De vrachtwagen is een Chevrolet, zwaar beladen met
biervaten. Hij draagt de naam van een brouwerij die ooit bekend in de oren moet
hebben geklonken in de cafés van het Pajottenland. Tous-saint Frères, gevestigd
in de Aspergestraat 55 in Brussel.
De man rechts, met de arm om de schouder van zijn
collega, is mijn grootvader: Jan Ferdinand Onverwagt, ‘Petjen’. Zijn collega is
ook zijn broer: Jean Baptist Onverwagt, ‘Nonkel Zjang’. Ze hebben hun werk even
onderbroken voor de fotograaf. En hun werk, dat is: de biervaten vervoeren, laden en lossen, door weer en wind, over Brusselse kasseien die toen nog
geen toeristische attractie waren maar een dagelijkse beproeving voor mens en
machine. Ze staan daar met een vanzelfsprekende trots, fier op wat ze doen.
Zonder hen wordt er geen lambiek getapt, komt er geen gueuze op tafel.
Brouwerij Toussaint Frères houdt zich schuil in het
doolhof van straten rond het centrum, niet ver van de huidige Dansaertwijk. Dat
was destijds een buurt van ambachtslui, opslagplaatsen, kleine industrie en handelszaken.
Op de laadbak zijn nog letters zichtbaar die verwijzen naar de geuze, het bier
dat even Brussels is als Manneken Pis.
De foto dateert waarschijnlijk van eind jaren 30,
wellicht net voor de algemene mobilisatie die een abrupt eind zou maken aan hun
werkzaamheden. Het is ongetwijfeld een publiciteitsfoto gemaakt in opdracht
van de brouwerij, op een moment dat die zich in de laatste bloeiperiode bevindt
van een eeuwenoude Brusselse traditie. In de negentiende eeuw telde Brussel
tientallen brouwerijen. Rond de Zenne, in de Marollen, Anderlecht, Molenbeek,
Koekelberg en de Vijfhoek hing regelmatig de geur van mout en kokend wort in de
lucht. Bier werd niet beschouwd als een luxeproduct, maar was bestemd voor de
dagelijkse consumptie. Vrijwel elke wijk
had haar brouwerij, haar bierhandelaar en haar vaste cafés.
De wereld waarin de gebroeders Onverwagt werkten was
nog die van de houten tonnen. Vandaag associëren we bier met flessen en
blikjes, maar tot ver in de twintigste eeuw werd een aanzienlijk deel van het
bier per vat geleverd. Brouwersgasten reden van café naar café, laadden volle
tonnen af en namen de lege weer mee terug. Het was zwaar werk. Een houten vat
kon makkelijk meer dan honderd kilogram wegen.
Terwijl namen als Cantillon, Belle-Vue en later Mort
Subite bekend bleven, verdwenen in de loop van de twintigste eeuw de meeste
brouwerijen – door schaalvergroting, fusies, oorlogen en veranderende
consumptiegewoonten. Net zoals Toussaint Frères lieten ze vrijwel geen sporen
achter in het collectieve geheugen. Het ging waarschijnlijk om een lokale
brouwerij die een eigen klantenkring bediende van cafés, estaminets en
bierhuizen… en waarbij eerder al de vader van de twee broers, Henricus, had
gewerkt. Het lijkt er sterk op dat de brouwerij gespecialiseerd was in de
lambiek uit de Zennevallei en het Pajottenland, een biercultuur die zo uniek is
dat ze wereldwijd als een van de meest karakteristieke Belgische tradities
wordt beschouwd.

In zijn trouwboekje staat Onverwagt Jan Ferdinand geboekstaafd als 'brouwersgast'.
En ik die dacht dat Petjen altijd schrijnwerker was
geweest. Blijkt nu dat hij aan de slag ging als brouwersgast, van vader op
zoon. En samen met zijn vijf jaar oudere broer. Zat hij achter het stuur van
het gevaarte, of was dat Nonkel Zjang? Of wisselden ze af? Mijn Petjen heeft
altijd iets met auto’s gehad, ik weet dat hij er begin jaren 50 in één
rondreed, een Austin, toen het nog lang niet gewoon was dat een ‘werkmens’ een
auto bezat. Met zijn kleine gezinnetje maakte hij uitstapjes naar de zee of
naar Bouillon. Daar zou hij, volgens ons moe, in het hotel waar ze logeerden op
de vraag hoe laat ze wilden vertrekken, in zijn beste Frans ge-antwoord hebben:
‘A huit heures of om een uur of negen.’ Later koos hij voor Fiat, eerst een 500
en daarna een 850. Ik heb ze allebei nog meegemaakt. Dus misschien was hij het
wel die ach-ter het stuur zat, want Nonkel Zjang heb ik nooit met een auto
weten rijden.





















