In mijn ‘creatieve autobiografie’ Eenmagisch-realist in Mysterieus België (2025) beschrijf ik het als volgt:
Dit moet zo ongeveer mijn oudste herinnering zijn.
Ik ben een jaar of vier en zit op de arm van mijn grootmoeder. Ze staat
helemaal achteraan in de tuin van haar huis, bij het hekje dat rechtstreeks
uitgeeft op iets dat lijkt op de bedding van een drooggevallen rivier. Maar het
is geen rivier, er liggen tramsporen in het midden van de bedding.
Naast mijn grootmoeder staat mijn grootvader, in
zijn hemdsmouwen. En mijn ouders zijn er ook. De hond blaft en springt op –
hij is helemaal wit, behalve rond zijn ene oog: daar is ie zwart.
Het is warm, de zon schijnt. Het moet augustus zijn,
zo zal ik mij later realiseren… want aan de overkant van de tramlijn ligt een
graanveld, en het graan is geel.
En dan is daar de tram. Hij rijdt ons traag voorbij.
En de hond blaft en springt op. De zonnestralen lijken mij helemaal warm te
maken, ook vanbinnen. Ik ervaar een intens gevoel van geluk, zoals er nog veel
zullen volgen in die gouden jeugd van me. Het graan kan ik bijna ruiken. Wat
een mooie, mooie dag is dit…
Achteraan op de tram, op een platformpje, staan een
drietal mensen – twee mannen en een vrouw. En ze wuiven naar ons. En wij
wuiven terug.
‘Kijk jongen, dat was nu de laatste tram,’ hoor ik
mijn grootvader zeggen.
Vele jaren later – ik woon nu al geruime tijd in het
huis van mijn grootouders – vertel ik aan een heemkundige dat ik als kleuter
daar, achteraan in de tuin, de laatste tram heb uitgewuifd.
De man kijkt me kritisch aan. ‘Hoe oud ben jij dan?’
Ik zeg dat ik geboren ben in ’62.
‘Ik dacht al zoiets,’ grijnst hij. ‘De laatste tram
reed uit in 1963.’
Het is een typische valse herinnering.
Waarschijnlijk heb ik in de loop der jaren – misschien zelfs voor een verhaal
dat ik ooit schreef – het relaas van mijn ouders of grootouders over die
laatste tram gecombineerd met mijn herinneringen aan hoe we ooit in een gouden
zomer van lang geleden achteraan in de tuin stonden. Er bestaat trouwens nog
een foto van zo een in de tijd gestold moment. De witte hond met het zwarte oog
ken ik eigenlijk alleen maar van die foto, en van mijn valse herinnering, want
voor de rest komt hij in mijn herinneringen niet voor.
Ik heb in de loop der tijden een massa van dit soort
valse herinneringen gefabriceerd. De pseudo-herinnering is een bekend
psychisch gegeven. Een niet-schrijvende mens zal een gat in zijn geheugen
proberen op te vullen in een doorgaans grotendeels onbewust proces. Hij zal
bepaalde details en zelfs hele herinneringen verzinnen, of ze door logisch
redeneren proberen te reconstrueren. Een schrijvende mens zal bewust stilstaan
bij een gebeurtenis uit zijn verleden en er iets mee doen in functie van een
personage dat hij tot leven wil wekken, een scène die hij wil inkleuren, het
verhaal dat hij wil vertellen.
In de psychologie spreekt men in dit verband over
het Lost in the Mall Experiment, waarmee werd aangetoond dat mensen nieuwe
herinneringen kunnen aanmaken over gebeurtenissen die nooit hebben
plaatsgevonden. Proefpersonen krijgen het verslag van een aantal gebeurtenissen
uit hun jeugd te lezen, genoteerd door familieleden. Eén ‘feit’ is evenwel
verzonnen: dat ze op vijfjarige leeftijd verdwaalden in een winkelcentrum.
Toch wordt ook deze fictieve gebeurtenis voor waar aangenomen: sommige
proefpersonen slagen er zelfs in allerlei details te vertellen over een
verzinsel.
Een schrijver kan hier zijn voordeel mee doen. Voor
een magisch-realistische schrijver zou dit fenomeen zelfs een fundament kunnen
zijn waarop een belangrijk deel van zijn werk is gebouwd. Ga het na bij
verschillende magisch-realistische schrijvers als Haruki Murakami, Jeanette
Winterson, Hubert Lampo, Isabel Allende, Jorge Luis Borges of Gabriel Garcia
Marquez… en je zult telkens een andere definitie krijgen van wat
magisch-realisme voor hen betekent. Een aantal elementen keert noodzakelijkerwijze
terug: aan de ene kant de werkelijkheid zoals wij die kennen – de ‘feiten’ zeg
maar –, aan de andere kant de droom, de verbeelding, de fictie, de mythe, het
bovennatuurlijke en het mystieke, een alternatieve realiteit, een parallelle
wereld.
Tot daar het fragment waar ik voor de lezer een
valse herinnering ontmasker en er tegelijk een nieuwe aanmaak. Want de foto
waarvan sprake, met de hond met het ene zwarte oog, achteraan in de tuin… die
bestaat niet. Bij het doorploegen van het familiale foto-archief na de dood van
mijn moeder op 13 mei 2026 – de rechtstreekse aanleiding voor het schrijven van
deze stukken – ging ik naarstig op zoek naar de bewuste foto die ik me
haarscherp meende te herinneren… en die niet bestond.
Blijkbaar heb ik aan de hand van een onbestaande
foto – opnieuw – een alternatieve realiteit geconstrueerd, een parallelle
wereld. Ik ben er wel vrij zeker van welke foto voor de inspiratie heeft
gezorgd, en dat moet deze zijn waarmee ik dit stukje open. Mijn grootvader en
mijn grootmoeder achterin de tuin van het huis waar ik nog steeds woon, mijn
grootmoeder met een hond op de arm. En tussen hen in… niet ik, maar mijn
moeder.
Die hond – al dan niet met één zwart oog –
verschijnt trouwens wel vaker op foto’s met mijn grootouders en/of mijn moeder.
Hij maakte, zolang ik mij kan herinneren, deel uit van de familie.
Eind jaren 40 maakte je niet zomaar eventjes een
foto. Ik vraag me dan af wie besloot mama, papa en de dochter even bij elkaar
in de tuin. Het moet weer zomer zijn. Mijn grootvader is lang en opvallend
mager, zijn houding zelfverzekerd, bijna uitdagend met die hand in zijn zij.
Hij is in hemdsmouwen, werd hij onderbroken bij het werk in de tuin? In zijn
blik meen ik een zweem van ongeduld te ontwaren.
Het meisje dat mijn moeder zal worden vangt in haar
lichte jurk het meeste licht. Ze staat keurig rechtop met beide handen voor zich
gevouwen, heeft ze dat zo geleerd op school? Toch straalt ze geen verlegenheid
uit, integendeel, ze lacht, ze vindt dit amusant, ze heeft er schik in.
Metjen heeft een stevig postuur – heel anders dan het
frêle oude vrouwtje dat zij later zou worden. Ze glimlacht als iemand die tevreden
is met haar leven. Zowel mijn moeder als mijn groot-moeder lijken heel anders op deze foto dan ik ze mij
herinner.
De aandacht van de hond wordt volledig opgeëist door
iets buiten beeld. Je krijgt het gevoel dat hij elk moment zou kunnen beginnen
spartelen en vervolgens onherroepelijk buiten beeld springen…




