hij stierf. Niemand zou hem missen. Samen met enkele kennissen – een begrafenisondernemer, een taxichauffeur, een fruitverkoper en een barkeeper – vormde hij wat de kranten later spottend "The Murder Trust" zouden noemen. Hun plan was even eenvoudig als afschuwelijk: een levensverzekering afsluiten op Malloy en vervolgens wachten tot hij zichzelf doodzoop.

Dat was het moment waarop het lot besloot gevoel voor humor te tonen. Marino gaf Malloy onbeperkt drank. Gratis whisky. Gratis gin. Gratis alles. Normaal gesproken zou een man van Malloys leeftijd en conditie daar niet lang tegen bestand zijn. Maar de oude Ier bleef drinken, tot ver voorbij elk redelijk menselijk vermogen. Vervolgens stond hij op, bedankte vriendelijk voor de gastvrijheid en verscheen de volgende ochtend opnieuw aan de toog voor nog een glas.

De samenzweerders waren verbijsterd… en begonnen te improviseren. Ze mengden houtalcohol in zijn drank, serveerden bedorven oesters, gaven hem broodjes waarin stukjes metaal, spijkers en rotte vis waren verwerkt. Ze lieten hem, kortom, voedsel eten dat voldoende gif bevatte om een paard te doden. En Malloy dronk niet alleen alles op, zijn eetlust bleef even onwaarschijnlijk. Toen hij dan toch ziek werd, herstelde hij en keerde zo snel mogelijk terug naar zijn favoriete kroeg, waar een nieuwe serie dodelijke aanslagen op zijn gezondheid van start ging. Op een bepaald ogenblik begon Marino minder op een misdadiger dan op een gefrustreerde natuurkundige te lijken die vergeefs probeerde een natuurwet te weerleggen. Iedere nieuwe moordpoging leek het bewijs te leveren dat Malloy eenvoudigweg niet kapot te krijgen was.

De situatie werd stilaan grotesk. Er volgde een poging om Malloy tijdens een winterse nacht bewusteloos in een park achter te laten, zodat hij zou doodvriezen. Hij overleefde het. Vervolgens werd hij met een taxi aangereden. De wagen sleurde hem tientallen meters mee, hij  belandde in het ziekenhuis met verschillende breuken, maar enkele weken later wandelde hij doodleuk opnieuw Marino's kroeg binnen en bestelde een drankje. De samenzweerders begonnen hem bijnamen te geven. Iron Mike. Durable Mike. De Raspoetin van de Bronx. Het was alsof de man niet alleen hun slachtoffer was geworden, maar ook hun kwelgeest.

Voor Tony Marino begon het avontuur ondertussen iets heel anders te worden dan een verzekeringsfraude: het werd een obsessie. Elke mislukte moordpoging vergrootte zijn vastberadenheid. De oorspronkelijke winst die hij hoopte te maken verbleekte naast de vernedering van het falen. Hij moest en zou bewijzen dat Michael Malloy sterfelijk was.

Uiteindelijk vonden de samenzweerders een methode die werkte. In februari 1933 lokten zij Malloy naar een kamer in een pension. Terwijl hij buiten bewustzijn was, stopten zij een rubberen slang in zijn mond die verbonden was met een gasleiding. Koolmonoxide deed wat vergiftigde alcohol, bedorven voedsel, vrieskou en een taxi niet hadden kunnen doen. Na maanden van vruchteloze pogingen was Michael Malloy eindelijk dood.


Fout overlijdensattest voor Michael Malloy onder de naam van Nicholas Mellory / foto Wikipedia 


Dat was het begin van Marino's eigen moeizame tocht naar de dood. De verzekeringsmaatschappijen begonnen vragen te stellen, want de documenten klopten niet helemaal en de omstandigheden rond Malloys overlijden waren ronduit verdacht te noemen. De samenzweerders raakten het oneens, een medeplichtige vertelde iets aan de politie, een andere probeerde zichzelf te redden – en het zorgvuldig opgebouwde complot stortte in elkaar als een kaartenhuisje.

In de lente van 1933 werden Marino en zijn kompanen gearresteerd. Tijdens het proces probeerden zij de schuld op elkaar af te schuiven. Het hielp niet. De publieke opinie was meedogenloos: New York was gefascineerd geweest door de schijnbaar onsterfelijke Malloy, nu eiste men gerechtigheid. Marino werd schuldig bevonden aan moord in de eerste graad en samen met drie medeplichtigen kreeg hij de doodstraf en belandde in een dodencel van de Sing Sing gevangenis.  

Op 7 juni 1934 werd Tony Marino naar de elektrische stoel geleid. De executie verliep volgens plan. Het bleef bij één poging.

In de podcast In de Zevende Hemel wordt bovenstaand verhaal in fictieve vorm herverteld:

  



Dit zijn Part One (The Man Who Wouldn't Die) en Part Two (The Devil Keeps Accounts) van The Ballad of Tony Marino.







Podcast Luisterboeken