14.7.26

101 Familiefoto's - 003: Petjen

 


Nu we dan toch bezig zijn, hier komt nog een fragment aan uit Een magisch-realist in Mysterieus België:

 

Mijn grootvader, ‘Petjen’, was mijn held… en omgekeerd was dat ongetwijfeld ook het geval. Petjen maakte voor mij een boog van essenhout, en in de Zavelputten gingen we riet snoeien, en als je dan wat modder in zo’n uiteinde van een stuk riet stopte, kreeg je een pijl die goed rechtdoor kon vliegen en ook recht naar beneden kwam.

Hij leerde mij ‘muziekskes’ blazen op een stugge grasspriet, en vertelde mij bij de Duivelsputten verhalen over de stuikrover Jan De Lichte. In het moeras kon je nog de restanten van de postkoets zien drijven die zijn bende daar had overvallen. En hij drukte me op het hart nooit voorbij het roestige ijzeren hek te gaan dat het domein ‘van de baron’ afsloot, want daar lagen allemaal wolfsijzers en schietgeweren.

Petjen toonde me hoe je op een landerige zaterdagnamiddag spannende avonturen kon beleven, door een lege portefeuille aan een dun touwtje te hangen en op het fietspad te leggen – hij woonde op de Brusselse Steenweg, daar kwamen behalve tamelijk veel auto’s ook wel wat fietsers voorbij. Hij deed me voor hoe ik me in het struikgewas kon verstoppen, wachtend op de argeloze fietser die de portefeuille zou opmerken en van zijn fiets stappen, net voor de top van de Boechoutberg (67 meter boven de zeespiegel, leerden we in de gemeenteschool) en volstrekt buiten adem. En hoe ik ten slotte heel hard lachend heel hard moest wegrennen, met portefeuille en al. 

Ik vertelde hem op zijn vraag vanalles over wat ik op school had geleerd. Hoe de mensen tegenwoordig naar de maan vlogen en zo – al begrijp ik dat zelf nog altijd niet goed – en hoe de Romeinen destijds ons land hadden bezet – daar wist ik dan weer alles over – en wanneer ik iets aan het lezen was, vroeg hij me soms een stukje voor te lezen. Want zelf kon hij amper lezen, hij was maar tot zijn veertiende naar school geweest, en dan nog vooral ‘achter de haag’.

Ik was gek op paarden; dat kwam door al die boeken over Winnetou en Old Shatterhand. Ik las Petjen bij voorkeur een passage voor waarin paarden opdraafden, en schetste in geuren en kleuren hoe je als ruiter één kon worden met je paard en dat je ermee kon praten, maar dat je elkaar ook begreep zonder woorden. En daar op de Boechoutberg had Petjen een heel grote moestuin en hield hij ook veel kippen en konijnen, maar daarachter kon hij nog wel een wei huren om het paard op te zetten dat hij voor mij zou kopen.

Er was maar één probleem. Mijn moeder zei ‘nee’.

Maar toen kregen we nieuwe overburen, en op de wei waar mijn paard had moeten staan, stond nu dat van de dochter van de overburen. Het paard heette Cry. En Petjen regelde het zo dat hij het paard mocht verzorgen als de eigenaars op reis waren – ze waren nogal rijk, die overburen, en dus gingen ze skiën in de winter, naar de Côte d’Azur in de zomer, en tussendoor bezochten ze allerlei wereldsteden. Zo kwam ik dan toch nog op de rug van een paard terecht. Dat van die eenheid van mens en dier viel wat tegen, maar praten met een paard kon ik als de beste.

Vanuit mijn tuin – ik woon nu in het huis dat ooit eigenhandig door mijn grootvader werd gebouwd – kan ik nog steeds de bedding zien waar ooit de laatste tram tussen Gent en Brussel reed. En de wei waar ‘mijn’ paard stond. Tot Petjen in die mythische zomer van ’76 stierf en er een einde kwam aan mijn weekfends en vakanties op de Boechoutberg. Voor een jaar of tien dan toch.

Petjen had prostaatkanker en we wisten dat die zomer zijn laatste zou worden. Ik was veertien, het werd september en ik ging met de fiets naar school. Toen ik terugkeerde naar huis, kruiste ik ter hoogte van het park van Aalst, net voor de Kapellekensbaan van Louis Paul Boon, een lijkwagen. Plotseling voelde het alsof ik lood in de benen kreeg, ik wist gewoon dat Petjen er niet meer zou zijn. Mijn voorgevoel had me niet bedrogen; er waren nog lang geen smartphones, we hadden thuis zelfs nog maar sinds kort telefoon… Maar toen ik de deur opende en mijn fiets stalde en mijn moeder in het smalle gangetje verscheen, moest ze niets meer zeggen. Ik wist het al. Petjen had een fatale hersenbloeding gekregen.



 

De foto die de motor is van deze stroom van herinneringen staat aan het begin van dit stukje. Hij hing in groot formaat, in een zwaar kader op de badkamer van het huis op de heuvel. Die badkamer had toen nog alleen een bad en een lavabo, een toilet was er niet. Daarvoor moest je naar tosjke of ‘het huisje’ dat was aangebouwd aan het stalletje dat was aangebouwd aan de veranda die was aangebouwd aan de eigenlijke woning. In de badkamer stond een nachtemmer – als kind moest ik ’s nachts nog niet opstaan om te gaan plassen, maar ’s ochtends keken petjen, metjen en ‘ons moe’ altijd sereen en ernstig op mij neer als ik het in de emmer liet klateren.  

Het is een zorgvuldig gecomponeerd familieportret zoals dat gebruikelijk was in de vroege jaren 1940. Alles wijst erop dat de foto werd gemaakt in een studio, waar licht, houding en compositie zorgvuldig werden geregisseerd om een beeld van respectabiliteit en familiale verbondenheid vast te leggen.

Het kleine meisje, mijn moeder, zit vooraan op een ronde kruk. Ze vormt letterlijk en figuurlijk het middelpunt van de compositie. De enorme witte strik boven op haar hoofd, zo groot als haar gezicht, fungeert als een visueel ankerpunt. Ze zit ontspannen, met de benen schuin over elkaar op de kruk… als helemaal niet mijn moeder.

Wat het beeld zo ontroerend maakt, realiseer ik me nu, is een subtiel evenwicht tussen ernst en tederheid. Petjen straalt bescherming uit, metjen warmte, mijn moeder zorgt voor een vleugje onvoorspelbaarheid. Ze vormen een driehoek van blikken en houdingen die bijna een klein verhaal vertellen: van een papa en een mama die hun toekomst voor zich zien zitten op een kruk, met een grote witte strik in het haar en de aandacht al half gericht op de wereld die zich buiten het kader van de foto bevindt.

11.7.26

101 Familiefoto's - 002: De laatste tram

 


In mijn ‘creatieve autobiografie’ Eenmagisch-realist in Mysterieus België (2025) beschrijf ik het als volgt:



Dit moet zo ongeveer mijn oudste herinnering zijn. Ik ben een jaar of vier en zit op de arm van mijn grootmoeder. Ze staat helemaal achteraan in de tuin van haar huis, bij het hekje dat rechtstreeks uitgeeft op iets dat lijkt op de bedding van een drooggevallen rivier. Maar het is geen rivier, er liggen tramsporen in het midden van de bedding.

Naast mijn grootmoeder staat mijn grootvader, in zijn hemdsmouwen. En mijn ouders zijn er ook. De hond blaft en springt op – hij is helemaal wit, behalve rond zijn ene oog: daar is ie zwart.

Het is warm, de zon schijnt. Het moet augustus zijn, zo zal ik mij later realiseren… want aan de overkant van de tramlijn ligt een graanveld, en het graan is geel.

En dan is daar de tram. Hij rijdt ons traag voorbij. En de hond blaft en springt op. De zonnestralen lijken mij helemaal warm te maken, ook vanbinnen. Ik ervaar een intens gevoel van geluk, zoals er nog veel zullen volgen in die gouden jeugd van me. Het graan kan ik bijna ruiken. Wat een mooie, mooie dag is dit…

Achteraan op de tram, op een platformpje, staan een drietal mensen – twee mannen en een vrouw. En ze wuiven naar ons. En wij wuiven terug.

‘Kijk jongen, dat was nu de laatste tram,’ hoor ik mijn grootvader zeggen.  

Vele jaren later – ik woon nu al geruime tijd in het huis van mijn grootouders – vertel ik aan een heemkundige dat ik als kleuter daar, achteraan in de tuin, de laatste tram heb uitgewuifd.

De man kijkt me kritisch aan. ‘Hoe oud ben jij dan?’

Ik zeg dat ik geboren ben in ’62.

‘Ik dacht al zoiets,’ grijnst hij. ‘De laatste tram reed uit in 1963.’

 

Het is een typische valse herinnering. Waarschijnlijk heb ik in de loop der jaren – misschien zelfs voor een verhaal dat ik ooit schreef – het relaas van mijn ouders of grootouders over die laatste tram gecombineerd met mijn herinneringen aan hoe we ooit in een gouden zomer van lang geleden achteraan in de tuin stonden. Er bestaat trouwens nog een foto van zo een in de tijd gestold moment. De witte hond met het zwarte oog ken ik eigenlijk alleen maar van die foto, en van mijn valse herinnering, want voor de rest komt hij in mijn herinneringen niet voor.

Ik heb in de loop der tijden een massa van dit soort valse herinneringen gefabriceerd. De pseudo-herinnering is een bekend psychisch gegeven. Een niet-schrijvende mens zal een gat in zijn geheugen proberen op te vullen in een doorgaans grotendeels onbewust proces. Hij zal bepaalde details en zelfs hele herinneringen verzinnen, of ze door logisch redeneren proberen te reconstrueren. Een schrijvende mens zal bewust stilstaan bij een gebeurtenis uit zijn verleden en er iets mee doen in functie van een personage dat hij tot leven wil wekken, een scène die hij wil inkleuren, het verhaal dat hij wil vertellen.

In de psychologie spreekt men in dit verband over het Lost in the Mall Experiment, waarmee werd aangetoond dat mensen nieuwe herinneringen kunnen aanmaken over gebeurtenissen die nooit hebben plaatsgevonden. Proefpersonen krijgen het verslag van een aantal gebeurtenissen uit hun jeugd te lezen, genoteerd door familieleden. Eén ‘feit’ is evenwel verzonnen: dat ze op vijfjarige leeftijd verdwaalden in een winkelcentrum. Toch wordt ook deze fictieve gebeurtenis voor waar aangenomen: sommige proefpersonen slagen er zelfs in allerlei details te vertellen over een verzinsel.

Een schrijver kan hier zijn voordeel mee doen. Voor een magisch-realistische schrijver zou dit fenomeen zelfs een fundament kunnen zijn waarop een belangrijk deel van zijn werk is gebouwd. Ga het na bij verschillende magisch-realistische schrijvers als Haruki Murakami, Jeanette Winterson, Hubert Lampo, Isabel Allende, Jorge Luis Borges of Gabriel Garcia Marquez… en je zult telkens een andere definitie krijgen van wat magisch-realisme voor hen betekent. Een aantal elementen keert noodzakelijkerwijze terug: aan de ene kant de werkelijkheid zoals wij die kennen – de ‘feiten’ zeg maar –, aan de andere kant de droom, de verbeelding, de fictie, de mythe, het bovennatuurlijke en het mystieke, een alternatieve realiteit, een parallelle wereld.




Tot daar het fragment waar ik voor de lezer een valse herinnering ontmasker en er tegelijk een nieuwe aanmaak. Want de foto waarvan sprake, met de hond met het ene zwarte oog, achteraan in de tuin… die bestaat niet. Bij het doorploegen van het familiale foto-archief na de dood van mijn moeder op 13 mei 2026 – de rechtstreekse aanleiding voor het schrijven van deze stukken – ging ik naarstig op zoek naar de bewuste foto die ik me haarscherp meende te herinneren… en die niet bestond.

Blijkbaar heb ik aan de hand van een onbestaande foto – opnieuw – een alternatieve realiteit geconstrueerd, een parallelle wereld. Ik ben er wel vrij zeker van welke foto voor de inspiratie heeft gezorgd, en dat moet deze zijn waarmee ik dit stukje open. Mijn grootvader en mijn grootmoeder achterin de tuin van het huis waar ik nog steeds woon, mijn grootmoeder met een hond op de arm. En tussen hen in… niet ik, maar mijn moeder.

Die hond – al dan niet met één zwart oog – verschijnt trouwens wel vaker op foto’s met mijn grootouders en/of mijn moeder. Hij maakte, zolang ik mij kan herinneren, deel uit van de familie.

Eind jaren 40 maakte je niet zomaar eventjes een foto. Ik vraag me dan af wie besloot mama, papa en de dochter even bij elkaar in de tuin. Het moet weer zomer zijn. Mijn grootvader is lang en opvallend mager, zijn houding zelfverzekerd, bijna uitdagend met die hand in zijn zij. Hij is in hemdsmouwen, werd hij onderbroken bij het werk in de tuin? In zijn blik meen ik een zweem van ongeduld te ontwaren. 

Het meisje dat mijn moeder zal worden vangt in haar lichte jurk het meeste licht. Ze staat keurig rechtop met beide handen voor zich gevouwen, heeft ze dat zo geleerd op school? Toch straalt ze geen verlegenheid uit, integendeel, ze lacht, ze vindt dit amusant, ze heeft er schik in. 

Metjen heeft een stevig postuur – heel anders dan het frêle oude vrouwtje dat zij later zou worden. Ze glimlacht als iemand die tevreden is met haar leven. Zowel mijn moeder als mijn groot-moeder lijken  heel anders op deze foto dan ik ze mij herinner.

De aandacht van de hond wordt volledig opgeëist door iets buiten beeld. Je krijgt het gevoel dat hij elk moment zou kunnen beginnen spartelen en vervolgens onherroepelijk buiten beeld springen…

3.7.26

Blackout 03: De tuin die terugkeerde

 



De oude man woonde alleen aan de rand van het dorp, in een huis dat langzaam door klimop en vergetelheid werd veroverd. Niemand wist precies hoe oud hij was. Sommige buren beweerden dat hij er altijd al had gewoond. Anderen herinnerden zich vaag dat hij ooit als jonge onderwijzer was aangekomen, ergens kort na de oorlog. “De eerste of de tweede?” vroeg ik. Daar kon niemand op antwoorden.

Tegen de tijd dat ik hem leerde kennen, leek hij niet meer tot dezelfde wereld te behoren als de rest van ons. Iedere avond zat hij op een houten bankje achter zijn huis en keek hij uit over een stuk braakliggend terrein dat ooit een tuin was geweest. Volgens hem had daar vroeger een wonderlijke verzameling planten gestaan: blauwe rozen, zilveren papavers, nachtbloemen die enkel opengingen wanneer de maan vol was. Niemand geloofde hem. De grond lag er kaal bij, op wat onkruid en een paar verwilderde struiken na.

"Je bent te laat geboren," zei hij vaak tegen mij. "Je had het moeten zien."

Ik glimlachte dan beleefd. Kinderen zijn bereid veel te geloven, maar zelfs ik vermoedde dat de man vooral sprak over herinneringen die mooier waren geworden naarmate de jaren verstreken.

Toen hij stierf, werd zijn huis leeggehaald. Zijn boeken verdwenen naar antiquairs, zijn meubels naar kringloopwinkels en zijn persoonlijke papieren werden opgehaald door de stadsreinigingsdiensten.

De tuin bleef achter.

Dat jaar kwam de winter vroeg. Dagenlang hing er mist boven de velden. Op een avond wandelde ik langs het verlaten huis toen ik iets vreemds opmerkte. Achter het verroeste hek leek een zacht licht te gloeien, alsof iemand tussen de struiken een reeks kleine lampen had verborgen.

Nieuwsgierig klom ik over het hek. De lucht voelde er anders aan, warmer. En plots rook ik bloemen. De geur had niets van de herfst, van natte aarde, maar alles van een bedwelmend parfum dat ik niet thuis kon brengen.

Voor mij strekte zich een tuin uit die daar onmogelijk kon zijn. Waar enkele uren eerder nog kale grond was geweest, zag ik nu kronkelende paadjes, vijvers waarin sterren weerspiegeld werden en bloemen die een zacht licht uitstraalden alsof ze hun eigen kleine maan bezaten. Hoge bomen bogen zich over het landschap, hun bladeren ritselden in een taal die ik bijna kon verstaan.

Ik liep verder, verbluft en sprakeloos. Op een open plek zat de oude man op zijn bankje. Of liever: daar zat iemand die op hem leek. 

Hij keek glimlachend naar de bloeiende wereld rondom zich. "Ik zei toch dat je te laat geboren was," zei hij.

"Wat is dit?" vroeg ik.

"Een glimp," antwoordde hij. "Meer kan ik je niet geven.”

En toen begon de wereld rondom ons al te vervagen. De lichtgevende bloemen doofden één voor één uit. De bomen werden schaduwen, de paden losten op in nevel. Het huis was weer donker, en het bankje leeg.


Alle blackouts zullen op termijn te vinden zijn via deze link. Hier vind je ook alle info over het boek Groetjes uit de vierde dimensie, dat eveneens samengesteld is uit microfictie en illustraties (postkaarten) geïnspireerd door blackout poetry, en andere produkten van het Mystiek Actie Front MAF.

Van alle blackouts is ook een luisterverhaal gemaakt, terug te vinden op de podcast Luisterboeken.


 


Podcast Luisterboeken