20.3.10

Scharpenelle 21 - Uit het Dagboek van Jane de Launoy, 1917: Drie Zusjes




UIT HET DAGBOEK VAN JANE DE LAUNOY, 1917:

Het was in zeventien. Eind april, begin mei hadden ze voortdurend nachtalarm. Een speciaal apparaat bracht een sirene in werking bij gasaanvallen. Dan mochten ze niet meer rondlopen zonder masker. Bij nacht gingen rijkswachters van deur tot deur om iedereen te verwittigen. Voor granaten kon je het best in de kelder schuilen, maar bij een gasaanval of als er vleugelbommen uit vliegtuigen vielen, trok je beter naar de zolder. Vleugelbommen gingen toch door alles heen.

Het hospitaal had zes operatiezalen en die stonden alle zes op zijn kop. Er werd een hele groep gewonden aangevoerd. Een moeder, één of twee soldaten en alle kinderen zaten in een klein vissershuisje aan de oude weg te eten. Een shrapnel doorboorde de tafel en ontplofte op de grond.


MEDISCH RAPPORT 

Benen afgerukt. Van zowat alle aanwezigen.
Dubbele amputatie voor de moeder, ook de soldaten verliezen ledematen.
Van de drie kleine meisjes zijn vijf benen vermorzeld. Vijf.

Het is knokken tot middernacht. Ze kunnen het leven redden van de mannen en de moeder, maar twee kleine zwartgeblakerde lijkjes blijven naast elkaar in hetzelfde bed liggen. Twee.

De dode zusjes worden gefotografeerd om in Amerika propaganda te maken tegen de Fritzen. De foto’s gaan op wereldreis.

Het ene meisje heeft één been verloren. Eén.
Het andere is drie jaar oud. Drie.
Twee benen verloren. Twee.

‘In haar open mondje steekt nog een stukje brood. Ziet ge?’

‘Het is wit brood.’


BEN IK HET DERDE ZUSJE???

Het derde zusje leeft nog. Ben ik dat?

‘Denk na, ma belle Scharpenelle!’ riept en tiert de Onbekende Soldaat in mijn hoofd. ‘Kunt gij dat zijn? Denk na! Stel het u voor! Beeld het u in!’

Het meisje had een verbrijzelde voet en een vermorzeld been, maar mijn voet was nooit verbrijzeld geweest en mijn been niet vermorzeld.

Was ik dat kleine meisje? Ik had geen littekens op voeten of benen.

Ik kon me niet herinneren ooit in een vissershuisje aan tafel te hebben gezeten. Maar wat betekende dat? Ik herinnerde me niets van die hele Grote Oorlog. Mijn eerste herinnering dateerde van elf november negentien achttien.

Wapenstilstand. Een verjaardagstaart.
Zes kaarsjes. Zes.
Vier uitgeblazen. Vier.



JANE DE LAUNOY:

‘Ik probeerde het derde zusje op te warmen. Ze onderging een buikoperatie en een dubbele amputatie. Ik knuffelde dat kleine lijfje, die ruwe lappen vlees vol steenresten en slijk. En daar huilde alweer de sirene...’

MIJN ONBEKENDE SOLDAAT:

‘Ik heb u gemaakt, ma belle Scharpenelle. Uw onzichtbare speelkameraad heeft er geen woorden aan vuil gemaakt, zijn woorden waren op – maar ik heb u gemaakt! ‘k Weet alleen niet meer waar of wanneer precies… ‘k Heb u een verleden gegeven, maar waar of wanneer ge geboren zijt… Was het in Leuven? Aarschot? De Panne? Bom in uw hol? Petrol? Bom op uw gat? Patat? Het is allemaal één groot zwart gat.’


Geen opmerkingen: