De eerste keer dat hij stierf, merkte hij het nauwelijks.
Er was een ziekenhuiskamer geweest, een winteravond waarop
de regen tegen de ramen tikte en een verpleegster die hem nog iets had gevraagd
wat hij niet meer verstond omdat haar stem al van heel ver leek te komen.
Daarna volgde een duisternis die zo volmaakt was dat zij niet eens als
duisternis kon worden ervaren. Er waren geen dromen, geen herinneringen, geen
tunnel van licht of reeds gestorven familieleden die hem stonden op te wachten.
Er was eenvoudigweg Niets.
En vervolgens was er opnieuw Iets.
Toen hij zijn ogen opende, zat hij in de woonkamer van zijn ouderlijk huis. De versleten sofa stond nog naast de
kachel, de klok boven de schoorsteenmantel wees tien over acht aan en door het
raam zag hij de appelboom die vroeger precies in het midden van de tuin had gestaan.
Alles was nog net zoals hij het zich herinnerde.
Aanvankelijk dacht hij dat hij droomde. Maar toen hij naar
buiten liep, kreeg hij steeds sterker het gevoel dat niet hijzelf, maar de
wereld rondom hem een droom was. De straat lag er verlaten bij, er reden geen
auto's voorbij, er klonken geen stemmen. Hij wandelde door de stilte van een toneeldecor
dat wacht tot de acteurs hun plaatsen innemen.
Maandenlang dwaalde hij door deze merkwaardige stad die de zijne was. Hij vond
winkels waarvan de deuren nooit opengingen, cafés waarin glazen op tafels
stonden alsof de klanten elk moment konden terugkeren en stations waar treinen
aankwamen zonder passagiers.
Pas veel later ontmoette hij een andere mens. Een jonge vrouw zat op een bank aan een rivier die op geen enkele kaart voorkwam. Ze vroeg hem wanneer hij was gestorven en toen hij antwoordde dat dit vorige week was gebeurd, glimlachte ze en zei: "Dat denkt u maar."
Zijzelf werd geveld in 1912 door een longontsteking. Sindsdien woonde
ze hier, in deze vreemde wereld waar mensen uit verschillende tijden elkaar
soms ontmoetten alsof de geschiedenis was samengevouwen tot één enkele
bladzijde.
In de jaren die volgden ontmoette hij nog lotgenoten: een
zeeman uit de zeventiende eeuw, een monnik uit de middeleeuwen, een programmeur
uit een verre toekomst die beweerde dat heel deze wereld niet meer dan een simulatie was. Hun
verhalen verschilden in bijna alles, behalve in één detail: iedereen was gestorven, en hij of zij was daarna hier terechtgekomen.
Langzaam groeide het vermoeden dat deze plaats geen
hiernamaals was, maar… iets anders. Gebouwen leken soms alleen te bestaan omdat
iemand ze zich herinnerde. Straten verdwenen wanneer hun laatste bewoner
vergeten werd... of ze vergat. De stad was niet opgebouwd uit steen en beton, maar uit
herinneringen die hardnekkig weigerden te verdwijnen.
Op een avond bracht de vrouw hem naar een verlaten vlakte waar een eenzame deur stond, zonder muur eromheen, zonder huis - alsof ze daar door niemand en voor niemand was achtergelaten.
"Wat bevindt zich erachter?" vroeg hij.
"Dat weet niemand," antwoordde de vrouw. "Wie
erdoor gaat, keert nooit terug."
Jarenlang bleef de deur hem achtervolgen - spreekwoordelijk, uiteraard. Uiteindelijk won zijn nieuwsgierigheid het pleit. Op een dag legde hij zijn hand op de koude klink, dacht
aan de regen tegen het ziekenhuisraam op de avond van zijn dood en aan alle
herinneringen waaruit deze wereld was opgebouwd.
Toen opende hij de deur.
Van alle blackouts is ook een luisterverhaal gemaakt, terug te vinden op de podcast Luisterboeken.




