25.7.06
Duivelsteen 1, een Gentse griezelroman van Patrick Bernauw
In zijn sombere kasteel Duivelsteen brengt Gerard de Duivel zijn dagen door met braspartijen en gruweldaden. Algauw heeft het Duivelsteen van Gent de naam behekst te zijn. Geen wonder dat het later een tehuis voor krankzinnigen wordt. Een van hen schrijft koortsachtig alle verhalen over het Duivelsteen op, het ene nog verwarder dan het andere. Wat bijvoorbeeld te denken van de noodlottige liefde die zich in het Duivelsteen voltrokken zou hebben?
De griezelroman Duivelsteen kun je nu integraal en gratis lezen op het web. Hier vind je alle info rond de nieuwe uitgave van dit boek in de reeks Mysterieus België, de uitgave als ebook... en het moordspel/stadsspel Mysteries van het Duivelsteen.
Ik ben een zoon van de Duivel.
Om de dertien jaar word ik herboren.
Nu ben ik al oud. En toch nog zo jong.
Als ik straks sterf, ben ik er even niet.
Maar daarna hervat ik weer mijn eeuwig leven.
Ik ben een vampier die zich niet voedt met bloed.
Ik voed mij met verhalen.
Ik verzamel de verhalen die tot mij komen en ik schrijf ze op in mijn nachtboek.
Met de ogen wijd open luister ik naar de stemmen.
En wat ze zacht voor zich heen fluisteren, schrijf ik op bij het zwakke licht van een stompje kaars.
Ik leef in een eindeloze nacht. Als een wezen van de duisternis waaruit ik werd geboren.
Ik ben onzichtbaar, ik heb geen spiegelbeeld.
Deze verhalen zijn de enige reden van mijn bestaan.
Zij alleen bewijzen dat ik besta - want wie anders zou ze geschreven hebben?
Ik vertel mijn verhalen aan eenieder die het horen wil.
Maar wie kan ze horen in de ondergrondse krochten van het Duivelsteen?
De schaarse passanten niet.
De broeders en zusters hierboven niet.
Aan mijn voeten ligt een vunzige hoed.
De gasten van het Duivelsteen zouden er bij wijze van bedankje een koperen cent in gooien als zij niet net als u en ik vastgeketend waren in een krib, in een wieg, in een stinkende houten bak.
En waar zouden zij - arme krankzinnige drommels - die koperen centen halen?
Daarom schrijf ik ze op, mijn verhalen.
Als evenzovele bewijzen van mijn bestaan.
Bij het zwakke licht van een stompje kaars.
In mijn eeuwigdurende nacht.
In de donkere stolp waar ik woon.
In deze tochtige vochtige baarmoeder waar ik geduldig wacht tot ik word herboren.
Het verhaal van de zonen van de Duivel begint in 1213.
Zeger de Tweede, burggraaf van Gent, wordt gezegend met een zoon.
Hallellujah!
De zoon van Zeger de Tweede wordt Geraard Vilain genoemd.
Op zijn dertiende verjaardag vraagt zijn vader hem mee op kruistocht te trekken. Op naar het Heilig Land!
‘Het zal mijn hardvochtige en ongemeen wrede zoon goed doen,’ denkt de vader.
Maar Geraard weigert.
En de volgende dag vindt men zijn vader dood in zijn bed.
‘Vermoord door zijn eigen vlees en bloed!’ fluistert men in de goede stad Gent.
En voortaan noemt eenieder de nieuwe burggraaf van Gent ‘Geraard de Duivel’.
Geraard de Duivel laat een somber kasteel bouwen.
Het Duivelsteen heeft dikke muren.
Het Duivelsteen heeft een indrukwekkende Rode Toren.
Het Duivelsteen heeft een crypte en daarboven twee naast elkaar gelegen hallen van elk twee verdiepingen, waarvan de gewelven gestut worden door zware ronde zuilen.
In het Duivelsteen brengt Geraard de Duivel zijn dagen door met braspartijen en gruweldaden.
In het Duivelsteen schenkt zijn vrouw hem een zoon, die ook Geraard moet heten.
De zoon heeft een even donkere huidskleur als de vader. En hetzelfde zwarte haar.
Daarom wordt de zoon ‘Geraard de Moor’ genoemd.
Of kortweg: ‘de Moor’.
Geraard de Duivel vindt het niet prettig dat hij zo bruin is van vel en zo zwart van haar. Maar daar kan hij zijn vrouw toch onmogelijk de schuld van geven?
Hij kan het haar wel kwalijk nemen dat zijn zoon even bruin is van vel als hijzelf. En even zwart van haar.
Daarom schopt hij haar dood.
Hallellujah!
Korte tijd later worden Geraard de Duivel en Geraard de Moor verliefd op hetzelfde mooie meisje.
Haar naam is Jacoba van Zottegem.
De Duivel stuurt de Moor naar de Rode Toren, om er met twee schippers een reis naar Zeeuws-Vlaanderen te bespreken.
In werkelijkheid moeten ze de Moor aan handen en voeten gebonden, in een zak, van de toren in het water te gooien.
De zoon vertrouwt de vader niet.
In een herberg zet de Moor vrolijk de bloemetjes buiten.
Wanneer de Duivel met de twee schippers een glas wil drinken op de goede afloop van de zaak en de schemerige trap van de Rode Toren bestijgt, denken de huurmoordenaars dat zij met de Moor te maken hebben.
Ze slaan de vader bewusteloos en stoppen hem aan handen en voeten gebonden in een zak.
En ze gooien de zak in het water.
En dit is het voorlopige einde van Geraard de Duivel.
Hallellujah!
Geraard de Moor sterft op het einde van de dertiende eeuw.
Met hem sterft ook het riddergeslacht van het Duivelsteen.
Maar zijn schanddaden en die van zijn vader leven voort.
Het Duivelsteen is behekst, fluistert men in de goede stad Gent.
Het Duivelsteen is een spookslot, waar vader en zoon elkaar rusteloos achtervolgen.
En elke dertien jaar of zo wordt hij hier ergens opnieuw geboren.
Een zoon van de Duivel...
In de veertiende eeuw wordt het Duivelsteen gekocht door de goede stad Gent.
Daarna is het een ridderverblijf, een stapelplaats, een tuchthuis, een gevangenis, een klooster, een school.
Een jonge vrouw, aan handen en voeten gebonden en in een leren zak gestopt, wordt van de Rode Toren in het water geworpen. Waarom en door wie vertelt het verhaal niet.
Ik heb haar schim gezien.
Ook zij doolt nog steeds rond in het Duivelsteen.
Men heeft haar al vaak waargenomen achter een van de dertien grote spitsboogvensters.
Soms hoort men haar nog wel eens in het water plonzen.
Al kan dat natuurlijk ook de Duivel zijn.
In 1623 wordt het Duivelsteen een ‘dolhuis’ voor krankzinnigen en een tehuis voor mannelijke wezen.
En nu, tweehonderd jaar later, is mijn vader de baas van dit gekkenhuis, waar ik met mijn ellendige lotgenoten vastgeketend lig aan lenden, polsen en enkels, op vies stro dat krioelt van ratten, in vochtige en tochtige kerkers.
Als wij ons goed gedragen, kunnen we na verloop van tijd een eigen hok krijgen.
Ik luister naar de verhalen van mijn lotgenoten.
Ik noteer ze in mijn nachtboek:
Een man wordt wakker in de tuin achter zijn huis.
Op zijn blote voeten. In het kletsnatte gras.
Rillend van de kou.
Een volle maan belicht de zo vertrouwde tuin en tovert die met grauwe tinten om in een onaards landschap.
De bladerloze takken van de bomen reiken als knokige armen naar de sterren.
De man herinnert zich nog goed dat hij in zijn bed in slaap is gevallen. Maar hij weet niet meer wanneer, hoe en waarom hij vervolgens naar buiten is gelopen.
De man probeert de deur van zijn huis te openen, maar die blijkt stevig vergrendeld te zijn.
Door het raam van zijn slaapkamer valt een warm en uitnodigend licht naar buiten.
De man rept zich naar het venster en ziet dat zijn vrouw in slaap is gevallen, terwijl de kaarsen nog branden.
De man kijkt naar zijn slapende vrouw.
Hoe vreemd ligt zij erbij, in het onnatuurlijke schaduwspel van de kaarsvlammen.
Haar haren zijn van stro met de kleur van sepia.
Haar huid is een vel van oker.
Een vel perkament.
Zachtjes klopt de man op het raam en zijn vrouw wordt wakker.
Ze gaat rechtop zitten in hun bed, ze tuurt naar het venster en kijkt hem recht in de ogen.
De man glimlacht haar geruststellend toe, maar zij spert haar mond open en schreeuwt.
Zijn vrouw schreeuwt zoals verschijningen in nachtmerries schreeuwen: zonder geluid te maken.
Zijn vrouw schreeuwt en de man heft zijn arm op om haar duidelijk te maken dat zij niet bang moet zijn.
Hij is het!
Hij is het maar die slaapwandelend in de tuin is beland!
(Al begrijpt hij niet hoe hem dat is gelukt, want de deur was vergrendeld en hoe komt het toch dat de bomen in één enkele nacht al hun bladeren hebben verloren?)
Dan pas ziet de man wat de doodsangst van zijn vrouw verklaart:
De witte beenderen van zijn onderarm die scherp afgetekend overgaan in de botten van zijn polsgewricht.
De kootjes van zijn vijf vingers die slechts door resten bindweefsel worden samengehouden.
De flarden van een halfvergane lijkwade die wapperen in de wind.
Ik denk dat ik al dertien ben geworden.
Ik heb de jaren niet geteld - maar zo voelt het aan: al dertien jaar zit ik als een berooide schooier in een kille kelder van het Duivelsteen.
Ik vervloek mijn vader in alle talen.
Hij wil zo graag de weldoener van de ellendelingen genoemd worden.
Hij wil zo graag met genadige gebaren het vege volkje van de stegen zegenen.
Maar mij heeft hij nooit gezegend. Want mijn vader wil hij niet zijn.
Wat heb ik misdaan?
Ik weet het niet.
Ik besta.
Blijkbaar volstond dat om mij op te sluiten in de vergeetputten van het Duivelsteen, waar ik langzaam maar zeker mag schimmelen als het handvol brokken bedorven brood dat ik dagelijks toegeworpen krijg.
Dank u voor dit dagelijks brood, vader.
Dank u voor de kom brak water.
Ik mompel, ik schreeuw, ik fluister zoals mijn gekke vrienden en vriendinnen voortdurend mompelen, schreeuwen, fluisteren.
‘Moge God hem geven wat hij mij gaf!’
Versta mij niet verkeerd: ik vervloek mijn vader niet en geen haar op mijn hoofd denkt eraan kwaad te spreken over hem - waarom zou ik ook?
Als hij geen mededogen aan de dag legt voor mij, zal de Heer hem ongetwijfeld naar lichaam en ziel met hetzelfde belonen.
Nee...
Nee, hij mag dan hard en wreed geweest zijn voor mij, nog harder en wreder dan ik met mijn scherpste pen kan beschrijven, haatdragend ben ik niet.
Ik ben zijn zoon, maar ik mag zijn zoon niet zijn. En meer valt hierover niet te zeggen.
‘Af!’ heeft hij geroepen - en ik liet àf.
‘Koest!’ heeft hij gezegd - en ik hou mij koest in mijn hok in de kelders van het Duivelsteen, tussen de andere verschopte verstotelingen.
Hoe graag zou ik op een eenvoudig verzoek van zijn kant niet vriendelijk met mijn staart kwispelen!
Ik zou hem zelfs nog beleefd een poot geven ook!
Ik weet niet waaraan ik deze behandeling heb verdiend.
Ik herinner me geen leven vóór dit leven dat nauwelijks een leven genoemd mag worden.
Ik weet niet hoe lang ik al verteer in mijn donker hok.
De eerwaarde heer Triest is de enige gezonde geest die nog het woord tot mij wenst te richten.
Hij heeft mij een sleutel gegeven waarmee ik mij kan ontketenen.
Maar ik durf niet naar buiten. Ik durf niet naar boven.
Het licht zou pijn doen aan mijn ogen.
De zon zou mijn huid verzengen.
Zwartgeblakerd.
Liever lig ik in mijn kribbe.
Liever lig ik in deze wieg waar ik slaap en droom en mijn dromen neerschrijf bij het zwakke licht van het stompje kaars dat de eerwaarde heer Triest mij heeft gegeven.
Ik mag zijn pen en zijn inkt gebruiken.
Ik schrijf in zijn schone schrift: mijn nachtboek.
Hij leerde mij schrijven, de eerwaarde heer Triest.
Hij leerde mij lezen.
Hij leerde mij alles.
Hij zegt dat mijn ongeluk veroorzaakt wordt door het nog grotere ongeluk dat mijn vader ten deel is gevallen.
‘Je vader heeft zielsveel gehouden van je moeder, mijn jongen’ zegt de eerwaarde heer Triest. ‘En je moeder stierf in het kraambed waarin jij werd geboren.’
Mijn vader heeft me de dood van mijn moeder nooit vergeven.
En het is daarom dat ik moet weggestopt worden voor de wereld.
Het is daarom dat geen enkele gezonde geest nog het woord tot mij mag richten.
Met niemand mag ik spreken.
Met niemand die boven mij woont en werkt in dit vervloekte huis.
Behalve dan met de eerwaarde heer Triest.
Hij is het licht in mijn ogen.
Hij is het licht in mijn duisternis.
Hij is mijn vriend.
De eerwaarde heer Triest drukt me op het hart dat ik moet bidden voor mijn vijanden.
En ik bid voor mijn vader.
Dagelijks.
Een kort schietgebedje.
‘Moge God hem geven… Etcetera.’
Ik denk dat ik stervende ben.
Ik denk dat ik een levende dode ben.
Dat ik een behekst kasteel bewoon in het hart van een verdoemde spookstad.
Ik luister naar de verhalen van mijn lotgenoten, naar de schimmen om mij heen, naar de stemmen van die andere levende doden.
Ik teken ze op bij het zwakke licht van een stompje kaars - hun verhalen.
In mijn nachtboek, een zwartboek.
Met stilaan verflauwende stem dicteren zij mij - een vagebond die al met één poot in het vagevuur staat - hun allerlaatste woorden.
Ik stel mij voor dat dit ons testament moet zijn, waarmee onze laatste wil zal geschieden.
Met verkleumde vingers kras ik de geschiedenis van het Duivelsteen neer.
Er lijkt geen einde aan te komen.
Het is een hels gewrocht, doorweven met de gruwelijkste vertellingen van waanzin en dood, waardoor de goede stad Gent voor eeuwig en een dag werd getekend.
Ik schrijf ze neer. Ik ban ze uit.
De scherven van schaamte. De splinters van mijn.
En van mijn angsten: het geraamte.
Ik luister naar de woorden die zich vormen in mijn hoofd.
Ik luister naar zinnen die gaan zingen omdat ze me nu eenmaal niet door de eerste de beste dwaze geest werden ingefluisterd, maar door een machtige, lichtschuwe muze.
Ik luister. Niemand kan haar horen behalve ikzelf.
Ik luister en schrijf met verkleumde vingers ons dierbaar testament.
Op duurbaar perkament.
Voor geesteszieken is er geen plaats in de hospitalen.
En dus worden ze verstoten.
Opgesloten in dolhuizen, in krochten en crypten.
‘Sinds kort beginnen geneesheren zich te interesseren voor het lot van de geesteszieken,’ zegt mijn goede vriend, de eerwaarde heer Triest.
In Gent is er dokter Guislain, maar de eerwaarde heer Triest was al veel langer met ons lot begaan.
Hij richtte een orde op van Zusters van Liefde.
Hij richtte een orde op van Broeders van Liefde.
En de Zusters & Broeders ontfermen zich over ons.
Over de vondelingen, over de verlaten kinderen, over de wezen en de geesteszieken.
Mijn goede vriend de eerwaarde heer Triest wordt directeur van het Duivelsteen.
Zelfs als hij zich hoog boven ons bevindt, kunnen wij zijn stem nog tot beneden horen:
‘De zieken liggen vastgeketend op stro, in hun eigen vuil! Deze toestanden zijn mensonterend, mijnheer!’
Ik luister naar de stemmen.
Ik luister naar de oude, vreemde, spookachtige stemmen.
Zo ver weg. Zo nabij.
Gejaagd, fluisterend, achter gesloten deuren en luiken.
Ik luister naar de geluiden in dit huis van mij.
Mijn vader stommelt grommend de trap af.
Ik kan het horen aan zijn voetstappen: het is mijn vader die daar gaat.
Waarom is hij vanochtend weer wakker geworden?
Waarom zou hij die verdomde poort nu weer openen? Er is geen levende ziel, daarbuiten.
Zusters van Liefde maken kreunend, zuchtend, blazend de binnenplaats schoon.
En de drempels, het bordes.
Alsof er straks feest wordt gevierd.
Alsof er geweldige dingen staan te gebeuren.
Ik hoor ze bezig, ik hoor het allemaal - zoals ik het iedere ochtend hoor.
Ik open mijn ogen nog even - voorzichtig, tot spleetjes.
Een iel straaltje zonlicht valt door mijn keldergat naar binnen.
Mijn vader gromt dat hij de grote sleutel eindelijk heeft gevonden en ze knarst open - de grote poort van het oude Duivelsteen.
Ik hoor ze kraken en krijsen alsof de hele wereld vergaat, in al die grendels en al die sloten.
Nu zal iedereen wel wakker zijn in dit huis.
Met die gedachte sluit ik de ogen weer en ik slaap in.
En ik droom.
Ik droom dat de grote poort van het Duivelsteen wijd open zwaait.
Een Zuster van Liefde wil meteen het bordes schrobben, een andere twijfelt eraan of dat nog schoon te maken valt.
Duivenstront van jaren her heeft zich opgehoopt en is versteend tot een draak van een standbeeld van stinkende drek.
Ze zullen water nodig hebben, veel water om dit allemaal schoon te maken.
Maar mijn vader gromt dat al het water van de zondvloed nog niet voldoende zal zijn om deze draak van drek door te spoelen.
In mijn droom herinner ik mij een gezegde.
Het spreekt van muren die oren hebben. En ogen.
Als de muren van het Duivelsteen ogen of oren hadden, zouden zij in de loop der eeuwen zoveel hebben gezien en gehoord, dat ze zich nu nog onmogelijk konden sluiten.
Dit huis van mij is een slapeloos oud huis, denk ik nog in die droom van mij.
Mijn vader vertelt dat hij het meisje vond bij de Lieve.
Ze huilde. Hij schraapte zijn keel.
Eerst merkte ze hem niet eens op.
Hij raakte haar schouder aan en vroeg waarom ze huilde.
Het meisje sprong bevend op.
Haar jurk was gescheurd en ontblootte haar schouder.
Even leek het of het meisje op de vlucht zou slaan, maar hij nam haar bij die blote schouder.
Haar huid onder zijn hand was koel als marmer.
Hij fluisterde haar toe dat ze niet hoefde te schrikken.
Ze had niets te vrezen.
Waarom zat ze hier zo heel alleen te huilen?
Het meisje rukte zich los.
Ze gilde dat hij haar niet mocht aanraken of dat ze anders in de Lieve zou springen.
Hij vroeg of iemand haar kwaad had gedaan.
Ze kreunde als een gewond dier: ‘O ja, o ja, o ja...’
Hij vroeg wie haar dan kwaad had gedaan.
Ze snikte.
‘Iedereen!’ snikte ze.
Maar wat voor kwaad men haar had gedaan, wilde of kon ze niet zeggen.
Mijn vader legde een arm om haar schouder.
Hij fluisterde haar in het oor dat ze nu maar niet meer moest huilen.
Waar kwam ze vandaan?
‘Ik ben gevlucht…’ brabbelde ze. ‘Ik ben... ontvlucht.’
Maar waar ze vandaan was gevlucht, wilde of kon ze niet zeggen.
Ze was verloren, zei ze.
Ze was verdwaald.
Ze was niet van Gent, nee ze was hier niet geboren.
Ver van hier was ze geboren. Ver van hier.
De maan brak door de wolken en hoewel het vrij donker bleef, meende mijn vader iets te zien schitteren op de bodem van de Lieve.
Hij wreef zich in de ogen.
Dit moet een droom zijn, dacht hij.
Het was dan ook een droom van een meisje.
‘Een ring,’ mompelde het meisje. ‘De ring die hij me heeft gegeven. Hij viel in het water terwijl ik hier zat te huilen.’
Mijn vader vroeg wie haar die ring had gegeven, maar het meisje haalde de schouders op.
Mijn vader wilde het schitterende juweel opvissen, maar het meisje hield hem tegen.
Als hij de ring uit het water haalde, zou zij in het water springen, zei ze.
Mijn vader stelde zich voor als Gerard Zeegers, huisbewaarder van het Duivelsteen.
Het meisje zei dat hij al grijze haren had.
Dat kon mijn vader niet ontkennen.
Hij kreeg zijn eerste grijze haren, daar, bij zijn slapen, toen zijn vrouw stierf in het bed waarin zijn zoon werd geboren.
Daar, in zijn baard, had hij er ook.
Grijsblauwe haren.
Het meisje vroeg waarom hij naar hier was gekomen.
Mijn vader antwoordde dat hij het zelf niet wist.
Hij had een zakelijke afspraak in de stad.
Hij had een copieuze maaltijd genoten.
Hij had daarna misschien net iets te veel brandewijn gedronken.
Toen zag hij haar plotseling op de oever van de Lieve zitten.
Ze leek zo jong.
‘Hoe oud ben je?’ vroeg hij.
Het meisje huiverde en zei dat ze het koud kreeg.
‘Kom dan mee met mij, naar huis,’ stelde mijn vader voor.
Het meisje schudde het hoofd. ‘Nee, ik blijf hier.’
‘Je kunt hier niet blijven, niet de hele nacht. Hoe heet je?’
Het meisje fluisterde: ‘Ik weet het niet meer...’
‘Ik zal je Lieve noemen,’ zei mijn vader. ‘Is dat goed?’
Het meisje knikte.
‘Je kunt hier niet blijven, Lieve. Kom mee met mij.’
Lieve schudde het hoofd. ‘Ik blijf hier.’
‘Niemand weet wat ’s nachts zoal kan gebeuren in een stad als Gent, Lieve, met een jong en mooi meisje als jij...’
Een hele nacht zo helemaal alleen in een vreemde stad... dat was uitgesloten, zei mijn vader.
‘Kom, geef me je hand,’ zei mijn vader.
Lieve deinsde achteruit. ‘Raak me niet aan!’
‘Roep niet zo, Lieve. De mensen zullen je horen... Ik zal je niet meer aanraken, dat is beloofd.’
Maar dan moest ze met hem meekomen.
Want de nacht was donker en koud.
En zo deed de mooie Lieve haar Blijde Intrede.
Zo deed Lieve haar Blijde Intrede in het Duivelsteen.
Volgens mijn vader althans.
Zo.
En niet anders.
Gent is een oude stad van oude verhalen.
Oude verhalen van liefde en dood.
En nu voegt de familie Zeegers een heel eigen verhaal toe aan deze eindeloze kring van verhalen.
Een heel eigen verhaal van liefde en dood.
Hoe dit verhaal moet klinken?
Ik weet het niet.
Ik weet het nog niet.
Mijn vader heeft het personeel verteld in welke omstandigheden hij Lieve heeft aangetroffen bij het dode water van de Lieve, in de schaduw van het Gravensteen, en toen iemand aan Lieve vroeg wat er met haar was gebeurd, daar bij het dode water van de Lieve... toen begon zij te huilen.
Haar tranen kwamen van zo diep dat mijn hart kromp van medelijden.
Er was eens...
Er was eens een jonge knappe minnestreel - laten we hem Willem noemen.
De jonge knappe minnestreel ging als page in dienst van de burggraaf van Gent, van Geraard de Moor, de zoon van de Duivel.
Wellicht herinnert u zich nog dat Geraard de Moor trouwde met de mooie Jacoba van Zottegem, nadat zijn vader jammerlijk was verdronken.
Nu werd de jonge knappe minnestreel verliefd op de mooie Jacoba.
Willem componeerde een lied voor Jacoba, waarin hij een ideale vrouw bezong zonder naam.
Hij componeerde een lied waarin hij haar de liefde van zijn leven noemde.
En ieder die het hoorde, dacht dat zij niet echt bestond - die ideale vrouw, die liefde van zijn leven.
Ieder dacht dat zij een droombeeld was.
Maar Willem en Jacoba... zij wisten wel beter.
Geraard de Moor kreeg argwaan. Hij onderwierp zijn page aan een kruisverhoor.
Willem bekende dat de liefde van zijn leven vlees en bloed had gekregen, dat zijn droom werkelijkheid was geworden, dat zijn ideale vrouw een naam had...
En omdat hij zo meteen niks beters kon bedenken, gooide hij er de naam Marguerite uit.
Het was een naam die klonk als de naam van een bloem.
Toevallig heette de vrouw van een man die zich een vriend van graaf Geraard noemde ook zo.
De Moor vond het best wel een goeie grap dat zijn zogenaamde vriend werd bedrogen door zijn knappe jonge page.
En de mooie Jacoba?
Zij werd heel erg boos toen ze hoorde hoe Willem aan haar gemaal had verteld dat hij in zijn liederen niet haar charmes bezong, maar die van ene Marguerite.
De mooie Jacoba was jaloers. Zo jaloers!
Ze drong er bij Willem op aan dat hij, als bewijs van zijn gevoelens voor haar - en voor haar alleen - een ballade zou componeren - voor haar alleen - waarin hij haar alleen - die Ene, de Liefde van zijn Leven - uitdrukkelijk bij haar ware naam zou noemen.
En Willem schreef dit lied voor de mooie Jacoba.
En hij noemde de liefde van zijn leven in dit lied bij haar ware naam.
En hij zong dit lied voor haar en voor haar alleen.
Jacoba droeg de tekst van de ballade altijd op haar lichaam, dicht bij haar hart.
Op een dag, toen zij zich bukte, werd het stukje perkament gegrepen door een windvlaag.
Geraard de Moor slaagde erin een blik te werpen op de tekst.
Hij begreep meteen dat zijn jonge knappe page hem bij de neus had genomen.
Hij knarsetandde.
De wraak van Geraard de Moor, zoon van de Duivel, zou vreselijk zijn!
Tijdens een jachtpartijtje schoot graaf Geraard de nietsvermoedende minnestreel - ‘per ongeluk,’ beweerde hij - een pijl door het hart.
Vervolgens rukte hij dat hart uit, liet het koken en zette het voor aan de vrouw door wie hij was bedrogen.
Achteraf vroeg hij de mooie Jacoba of de maaltijd die hij speciaal voor haar had bereid lekker had gesmaakt.
En of ze er een idee van had wat ze had gegeten.
Toen de mooie Jacoba van haar gemaal vernam wat hij had gedaan, gooide ze zich uit de Rode Toren in het water.
Men zegt dat de lichamen van de knappe minnestreel en zijn mooie Jacoba later werden opgegraven en nu voor eeuwig rust hebben gevonden, dicht bij elkaar, in een geheime ondergrondse tombe van het Duivelsteen.
En men zegt dat in de tombe het laatste vers van De Ballade van Willem voor Jacoba werd gegraveerd:
Als ik sterf, zul jij in mij wonen
in de schaduw van het graf.
Mijn vader wil trouwen met Lieve.
Hij heeft een brief geschreven naar zijn oudste zoon, naar Pieter.
Naar de grote broer die ik alleen mag horen, die ik nooit mag zien en nooit mag spreken.
Mijn grote broer Pieter verblijft ergens in een ver buitenland.
Mijn vader heeft de eerwaarde heer Triest om raad gevraagd.
Hoe moet hij een en ander formuleren, zodanig dat de gevoelens van zijn zoon niet worden gekwetst?
De eerwaarde heer Triest heeft hem goede raad gegeven.
De eerwaarde heer Triest heeft mij verteld wat er in de brief te lezen stond:
Ik vrees dat de schoonheid van Lieve geen verontschuldiging kan zijn voor mijn dwaasheid.
Mocht je Lieve niettemin toch als je moeder willen beschouwen, stuur mij dan asjeblief een boodschap in die zin.
Er is geen boodschap gekomen.
Mijn grote broer Pieter is zelf gekomen, onverwijld, naar Gent.
Mijn vader heeft hem gesproken in de Rode Toren, in het salon dat ik nooit heb gezien met deze twee ogen.
Ik was niet uitgenodigd. Lieve evenmin.
De eerwaarde heer Triest was wel aanwezig.
Ziehier zijn relaas:
Lieve heeft zich teruggetrokken in de Rode Toren.
Ze heeft daar al een eigen kamer.
Mijn grote broer Pieter heeft haar nog niet te zien gekregen.
Mijn vader en de eerwaarde heer Triest vinden het beter zo: eerst moet de vader met zijn zoon overleggen, en daarna kan de zoon zijn nieuwe moeder zien.
Mijn vader vraagt wat zijn zoon te zeggen heeft over de kwestie.
Mijn grote broer Pieter zegt dat hij er niks over te zeggen heeft.
Hij is nog vrij jong.
Hij kent zichzelf en zijn eigen hartstochten amper.
Hoe zou hij dan over zijn vader oordelen?
‘Op uw rijpe leeftijd trouwt u met een meisje dat niet eens haar eigen naam kent en dat u bij de Lieve hebt gevonden,’ zegt mijn grote broer Pieter. ‘Uw gedrag lijkt eigenaardig. Meer heb ik daar niet over te zeggen.’
‘Sinds de dood van je moeder - hoe lang is dat nu al geleden? dertien jaar! - ben ik alleen geweest,’ zegt mijn vader. ‘Zo kan ik toch niet langer verder? Het lot heeft beslist. Wie ben ik dat ik mij zou verzetten tegen het onverzettelijke lot?’
Mijn grote broer Pieter vertrouwt de eerwaarde heer Triest toe dat hij zijn vader niet begrijpt.
Hij is altijd zo voorzichtig geweest, zijn vader.
Zo vastberaden.
‘Als ik het nu nog was geweest, die een onbekende vrouw - wat zeg ik? een meisje nog! een vondelinge! - in de familie wilde opnemen... Ja, dat zou ik begrijpen!’
Maar zijn vader...
Wat heeft ze met hem gedaan?
Heeft zij hem soms betoverd?
Het is niet verstandig oude wonden weer open te rijten, drukt de eerwaarde heer Triest mijn grote broer Pieter op het hart.
Ze kunnen het verleden maar beter laten rusten en kijken naar de toekomst.
En mijn grote broer Pieter knikt.
Daar zijn ze de afgelopen jaren aardig in geslaagd - het verleden vergeten.
‘We moeten opnieuw beginnen,’ knikt hij. ‘Met een schone lei.’
Want wat is het leven anders dan telkens opnieuw beginnen?
Mijn grote broer Pieter zegt dat hij de kwestie graag geregeld wil zien voordat hij terugkeert naar het verre buitenland waar hij nog enkele dringende zaken heeft af te handelen.
‘Heel verstandig, mijn jongen,’ zegt mijn vader. ‘Dan is het ogenblik nu aangebroken om kennis te maken met je stiefmoeder.’
Naart Stuyck vertelt:
In het holst van de nacht flakkert een vuurgloed achter een kelderraam.
Een bakker stookt zijn oven.
De nachtwacht doet zijn ronde door de uitgestorven stad.
Het is net vier uur geworden.
Er wordt op het kelderraam geklopt.
De bakker neemt een half brood van de vorige dag van de plank.
Hij opent het raam.
Een klamme hand pakt het halve brood aan.
En de geheimzinnige klant verdwijnt.
Verdwijnt zonder een woord.
En zijn naam is Stuyck.
Naart Stuyck.
Aangenaam!
Lang geleden liet ik mijn vrouw hard werken voor mij.
En dan sloeg ik haar bont en blauw.
En dan verbraste ik haar zuurverdiende centen in de kroegen van Gent.
In de kroegen en bij de meiden.
En de naam is Naart Stuyck.
Aangenaam!
En de knappe minnestreel Willem - hij zingt:
Valsmunster, zwendelaar,
woekeraar, beroepsbandiet -
deze wijze les, vergeet ze niet.
Want of je nu je tijd verslijt
met zakken rollen, beurzen snijden,
de winst die gaat altijd...
En Naart Stuyck zingt het refrein in koor met de knappe minnestreel Willem:
Naar de kroegen en de meiden,
in de kroegen, bij de meiden,
verlies je de winst altijd!
In de kroegen, bij de meiden!
En Naart Stuyck vertelt:
Op een dag kreeg mijn vrouw er genoeg van.
Ik lag mijn roes uit te slapen.
Ze gooide een flesje vitriool over mijn kop.
En ze ging zich verhangen.
En mijn tronie was zo gruwelijk verminkt...
Mijn tronie was zo gruwelijk verminkt dat zelfs de Duivel voor mij aan de haal ging.
Voor de tronie van Naart Stuyck.
Aangenaam!
En als de Duivel voor mij aan de haal ging, dan zong ik een liedje.
Dan zong ik een liedje over de kroegen en de meiden!
En de knappe minnestreel Willem - hij zingt:
Polemiseer en declameer,
speel op luit en fluit of op cymbalen,
maak grappen en verzin verhalen.
Doe je al eens enig profijt
met kegelen, kaarten of beide -
je raakt die duiten kwijt!
En de afzichtelijke Naart Stuyck zingt het in koor met de knappe minnestreel Willem:
Aan de kroegen en de meiden,
in de kroegen, bij de meiden
raak je die duiten kwijt!
Ah de kroegen en de meiden!
En spaarde je met vlijt
een fortuin van jaargetijden,
van deugd en losbandigheid...
’t Gaat naar de kroegen en de meiden.
En Naart Stuyck vertelt:
Alleen bij nacht vertoon ik mij nog op straat.
Alleen bij nacht.
Alleen bij nacht bezoek ik nog de kroegen en de meiden.
Alleen bij nacht.
En als de ochtend in de lucht komt ga ik brood halen.
Als de ochtend in de lucht komt ga ik bij een bakker een half brood halen, van de vorige dag.
En dan grijns ik: ‘De naam is Naart Stuyck! Aangenaam!’
En de bakkers van Gent houden altijd een half brood voor mij klaar.
Want laten ze mij met lege handen gaan, dan valt hun deeg plat.
Dan bederft het meel.
Hoe ik precies aan mijn einde gekomen ben?
Geen mens die het weet.
Nee, ík zou het ook niet weten.
Maar ik mag dan ook nauwelijks menselijk genoemd worden.
Een feit is dat mijn ziel geen rust kent.
Een feit is dat ik bij nacht en ontij door de sloppen en de stegen dool.
Een vluchtende schaduw is alles wat je van mij te zien krijgt.
Een rauwe kreet is alles wat je van mij zult horen.
Een rauwe kreet:
‘Naart Stuyck! Aangenaam!’
De eerwaarde heer Triest vertelt...
... hoe hij Lieve die nacht volgde naar de Lieve.
En dat ze voortdurend achterdochtige blikken over haar schouder wierp, maar hem niet opmerkte.
En dat hij haar bij het Prinsenhof even uit het oog verloor.
Het Prinsenhof...
... van oudsher de verblijfplaats van de graven van Vlaanderen.
Waar in het jaar 1500 de latere keizer Karel werd geboren.
In de buurt van de Donkere Poort waart zijn schim nog rond.
Maar die nacht heeft de eerwaarde heer Triest de schim van keizer Karel niet zien verschijnen.
Al zag hij wel mijn grote broer Pieter wegduiken in de schaduwen van de Donkere Poort, waarin even later Lieve opdook...
De eerwaarde heer Triest volgde hen op veilige afstand.
Hij hoorde hen praten.
‘Ik kom hier vaak,’ zei mijn grote broer Pieter. ‘Meestal op de middag, wanneer het te warm wordt in huis.’
Het was die dag zo warm geweest dat je leek te stikken, zelfs in de schaduw van de bomen. Maar bij de Lieve was het koel en lag er zelfs iets ijzigs in de lucht.
‘Hoe eenzaam is het hier,’ zei mijn grote broer Pieter. ‘En zo verlaten... Je hoort niéts. Hoor je?’
En toen Lieve na een heel lange tijd nog niet geantwoord had, voegde hij eraan toe: ‘Je hoort het water hier slapen...’
En Lieve strekte zich uit bij de Lieve.
‘Ik zou de bodem van dit water wel eens willen zien...’ zei ze.
Niemand had de bodem van dit water ooit gezien. Misschien was het wel zo diep als de zee.
‘Als er iets schitterde op de bodem, zou ik kunnen zien hoe diep het water is,’ zei Lieve.
En ze boog zich voorover om te zien of er iets schitterde op de bodem van de Lieve.
‘Pas op of je valt nog in het water!’ zei mijn grote broer Pieter. ‘Kom, ik zal je bij de hand houden!’
Maar Lieve wilde het water met haar beide handen voelen, want het was alsof haar handen ziek waren, vandaag.
‘Het water zal ze genezen,’ zei ze.
En Lieve stak haar handen in het water.
En in het ijle maanlicht keek mijn grote broer Pieter naar haar spiegelbeeld.
Het rimpelde in het zachte briesje.
En het was alsof haar lange blonde haren op het water dreven.
‘Ophelia,’ glimlachte mijn groter broer Pieter. ‘Ken je Ophelia, Lieve? Ophelia is een personage uit een toneelstuk van William Shakespeare. Hamlet kan zijn liefde voor Ophelia niet tonen en wijst haar van de hand. Ophelia wordt stilaan gek van deze onbegrijpelijke afwijzing. Wanneer Hamlet dan bij vergissing haar vader vermoordt, wordt zij helemaal waanzinnig en kan ze alleen nog spreken in flarden van liefdesliedjes. Kort daarop verdrinkt ze in een rivier.’
Duivelsteen 2
In zijn sombere kasteel Duivelsteen brengt Gerard de Duivel zijn dagen door met braspartijen en gruweldaden. Algauw heeft het Duivelsteen van Gent de naam behekst te zijn. Geen wonder dat het later een tehuis voor krankzinnigen wordt. Een van hen schrijft koortsachtig alle verhalen over het Duivelsteen op, het ene nog verwarder dan het andere. Wat bijvoorbeeld te denken van de noodlottige liefde die zich in het Duivelsteen voltrokken zou hebben?
De griezelroman Duivelsteen kun je nu integraal en gratis lezen op het web. Hier vind je alle info rond de nieuwe uitgave van dit boek in de reeks Mysterieus België, de uitgave als ebook... en het moordspel/stadsspel Mysteries van het Duivelsteen.
Mijn grote broer Pieter neuriede het zachtjes voor zich uit:
He is dead and gone, lady,
He is dead and gone;
At his head a grass-green turf,
At his heels a stone.
Er viel een stilte.
‘Hier is het dat hij je heeft gevonden, nietwaar?’
Lieve knikte.
‘Wat zei hij? Heeft hij je... aangeraakt?’
Lieve stotterde dat hij haar wilde, dat hij haar de hele tijd wilde omhelzen - en ze boog zich over het water waarin ze werd weerspiegeld.
Zag ze daar iets bewegen? Zou dat een vis geweest zijn?
‘Pas op, Lieve! Straks verdrink je nog, net als Ophelia!’
Lieve keek naar haar handen.
Lieve speelde met de ring die mijn vader haar had gegeven.
‘Doe dat niet, Lieve,’ zei mijn grote broer Pieter. ‘Niet boven een water dat zo diep is...’
Lieve lachte.
Lieve trok de ring van haar vinger.
Lieve gooide hem op en ving hem handig in haar handpalm die zich sloot.
Lieve gooide hem nogmaals op en ving hem handig in haar handpalm.
Lieve...
Het ene ogenblik schitterde de ring nog in het licht en het volgende ogenblik was hij al in het water gevallen.
Lieve en mijn grote broer Pieter bogen zich over het water.
Waar was die vervloekte ring nu gebleven?
Ze zagen hem nergens schitteren.
‘Ik denk dat ik hem daar zie,’ wees mijn grote broer Pieter ten slotte.
‘Zo diep? Nee, dat kan mijn ring niet zijn...’
Ze had haar trouwring verloren. Wat moest ze nu doen?
‘Och, we vinden wel een andere,’ zei mijn grote broer Pieter. ‘Kom, we keren terug.’
Het was de hoogste tijd. Mijn vader zou haar missen. Het was al middernacht geworden.
‘Maar wat moet ik zeggen als Gerard vraagt waar zijn ring gebleven is?’
‘De waarheid, Lieve. Wat anders dan de waarheid?’
Lieve keek hem aarzelend aan.
‘En je grote broer Pieter leek er zelf ook aan te twijfelen of zij hem had verstaan,’ zei de eerwaarde heer Triest.
En mijn vader keerde terug van een dolhuis in Brugge.
Die nacht keerde mijn vader terug van een werkbezoek aan een dolhuis in Brugge, toen op het Sint Baafsplein zijn paard plotseling op hol sloeg.
Volgens de klokken van het belfort was het net middernacht geworden.
Plotseling draafde het dier als door een zwerm wespen gestoken blindelings tegen de donkere romp van de kathedraal aan.
Mijn vader viel.
Zijn paard viel boven op hem.
Mijn vader dacht nog dat het leek alsof zijn hart verpletterd werd.
Toen verloor hij het bewustzijn.
Ik stel mij voor hoe Lieve aan zijn bed zit.
Ze vraagt of hij iets wil drinken.
Nee, hij voelt zich al stukken beter.
Al kan hij nog steeds niet zeggen hoe het ongeval precies is gebeurd.
Water wil hij niet, nee dank u. Hij heeft geen dorst.
Er zitten bloedvlekken op zijn hoofdkussen, maar hij heeft geen ander kussen nodig.
Hij voelt geen pijn meer. Nee, er is geen pijn.
Hij werd gemaakt van ijzer en bloed, mijn vader. Dit zijn geen kinderbotjes, hier, in deze borstkas.
Lieve moet niet ongerust zijn. Hij redt het wel.
‘Probeer wat te slapen,’ zegt Lieve. ‘Ik blijf de hele nacht bij jou.’
‘Och, dat is toch nergens voor nodig, Lieve? Ik slaap wel vanzelf. Ik slaap als een kind.’
Dat heeft mijn vader altijd gedaan - slapen als een kind.
Waarom zou hij het nu niet doen?
Ik geloof dat ik Lieve hoor huilen.
Kan ik de stem van mijn vader horen - tot zo diep in de donkere ondergrondse krochten van het Duivelsteen?
Is het mijn vader die ik hoor zeggen dat hij er niets van begrijpt?
Waarom moet zij nu opeens huilen?
Ik ben ook ziek, snikt Lieve.
Ziek? Wat heeft ze dan?
Ze weet het niet. Ze is hier niet gelukkig.
Waarom niet? Wat is er dan gebeurd?
Heeft één van die gekken haar kwaad gedaan?
Nee, dat is het niet.
Heeft het personeel haar beledigd?
Nee, dat is het niet. Ze kan hier niet leven.
Ze weet niet waarom. Ze zou willen weggaan.
Ze zal sterven als ze hier moet blijven.
Maar wat is er dan gebeurd? Verbergt ze iets voor hem?
Ze moet hem de waarheid vertellen!
Is het zijn zoon?
Is het mijn grote broer Pieter?
Nee, huilt Lieve. Het is Pieter niet.
Het is niemand. Hij kan het niet begrijpen.
Maar als ze hem niets zegt, hoe wil ze dan dat hij iets doet?
Ze moet hem alles zeggen! Hij zal alles begrijpen!
Ze weet zelf niet wat het is.
Als ze het kon zeggen, zou ze het zeggen.
Het is iets dat veel sterker is dan zijzelf.
Ze moet redelijk zijn. Wat wil ze dat hij doet?
Ze moet redelijk zijn. Ze is toch geen kind meer?
Is híj de oorzaak? Wil ze hém verlaten?
Nee, dat is het niet.
Het is met hém dat ze hier weg zou willen gaan.
Het is deze plek. Het is op deze plek dat zij niet kan leven.
Het is in dit Duivelsteen dat zij niet lang zal leven.
Ik kan mijn vader niet zien.
Maar ik beeld het mij in.
Zoals de schrijver van een verhaal dat hij heeft verzonnen zich een gezicht inbeeldt.
Ik beeld mij in dat mijn vader haar onbegrijpend aanstaart.
En ik schrijf het op. In verwarde flarden.
Met verkleumde vingers. In het trillende gelige kaarslicht.
Ik stel mij de stem van mijn vader voor.
Ik stel mij de stem van mijn vader voor die zegt dat er toch een reden moet zijn?
‘Men zal denken dat je gek geworden bent. Het is Pieter hé? Mijdt hij je, Lieve?’
‘Nee… Nee, integendeel. Hij spreekt vaak met me. Maar hij vindt me niet aardig, geloof ik. Dat heb ik gezien in zijn ogen. Hij is altijd heel vriendelijk tegen me, maar hij vindt me niet aardig.’
‘Dat mag je hem niet kwalijk nemen, Lieve. Pieter is altijd zo geweest… Een beetje zonderling. Hij zal wel veranderen. Hij is nog jong.’
En dat zij niet gelukkig zou zijn in dit huis...
Ik weet wat zij voelt. Ik voel wat zij denkt.
Ik hoef het mij niet in te beelden, niet voor te stellen. Ik weet het.
Want het is waar... Dit is een heel erg oud huis.
Dit is een zeer somber huis. Dit Duivelsteen.
Dit is een koud en geheimzinnig kasteel en alle bedienden, alle bewoners van dit huis zijn even oud...
En koud.
En somber.
Ofwel zijn ze gek.
En soms denkt hij.
Soms denk ik dat iedereen hier zo somber is omdat er bijna geen licht komt in deze kamers.
‘Maar daar kan wat aan gedaan worden,’ zegt mijn vader.
Goed, het kan niet alle dagen feest zijn en ze moet de dingen nemen zoals ze komen, maar als zij hem zegt wat hij eraan moet doen, dan zal hij het doen.
‘Ik zal alles doen wat je wil, Lieve!’
En Lieve...
Lieve heeft sprakeloos naar hem geluisterd.
Voor mijn geestesoog zie ik een traan in haar ogen staan.
Zie ik hoe een trage traan als een dauwdruppel over haar wangen glijdt.
‘Ja,’ mompelt zij.
Ik hoor haar stem in mijn hoofd.
‘Ja,’ mompelt zij. ‘Dit huis is zo koud en somber omdat je hier nooit de hemel ziet...’
En mijn vader...
Wist hij met zijn wijsvinger het spoor van haar tranen uit?
Ik zou dat doen, al ben ik dan slechts een zoon van de Duivel.
Ik ken de betekenis van het woord ‘ontroering’.
De eerwaarde heer Triest heeft het mij geleerd.
Ik weet wat liefde is.
Huilt ze daarom? Omdat ze in het Duivelsteen de hemel niet ziet?
Natuurlijk is het daarom dat ze huilt.
‘Je bent toch niet meer zo jong dat je nog om dat soort zaken zou huilen, Lieve?’ zegt mijn vader.
Natuurlijk.
Hij kent de betekenis van het woord ‘ontroering’ niet.
Hij weet niet wat liefde is.
‘En bovendien, de zomer is nu toch in het land? Als je naar buiten gaat, kun je iedere dag de hemel zien...’
Ha! Alsof het zo simpel zou zijn!
Neem die krappe kribbe van je onder je arm, mijn zoon!
En sta!
En ga!
En stijg op, mijn zoon!
En wandel!
Wandel naar boven!
Wandel naar buiten!
Wandel naar het licht, naar de zon in de hemel!
Ha!
Alsof het zo simpel zou zijn!
Ik stel mij voor, ik beeld mij in...
Hij strekt zijn grote grove handen naar haar uit en zij legt er haar kleine broze handen in.
En hij ziet het. Hij moet het zien. Hij kan niet anders.
‘De ring! Waar is mijn ring?’
‘Ik denk dat hij... dat hij gevallen is,’ stamelt Lieve.
‘Gevallen? Je hebt hem toch niet verloren?’
‘Neenee… Hij is gevallen. Ik weet waar hij gevallen is... in de crypte! Ik wilde naar de krochten gaan en daar, op de keldertrap, moet hij gevallen zijn! De muffe lucht deed me kokhalzen, ik wilde zo snel mogelijk terug naar boven, en toen... toen moet hij daar gevallen zijn!’
Het is een leugen.
Het is een leugen die ik haar heb ingefluisterd.
Wat deed zij in de crypte? Waarom wilde ze naar de crypte gaan?
Hij had haar toch verboden in de kelders te komen!?
‘Het is daar gevaarlijk, met al die gekken!’
‘Ik wilde alleen maar kijken of... De stank in dit huis, Gerard, ik denk dat die uit de crypte komt... Ik wilde daar alleen maar kijken of... En toen schoof de ring van mijn vinger... En toen...’
Mijn vader trekt een pijnlijke grimas. Er sijpelt wat bloed uit zijn mond.
Ze moet die verdomde ring onmiddellijk zoeken.
‘Maar ik word ziek in die crypte!’
Dat had ze dan maar eerder moeten bedenken. Hij heeft haar gewaarschuwd voor de krochten. Ze mocht overal komen, behalve in de kelders.
‘Het is daar niet gezond, in de crypte!’
Maar nu... Nu zou hij liever alles verliezen dan de ring die hij haar heeft gegeven.
Begrijpt ze dan niet wat die verdomde ring voor hem betekent!?
En zij...
Zij durft het niet meer.
Ze durft zich niet meer in de kelders te wagen, zo helemaal alleen.
En mijn vader...
Hij richt zich op. Zijn ogen rollen in hun kassen. Rollen woest in hun kassen. Ik zie het.
Er sijpelt bloed uit zijn mond. Ik zie het.
Zijn stem wint nog aan kracht. Ik hoor het.
Ik hoor hem.
Ik hoor hem snuiven.
Ik hoor hem bulderen.
Ik hoor hem en ik ben zo bang voor hem.
Voor haar.
‘Ga hem zoeken, Lieve! Ga hem zoeken met het maakt niet uit wie! Onmiddellijk! En haast je! Vraag desnoods aan Pieter of hij met je mee wil gaan!’
‘Pieter!? Hij zal het niet willen!’
‘Pieter doet alles wat je hem vraagt! Ik ken hem beter dan jij hem kent! Maar ga nu! Ga!’
Dat Lieve met mijn grote broer Pieter naar de kelder komt...
Ik wil het niet, evenmin als zij het wil.
Maar het gebeurt.
Ik heb het mij niet voorgesteld, niet ingebeeld, niet verzonnen.
Dat zij naar deze stinkende krochten komt, in het gezelschap van mijn grote broer Pieter.
Naar deze stinkende krochten, waar ik woon in een hok onder een keldergat.
Ik heb mij haar komst niet voorgesteld, niet ingebeeld.
Ik heb het niet verzonnen.
Het is gebeurd.
Soms kan ik de sterren zien.
Of de maan.
Ze scheurt een grote wolk aan flarden en schijnt binnen in mijn kerker.
O het kille witte licht van de maan!
Het doet mij de ogen sluiten!
Het doet mijn zwartgeblakerde vel krimpen van pijn!
Ssst!...
Ik hoor hun stemmen.
Hoog boven mij, op de trap, hoor ik hun stemmen.
Ik moet mijn stompje kaars nu doven.
Ik wil niet dat Lieve mij hier vindt.
Ik wil niet dat zij mij hier ziet. In deze toestand.
Ik wil Lieve en mijn grote broer Pieter best wel zien, maar ik wil niet door hen gezien worden.
Mijn grote broer Pieter zegt dat de trap erg smal is.
In het flauwe licht van hun olielamp kunnen ze de bodem van de crypte niet eens zien.
Mijn grote broer Pieter zegt dat hij niet weet hoe diep deze kelders zijn.
Dat hij de krochten van het Duivelsteen nog nooit heeft betreden.
‘Ik moet tot op de bodem gaan, Pieter,’ antwoordt Lieve. ‘Anders zou ik de plaats niet kunnen beschrijven waar ik die verdomde ring zogezegd heb verloren. Gerard zal mij daar vragen over stellen, Pieter. Ik voel het.’
Traag dalen ze af in de crypte.
In het licht van hun olielamp wordt mijn kerker een majestueus mooie grot, waar paradijselijke planten uit verre buitenlanden groeien en bloeien.
Nee, zij ontwaren geen menselijke wezens. Alle leven is hier van plantaardige oorsprong.
In de schemer van oker en sepia zien ze de wrakken van oude schipbreuken. Niet de kribben waarin wij vastgeketend werden.
En de stemmen van mijn lotgenoten...
Hun eeuwig kwijlende kwetteren en spetteren, hun onophoudelijke lispelen en lallen, het voortdurende fluiten en fluisteren, het nooit aflatende schuifelen en schreeuwen...
Hun rauwe kreten, hun malle gemompel...
Het is al verstomd.
Terwijl zij ademloos toekijken...
Ik zie tientallen lichtgevende ogen in de duisternis.
Ze staren naar een meisje zo mooi dat het pijn doet aan hun stralende ogen.
En het meisje daalt af in hun midden.
Geen Zuster of Broeder van Liefde, een meisje.
En het meisje verkeert in het gezelschap van een knappe jonge man.
Geen eerwaarde heer Triest en geen bewaker die raast en ranselt, maar een meisje in het gezelschap van een knappe jonge man.
En het meisje daalt af in de krochten van het Duivelsteen.
En zij komen van daarboven. Het meisje en de jonge man.
Zij komen van daarbuiten.
‘Zonder een ervaren gids mag niemand zich in deze onderaardse ruimten wagen,’ zegt mijn grote broer Pieter. ‘Verscheidene mensen die het toch gedaan hebben, zijn nooit teruggekeerd.’
Ze staan nu halverwege de trap - en de wezens van de duisternis houden nog steeds de adem in.
‘Zodra we de manestralen zien die door de keldergaten naar binnen vallen, keren we terug,’ zegt mijn grote broer Pieter.
Lieve wijst naar het gewelf. In het licht van hun lantaarn lijkt het bedekt met sterren.
‘Stukjes kristal of zout die vastzitten in de stenen,’ heeft de eerwaarde heer Triest mij verteld.
‘Het lijkt wel alsof we onder de blote hemel staan,’ fluistert Lieve. ‘Alsof je hier, in deze kelder, eindelijk de hemel kunt zien...’
En wij, de stommelingen - wij luisteren sprakeloos toe.
‘Nee... Nee, eigenlijk bén je hier al in de hemel.’
‘Ik zie de maan daar naar binnen schijnen, Lieve,’ zegt mijn grote broer Pieter. ‘Zie je?’
En wij zien het.
‘Kom, we gaan maar beter terug naar boven. Geef me je hand.’
En ze geeft hem haar hand.
‘Waarom beef je zo, Lieve? We keren terug. Het gevaar is geweken.’
Maar dan struikelt het meisje en zij valt langs de laatste treden van de trap naar beneden, op de grond. Het gaat zo snel dat zelfs zij de tijd niet vindt om een verschrikte kreet te slaken.
En wij, wij kijken ademloos toe.
‘Lieve! Waar ben je, Lieve? Ik kan je niet meer zien!’
‘Ik sta op de bodem, Pieter! Ik sta op de bodem van de crypte!’
Ze doet een pas in mijn richting.
In het maanlicht dat door het keldergat naar binnen valt, zou ze me kunnen zien. Maar ik wil niet dat ze me ziet, en dus trek ik mij zo ver mogelijk terug in het genadige duister.
Mijn grote broer Pieter volgt haar, aarzelend, naar beneden.
En dan struikelt Lieve weer, deze keer over de gestalte van wat een vieze vagebond lijkt, met dunne sneeuwwitte haren.
Ik zie het heel duidelijk in het licht van de olielamp die mijn grote broer Pieter draagt. Hij heeft zich opgerold tot een bolletje lompen en lijkt zijn roes uit te slapen naast zijn kribbe.
Lieve slaakt een gilletje. ‘Er is hier... Er is...’
‘Het is alleen maar een lelijke ouwe gek, Lieve...’
En de lelijke ouwe gek laat zijn ketens rammelen en brabbelt wat.
‘Naart Stuyck,’ brabbelt hij. ‘Aangenaam.’
En Willem, de minnezanger...
Hij kijkt naar Lieve zoals je naar iemand kijkt die je meent te herkennen.
En hij zingt:
Ik sterf van dorst bij de fontein.
Ik zit bij ’t vuur en ik klappertand.
Ik ben een sater van satijn,
een vreemdeling in eigen land.
Ik ben een witte raaf, een zwarte zwaan
en ’s ochtends wens ik jou goedenacht.
Ik ben treurig, maar ik laat geen traan.
Ik ben zo hard en ik ben zo zacht.
Zeker is wat onzeker is
- er is niets dan het toeval, dat staat vast -
en duister wat duidelijk is.
Niets verbaast mij nog, zeg ik verrast.
Ik lach, maar vreugde ken ik niet.
Ik ben machtig, maar ik heb geen kracht.
Ik vind troost in mijn verdriet.
Donker de dag en klaar de nacht.
Gent is een stad van magie en mysterie.
De eerwaarde heer Triest vertelt mij over wondere plaatsen als dit sombere Duivelsteen van mij, waar de tijd werd stilgezet, of misschien wel in lussen gelegd.
‘Kijk,’ zegt hij, ‘gisternacht... Het regende en ik keerde terug van een ziekenbezoek, toen op de hoek van de Korte Dagsteeg en de Vogelmarkt mijn aandacht werd getrokken door een Engels uitziende etalage. Je weet wel, met van die ontelbare kleine vierkante ruitjes, in houtwerk gevat. Ik had die daar nog niet eerder gezien. Misschien was het een nieuwe zaak?’
Hoe dan ook, er brandde nog licht achter het uitstalraam en in dat vage licht zag de eerwaarde heer Triest een royaal assortiment van grote en kleine taarten, die hem stuk voor stuk deden watertanden.
Hij kon niet aan de verleiding weerstaan en ging naar binnen.
Hij riep: ‘Volk!’
En hij wachtte.
Hij riep nogmaals, harder nu: ‘Volk!’
En hij wachtte.
Hij riep...
En er verscheen niemand.
Uiteindelijk nam hij dan maar zelf een papieren zak en vulde hij die met enkele verrukkelijke taartjes. Hij verliet het winkeltje met de vaste bedoeling de volgende dag zijn schuld af te lossen, en wij aten de taartjes gezellig samen op.
Ze zouden voor altijd tot mijn heerlijkste herinneringen behoren.
‘Welnu, mijn jongen...’ zegt de eerwaarde heer Triest. ‘Vanavond ben ik dus teruggekeerd om mijn schuld af te lossen. Maar in de hele Korte Dagsteeg was geen banketbakkerij meer te bespeuren. Onvoorstelbaar!... Ik heb navraag gedaan in de buurt en niemand heeft daar ooit gehoord van een banketbakkerij op de hoek van de Korte Dagsteeg en de Vogelmarkt. Volgens de buren is daar zelfs nooit een banketbakkerij geweest! Nochtans heb ik er een zak lekkere taartjes van meegebracht! Is het niet zo, mijn jongen? Is het niet zo?’
Ik knik heftig.
‘Maar goed...’ zegt de eerwaarde heer Triest. ‘Er zijn nu eenmaal plaatsen waar deze en gene wereld elkaar raken, mijn jongen... En blijkbaar heb ik gisternacht per ongeluk een dergelijke plek betreden... Ik heb geluk gehad dat ik er nog uit geraakt ben... Of wie weet, misschien heb ik het ongeluk gehad er niet te zijn gebleven...’
Stel je voor: Lieve zit in het raam van haar kamer.
De nacht valt en Lieve zit in het raam van haar kamer. Ze kamt haar losgemaakte haren.
Mijn grote broer Pieter komt onder dat raam voorbij. Lieve heeft het open gezet omdat het nog te warm is in de Rode Toren.
Mijn grote broer Pieter ziet hoe ze haar haren kamt, Lieve zingt als een vogel uit een ver buitenland en de nacht valt - even plotseling als koel.
Ik kijk door mijn keldergat naar de sterren - dezelfde ontelbaar vele, onwezenlijk verre sterren die mijn grote broer Pieter aan de hemel ziet staan.
Zo veel sterren als in deze nacht heb ik nooit bij elkaar gezien.
‘Blijf niet zo in de schaduw zitten, Lieve,’ fluistert mijn grote broer Pieter. ‘Buig je wat voorover, zodat ik je haren beter kan zien…’
Lieve protesteert: ‘Ik zie er niet uit!’
Maar toch buigt ze zich voorover, uit de schaduwen achter het raam.
Ze is zo mooi dat ze hem de adem beneemt, zoals ze mij en al mijn lotgenoten de adem benam toen ze afdaalde in onze kerkers.
‘Geef me je hand, Lieve... Ik vertrek morgen naar Londen, of verder nog, naar...’
Lieve vraagt hem liever een roos voor haar te plukken, een witte roos die daar bloeit in de duisternis achter hem. Maar mijn grote broer Pieter ziet alleen een stuk of wat wilgentakjes tegen de muur.
Hij belooft de witte roos voor haar te zoeken, op een voorwaarde: dat zij hem nu haar hand zou geven. Maar Lieve kan zich niet verder voorover buigen, of ze valt uit het raam.
En toch, en toch...
Toch liggen opeens zijn lippen op haar hand - of is het haar hand die op zijn lippen ligt?
In mijn verbeelding is het onderscheid niet zo duidelijk.
Haar lange blonde haren waaieren open langs de muur en bedekken het hoofd van mijn grote broer Pieter.
Hij houdt ze in zijn handen, haar haren. En hoe vaak heb ik er niet van gedroomd haar haren in mijn handen te houden, in mijn mond, in mijn armen...
Als ik ze in mijn handen mocht houden, zou ik mijn handen nooit meer openen. Ik zou ze om mijn hals leggen en...
‘Laat me los!’ gilt Lieve.
Maar ze gilt zachtjes: ‘Laat me los of ik val!’
En mijn grote broer Pieter kan haar niet loslaten, zoals ik haar in mijn dromen ook niet kan loslaten, want nooit eerder heb ik haren als die van Lieve in mijn handen gehouden - ze komen van zo hoog en ze vallen over mijn hart, over mijn knieën...
En ze zijn zo zacht alsof ze net uit de hemel waren gevallen.
En nu kan ik de hemel niet meer zien door haar haren en heb ik aan twee handen niet genoeg om al die haren te omvatten.
Ze leven als vogels in mijn handen, haar haren.
En ze hebben mij allemaal lief.
‘Laat me los! Er kan iemand komen!’
Maar ik laat haar niet los, vannacht.
Zij is mijn gevangene, vannacht.
De hele nacht.
Ik heb ervan gedroomd dat ik op een nacht haar haren zou vastbinden aan de takken van de wilg bij het water.
Dan kon ze niet meer weg van mij, dan bleef ze voor altijd bij mij.
Maar het is mijn grote broer Pieter die haar lange blonde haren kust en...
‘Je doet me pijn, Pieter!’
Duiven worden aan het schrikken gebracht. Ze klapwieken en vliegen weg in de nacht.
Wie heeft de duiven aan het schrikken gebracht? Wie nadert daar de Rode Toren?
Ver weg hoor ik zwarte zwanen vechten met witte raven.
‘Laten we hier weggaan, Pieter,’ smeekt Lieve. ‘Vertrek morgen niet naar Londen of waar dan ook. En als je toch vertrekt, neem mij dan mee.’
Ik hoor voetstappen naderen, en zij horen het ook.
Het zijn de voetstappen van mijn vader, haar man, de huisbewaarder van het Duivelsteen.
‘Laat me los, Pieter! Gerard is daar! Hij moet ons gehoord hebben! Laat me los!’
In de duisternis hebben haar lange blonde haren zich vastgehecht aan de takken van de wilg...
En daar is mijn vader al.
Hij ziet zijn oudste zoon onder het raam van zijn vrouw staan, in de waterval van haar haren.
Hij vraagt: ‘Wat doe jij hier?’
Maar nog voordat mijn grote broer Pieter kan antwoorden, begint mijn vader te lachen.
‘Kinderen!’ lacht hij. ‘Jullie zijn net kinderen! Lieve... buig je niet zo uit het raam! Straks val je nog! Weet je dan niet hoe laat het al is? Het is bijna middernacht! Speel toch niet zo in het donker!’
Een grijsaard spreekt:
Ooit heb ik een zwaar misdrijf begaan, zegt de grijsaard.
Ik werd veroordeeld om gekerkerd te worden en de hongerdood te sterven.
Mijn dochter hield veel van mij, zegt de grijsaard.
Zij kwam mij iedere dag bezoeken in de gevangenis waar men mij had opgesloten.
Dit werd haar toegestaan, zegt de grijsaard.
Op voorwaarde dat ze geen eten of drank zou meebrengen.
Mijn dochter beloofde dit, zegt de grijsaard.
En ze hield woord.
Hoewel ze telkens gefouilleerd werd voordat ze mijn kerker betrad, zegt de grijsaard, vonden de cipiers nooit spijzen of dranken op haar lichaam.
Toen er zo een paar weken voorbij waren gegaan en ik nog steeds geen merkbare tekenen van zwakte vertoonde, zegt de grijsaard, kregen mijn cipiers argwaan.
Een van hen besloot een oogje in het zeil te houden, zodra wij alleen gelaten werden.
Hij kwam tot de ontdekking dat het meisje mij - haar vader - de borst gaf, zegt de grijsaard.
De cipier vertelde dit aan de graaf, die haar vroeg of zij soms een kind had gebaard.
‘Nee heer graaf,’ antwoordde mijn dochter, en zij sprak de waarheid. ‘Ik ben nog maagd.’
‘Hoe is het dan mogelijk dat jij je vader de borst geeft?’ riep de graaf uit.
Dat wist mijn dochter ook niet, en ze barstte uit in tranen.
Daarop liet de graaf zich vermurwen, zegt de grijsaard.
En hij schonk mij genade.
En sindsdien zit ik hier, zegt de grijsaard.
In het Duivelsteen.
En als herinnering aan die grote liefde en dat grote wonder, heeft men op de plek waar dit alles zich afspeelde een beeld aangebracht - dat moet omstreeks 1770 geweest zijn, zegt de grijsaard - in het fronton van een nieuw gebouw.
En dat beeld noemen ze daarbuiten nu de Mammelokker.
En wij lachen allemaal, want mammelokker is Gents dialect en betekent ‘borstenzuiger’.
Het beeld stelt een oude man voor die door een jonge vrouw wordt gezoogd, zegt de grijsaard.
En wij lachen allemaal, want er is niemand onder ons die hem gelooft.
De grijsaard is gek.
Een oude man die door een jonge vrouw wordt gezoogd... Hij kan ons nog meer vertellen!
De grijsaard is echt wel goéd gek!
Mijn grote broer Pieter daalt de keldertrap af.
Dieper en dieper volgt hij zijn en mijn vader in de onderaardse krochten van het Duivelsteen.
Dieper en dieper volg ik ze - met mijn blik.
Wonderbaarlijk groot zijn ze, deze kelders. Het hele Duivelsteen is erop gebouwd.
Ze vormen een reeks reusachtige grotten en gangen die ergens heen leiden.
Niemand weet waarheen precies.
Behalve God, misschien.
Of de eerwaarde heer Triest.
Mijn vader wil weten of Pieter de dodelijke geur ook ruikt, die hier nadrukkelijk aanwezig is.
Het is deze geur die hij Pieter wilde leren kennen.
Volgens mijn vader stijgt de geur op uit een ondergrondse vijver van dood water, die hij hem straks nog zal tonen.
Mijn vader verzoekt mijn grote broer Pieter voor hem uit te lopen.
Mijn vader drukt mijn grote broer Pieter op het hart in het licht van de lantaarn te blijven, die hij in zijn handen houdt.
Mijn grote broer Pieter moet goed op zijn passen letten.
Mijn vader zal hem waarschuwen als ze de vijver van het dode water hebben bereikt.
Ik volg mijn vader en mijn grote broer Pieter met mijn ogen.
Hoor hoe ze door deze volmaakte, deze doodse stilte lopen.
Eerst mijn grote broer Peter, vervolgens mijn vader. Hoor!
Ik zie ze in het gelige licht van de lantaarn.
Mijn vader en mijn grote broer Pieter.
Zie!
Mijn vader neemt mijn grote broer Pieter plotseling bij de arm.
‘Blijf staan, Pieter! Mijn God... Ben je soms blind geworden? Een stap verder en je was in dat dode water gevallen! Als ik je niet bij de arm had gegrepen, zou je nu...’
Ruikt hij de stank dan niet die opstijgt uit dat stilstaande water?
Ik ruik alvast niets speciaals. Waarschijnlijk ben ik eraan gewend geraakt.
‘Die dodelijke geur slaat je hier echt in het gezicht! Voel je het ook, Pieter?’
‘Het is als de stank die uit een graf komt...’ stamelt mijn grote broer Pieter.
Mijn vader waagt zich nog verder op wat ooit een ondergrondse loskade is geweest.
‘Het is deze lucht die op sommige dagen het hele Duivelsteen vergiftigt,’ zegt hij. ‘We zouden deze onderaardse ruimte en al dat dode water moeten afsluiten met een muur. Het wordt trouwens de hoogste tijd om àl deze krochten en kelders eens grondig te onderzoeken.’
Heeft mijn grote broer Pieter de barsten gezien in de wanden? En in de pijlers van de gewelven?
‘Er is hier nog veel werk aan de winkel... Als we niet oppassen, stort op een of andere nacht het hele Duivelsteen in. Maar wat wil je? Niemand houdt ervan in deze kelders af te dalen.’
Mijn vader snuift. Mijn vader huivert.
Mijn grote broer Pieter volgt zijn voorbeeld.
‘Buig je voorover,’ zegt mijn vader, en hij steekt zijn hand uit naar mijn grote broer Pieter. ‘Wees niet bang, ik hou je vast.’
Mijn grote broer Pieter wil zijn hand in die van mijn vader leggen, maar mijn vader schudt het hoofd.
‘Nee, je hand zou mij kunnen ontglippen...’
Hij neemt zijn oudste zoon stevig bij de arm.
‘Buig voorover en kijk daar, om die hoek, aan deze kant van het water. Wat zie je?’
‘Een stenen trap... Ik kan niet zien waar hij heen leidt.’
Het licht van de lantaarn die mijn vader in de hand houdt, begint te beven.
Mijn grote broer Pieter trekt zich ijlings terug en kijkt mijn vader aan.
‘Is dat licht...? Was dat jouw lantaarn die...?’
‘Ik bewoog ze even om de rotswanden te verlichten,’ antwoordt mijn vader.
Maar zijn stem trilt ook.
Willem zingt:
Twee edellieden, vader en zoon,
hadden de graaf zeer beledigd.
Hij riep hen beiden voor zijn troon
en sprak hen toe op harde toon:
‘Als ik één van u genade verleen
en één van u in leven laat,
dan is ’t op deze voorwaard’ alleen:
dat hij d’ander ’t hoofd afslaat!’
Vader en zoon, zij gingen naar de brug,
die lag daar bij het Gravensteen.
Voor vader en zoon was geen weg terug,
hun klacht ging door merg en been.
‘Vader mijn vader,’ zo zei de zoon,
‘buigt gij dan nu het oude hoofd.’
- ‘Sla nu toe en sla zonder schroom,’
sprak de vader als verdoofd.
De zoon, hij hief het zwaard voor de slag,
maar de bliksem die sloeg plotseling toe,
en het was geen hoofd dat aan zijn voeten lag -
want het metaal was moe, zo moe.
Door God was het zwaard gebroken in twee,
daar op de Onthoofdingsbrug.
En voor de wrede graaf van ’t Gravensteen
was er geen weg terug.
Vader en zoon hielden een groot banket,
daar bij de Onthoofdingsbrug.
Er werd geen hoofd op tafel gezet,
daar op de Onthoofdingsbrug.
Soms...
Soms vrees ik flauw te vallen in die giftige onderaardse atmosfeer van het Duivelsteen, zo zwaar en vochtig als een dauw van lood.
Dan denk ik: kon ik nu maar het Duivelsteen ontvluchten en door de nachtelijke straten van Gent gaan dwalen, waar een briesje - zo fris als een blad dat zich net heeft ontplooid - het groene water van de Lieve, de Leie en de Schelde doet rimpelen.
Kon ik nu maar de violetten in de Lange Violettenstraat ruiken - ze hebben al water gekregen - en rust vinden in het Kleine Begijnhof...
Maar alleen in mijn verbeelding ben ik vrij.
Alleen in mijn verbeelding ben ik vrij om door de stad te gaan dwalen.
Alleen in mijn verbeelding kan ik terugkeren naar het Duivelsteen, waar de Zusters en Broeders van Liefde alle ramen open hebben gegooid om de dikke warme lucht buiten te laten.
Alleen in mijn verbeelding zie ik mijn vader met mijn grote broer Pieter in de avondlijke schaduw van het Duivelsteen staan, zie ik het silhouet van Lieve verschijnen achter een open raam, zie ik hoe mijn vader zijn oudste zoon van opzij aankijkt.
Alleen in mijn verbeelding hoor ik hem aarzelend zeggen: ‘Wat Lieve betreft, Peter...’
Of toch niet?
Mijn grote broer Pieter verstijft.
‘Ik weet wel, Pieter, het is slechts een kinderspel... Maar het mag niet opnieuw beginnen. Lieve is nog erg jong en zeer ontvankelijk voor allerlei indrukken. We moeten voorzichtig zijn met haar... Temeer omdat ze... Omdat ze misschien zwanger is.’
Mijn grote broer Pieter schrikt.
En ik schrik.
Ik die dacht àlles te weten over dit huis en zijn bewoners...
Ik wist dit niet.
‘Ze is zo teer, Pieter... Ze is nauwelijks een vrouw, mijn Lieve... De minste emotie kan een miskraam veroorzaken.’
Mijn grote broer Pieter knikt.
‘Het is niet de eerste keer dat ik merk dat er iets tussen jullie zou kunnen zijn, Pieter. Jij bent ouder dan zij, maar toch is zij je stiefmoeder. Je bent mijn zoon, Pieter. Het volstaat dat ik je dit gezegd heb. Ontwijk haar zoveel mogelijk, maar zorg ervoor dat het niet opvalt.’
In mijn verbeelding richt mijn vader zijn sombere blik op de kathedraal van Sint Baafs, terwijl de knappe troubadour Willem in de krochten van het Duivelsteen een woordenloos lied aanheft, een klaagzang die klinkt als een kind dat huilt omdat het verdwaald is in een donker bos.
Mijn vader kijkt zijn oudste zoon aan en ineens lijken alle schaduwen op te lossen in zijn ogen.
‘Kom, Pieter...’ zegt hij. ‘Het is tijd voor je laatste avondmaal hier in ons midden. Morgen wacht ons opnieuw een mooie dag... Een wondermooie dag voor de oogst... Het is bijna Half Oogst, Pieter... Laat het ook dit jaar een prachtige feestdag worden!’
Ik schrijf mijn testament, mijn nachtboek.
Ik schrijf de geschiedenis van het Duivelsteen neer, de levensverhalen van mijn lotgenoten.
Soms voelt het aan alsof mijn hart kapot geslagen wordt door mijn woorden.
Ik heb niet lang meer te leven.
Mijn dagen, mijn nachten - ze zijn voorbij gevlogen zoals de schietspoel van de wever de draden door de stof doet vliegen en dan...
Dan schroeit de wever plotseling alle draden af.
En dan...
Dan zit je daar, zij aan zij met de galante dames en heren die in vroeger tijden van kroeg tot kroeg zwalpten, liederlijke liederen zingend, vleiend en vrijend als geen ander...
Dan zit je daar, zij aan zij weg te kwijnen in de helse krochten van het Duivelsteen waar Satan je stoffelijke overschot komt zalven.
En de galante dames, de galante heren - ze fluisteren je toe:
‘Geef ons leven, geef ons het eeuwig leven, zet ons bij in een verhaal dat werd neergeschreven en alleen al daarom nooit zal vergaan.’
Wie ben ik om ze dat te weigeren?
‘Ik ben het spook van de Zuivelbrug,’ zucht een vrouw.
Klokslag middernacht, zoals het een eerbaar spook betaamt, kunt u haar zien verschijnen, vanop de Ottogracht.
Kijk hoe ze naar het midden van de brug zweeft.
Luister hoe ze met heldere stem roept:
Karnemelk! Karnemelk! Karnemelk!
Ik heb mijn arme ziel vergeten
want ik heb meer water dan melk gemeten!
‘Ik ben het spook van de Zuivelbrug,’ zucht een vrouw. ‘Ik doe boete omdat ik de melk met te veel water aanlengde en voor goede waar verkocht.’
Tegen het eind van haar leven zag ze in hoe onrechtvaardig ze gehandeld had.
‘Het was mijn geweten dat me dwong boete te doen voor het kwaad dat ik had aangericht,’ zucht een vrouw. ‘Maar hoe kon ik het gestolen goed in Godsnaam nog teruggeven?’
En in bittere wanhoop gooide ze zich van de Zuivelbrug.
Haar lijk werd opgevist, maar haar geest...
‘Klokslag middernacht vlieg ik heen,’ zucht een vrouw, ‘dwars door de dikke muren van het Duivelsteen, om mijn schuld te delgen.’
En dan keert ze terug naar onze ondergrondse krochten, naar haar eeuwigdurend vagevuur.
‘Ik ben het spook van de Zuivelbrug,’ zucht een vrouw in de kribbe naast die van mij.
Daar heb je de eerwaarde heer Triest weer.
‘Vertoeft Lieve vaak in de nabijheid van je grote broer Pieter?’ vraagt hij bezorgd.
‘Eigenlijk is ze altijd bij hem,’ antwoord ik, ‘vooral als mijn vader niet in de buurt is.’
En ik hou het hoofd schuin en luister.
‘Er wandelt iemand met een lantaarn door de tuin van het Duivelsteen,’ zeg ik.
Blinden zijn vaak helderziend, vaak helderhorend.
En werd ik niet zo goed als blind geboren, in de eindeloze nacht van het Duivelsteen?
Kijk en zie: er is niets dan duisternis om me heen - behalve dan bij dit stompje kaars, of in het iele straaltje licht dat door het keldergat valt.
Met mijn geestesoog volg ik de donkere gestalte met de lantaarn door de tuin van het Duivelsteen.
‘Het is mijn vader,’ zeg ik. ‘Hij maakt zijn avondwandeling.’
‘Mijn Broeders en Zusters van Liefde beweren dat ze niet echt van elkaar houden,’ zegt de eerwaarde heer Triest. ‘Dat ze vaak ruzie maken, Lieve en jouw grote broer Pieter. Is dat zo, mijn jongen?’
‘Ja, dat is zo,’ zeg ik.
‘Ze maken ruzie over een deur die niet open mag blijven of het licht waarin ze betrapt kunnen worden. Is dat zo?’
‘Ja, dat is zo.’
‘Hebben ze het ook wel eens over jou, mijn jongen?’
‘Lieve heeft me gezien,’ zeg ik, ‘en ze vroeg mijn grote broer Pieter wie ik was. Hij heeft haar alles verteld wat er over mij te vertellen viel. Hij heeft haar gewaarschuwd voor mij. Hij heeft gezegd dat ik een zoon van de Duivel ben.’
En er valt een stilte.
En het is best wel een aangename stilte - niet het soort stilte van vreemden die een oppervlakkig gesprek hebben gevoerd en nu uitgepraat zijn geraakt.
De eerwaarde heer Triest en ik... wij hebben geen woorden nodig om elkaar te begrijpen.
Mijn goede vriend kijkt met merkwaardig starende ogen voor zich uit. Als een pasgeborene die te vondeling werd gelegd op de hoek van een steegje waar niemand zich nog waagt als de avond is gevallen, bedenk ik - en straks zal ik het ook zo opschrijven.
‘Lieve en mijn grote broer Pieter zijn niet boos op mij,’ zeg ik. ‘Ze zijn ook niet zo bang voor mij als uw Broeders en Zusters van Liefde, eerwaarde vader. Lieve is misschien wel bang voor het donker, maar niet voor mij.’
‘Zijn mijn Broeders en Zusters dan bang voor jou?’
‘O ja. Ze schreeuwen altijd tegen mij. “Ga weg, ga weg!” schreeuwen ze. Soms schreeuwen ze het zelfs in het Latijn: “Vade retro! Vade retro!” - alsof ze een duivel willen uitdrijven.’
‘Maar Lieve en jouw grote broer Pieter zeggen nooit dat je weg moet gaan?’
‘Nee.’
‘Zijn ze gelukkig?’
‘Ik weet het niet.’
‘Maar ze lachen wel. Ik heb ze al horen lachen.’
‘Ja. Ik ook.’
‘Lieve ziet er erg bleek uit.’
‘Ja. Erg bleek.’
‘Maar ze kunnen dus goed met elkaar opschieten, jouw grote broer Pieter en Lieve?’
‘Ja. Zeer goed.’
‘Ik ben blij dat te horen, mijn zoon.’
Maar de eerwaarde heer Triest ziet er helemaal niet blij uit.
En hij klinkt ook niet blij.
‘Kussen ze elkaar soms, mijn jongen?’
‘Ik heb ze één keer zien kussen. Eén keer. Het regende en...’
‘Hoe kusten ze elkaar dan?’ valt de eerwaarde heer Triest mij in de rede.
‘Zoals een verliefd stel dat doet,’ zeg ik.
‘O,’ zegt hij.
Ik concentreer mij op wat ik zie met mijn derde oog - het oog dat zich ergens in mijn hoofd bevindt. Mijn geestesoog.
‘Iemand steekt een olielamp aan in de slaapkamer van Lieve,’ zeg ik.
Het licht stroomt door het open raam naar buiten, de inktzwarte nacht in. Het lijkt zelfs het kussende koppeltje te verlichten, dat daar op een bankje in de schaduw van de kathedraal zit.
‘Ik moest maar eens een kijkje gaan nemen in de slaapkamer van Lieve,’ zegt de eerwaarde heer Triest.
Ik wil hem achterna gaan, maar mijn ketenen beletten mij meer dan een paar stappen te zetten.
En de sleutel durf ik nog steeds niet te gebruiken.
Niet nu.
‘Wacht,’ zeg ik, en ik hou mijn goede vriend tegen. ‘Mijn vader keert terug van zijn avondwandeling. We kunnen beter hier nog wat blijven zitten.’
Mijn vader wordt geheel in beslag genomen door het spel van licht en schaduw in de kamer van Lieve.
Ik hoor hem mompelen met mijn tweede stem - de stem die opklinkt in mijn hoofd, en nu eens zus klinkt, dan weer zo.
‘Ik weet het nog niet, ik weet het nog niet zeker...’ mompelt hij. ‘Maar Pieter lijkt wel gek geworden en Lieve...’
Ik vertaal de woorden die ik zo helder heb gehoord voor de eerwaarde heer Triest.
Ik zie zijn handen verkrampen.
Ik kijk met mijn derde oog de kamer van Lieve binnen.
Ik zie daar nu ook mijn grote broer Pieter staan.
‘Wat zie je?’ vraagt de eerwaarde heer Triest koortsachtig.
Ik vertel hem wat ik zie en mijn goede vriend vloekt.
De eerwaarde heer Triest vloekt - zij het bijna onhoorbaar.
Of was dat mijn vader?
Labels:
Duivelsteen,
Duivelsteen 2,
Gent,
Patrick Bernauw
Duivelsteen 3
In zijn sombere kasteel Duivelsteen brengt Gerard de Duivel zijn dagen door met braspartijen en gruweldaden. Algauw heeft het Duivelsteen van Gent de naam behekst te zijn. Geen wonder dat het later een tehuis voor krankzinnigen wordt. Een van hen schrijft koortsachtig alle verhalen over het Duivelsteen op, het ene nog verwarder dan het andere. Wat bijvoorbeeld te denken van de noodlottige liefde die zich in het Duivelsteen voltrokken zou hebben?
De griezelroman Duivelsteen kun je nu integraal en gratis lezen op het web. Hier vind je alle info rond de nieuwe uitgave van dit boek in de reeks Mysterieus België, de uitgave als ebook... en het moordspel/stadsspel Mysteries van het Duivelsteen.
Ik zie een donkere smalle gang in het duivelsteen.
In die gang hebben Lieve en mijn grote broer Pieter elkaar gevonden.
‘Ik moet je spreken op een plek waar de muren geen oren hebben,’ zegt mijn grote broer Pieter. ‘Waar kan ik je spreken, vannacht?’
‘Bij de Lieve?’ fluistert Lieve.
‘Het zal onze laatste afspraak zijn... Mijn vader wil dat ik op reis ga, voor zaken. Ik moet terug naar Londen en dan... Je zult me niet meer weerzien, Lieve.’
‘Zeg dat niet, Pieter. Ik zal je àltijd zien. Ik zal je altijd blijven zien, in m’n hart...’
Ik hield haar in het oog.
Ik hield haar in het derde oog. Ik hield haar vast.
Hoe ze daar zat. In de zon. In de tuin. Schijnbaar zorgeloos.
En toch als iemand die een groot ongeluk verwachtte.
‘Het stemt mij triest,’ zegt de eerwaarde heer Triest, ‘als je haar daar zo ziet zitten.’
Ze was nog veel te jong, veel te mooi om nu al dag en nacht te leven met de adem van de dood in haar nek.
‘Misschien zal het Lieve zijn die de poort kan openen voor een Nieuwe Tijd,’ zucht de eerwaarde heer Triest.
Mijn vader betreedt de kamer van Lieve in de Rode Toren.
‘Pieter vertrekt morgenochtend,’ zegt hij nors.
‘Wat is er gebeurd, Gerard? Er zit bloed op je voorhoofd.’
‘Het is niets,’ zegt mijn vader. ‘Ik heb mijn hoofd gestoten bij de werkzaamheden in de kelders.’
Lieve vraagt hem het hoofd te buigen, zodat zij het bloed van zijn voorhoofd kan wissen, en mijn vader...
Mijn vader duwt haar ruw van zich af en schreeuwt dat zij hem niet mag aanraken, dat zij ook maar moet vertrekken, dat hij niet meer met haar wil praten.
Waar heeft hij zijn pistool gelaten? Hij is naar de Rode Toren gekomen om zijn pistool te zoeken!
‘Geef mij m’n pistool!’ schreeuwt mijn vader.
Hij steekt zijn hand uit, maar Lieve toont hem huiverend waar zijn pistool ligt - daar, in de wapenkast, waar het altijd heeft gelegen.
‘Er is weer een gek gevonden, halverwege de keldertrap,’ zegt hij. ‘Je zou denken dat ze het prettig vinden om onder onze ogen te komen sterven. Waarom beef je zo, Lieve? Ik zal jou niet doden. Ik wilde het wapen alleen even inspecteren. Ik gebruik mijn pistool niet voor dat soort dingen.’
Lieve kijkt hem smekend aan.
‘Waarom kijk je mij zo aan, alsof ík krankzinnig ben geworden? Denk je misschien iets in mijn ogen te lezen? Ik heb nooit wat in jouw ogen gelezen! Je liet het niet toe! Er viel niets in te lezen! Denk je dat ik iets te weten ben gekomen?’
Mijn vader wendt zich tot de eerwaarde heer Triest.
‘Ziet u die ogen? Kunt u me vertellen wat er in haar ogen te lezen staat?’
‘Ik lees er alleen een grote onschuld in,’ zegt de eerwaarde heer Triest.
Mijn vader begint te grommen als een dolle hond.
‘Een grote onschuld!? Straks kom je me nog vertellen dat het de ogen van het Lam Gods zijn!’
Hij schreeuwt het schuimbekkend uit: ‘Een grote onschuld!? Ik kén die ogen, eerwaarde vader! Ik heb ze aan het werk gezien!’
Hij grijpt Lieve bij de keel. Hij sist haar toe: ‘Sluit die ogen nu maar, Lieve... of ik sluit ze voor altijd.’
En de kleine handen van Lieve sluiten zich om de grote hand van mijn vader, terwijl ze probeert de wurgende klem om haar hals te verwijderen.
‘Wat ik te zeggen heb, is heel eenvoudig, Lieve...’
Ze tracht zich los te rukken uit zijn greep. Ze wringt aan zijn hand. Ze trekt aan zijn arm. Ze duwt tegen zijn zware lichaam aan. Maar het is al tevergeefs.
‘Vade retro!... Je handen zijn te heet voor mij, Lieve! Je huid gloeit! Spring nu maar op de Hellewagen, Lieve! En keer hier nooit, nóóít meer terug!’
Mijn vader grijpt Lieve bij haar lange blonde haren. Hij trekt haar neer op de grond, op haar knieën voor hem.
Hij grijnst. Hij ontbloot zijn tanden als een hongerige wolf.
‘Vluchten kan niet meer, Lieve... Nu zul je me volgen, op je knieën, laag bij de grond als een slang... Eindelijk dienen je lange haren nog tot iets!’
Hij sleurt Lieve aan haar lange blonde haren achter zich aan. Naar links, naar rechts. Vooruit, achteruit.
Hij scheurt haar jurk. Ik vang een glimp op van haar linkerborst. Blank en teer. Broos en breekbaar.
En Lieve huilt. Lieve schreeuwt het uit van pijn en vernedering.
En mijn vader lacht. Mijn vader lacht als een oude man.
En de eerwaarde heer Triest slaat in een hoek van de kamer als verlamd het tafereel gade.
En mijn vader blijft staan.
Lieve zit aan zijn zijde, op haar knieën. Haar hoofd laag bij de grond, haar lange haren nog steeds in zijn handen.
Ze huilt niet meer, ze schreeuwt niet meer. Mijn vader kijkt op haar neer. Hij is plotseling heel rustig geworden.
‘Weet je,’ zegt hij. ‘Je doet maar wat je het beste lijkt. Ik hecht er niet het minste belang aan. Ik ben te oud en bovendien… ik ben geen spion. Ik zal wachten op het toeval dat altijd een handje toesteekt in omstandigheden als deze, en dan… Eenvoudig omdat het hier de gewoonte is, zal ik…’
Zijn stem sterft uit als een kaarsvlam in de regen.
Hij laat haar haren uit zijn handen vallen en verlaat met grote stappen het vertrek.
En onder dat chaotische kluwen, onder die ordeloze hoop blonde haren op de kille vloer, weent zij.
Weent zij geluidloos.
‘Ik herinner mij de mist,’ zegt de violist.
Middernacht en de mist danste als een derwisj om hem heen. Hij was verdwaald in nacht en nevel, in het hart van de goede stad Gent.
‘Geeft niks,’ dacht hij. ‘Ik steek een pijp op. De rook zal de mist verdrijven.’
Hij tastte zijn zakken af, maar hij vond geen vuursteen.
En toen scheurde de nevel open en ontwaarde hij een eind verder in de verlaten straat een licht.
‘Daar zal men mij wellicht aan een vuurtje kunnen helpen,’ dacht hij.
Onder de volle maan doemde het Duivelsteen voor hem op. Uit de open poort en de helverlichte vensters stroomde muziek de nacht in.
Het licht bleek afkomstig van een brandstapel op het binnenplein.
Er dansten mannen en vrouwen rond.
Hij kwam dichterbij.
Een lakei hield hem een zilveren schotel voor. ‘Opgevulde fazant... Mmm... Lekker!’
‘Nee dank u,’ zei de violist. ‘Ik heb geen honger.’
Een lakei bood hem een roemer wijn aan.
‘Nee dank u,’ zei de violist. ‘Ik heb geen dorst.’
Luisterend naar de muziek, liep de violist in de richting van het vuur.
Hij bukte zich om een brok gloeiende houtskool te grijpen waarmee hij zijn pijp kon aanmaken, toen de muziek plotseling stopte.
Een meisje nam hem bij de arm.
‘U draagt een viool, vreemdeling,’ glimlachte ze. ‘Waarom speelt u geen wijsje voor ons?’
De violist keek in de ogen van het meisje, dat hem vreemd bekend voorkwam.
Zijn vermoeidheid smolt als sneeuw voor de zon.
Hij klemde de buik van zijn viool tussen wang en schouder, pakte zijn strijkstok en begon te spelen.
Hij musiceerde met hart en ziel. Bij wijze van dank stopte het meisje hem af en toe een stukje pastei in de mond of zette ze een beker wijn aan zijn lippen.
En de dansers wierpen handen vol goudstukken in het foedraal van zijn viool.
Hij beëindigde zijn liedje en vroeg of hij ook samen met de andere muzikanten mocht spelen? Ze maakten zo’n heerlijke muziek!
‘Natuurlijk,’ zei het meisje. ‘Kom maar mee.’
Het orkest stond wat verscholen in de schaduwen, onder een eeuwenoude beuk. De violist kwam naderbij en schrok.
De orkestmeester op dat gammele podium... Dat was toch zijn oude leraar, meester Gilles?
En meester Gilles was toch al vele jaren dood?
Toen herinnerde hij zich plotseling ook waar hij het meisje eerder had gezien. Hij was nog een kleine jongen en zij zakte door het ijs van de Lieve en...
Meester Gilles wenkte hem. ‘Er is nog een plaatsje vrij, mijn jongen!’
Meester Gilles reikte hem een fijnbewerkte strijkstok aan en onder de leiding van zijn oude dode meester speelde de violist zo mooi als hij nog nooit had gespeeld.
Bang, droevig en blij tegelijk speelde hij tot hij van vermoeidheid op zijn stoeltje in slaap viel.
Toen hij wakker werd, was het al licht.
Van de brandstapel op het binnenplein van het Duivelsteen restte alleen nog een hoop gloeiende asse. Hadden meester Gilles en het meisje dat door het ijs zakte dan ook alleen in een droom bestaan?
De violist stond op en keerde het foedraal van zijn viool om, met de bedoeling de goudstukken eruit te schudden.
Er dwarrelden alleen een stuk of wat verdroogde beukenbladeren op de grond.
Naast zijn viool, in het natte gras, lag de stijkstok die meester Gilles hem had gegeven.
De violist huiverde.
De strijkstok, zo merkte hij nu, bestond uit de lange witte ellepijp van een skelet.
Mijn grote broer Pieter wacht Lieve op bij het water.
De eerwaarde heer Triest is er ook. En ik kijk toe met mijn derde oog.
Ik hoor mijn enige vriend op deze aarde hardop denken.
‘Het is hem overkomen als in een droom,’ denkt hij. ‘En nu is hij onverhoeds wakker geschrokken en zou hij op de vlucht willen slaan, schreeuwend van vreugde en pijn tegelijk, als een blinde die uit zijn brandend huis wil ontkomen.’
Maar hij kan het niet.
Mijn grote broer Pieter kan haar niet zeggen dat hij dit vlakke land verlaat om in verre buitenlanden vergetelheid te zoeken.
Ik hoor mijn grote broer Pieter hardop denken.
‘Zal ze nog opdagen?’ denkt hij. ‘Zou ik er niet beter aan doen hier weg te gaan zonder haar nog terug te zien?’
Maar hij kan het niet.
Hij moet haar tenminste nog één keer goed bekijken, van heel nabij.
Nu al zijn er kleinigheden die hij zich niet meer herinnert.
Soms denkt hij dat het al duizend jaar geleden is sinds hij haar voor het laatst heeft gezien.
Hij heeft haar nooit diep in de ogen gekeken, beseft hij.
Hij heeft haar nooit diep in de ogen gekeken, in het volle besef dat zij heel goed wist hoe diep hij bij haar naar binnen keek, en dat zij hem dit toestond.
Als hij vertrekt zonder haar te hebben gezien, zal er hem niets anders resten dan een handvol steeds bleker wordende herinneringen.
En wat zijn herinneringen anders dan water in de woestijn, dat je probeert mee te nemen in een kalebas van katoen?
Hij moet haar voor het eerst en voor het laatst bekijken tot in het diepste van haar hart.
Hij moest haar alles zeggen wat hij haar nog nooit heeft kunnen zeggen.
Hij moet...
En zij zegt: ‘Pieter!’ - En hij zegt: ‘Lieve!’
En alles is gezegd.
En er valt een stilte die een eeuwigheid lijkt te duren.
Dan vraagt mijn grote broer Pieter haar of zij het is.
Hij vraagt of zij het werkelijk is.
En of ze weg wil gaan bij de rand van dat water, uit de maneschijn.
Ze hebben elkaar zoveel te vertellen.
Waarom komt ze niet naast hem staan in de schaduw van deze treurwilg bij het water?
Lieve antwoordt dat ze in het licht wil blijven.
Mijn grote broer Pieter zegt dat men haar kan zien vanop de straat en vanuit de ramen in de huizen, daar.
En daar, en daar.
In de schaduwen hebben ze niets te vrezen, zegt hij - maar Lieve wil dat men hen zou zien, zij heeft niets te verbergen.
Heeft men haar opgemerkt toen zij het Duivelsteen verliet?
Waarom is ze zo laat gekomen? Straks komt de morgen in de lucht en moet hij vertrekken naar Londen!
‘Je vader had een boze droom. Hij heeft mijn jurk gescheurd. Ik heb veel tijd verloren.’
Soms lijkt de tijd zich uit te rekken en duren de minuten uren, het is waar. En soms lijkt de tijd te krimpen en duren de uren slechts minuten.
‘Ik heb gelopen en gelopen en... ik weet niet hoe laat het is, of hoe vroeg.’
Mijn grote broer Pieter durft haar niet aan te raken. Ze is buiten adem als een vogeltje dat werd opgejaagd.
Ze komt dichter bij hem staan. Ik hoor haar hart bonzen, alsof het mijn hart is.
Alsof ik daar sta, vlak bij haar. Niet mijn grote broer Pieter.
Ze komt nog dichter bij hem. Hij lacht zachtjes. Hij lacht zonder te weten dat hij lacht, of waarom.
Hij lacht van geluk: ik lees het in zijn ogen. Nooit heb ik iets zo scherp gezien, van op een zo grote afstand. Hij lacht van geluk.
Hij lacht zoals ik nooit zal lachen. Hij lacht van een geluk dat ik nooit zal kennen.
En op dat moment wens ik mijn grote broer Pieter dood. Ik wens mijn vader dood en ik wens mijn broer dood.
Hij zou er beter aan doen te huilen, denk ik. Hij zou er beter aan doen ter plekke dood te vallen.
‘We zijn hier nog geweest,’ zegt Lieve. ‘Ik herinner mij…’
Ik herinner het mij ook.
Waarom heeft mijn grote broer Pieter haar gevraagd vanavond precies hierheen te komen, naar de Lieve waar zij door onze vader werd gevonden?
‘Ik moet gaan, Lieve. Voorgoed.’
‘Waarom zeg je dat toch altijd?’
‘Weet je dan niet waarom ik je moet verlaten? Waarom ik terugkeer naar Londen? Weet je dan niet dat het is omdat...?’
Hij neemt haar in zijn armen en kust haar op de mond.
‘Ik heb jou ook lief, Pieter,’ fluistert ze - en ik vraag me af of zij dat werkelijk gezegd heeft.
Ik heb het bijna niet gehoord. Haar stem leek van het andere eind van de wereld te komen. Zo ver.
‘Hou jij dan ook van mij?... Sinds wanneer?’
‘Sinds... altijd.’
Zo heeft haar stem nooit eerder geklonken. Het is alsof het lente wordt en haar woorden over het water wandelen.
Ik stel mij voor dat zij die woorden tot mij heeft gericht en het is alsof het zacht gaat regenen op mijn hart.
‘Ben jij het die deze woorden heeft gesproken?’ vraagt mijn grote broer Pieter. ‘Ik kan het niet geloven. Ik kan niet geloven dat ze voor mij bedoeld waren.’
Waarom zou ze hem liefhebben? Waarom zou ze precies hém liefhebben?
‘Waarom precies voor míj?’
Was het waar wat ze zei? Bracht ze hem niet op een dwaalspoor? Loog ze misschien een beetje om hem even te doen glimlachen, zodat hij met een verlicht gemoed kon vertrekken naar Londen en nooit zou terugkeren naar Gent?
‘Nee,’ prevelt ze. ‘Tegen jou zou ik nooit liegen, Pieter.’
Haar stem is zuiver water.
Hij neemt haar handen in de zijne - ze zijn zo klein, haar handen.
Hij zegt dat hij nooit een meisje heeft gezien dat zo mooi is als zij. Overal heeft hij gezocht, steeds onrustiger wordend. Overal in Londen en ook in Gent. En in verre buitenlanden. Nergens heeft hij schoonheid gevonden.
Tot hij Lieve vond.
Er kan op aarde geen mooiere vrouw zijn dan Lieve.
‘Waar ben je?’ vraagt hij, opeens heel onrustig geworden. ‘Ik hoor je niet meer ademen, Lieve!’
‘Dat komt omdat ik naar je kijk,’ zegt ze.
En ze kijkt hem aan, de adem ingehouden, de ogen gesloten.
Ik zie het wel, al is het zo donker onder hun treurwilg - ik zie het wel, ik zie ze allebei, ik zie het helemaal, ik zie alles met dit vervloekte derde oog van mij dat ik niet meer sluiten kan.
‘Kom in het licht, Lieve… Anders kunnen we niet zien hoe gelukkig we zijn. Kom nu... We hebben niet veel tijd meer.’
Nee… Nee... Ze wil hier blijven. Ze wil dicht bij hem blijven, in de duisternis.
‘Waar zijn je ogen, Lieve? Ik zie je ogen niet meer! Je hebt ze toch niet van me afgewend? Je denkt toch nog aan mij? Nu? Op dit ogenblik?’
‘Ik denk alleen aan jou,’ zegt ze.
En mijn grote broer Pieter omhelst haar en kust haar opnieuw en opnieuw.
Ik hoor de eerwaarde heer Triest mompelen. Hoe vreemd ze toch lijkt wanneer hij haar omhelst.
Zo vreemd en zo mooi. Alsof ze op het punt staat te sterven.
‘We doen niet altijd wat we willen,’ mompelt hij.
‘Wat was dat? Is daar iemand?’
Heeft Lieve het gemompel van de eerwaarde heer Triest gehoord?
‘Iemand zal ons gezien hebben,’ zegt mijn grote broer Pieter.
‘Des te beter. Dan zijn wij het niet meer die dit willen. Dan zal er gebeuren wat moet gebeuren en kunnen wij daar niets meer aan veranderen...’
‘Je hebt gelijk,’ zegt mijn grote broer Pieter. ‘Dan hebben wij alles gewonnen en alles verloren, vannacht.’
En hij kust haar nogmaals. En mijn hart gaat te keer in mijn keel, alsof het op hol is geslagen. Alsof het op het punt staat uit mijn borst te barsten.
Hoe mooi had het kunnen zijn...
Hier, in het donker, aan de waterkant...
‘Er is iemand achter ons!’ zegt ze. ‘Luister!’
Ze kijken - maar niet in de richting van de eerwaarde heer Triest.
Mijn grote broer Pieter ziet niemand.
Ik zie niemand, zelfs niet met mijn derde oog.
Maar dan hoor ik in mijn hoofd dode takken kraken.
‘Kijk eens hoe groot onze schaduwen zijn, vannacht,’ zegt mijn grote broer Pieter.
Ze omhelzen elkaar en kijken naar hun schaduwen die versmelten, naar hun rimpelende weerspiegeling in het zwarte oppervlak van de Lieve.
En zien hem daar staan, achter een boom.
Mijn vader. Haar echtgenoot.
‘Mijn vader? Waar?... Ik zie niets.’
‘Daar,’ wijst Lieve. ‘Waar onze schaduwen eindigen.’
Nu ziet mijn grote broer Pieter hem ook.
‘We mogen ons niet plotseling omdraaien,’ zegt hij. ‘We mogen niet opeens op de vlucht slaan.’
‘Hij heeft zijn pistool meegebracht.’
‘Ik ben ongewapend.’
‘Hij heeft gezien hoe wij elkaar omhelsden.’
‘Hij weet niet dat wij hem hebben gezien. Beweeg je niet. Draai je hoofd niet om. Hij zou op ons toespringen en schieten. Zolang hij denkt dat wij hem niet hebben gezien, zal hij daar blijven.’
Hij houdt ze in het oog, mijn vader. Hij beweegt nog niet.
Ik hoor mijn grote broer Pieter fluisteren: ‘Loop weg... Ik zal hem opwachten. Ik zal hem stoppen.’
Lieve schudt het hoofd. ‘Nee. Nee. Nee.’
‘Hij heeft alles gezien! Hij zal ons allebei neerschieten!’
‘Des te beter,’ zucht Lieve. ‘Des te beter.’
Mijn vader komt achter de boom vandaan en stapt traag in hun richting.
Mijn grote broer Pieter strijkt met zijn vingertoppen over het gezicht, over de mond van Lieve.
Zij gooit zich in zijn armen. Zij drukt haar lippen op de zijne, hard en hartstochtelijk.
En het is alsof alle sterren uit de hemel vallen.
Het is alsof de hemel op ons hoofd valt als mijn vader zich op zijn vrouw en zijn oudste zoon stort.
En voordat alles zwart wordt voor mij, zie ik dit:
Mijn vader slaat zijn oudste zoon neer.
Mijn grote broer Pieter valt op de grond, bij de rand van de Lieve.
Mijn vader schiet zijn oudste zoon een kogel door het hoofd.
De spiegel van het water rimpelt aan scherven.
Het lichaam van mijn grote broer breekt door het oppervlak.
En zinkt.
En komt dan weer boven drijven.
En Lieve vlucht - ontzet, jammerend.
En mijn vader rent in een dodelijke stilte achter haar aan.
Door de verlaten straten van Gent rent hij, steeds dieper en dieper in de donkere nacht.
En alles wordt eindelijk zwart voor mij.
Nu sterf ik, denk ik.
Nu stik ik in het fluweel van de nacht.
Mijn derde oog heeft zich gesloten.
Mijn tweede stem is verstomd.
Alles is volbracht.
Het is eindelijk voorbij.
Voor mij.
Langzaam maar zeker is de kleine Maurice oud geworden.
Hij vervelt. Net als het Duivelsteen dat vervalt.
Stormen hebben het dak deerlijk toegetakeld. Het onkruid tiert welig op het binnenplein. In de muren gapen grote spleten.
Ze lopen dwars door de geheimzinnige tekens die een bouwmeester eeuwen geleden heeft aangebracht.
Kraaien vliegen krassend op. ’s Avonds ziet de kleine Maurice de ogen oplichten van de torenuilen.
Net zoals toen.
Lang, lang geleden...
De jongens uit de buurt vertelden dat het Duivelsteen onderkelderd was met een netwerk van gangen.
Sommigen beweerden dat ze de glibberige trap waren afgedaald om in die doolhof van nauwe en lage gewelven naar hun eigen stem te luisteren, die door de echo’s vervormd werd weerkaatst.
Of waren het de zieke geesten die antwoordden, onzichtbaar in hun eeuwigdurende duisternis?
Op een nacht verschalkte de kleine Maurice de Broeders & Zusters van het Duivelsteen.
Met bonzend hart daalde hij af in de klamme kelders.
Iemand leek daar te lachen, maar dan onder water. En met zichzelf te praten. Onder water.
Iemand leek te brabbelen in een taal die niemand kon verstaan.
Het gemurmel liep voor hem uit.
Toen kletste er wat. Net of iemand met de vlakke hand hard en ongeduldig op het water sloeg.
Het geluid weergalmde honderdvoudig.
Een harde schreeuw en er viel iets zwaars in het water, waarna een langgerekt zuchten weerklonk.
Bleek van schrik draaide de kleine Maurice zich om en kloste door het water in de donkere gang terug naar de trap.
Terug naar boven, terug naar de zon, terug naar mama.
Maar het was al te laat.
In de ondergelopen gangen van het Duivelsteen houdt Geraard de Duivel de kleine Maurice nog steeds gevangen, onder een omgekeerde kruik.
Pas wanneer iemand erin slaagt de kruik stuk te stoten, zal de kleine Maurice verlost worden.
Maar wie durft het aan?
Wie durft?
Ik kan de kinderen van de bedienden zien spelen.
Of althans: ik zie flarden en fragmenten van kinderen die spelen, daarbuiten, op de binnenplaats van het Duivelsteen, waar het personeel zich heeft verzameld.
‘Het is voor deze nacht,’ murmelen de meiden. ‘Straks zal men dokter Guislain ontbieden. Misschien werd hij zelfs al ontboden.’
Een meid heeft geluisterd aan een deur, een andere meid aan een andere deur - maar nergens in huis was enig geluid te horen. Alleen de kinderen maakten nog geluid.
Ik kan ze zien spelen, daarbuiten, op de binnenplaats. Stukjes en brokjes van kinderen.
Hoe graag had ik daar met hen gespeeld en vrolijke vogelgeluidjes gemaakt.
Een stokoude Zuster van Liefde strompelt de binnenplaats op en zegt dat niemand nog in de kamer mag komen.
Meer dan een uur heeft ze aan de deur geluisterd. Ze heeft gehoord hoe de vliegen zich verplaatsten, maar voor de rest heeft ze niets vernomen.
‘Mijn God!’ krast de stokoude Zuster van Liefde. ‘Ik mag niks zeggen, maar mocht ik zeggen wat ik weet... Dit huis is vervloekt, dat heb ik toch altijd gezegd!?’
Het is de oude Zuster van Liefde die ze heeft aangetroffen, voor de grote poort van het Duivelsteen.
Ze was vroeg opgestaan, het was nog niet helemaal licht geworden.
Ze deed de poort open en...
Mijn God! Raad eens wat ze daar zag?
Ze lagen voor de poort - allebei, languit op de grond, als bedelaars die te veel honger hadden geleden.
Ze lagen dicht bij elkaar als kleine kinderen die bang zijn in het donker.
Mevrouw Lieve was bewusteloos geslagen met de kolf van het pistool waarmee meneer Gerard gepoogd had zijn hoofd van zijn romp te blazen.
Hij had alleen een deel van zijn schedel weggeschoten.
Het bordes lag vol bloed.
De kinderen zouden moeten zwijgen.
Ze schreeuwen zo hard bij het kelderraam dat ik bijna niet meer kan horen wat er gezegd wordt, daarbuiten.
Maar er is niets aan te doen, een meid heeft het al geprobeerd en de kinderen willen niet zwijgen.
‘Het schijnt dat meneer Gerard genezen is,’ fluistert een Broeder van Liefde.
‘Dat zal wel,’ zegt de tuinman. ‘Dokter Guislain heeft hem naar de kamer van zijn vrouw gebracht. Ik heb ze ontmoet, daarstraks, in de gang. De dokter moest hem ondersteunen, het leek wel of meneer Gerard te diep in het glas had gekeken - zo onvast stond hij op zijn benen.’
‘Hij is er niet in geslaagd zichzelf te doden,’ zegt de kokkin. ‘Hij is te sterk. Maar zij… Zij is nauwelijks gewond en zij gaat nu al sterven. Hoe rijm je dat aan elkaar?’
‘Heb jij haar wonden gezien?’ vraagt een Broeder aan de stokoude Zuster van Liefde.
Ja hoor, jazeker heeft zij de wonde gezien. Zij heeft alles gezien. Zij zag alles altijd al vóór alle anderen.
De enige echte wonde die mevrouw was toegebracht, was een heel kleine wonde. Onder haar linkerborst.
Een steekwonde.
Meneer Gerard had mevrouw niet alleen geslagen met de kolf van zijn pistool, hij had haar ook een steekwonde toegebracht met zijn zakmesje.
Maar de wonde was zo klein dat een duif er nog niet zou van sterven.
En toch was mevrouw nu stervende.
Mocht dit nog natuurlijk genoemd worden?
Natuurlijk niet.
Nee, hier stak wat achter.
Het Duivelsteen is vervloekt.
Als het Gods hand niet is die hier aan het woelen is gegaan... dan moet het wel die van de Duivel zijn.
Want waar is meneer Pieter gebleven? Niemand die het weet.
Goed, goed... In feite weet iedereen maar al te goed waar meneer Pieter is gebleven, maar niemand durft erover te spreken. Omdat men niet spreekt over dat soort dingen.
Men durft er zelfs nauwelijks aan te denken. Hoe hij werd gevonden. Dood en drijvend op het zwarte water van de Lieve.
Nee, over dit soort dingen spreekt men niet.
Men spreekt in dit huis trouwens nergens meer over en men zal zeker de waarheid niet zeggen.
Heeft men in het Duivelsteen ooit wel eens de waarheid gesproken?
Nee toch!
En durft al dat personeel hier eigenlijk nog wel te blijven slapen?
Misschien kunnen ze maar beter elders werk zoeken, want als een huis vervloekt is, dan zal het onheil zich vroeg of laat tegen àlle bewoners keren.
De meiden halen de schouders op.
Zij zijn niet bijgelovig, beweren ze. Het valt wel mee.
Ik luister naar de kinderen, maar het valt me op dat ze niet meer te horen zijn. Ze zijn nochtans met zijn allen dicht bij elkaar gaan zitten, vlak bij mijn keldergat.
In het hele huis valt niets meer te horen. Ik hoor mijzelf niet eens meer ademhalen.
‘Kom,’ zegt de stokoude Zuster van Liefde. ‘Ik denk dat het tijd is om naar boven te gaan.’
Lieve ligt in haar kamer, in de Rode Toren.
Haar bed staat in de hoek. Ze lijkt te slapen.
De eerwaarde heer Triest en dokter Guislain staan in de andere hoek van de kamer met mijn vader te praten, op een gedempte toon.
‘Het is niet van die kleine wonde dat ze sterft,’ zegt de dokter. ‘Een vogel zou er nog niet van omkomen.’
Mijn vader kijkt somber naar zijn slapende echtgenote.
‘Bijgevolg zult u het niet zijn die haar gedood heeft, meneer,’ zegt de dokter. ‘U moet niet zo somber kijken en u hoeft ook niet bedroefd te zijn. Zij was niet in staat om te leven.’
‘Kunt u haar dan echt niet meer redden?’
‘Evenmin als ik uw zoon nog kon redden.’
De eerwaarde heer Triest heeft aan de politie verklaard dat mijn grote broer Pieter zich daar bij de Lieve uit liefdessmart door het hoofd heeft geschoten.
Over alle andere bijzonderheden is hij uiterst discreet gebleven.
De stilte daalt neer in de kamer, loodzwaar en grijs, terwijl alle ogen zich op Lieve richten.
Hoe ze daar slaapt, alsof ze het koud heeft. Alsof ze het altijd koud zal hebben.
‘Ik heb gedood zonder reden,’ stamelt mijn vader. ‘Is het niet om de stenen te doen wenen? Ze omhelsden elkaar als twee kleine kinderen, zo onschuldig... Ze waren als broer en zus voor elkaar, en ik… Zonder na te denken heb ik… Ik was buiten mezelf, weet u. Begrijpt u dat, eerwaarde vader? Ik was buiten mezelf!’
Lieve wordt wakker en vraagt met zwakke stem of ze het raam willen openen, en de eerwaarde heer Triest opent het raam.
Er hangt winter in de lucht, de zon gaat onder. Een fris briesje waait de kamer binnen.
‘Hoe gaat het nu met jou, Lieve?’ vraagt de eerwaarde heer Triest zachtjes.
‘Goed... Bent u hier alleen, eerwaarde vader?’
‘Nee... Er is nog iemand... Maar je moet niet bang zijn, Lieve... Hij zal je geen kwaad doen. Als je bang voor hem bent, zal hij dadelijk weggaan. Hij is zeer ongelukkig...’
‘Wie is het?’
‘Het is je echtgenoot, Lieve.’
‘Gerard? Waarom komt hij niet aan mijn bed zitten?’
Mijn vader hinkt naar haar bed. Zij slaat de blik naar hem op en herkent hem haast niet meer.
Misschien omdat de avondzon haar in de ogen schijnt. Of omdat hij zo oud is geworden. Zo wit en zo mager.
Mijn vader verzoekt de eerwaarde heer Triest zich even terug te trekken. Hij wil Lieve een enkel ogenblik onder vier ogen spreken. Hij zal de deur wijdopen laten staan.
De eerwaarde vader gaat, maar ik blijf toekijken met mijn derde oog dat weer open is gegaan.
Mijn vader staart naar de muren om hem heen en vermijdt het Lieve aan te kijken.
‘Lieve… Vergeef je me?’ vraagt hij ten slotte.
‘Wat moet ik je vergeven, Gerard?’
‘Ik heb je zoveel kwaad gedaan... Het is allemaal mijn schuld, Lieve... Ik hield zoveel van je... Als er hier en nu iemand moet sterven, moet ik het zijn, Lieve... En aan iemand die op het punt staat te sterven, moet je de waarheid vertellen, anders slaapt hij niet gerust... Zweer je me dus de waarheid te vertellen... Lieve?’
‘Ik zweer het, Gerard.’
‘Heb jij Pieter bemind?’
‘Ja, ik heb Pieter bemind. Waar is hij nu?’
‘Begrijp je me niet, Lieve? Of wil je het niet begrijpen? Ik vraag je of je hem liefgehad hebt... op de verboden manier... zoals een vrouw een man liefheeft... Jij en Pieter, Lieve? Waren jullie allebei schuldig?’
‘Nee,’ zegt Lieve. ‘Nee, ons treft geen schuld. Waarom vraag je dat, Gerard?’
‘Lieve! Om de liefde Gods! Zeg mij de waarheid! Lieg niet in het uur van je dood!’
‘In het uur van mijn dood? Wie spreekt er van doodgaan? Ga ik dan dood?’
‘Jij, ja! Jij gaat dood! En ik zal ook doodgaan, naast jou! En er moet waarheid zijn! Er moet eindelijk waarheid zijn! Hoor je me, Lieve? Vertel mij alles! Ik zal alles vergeven!’
‘Waarom moet ik sterven? Ik wist niet…’
‘Maar nu weet je het, Lieve. En de tijd dringt. Snel! Ik wil de waarheid horen!’
Lieves ogen draaien weg. De grote handen van mijn vader openen en sluiten zich krampachtig.
Waar is zij nu? Dit is toch niet natuurlijk? Waar gaat zij nu heen?
‘Het is allemaal tevergeefs geweest,’ mompelt mijn vader. ‘Ik weet niks méér. Het is te laat. Ze is al veel te ver van ons verwijderd. Ik zal het nooit weten. Ik zal sterven als een blinde...’
De eerwaarde heer Triest buigt zich over Lieves sterfbed.
‘Bent u dat, eerwaarde vader?’
‘Ja mijn dochter,’ fluistert hij. ‘Wat wil je dat ik doe?’
‘Is het waar dat de winter is gekomen? Het is zo koud en ik zie geen bladeren meer aan de takken van de bomen…’
‘Wil je dat ik de ramen sluit?’
‘Nee… Laat ze open… Tot de zon helemaal verdwenen is in het water. Ziet u dat, vader? Er zijn geen bladeren meer aan de takken van de bomen. Het moet de winter zijn die is gekomen. Ik hou niet van de winter. Ik ben bang voor de kou. Ik ben zo bang voor de grote kou, eerwaarde vader...’
‘Wil je het kind zien, Lieve?’
‘Welk kind?’
‘Het kind dat je hebt gebaard. Je bent moeder geworden, Lieve. Je hebt een kleine jongen op de wereld gezet.’
En de stokoude Zuster van Liefde neemt mij uit mijn wieg.
Ik begrijp het niet. Mijn moeder...? Ik heb geslapen. Wat is er gebeurd?
Lieve is te zwak om mij aan te nemen. De eerwaarde heer Triest neemt mij dan zelf maar in zijn armen.
‘Het werd veel te vroeg geboren,’ huivert de Zuster van Liefde. ‘Het kleine monstertje zal niet lang onder ons zijn, en dat is maar goed ook... Het is een kind van de zonde... Kijk eens wat voor een zwart vel het heeft... Het lijkt wel een Moor!’
Ik zie mijn vader ineengedoken op een krukje zitten in een hoek van het vertrek. Plotseling richt hij zich op, alsof hij werd opgeschrikt uit een diepe slaap.
‘Ik wil het mormel niet zien,’ mompelt hij. ‘Breng het weg. Verstop het in de diepste kelders van dit huis, waar het altijd donker is. Ik kan het kind niet zien. Weg ermee! Vade retro!’
De eerwaarde heer Triest zegt dat hij dit niet mag zeggen.
En de ogen van mijn moeder vullen zich met tranen. Ze steekt haar armen naar mij uit.
Dit moet een droom zijn, denk ik.
Dit is een nachtmerrie waaruit ik probeer te ontwaken - maar het lukt niet. Het lukt nooit.
Het licht doet pijn aan mijn ogen en mijn zwartgeblakerde huid.
Dit is een nachtmerrie die zich telkens weer herhaalt.
Om de dertien jaar of zo word ik herboren.
‘Lieve!’ gilt de man die ik mijn vader heb genoemd. ‘Lieve, zeg het dan toch! Of moet ik hem echt laten opsluiten voor de rest van zijn dagen!?’
‘Het kind zal niet oud worden,’ huivert de stokoude Zuster van Liefde. ‘Let op mijn woorden... Het kind haalt misschien zelfs de avond niet meer.’
‘Ben ik de vader, Lieve? Ben ik de vader van het mormel?’
De eerwaarde heer Triest doet een teken dat mijn vader moet zwijgen. Hij legt een hand op het lichaam van mijn moeder.
De stilte daalt neer over de kamer.
‘Ze ging heen zonder iets te zeggen,’ snikt de man die ik mijn vader moet noemen.
De eerwaarde heer Triest legt een hand op mijn hoofd.
‘Het is verschrikkelijk, maar het is jouw schuld niet, Gerard.’
‘Kijk eens naar dat arme schepseltje...’ zucht de stokoude Zuster van Liefde. ‘Hoe stil het is... Hoe schuchter en zwijgzaam...’
‘Breng het weg,’ stamelt mijn vader. ‘Alstublieft... Het mag hier niet blijven... Ik wil het niet meer zien! Het is een zoon van de Duivel! Ik wil het nooit meer zien!’
En de eerwaarde heer Triest neemt mij weg uit die kamer.
En de eerwaarde heer Triest loopt met mij in zijn armen naar de crypte van het Duivelsteen.
En de duisternis ontfermt zich over mij en doet mij in vrede rusten, in het gezelschap van mijn geestesgenoten.
En ik denk aan een verhaal dat ik ooit heb gehoord over een man die wakker wordt in de tuin achter zijn huis, op blote voeten in het kletsnatte gras, rillend van de koud.
Opeens is het winter geworden en de man heft de arm op om zijn vrouw die slaapt achter het raam duidelijk te maken dat ze niet bang moet zijn, dat hij het maar is die slaapwandelend in de tuin is beland en die nu bij haar wil terugkeren in het warme echtelijke bed.
En dan pas ziet hij wat de doodsangst van zijn vrouw verklaart.
En ik hoor Willem zingen - een woordenloos lied.
En iemand tekent met vitriool het gezicht van Naart Stuyck.
En het spook van de Zuivelbrug zucht.
En de kleine Maurice is zo oud geworden onder zijn stolp.
En de violist schudt dode bladeren uit zijn kist.
En keizer Karel dwaalt in een ruime mantel door het Prinsenhof.
En waar is de banketbakkerij van de Korte Dagsteeg gebleven?
Gent is een stad van verhalen, moet u weten. Van altijd weer dezelfde aloude verhalen.
En nu wordt mijn verhaal toegevoegd aan deze eindeloze ketting van verhalen.
Dokter Guislain en de eerwaarde heer Triest zeggen dat ik ziek ben, ziek in het hoofd, en dat zij mij zullen genezen.
Maar ik weet wel beter.
Ik ben dood. Ik ben al dertien jaar dood. Ik ben al dertien eeuwen dood. Of langer.
En als ik leef, dan is het alleen om mijn testament te schrijven in dit nachtboek van mij, als een spook onder de spoken.
En ik neem een schoon schriftje en ik schrijf:
Ik ben een zoon van de Duivel.
Om de dertien jaar word ik herboren.
Nu ben ik al oud. En toch nog zo jong.
Als ik straks sterf, ben ik er even niet.
Maar daarna hervat ik weer mijn eeuwig leven.
Labels:
Duivelsteen,
Duivelsteen 3,
Gent,
Patrick Bernauw
Abonneren op:
Berichten (Atom)
Populaire berichten
-
ebook (PDF): http://www.xinxii.com/nl/jan-van-eyck-en-jeanne-darc-p-342989.html Naar aanleiding van mijn boek "Het Bloed van het...
-
Het angstzweet breekt Johnny uit. Vervloekte mist! Je ziet geen hand voor de ogen op deze godverlaten snelweg. Straks knalt hij no...
-
Auteurs zijn ook & nog steeds het slachtoffer van "grote spelers", die een hold-up plegen op hun portefeuille. "...
-
J ules De Raedt: Waarde redactieraad van dag- of weekblad, en administrateurs-generaal van de belangrijkste Europese televisiezend...
-
1956. Een wetenschappelijk onderzoek toont aan dat het wonder van de wenende madonna uit Newcastle natuurlijk verklaarbaar is. Het gipsen ...

