7.11.26

In Tenebris 5, gewijd aan fantastiek & mysterie, tijdreizen en uchronie

 



In Tenebris is een tijdschrift in boekvorm, gewijd aan fantastiek en mysterie. Het wordt samengesteld door DannY De LaeT, die een indrukwekkende staat van dienst heeft opgebouwd in de fantastische letteren. Dat deed hij als essayist, maar ook als samensteller van belangrijke bloemlezingen in de jaren 70. Zo debuteerden Guido Eekhaut en Ludo Noens met een kort verhaal in Tussen tijd en schaduw. Elke editie van In Tenebris wordt telkens door een andere kunstenaar van een cover voorzien, en van illustraties. Wat de reeks, uitgegeven door het Gentse Poespa Producties uniek maakt, is dat zij een heerlijke mix brengt van fictie en non-fictie, van modern klassieke en al dan niet vergeten oude meesters, van actuele auteurs met een palmares om U tegen te zeggen en van nieuwe namen. In Tenebris bevat ook altijd een paar interviews – in dit nummer staat er eentje met mij en met illustrator Steven Van Hasten. En voor de rest: verslagen over evenementen en boekbesprekingen. 

In dit stuk wil ik het hebben over In Tenebris 5, omdat dit nog redelijk eh… persvers is. Later zullen In Tenebris 1 tot 4 aan bod komen, want in het kader van een reeks artikelen over veertig jaar fantastische literatuur in Vlaanderen, valt daar ook wel wat over te zeggen. Van deze recensie werd tegelijk een podcast gemaakt in de reeks Luisterboeken, met muziek van mijn broer Fernand Bernauw, uit wat misschien wel het eerste alternate reality game in Vlaanderen was, Mysteries van het Duivelsteen. De Scriptomanen produceren meer dan twintig jaar later nog steeds moordspelen, zoals mag blijken op deze pagina.



De Nederlandse auteur Arthur Van Schendel, die in 1946 het tijdelijke met het eeuwige ruilde, heeft een omvangrijk oeuvre nagelaten, met een belangrijke 'fantastische periode'. Veel van zijn korte verhalen baden in een sprookjesachtige sfeer, maar meer dan eens zijn ze ronduit griezelig bovennatuurlijk. De hand in het park is één van de 'verhalen uit het vergeetboek' en was voor mij een bijzonder griezellige ontdekking. Meer van dat krijgen we met Het namaakland van C.S. Lewis, overleden in 1963 en bekend van onder meer zijn Narnia cyclus. Hij zat in een 'Oxfordgroep' van schrijvers waartoe ook Tolkien behoorde, terwijl hij In de Ban van de Ring geraakte. Bij het verhaal sluit een interessante beschouwing aan van Curtis St John Justice, over deze schrijvers die elk op hun manier een nieuwe vorm van verbeeldingsliteratuur gestalte gaven. 

Met dit soort bijdragen ontsluit In Tenebris telkens weer een schatkamer van oude verhalen, legt ze de rijke fantastische traditie bloot en werpt ze een dam op tegen het vergeten. Nog over vergeten auteurs handelt het artikel van DannY De LaeT, getiteld De dag dat science fiction Vlaanderen verwoestte, waarin ene R. Van Linden aan bod komt. Is het een pseudoniem van Jos Van Limbergen - astronoom en wetenschappelijk vulgarisator? De LaeT stelt zich eens te meer op als literair detective, en wijst op het belangrijk aandeel van SF in het werk van pioniers van het stripverhaal als Vandersteen of Sleen. Het is een ten zeerste grappig artikel geworden, omdat het een goed beeld geeft van de heilige verontwaardiging en de vooroordelen waarmee, in het Vlaanderen van de jaren 50, een genre als sciencefiction af te rekenen kreeg. Ik citeer even uit het wetenschappelijk en vulgariserend essay De Toekomst van de Mens van R. van Linden:

Deze literatuursoort draagt de naam van "Science Fiction", een begrip dat overigens niets dan een tegenspraak is. Inderdaad, natuurwetenschap - en dat is de betekenis van het woordje "science" - en "fiction" zijn onverbindbare elementen, precies als water en vuur. (...) Buiten deze onmogelijke koppeling getuigt de Science-Fiction nog van een verregaande bekrompenheid, spijts alle gewaagde sprongen van een bandeloze verbeelding. Wel vliegt men in de utopieën van die literatuur met raketten naar de allerverste spiraalnevels, lost men met electronen-hersenen de meest ingewikkelde wetenschappelijke, sociologische en economische problemen op, doch alleen om zich ten slotte in het beste geval zo menselijk te gedragen als wij, mensen van nu, en dit dan onverschillig of het geschiedenisje speelt in het jaar 3000 of 20.000 van onze tijdrekening.

Als wij nu tamelijk wat 'literaire' auteurs kennen die zich aan het genre begeven maar niet altijd tot het genre gerekend worden, dan was dat in de jaren 50, 60 en 70 niet anders met Gust Gils.  Hij is vertegenwoordigd met een zeer kort stuk getiteld Science Fiction en met een essay waarin hij als avant-gardist in 1957 een 'manifest' over Science Fiction als hedendaagse kunstvorm publiceert. Dit citaat wil ik je evenmin onthouden:

... dat de zg. "science fantasy" het meest naar de avant-garde toegroeit, lijkt me normaal: indien de twee elkaar ergens ontmoeten, zal het zijn op het vlak van de fantazie. Een gemene deler hebben s.f. en avant-garde alvast, door Gerrit Kouwenaar omschreven als "het zoeken naar het wonder". 

Het "wonder": een begrip dat we gemakkelijk in verband brengen met poëzie. Men denke daarom niet dat s.f. een dankbaar terrein zou zijn voor poëzie. Wel is s.f. vaak zeer poëties, op de wijze dat proza poëties kan zijn (vnl. bij Bradbury - weeral), maar het is een prozakunst.

En DannY De LaeT laat het essay volgen door een gedicht van Gils... over Howard Philips Lovecraft, uit Manuskript gevonden tijdens achtervolging (1967).


Blackout poetry / stiftgedicht van Patrick Bernauw

 

Veel te jong gestorven, in 1989, op 51-jarige leeftijd, is Paul Van Herck. Een moderne klassieker in het genre, met zijn Sam, of de Pluterdag (1968), vertaald in het Engels, Spaans, Zweeds, Frans, Duits en Hongaars. In deze roman kun je een extra dag in de week opnemen als je genoeg gespaard hebt, maar Pluterdagen blijven wel gereserveerd voor de gefortuneerde happy few. Met zijn kort verhaal Het project Bonaparte zitten we volop in het thema van dit nummer: tijdreizen, of uchronie (= 'alternatieve geschiedenis'). De bekende tijdreis paradox slaat toe op het slagveld van Waterloo, in een zeer vermakelijk verhaal. Hierbij sluit een essay van Anton Marcus aan, over o.a. de 'uchronie' als medicijn voor een Frans nationaal trauma: Toen Napoleon de slag bij Waterloo won. Ah ja.

Ook binnen het thema valt Het anachron effect van Ludo Noens, die altijd garant staat voor kwaliteit, zowel in zijn speculatieve fictie als non-fictie. Hier speelt een centrifuge op de kermis een wel heel merkwaardige rol... en wat een slot, Ludo! Ten zeerste boeiend is het essay waarin hij zich de vraag stelt of er een toekomst is voor de tijdmachine. Dit gaat over de stand van zaken in de actuele natuurkunde, waarin uiteraard Einstein, de ruimtetijd en de klokparadox aan bod komen... tot en met de kwantumeffecten en de theorie van het multiversum. Het had niet misstaan in het Nederlandse tijdschrift BRES, waar Ludo ooit kind aan huis was, en dat zich specialiseerde in dit soort speculatieve non-fictie. BRES bestaat overigens nog steeds,  DannY... zij het wel als flauw new age afkooksel van wat het ooit was.

Mijn eigen verhaal, In een klein stationnetje, verkent een zeer persoonlijke 'alternatieve geschiedenis'. Terwijl ik het schreef, realiseerde ik me dat ik met een thema dat gewoonlijk tot de sciencefiction wordt gerekend eigenlijk een zuiver magisch realistisch verhaal had geschreven. Ik wil maar zeggen, ook over de labels die we een verhaal meegeven, zou je een hele relativiteitstheorie kunnen formuleren. Het begint met een passage geïnspireerd door een 'valse herinnering' die ik eerder al uitgebreid beschreven heb in Een magisch-realist in Mysterieus België:

Aan het klein stationnetje, diep in wat ik graag het Grote Kolenwoud noem, is een van mijn oudste en dierbaarste herinneringen verbonden: mijn vriendinnetje Aurora en ik, allebei vier jaar oud, hand in hand op weg naar de kleuterschool daar beneden, in het dorp. We hebben er nooit de tram genomen, we volgden alleen maar de sporen. De tram nemen was trouwens onmogelijk, want op de dag van mijn dierbaarste herinnering wuifden we de laatste uit. 


Blackout poetry / stiftgedicht van Patrick Bernauw

En dan zijn er nog de korte verhalen die buiten het thema vallen. Benny Baudewyns is wellicht vooral bekend als thrillerauteur (hij won de Diamanten Kogel van 2001 voor Het Zwartberg Plan) - maar hij doet ook aan toneel, als schrijver en als acteur, en dat merk je aan de straffe dialogen. Met Robbert schreef hij een geweldig verhaal over 'wanen': 'Er is helemaal niks mis met een sterke fantasie. Je zou die moeten uitbuiten, de wereld gaat ten onder aan saaiheid. Doorbreek dit fenomeen, schrijf op wat je denkt waar te nemen, maak er een verhaal van. Misschien wordt het wel gepubliceerd in een tijdschrift.' Deze passage ontlokte mij een spontane giechel, je begrijpt vast wel waarom. 

Baudewyns laat 'een onbetrouwbare verteller' aan het woord, wat altijd een interessant perspectief is, en in deze context natuurlijk dubbel zo goed werkt. Hij is een meester van de rake typering: in een paar simpele zinnen zet hij een beeld van een personage vast in de verbeelding van de lezer. Voor deze oudere vrouw gaat het zo: Ze draagt een smoezelige regenjas en heeft een hoofddoek met bloemetjes over haar grijze haren, die op zijn plaats wordt gehouden door een dubbele knoop onder haar kin.

Herbert De Paepe is vooral bekend als misdaadauteur en schreef met De verdwenen reuzenwolf  dan ook een mysterieuze crimi. Ik werd hier eveneens getroffen door het gegeven dat je geen ellenlange beschrijving van een personage nodig hebt om dat zichtbaar te maken voor een lezer. Integendeel, less is more, lees maar: Wanda was een pientere jongedame, net van de universiteit, die zich voor haar werk kleedde alsof ze naar een cocktailparty ging. 

Guido Eekhaut levert nog maar eens een bewijs dat vakmanschap tot meesterschap leidt. Mocht ik nog actief zijn als docent creatief schrijven, ik had deze magisch realistische psychohorror van Misaki kunnen gebruiken als een schoolvoorbeeld van 'suspense', en hoe je die opbouwt. Zet een mysterie op - een vraag waarop je niet meteen een antwoord geeft… en geef het antwoord ergens halverwege dan toch… maar slechts gedeeltelijk, zodat er alweer een nieuwe vraag rijst... Het einde blijft redelijk open, en toch vallen er geen losse eindjes te bekennen. 'Wow!' zeg ik dan.

Frank Roger is nog zo’n onbetwiste meester van het kortverhaal, die mij met De Rathcliffe-variatie enigszins teleurstelde. Ja natuurlijk brengt hij 'variaties op een thema' (dat overigens ook alles met tijdreizen te maken heeft, waarom is het niet in die afdeling opgenomen?) maar de nodeloos lange letterlijke herhalingen zijn er wat mij betreft te veel aan. 

Ook bij het verhaal van die andere oude bekende, Johan Deseyn, heb ik enige reserves. De eerste twee akten van Via de kinderen zijn ijzersterk. In de beste Stephen King traditie schetst hij een oude man, eenzaam op een bank gezeten bij een speelpleintje tussen torenhoge flatgebouwen. Sam Melchior observeert de spelende kinderen en onderscheidt twee groepen: de Gelukkigen en de Norsen (‘Akt 1, Opzet,’ zegt de schoolmeester). Vanaf dat moment wordt het behoorlijk verontrustend, want er is duidelijk iets vreemds aan de hand met de Norsen (Akt 2, Ontwikkeling). Tot hier zijn personages en gebeurtenissen zo geloofwaardig als wat, maar in Akt 3 (Afwikkeling) krijgen we een typische infodump voorgeschoteld. Het fenomeen staat ook bekend als een 'As You Know, Bob' Dialoog, waarin de schrijver via de dialoog broodnodige informatie meegeeft aan de lezer… en het verhaal daardoor ongeloofwaardig wordt. Dan gaan twee personages elkaar bijvoorbeeld dingen vertellen die ze allebei al lang weten. Hier zijn het de Norsen die doodleuk vertellen wie ze zijn en wat ze hier komen uitvreten. Maar waarom zouden ze in ’s hemelsnaam die moeite nemen?  En daar gaat mijn suspension of disbelief samen met mijn sense of wonder dat nochtans zo vakkundig was opgebouwd. Het had ook makkelijk vermeden kunnen worden door exact dit verhaal vanuit een ander perspectief te vertellen. Maak van de 77-jarige Sam Melchior een 'ik' en je houdt de optie open dat hij is gaan dementeren, hij kan voor mijn part zelfs stemmen horen.

David Troch is een veelvuldig gelauwerd – in Vlaanderen én Nederland – dichter, schrijver en regisseur. Hij staat met beide benen in de literaire wereld, doet aan poetry slam, is docent creatief schrijven geweest. Qua inleiding tot zijn verhaal De Aktetas had het dus wel iets meer mogen zijn dan 'persoonlijk weten wij niet zoveel over hem'. Misschien toch even Wikipedia raadplegen? Het is een beetje symptomatisch voor In Tenebris, dat het weinig of geen oog heeft voor wie de jongste veertig jaar opereerde en nog opereert in het genre - maar onder het ‘literatuur’ label. Het verhaal van David Troch is overigens uiterst bevreemdend – vorm en stijl versterken de inhoud: hij schrijft uitermate ritmisch (hier toont zich volop de dichter, de slam poet of de toneelmens) en op die manier letterlijk 'meeslepend'. Qua inhoud kwam Psycho me spontaan voor de geest. 

Silke Beurms en Patrick Verlinden zijn twee debutanten die het verhalen departement afsluiten. Magdalena heeft het licht gezien van Silke Beurms overtuigt van begin tot eind. In de formulering herkent men de meester, dit is een volzin om in te lijsten: Dus zeg ik liever niets over wat komen zal en rijd naar een langzaam uitdovend dorp waar de dakpannen al tientallen jaren van de kerk vallen, de laatste bakker langzaam verandert in een broodautomaat, en de snelweg altijd op de achtergrond ruist. En nog eentje om het af te leren: Niemand kan op twee plaatsen tegelijkertijd zijn zonder een deel van zichzelf te verliezen. Je moet de context kennen om deze ten volle te snappen... maar wat een talent! 

Straight Flush van mijn voornaamgenoot is een merkwaardige hybride van essay en verhaal, zoals ik die zelf graag bedrijf, en ook een uchronie rond de atoombom die zich van afdeling heeft vergist. Best onderhoudend geschreven, maar nu worden fictie en non-fictie vrij lapidair naast elkaar gezet – het verhaal had wat meer uitwerking verdiend.


Blackout poetry / stiftgedicht van Patrick Bernauw


Al bij al heeft In Tenebris 5 een heel mooie en diverse verzameling teksten te bieden, gesitueerd in het domein van de fantastiek en het mysterie. Dit is bovendien niet alleen een leesboek, maar ook een prachtig geïllustreerd kijkboek. Nu alleen nog een paar werkpunten aanpakken, zodat In Tenebris echt wel een hoofdrol kan gaan spelen in de Vlaamse fantastische letteren. Ik kijk nu al uit naar nummer zes, dat – zo mag ik wel verklappen want het stond ook in het Editoriaal – over Atlantis en 'imaginaire reizen' zal gaan. 

In Tenebris 5 is verkrijgbaar bij de uitgever of in de boekhandel. 

Softcover uitgave - prijs 24 euro
Formaat 15 x 21 cm, 256 pagina’s
ISBN 97-8-949351-8063


2.11.26

Te weinig plaats in de Aalsterse bib Utopia voor boeken met Aalst als inspiratiebron of van Aalsterse auteurs

 


Het is nu officieel, want het staat in de Chipka: de Aalsterse bibliotheek Utopia heeft te weinig plaats voor boeken met Aalst als inspiratiebron of van Aalsterse auteurs. Van Bob De Moor, die in het artikel wordt geïnterviewd, verkochten de Scriptomanen alleen al in de Standaard Boekhandel van Aalst tientallen boeken, maar in Utopia kan De Vliegende Eenhoorn jammer genoeg niet landen.




Is me dat een hele geruststelling zeg, want ik dacht al de enige Aalsterse auteur te zijn voor wie er meer plaats is in de bib van pak weg Dendermonde dan in die van zijn eigen geboortestad. Wie er een nog onvolledige lijst wil op naslaan van bibliotheken waar er wel plaats is voor mijn werk, kan zich wenden tot deze blogpost.

Maar, en dat doet toch deugd om te lezen, het ligt niet aan de kwaliteit maar aan het plaatsgebrek, want dit "betekent natuurlijk niet dat deze boeken niet het lezen waard zijn," weet Chipka te melden. Voor andere Aalsterse auteurs - of schrijvers die bij mij van 2004 tot 2025 creatief schrijven volgden aan de Academie voor Podiumkunsten, al sinds 2018 eveneens gehuisvest in Utopia - moet het eveneens een grote opluchting zijn. Nietwaar Katrien Dierick, Anna van Ro, Anke Verleysen of Dirk Van Babylon?

Met deze schrijvers - en nog andere uit Groot-Aalst - organiseren we al drie jaar Reveil, ten zeerste door de Aalstenaars geapprecieerd, gisteren nog in Nieuwerkerken, voordien in Erembodegem. En met de steun van het Aalsterse Deelgemeentenplatform stelden we ook het boek Een steen verlegd samen, over de begraafplaatsen van Groot-Aalst. Als u dit boek niet terugvindt in de bibliotheek van Aalst, heeft dat dus niets te maken met een gebrek aan interesse of appreciatie... maar louter en alleen van plaats. It's the infrastructure stupid! (Tes den infrastructuur, onnoeëzeleir!)

Nu ja, als professioneel Aalsters schrijver met tal van boeken - meermaals herdrukt, bekroond en vertaald - bij onder meer Manteau, Pelckmans, Afijn/Clavis, Davidsfonds Infodok en de Scriptomanen... ken ik al veertig jaar mijn plaats. En dat die ook in mèn iënig Oilsjt zou liggen, heb ik al lang bijgezet in de Bibliotheek der Utopische Gedachten. Daar is altijd wel een plekje vrij.

21.10.26

101 Familiefoto's van Patrick Bernauw - 015/016: Wie werd hier weggeknipt?

 



Familiegeheimen… Je merkt aan een gesprek dat plotseling een andere richting uitgaat wanneer een bepaalde naam valt, dat je ze hebt aangeraakt. Een tante zegt dat je daar beter niet naar vraagt, een grootmoeder is ineens heel druk bezig met het inschenken van koffie… Maar er bestaan ook familiegeheimen waarvan je niet wist dat ze bestonden en die pas aan het licht komen als degenen die ze kenden er niet meer zijn. Dan blijft er soms nauwelijks meer over dan een voorwerp, een brief zonder context, een naam op de achterkant van een postkaart of, zoals in dit geval, twee oude foto’s waar iemand ooit iemand anders heeft weggeknipt.

De foto’s in kwestie bevinden zich in het familiealbum dat mijn moeder Justine Onverwagt heeft samengesteld rond haar ouders, Jan Ferdinand Onverwagt en Florine Van Gheit. Het fameuze Groene Boek met de schreeuwlelijke jaren 70 cover kwam wellicht kort na 1976 tot stand, toen mijn 'Petjen', haar vader, overleed. Pas toen ook mijn moeder overleed, in mei 2026, rijpte bij mij het idee iets te gaan doen met dat album en met een aantal andere foto’s uit haar nalatenschap.

Ik kan mij mijn Petjen onmogelijk voorstellen als iemand die foto’s bijhield, en er was ook geen foto-album aanwezig in het huis op de Boechoutberg van Erembodegem, dat hij zelf gebouwd had en waar ik zovele vakantiedagen en weekends doorbracht. Daar ben ik heel zeker van, want anders zou ik zo’n album zeker gezien hebben. Waarschijnlijk staken de foto’s in een doos, mogelijk zo’n blikken koekjesdoos met een huwelijksfoto op van koning Boudewijn en koningin Fabiola, of met een huiselijk tafereel ontleend aan een schilderij van Vermeer of Rembrandt. Die heb ik hier in het huis op de heuvel wél gezien, er werd ook vanalles in bewaard – van naald en draad en knopen en dobbelstenen voor het ganzenspel… tot, jawel, koekjes en snoepjes.

Metjen Florine was het administratieve hoofd van het gezin – Petjen kon amper lezen en schrijven, maar hij bouwde wel huizen in zijn vrije tijd, grotendeels in zijn eentje, en hield er een uitgebreide moestuin op na, en kippen en konijnen, en hij had ook nog een full time job als schrijnwerker… tot hij met pensioen ging en prompt ziek werd. Metjen zal ongetwijfeld ook de foto’s verzameld en bijgehouden hebben die uiteindelijk terechtgekomen zijn in het album van mijn moeder. Na het overlijden van Petjen in 1976 trok zij in bij ons thuis, eerst aan de Kerkhofbaan in Erembodegem en daarna aan de Roomshofstraat.

Het lijkt er dus op dat het Metjen was die de persoon of personen op de twee foto’s zonder veel consideratie met een schaar heeft weggeknipt – want haar dochter, mijn moeder, heeft het niet gedaan. Tot mijn grote spijt heb ik haar nooit gevraagd naar de Weggeknipte. Ik had dat al kunnen doen in 2020, toen ze verhuisde naar een woonzorgcentrum, en ik het fotoalbum voor het eerst te zien kreeg. Ze maakte een vage allusie op de gecensureerde figuren, waardoor ik begreep dat ze er ook niet echt het fijne van wist – en ik moest nog zoveel andere grote historische mysteries oplossen, ik had geen tijd om mij te verdiepen in dit simpele kleine familiegeheim.

Zodus… wie was daar te zien op deze twee foto’s, die niet langer gezien mocht worden? Misschien doe ik Petjen onrecht aan, als ik hem al bij voorbaat niet als verdacht in beeld laat komen. Kleinkinderen leren hun grootouders tenslotte pas kennen wanneer het grootste en vaak interessantste deel van hun leven al voorbij is. Maar ik kan mij eerlijk gezegd niemand anders voorstellen dan metjen Florine, die de schaar hanteerde… zodat deze twee beschadigde familiefoto’s daarmee plotseling zijn veranderd in een boodschap van mijn grootmoeder die ik vele jaren te laat probeer te ontcijferen.

Over het mysterie van de eerste foto heb ik een voor de helft fictief en voor de andere helft redelijk feitelijk verhaal geschreven, dat te beluisteren valt op de podcast Mysterieus België.

Maar in hetzelfde familiealbum bevindt zich nog een tweede foto met een weggeknipte figuur, waarover ik het hier wil hebben... en daar staat Nand wel degelijk op. Hij zit met Florine in een roeiboot. Achter hen strekt zich een brede waterpartij uit, met een dichtbegroeide, lage oever en verschillende andere bootjes waarop mensen spelevaren. Rechts liggen nog enkele roeiboten. Het is duidelijk een recreatieoord, waar men een boot kon huren, en een aantrekkelijke piste is dat de foto aan het Donkmeer in Berlare werd gemaakt. Zeker weten kunnen we het niet, want er staat geen herkenbaar gebouw of ander uniek landschapselement op, maar historisch past het uitstekend. Overmere-Donk was al vanaf het einde van de negentiende eeuw een bestemming voor volkstoerisme, en in de eerste decennia van de twintigste eeuw kwamen er dagjesmensen uit onder meer Aalst, Dendermonde en Gent om te wandelen, te vissen, te zwemmen en in roeibootjes rond te dobberen.  

Ik stel mij dus voor dat Jan en Florine op een zondag vanuit het Land van Aalst naar Overmere-Donk zijn getrokken. Met zijn tweetjes, met zijn drieën of met zijn vieren? Geen idee. Ze wandelden, dronken iets, waarschijnlijk aten ze hun meegebrachte boterhammetjes met ei op, en uiteindelijk huurden ze een roeiboot. Nand trok zijn jas uit, als hij die al bij zich had, en zat in zijn lichte overhemd met das en bretels naast Florine. Zij droeg een eenvoudige lichte blouse en zat met haar handen rustig voor zich. Hij sloeg zijn arm om haar schouders en beiden keken naar de fotograaf.

Hier zijn ze duidelijk al samen, en niet als toevallige kennissen die voor de fotograaf beleefd naast elkaar zijn gaan zitten. Er spreekt vertrouwdheid uit die arm rond haar schouders. Wie de foto nam, zag een jong paar voor zich – en nog een of twee anderen, want opnieuw ontbreekt links een deel van het beeld. Twee foto's uit dezelfde periode en van dezelfde tak van de familie, allebei via Metjen Florine bij haar dochter terechtgekomen, allebei met Florine erop, en allebei met de schaar onder handen genomen.

Wie wilde Florine niet langer op haar foto's te zien krijgen? Leggen we de beide foto’s bij elkaar, dan wordt het ook duidelijk dat we de onbekende niet geloofwaardig kunnen situeren in een romantische context. Hij – of zij - moet iemand geweest zijn die deel uitmaakte van hun bredere kring: familie, een vriend of een vriendin, iemand die een tijdlang vanzelfsprekend aanwezig was op uitstappen en bijeenkomsten en later even vanzelfsprekend uit het familieverhaal verdween. Hoewel het technisch mogelijk blijft dat er op de tweede foto een koppel te zien was, hecht ik hier ook weinig geloof aan, omdat mijn moeder alludeerde op één iemand.

Waarom moet een persoon 'uitgewist' worden? Een huwelijk dat verkeerd afloopt, kan voldoende zijn. Een broer of zus die na een erfeniskwestie nooit meer over de vloer komt. Een schoonbroer die zijn vrouw verlaat voor een andere vrouw. Een vriend die geld leent en het niet terugbetaalt. Een familielid dat iets zegt of doet wat op dat ogenblik onvergeeflijk wordt geacht en waarvan twee generaties later niemand nog begrijpt waarom het zoveel woede veroorzaakte. Families kunnen tientallen jaren zwijgen om redenen die, wanneer ze uiteindelijk worden opgehelderd, verbijsterend klein blijken te zijn.

Maar deze foto's stammen waarschijnlijk uit een periode waarin de geschiedenis zelf voldoende redenen leverde om mensen uit foto's te willen verwijderen. Als ze tijdens het interbellum zijn gemaakt en pas na de Tweede Wereldoorlog werden verknipt, kan iemand die in pak en hoed vrolijk meeging op een uitstap tien jaar later een naam geworden zijn die men liever niet meer uitsprak. Collaboratie en verzet hebben niet alleen politieke geschiedenis geschreven; ze zijn dwars door families heen gegaan. Vriendschappen werden opgebroken, buren werden vijanden, familie kwam na de bevrijding in de gevangenis terecht. Er werden na de oorlog officiële vonnissen uitgesproken, maar daarnaast bestonden er duizenden kleine privévonnissen waarvan geen archief werd bijgehouden. Soms betekende zo'n vonnis eenvoudig dat iemand uit de intieme kring werd verbannen, en dat zijn of haar naam niet meer werd genoemd.

Het meest van al intrigeert me nog waarom Metjen Florine de verknipte foto’s bewaard heeft. Als ze de herinnering wilde vernietigen, was het toch veel effectiever geweest de foto’s weg te gooien? Ze bezat voor die tijd redelijk veel andere foto’s om haar jaren als jonge vrouw te documenteren. Het lijkt erop alsof ze niet simpelweg wilde vergeten – dat gebeurt trouwens vanzelf, daarvoor heb je geen schaar nodig.

Het is een volmaakt familiegeheim. Geen gezicht meer te bekennen, geen naam die overgeleverd werd… alleen die leegte met zijn bruuske, scherpe rand.


Podcast Luisterboeken