21.6.06

De Mythe van de Rechtvaardige Rechters 1 (Inleiding 1995/2006) - Klik op "ouder bericht" onderaan de pagina om naar een volgende hoofdstuk te gaan.






Geen enkele criminele kwestie heeft in Vlaanderen zoveel inkt doen vloeien als de roof van het Lam Godspaneel van de gebroeders van Eyck, de Rechtvaardige Rechters, in 1934, uit de Gentse Sint Baafs.
Ik zou ze niet graag allemaal te eten geven, de bedaagde heren die als broekventjes van twaalf in het kader van een spreekbeurt de ultieme scène uit dit drama hebben opgevoerd: u weet wel, Arsène Goedertier die, op zijn sterfbed, de verlossende laatste woorden niet meer over zijn lippen kan krijgen. Evenmin zou ik ze graag allemaal samen op de koffie krijgen, de dames en heren die nauwe familieleden of verre kennissen waren van - schrappen wat niet past - de families Goedertier of De Vos, collega's van commissaris Luysterborgh en zijn assistenten of confraters van De Heem en Van Ginderachter, om nog maar te zwijgen van al de lui die in 1934 of later koster, kerkbediende, straatagent, inbreker, makelaar, orgeldraaier, grafdelver, kunstschilder of expert in u vult het zelf maar in waren.
Geen dorp in Vlaanderen of er woont wel een amateur-detective, een paragnost, een journalist of een commissaris die - meestal na jarenlang onderzoek terzake - een hypothese achter de hand houdt die het raadsel zou oplossen, ware het niet dat niets zo moeilijk op te lossen valt als een authentiek raadsel. Weinige topics hebben al zo tot de volksverbeelding gesproken én de volksmond beroerd als het mysterie dat Arsène Goedertier zou meegenomen hebben in het graf - de voetbaluitslagen of de zwangerschappen van de VTM-misses niet te na gesproken natuurlijk.
Ik moet bekennen dat ook ik mijn deel heb gehad in wat door een journalist ietwat oneerbiedig werd omschreven als de Lam Gods business. Vlaanderen is geen volk van schrijvers, omdat het ook geen volk van lezers is, maar het valt op dat over deze zaak alléén - benevens een roman van Valère Depauw en een Franstalige roman - een tiental boeken zijn verschenen voor een ruim publiek van, vreemd genoeg, vooral drie (of vier) auteurs. Gerechtsverslaggever Jos Cels was de eerste met Meneer Arseen en de Rechtvaardige Rechters uit 1963, in de loop der jaren gevolgd door een hele serie verbeterde en aangevulde herdrukken. Drie jaar later kwam het duo Mortier & Kerckhaert met hun criminologische studie, waarvan in 1968 een vervolg verscheen en recent nog, in 1994, Dossier Lam Gods de voorlopige kroon op het werk lijkt te zijn. In 1991 droeg ik mijn steentje bij tot de min of meer literaire Rechtersmythe, met wat ik maar een docudrama zal noemen: Mysteries van het Lam Gods.
Telkens heeft het verschijnen van deze boeken geleid tot een nieuwe opstoot van Rechters-gekte, wat vaak nog in de hand werd gewerkt door de televisieprogramma's die aan het thema gewijd werden. Want dat moet hier toch duidelijk gesteld worden: niet alleen voor schrijvers vormen de spoorloze Rechters nog altijd een bescheiden goudmijntje, ook de pers en de moderne massamedia hebben méér dan hun best gedaan om de hype altijd opnieuw aan te zwengelen. In de jaren dertig werd het mysterie al uitgebreid gecovered door het toen nog vrij jonge medium dat de radio was, en zorgde de verslaggeving rond de Rechters - naast de dood en de begrafenis van Albert I - voor een serie radiofonische hoogtepunten. Sinds de jaren dertig hebben de krantenjongens, en heus niet alleen in de komkommertijd, een stapel artikels bij elkaar geschreven, die als u ze op een hoop zou leggen een architectonisch meesterwerk oplevert dat niet moet onderdoen voor de toren van Pisa.
Toen de televisie eraan kwam, werden de verdwenen Rechters - wat dacht u - ook al gauw beschouwd als gevonden (nou ja) vreten. In 1968 wijdde Johan Anthierens in het weekblad De Post een reeks reportages aan het mysterie, onder de mooie titel 'Zeg ons waar de Rechters zijn'. En zoals onder meer blijkt uit dit artikel, wisten Mortier & Kerckhaert 'in hun tijd' ook al drommels goed hoe ze pers en media dienden te bespelen: 'Hebben politiecommissaris Karel Mortier en journalist Noël Kerckhaert hun mond voorbijgepraat in een televisie-uitzending? Of aasden de heren op snel en goedkoop succes? Zondag 28 april 1968 verwekte de Vlaamse TV opschudding met een uitstekende documentaire over de "kunstroof van de eeuw", zijnde de diefstal van twee panelen van het wereldberoemde veelluik Het Lam Gods, nu meer dan dertig jaar geleden. Zeggen dat het om de kunstroof van onze eeuw gaat, is geenszins overdreven. De diefstal baarde in de ganse beschaafde wereld ongemeen opzien, en verontwaardiging. Te meer omdat het belangrijkste der twee panelen, met name de Rechtvaardige Rechters, nog steeds zoek is en blijft. Alles aan deze affaire blijft geheimzinnig. Niet het minst de manier, waarop de instanties, de gerechtelijke en geestelijke overheid samen, het onderzoek naar dader en meesterwerk leidden. De geldswaarde van het verdwenen paneel is in de ware zin van het woord onschatbaar. Maar deskundigen zijn het er over eens, dat kunstcroesussen er meteen een half miljard voor neer zouden willen tellen. Aan het slot van bovengenoemde televisie-uitzending "openbaarden" de heren Kerckhaert en Mortier aan de presentator en journalist Omer Grawet, dat het paneel van de Rechtvaardige Rechters zich heel waarschijnlijk binnen de driehoek Antwerpen-Brussel-Gent bevindt. Zij opperden bovendien de boute veronderstelling, dat een lid van een belangrijke Belgische familie bij de roof betrokken geweest zou zijn. Zij maakten zich ten slotte sterk dat het paneel binnenkort kan opduiken...! Een oude koe - om niet te zeggen: een oud lam - werd op spectaculaire en stoute manier weer eens uit de gracht gehaald. Wij stellen de vraag: waarom?'
Toen Dossier Lam Gods verscheen, was het BRTN-programma Panorama er als de kippen bij om een docudrama te wijden aan het mysterie. Opnieuw hadden Mortier & Kerckhaert opzienbarende onthullingen beloofd. Vandaar dat we, op dat punt, toch een beetje op onze honger bleven zitten - voor de rest mocht het visueel zeer aantrekkelijk in beeld gebrachte docudrama er best wezen.
Naar aanleiding van mijn eigen boek, wijdde Roel Oostra voor het KRO-programma Reporter een prachtige documentaire aan Het mysterie van het Lam Gods, waaraan o.a. commissaris Mortier, Paul de Saint-Hilaire, Hilde Leynen en ikzelf meewerkten. Radio en televisie stuurden hun researchers op me af, wat o.a. culmineerde in een 'optreden' - want zo heet dat in het milieu - in het 'spraakmakende' VTM-programma Luc. Dit zorgde, nog meer dan het boek, voor een berg post en een niet aflatende stroom telefoontjes, waarvan sommige een dreigend karakter hadden en andere dan weer gewoon anoniem bleven.
Tot overmaat van ramp was ik op dat ogenblik ook al een tijdje gestart met een lezingen-toernee, waaraan nu al helemaal geen einde leek te komen, en waarmee ik vier jaar na datum nog altijd bezig blijf. Ik moet nu zowat alle parochiezaaltjes van Vlaanderen gezien hebben, van Bikschote in het westen tot Meeuwen-Gruitrode in het oosten. En tijdens het vragenuurtje na de lezingen moet ik zowat alle denkbare en ondenkbare hypotheses rond de roof van de Rechters de revue hebben horen passeren.
Soms begaf ik mij, dat geef ik graag toe, met lood in de schoenen naar de afspraak. In Wetteren - of all places! - zaten een paar honderd verre familieleden of dichte kennissen van good old Arsène Goedertier in de zaal en had ik écht wel het gevoel mij in het hol van de leeuw te hebben gewaagd. Ook in Melle heb ik nooit zoveel deskundigen op een kluitje gehad. Geen muur in Vlaanderen waar men een spijker in klopt zonder ervan te dromen dat de Rechters er wel eens achter verborgen kunnen zitten, meen ik dat commissaris Mortier ooit zei. En ja hoor, uit eigen ervaring kan ik beamen dat zijn waarneming maar al te correct is.
Mijn avonturen in de parochiezalen van Vlaanderen deden langzaam maar zeker het voornemen groeien om vroeg of laat een tweede boek te wijden aan de kwestie. Eigenlijk had ik dat al gedaan, maar dat was een jeugdroman geweest, en romannetjes tellen niet mee als het op harde criminele waarheden aankomt. Dat doet me er trouwens aan denken dat één van mijn correspondenten - uiteraard ook met een eigen theorie - het altijd over de Waarheid had, in verband met de Rechters.
Voor mij was het allemaal begonnen met een stripverhaaltje van vier pagina's in het genre Oom Wim vertelt, maar hier getiteld: Levensschetsen door de tijd heen. Ik moet het in de vroege jaren zeventig, als jongetje van twaalf, gelezen hebben in de kinderbijlage van Het Volk. Later wist alweer een andere correspondent mij er een kopie van te bezorgen. De strip was getekend door Buth en waarschijnlijk was het scenario gebaseerd op een tekst van John Flanders, mijn jeugdidool: 'Spreek! Spreek op! Waar is het paneel?' - 'Het is... Het is... Aaaaa...' - 'Helaas, het is het einde! Wat een fataliteit! Hij gaf de geest op het ogenblik dat hij mij zijn geheim zou toevertrouwen!'
Sindsdien zijn meneer Arseen en de verdwenen Rechters altijd door mijn verbeelding blijven spoken. Nu keert een schrijver vaak terug naar de spoken uit zijn kindertijd, vooral wanneer hij - zoals John Flanders - graag vertoeft in het rijk van de geesten en de geniale gentleman-gangsters. Toen ik in 1989 een documentaire serie maakte voor een keten van vrije radio's over 'Fantastisch Vlaanderen', vond ik het een goed idee om ook een aflevering over de Rechters te schrijven. Ik begon allerlei documentatie bij elkaar te zoeken, en ik was vertrokken. Al gauw zag ik dat dit schelmenverhaal bij uitstek zich zeer goed leende voor een jeugdroman. Er bestond - hoe bestaat het! - op dat ogenblik nog altijd geen jeugdroman over de Rechters.
Terwijl ik bezig was met de uitwerking van de materie, viel het me op dat een aantal elementen uit het dossier op één lijn konden gebracht worden, die echter hoegenaamd niet paste in een jeugdroman. Was het Lam Gods, dit toppunt van christelijke mystiek, in feite een ketters werk dat met de nazaten van de Tempeliers te maken had? Konden misschien daardoor de roof, het op zijn minst vreemde officiële en officieuze onderzoek van de jaren dertig en de interesse van de nazi's verklaard worden? U merkt dat ik de korte inhoud van dat boek in vragende vorm heb gesteld, zoals eigenlijk ook het héle boek werd geschreven. Ik heb Mysteries van het Lam Gods een pseudo-historische faction-thriller genoemd, waarmee ik bedoelde dat het sterke verhaal primeerde op de Waarheid.
Toen ik de laatste hand had gelegd aan de jeugdroman en ook al een heel eind was opgeschoten met mijn pseudo-historische faction-thriller, deed ik in een antiquariaatje een literaire ontdekking die mij aansluiting gaf tot het Heir der Speurders naar de Bergplaats. Daarover kunt u alles lezen in dit boek, op de pagina's over het Huis van de Gebroeders Van Eyck. Het was te mooi om te laten liggen, maar mijn geloof in die bergplaats is altijd aan twijfels onderhevig geweest, zoals ook duidelijk te lezen staat in dit boek. Het noodlot wilde evenwel dat de aandacht van de media zich véél meer op die bergplaats dan op de historische achtergronden en de symboliek van het Lam Gods toespitste, waar zes zevenden van Mysteries van het Lam Gods over handelden. Nu ja, het zij zo. Wat kon ik anders verwachten?
Hypotheses hebben de neiging na een tijdje hun eigen leven te gaan leiden. Zo deed de Voorzienigheid - of gewoon het feit dat ik net zoals John Flanders nogal wat Vlaamse Filmpjes heb geschreven - mijn wegen en die van mijn literair jeugdidool een tweede maal kruisen. In Gent nog wel, in het kader van een tiendaagse multimediale manifestatie rond zijn werk. Korte tijd later werd daar het manuscript gevonden van een anoniem toneelstuk. In een begeleidend briefje werd gesuggereerd dat het wel eens van de hand van John Flanders/Jean Ray kon zijn, die in de jaren dertig als reporter voor De Dag aan de basis had gelegen van heel wat mythes rond de verdwijning van de Rechters. Dat toneelstuk, u raadt het nooit, was getiteld Monsieur Arsène en handelde - jawel! - óver de gestolen Rechters!
Op die wijze ben ik in mijn nog tamelijk jonge leven - ik tel nu 33 lentes - twéé maal geconfronteerd geworden met een toeval dat de grenzen van het bevattingsvermogen te boven gaat: mijn literaire ontdekking in een obscuur antiquariaatje die leidde tot de Bergplaats die voor immer met mijn naam verbonden zal blijven - de natte droom van iedere speurder naar de Waarheid - en het betrokken worden bij de analyse van een toneelstuk, dat op zijn beurt alles met die Bergplaats te maken heeft. Tenzij ik natuurlijk niét het slachtoffer ben van een ongelooflijk toeval, maar van één of andere duistere machinatie... Een machinatie van wie dan... en waarom? Van een bijzonder sluwe mystificator, van een mythomaan en een fantast?
Het wemelt van dat slag volk in het dossier van de Rechters en ik mag u niet verhelen - zoals een ex-minister die de afgelopen maanden genoemd werd in een ànder schandaal het bij voorkeur uitdrukt - dat ik als schrijver in het genre én de voetsporen van John Flanders/Jean Ray ook wel enigszins aan dat psychologisch profiel beantwoord. Maar goed, u vindt daarover alle mogelijke informatie elders in dit boek en ik ben van mening dat u oud en wijs genoeg bent, waarde lezer(es), om daar zélf een oordeel over te vellen.
Dat wat mijn verhaal betreft. Ik dacht dat het waard was om verteld te worden en ik vond ook dat mijn ervaringen in de parochiezalen van Vlaanderen het waard waren om verteld te worden. Terwijl ik deze regels schrijf, zijn volop de voorbereidingen aan de gang voor een grote tentoonstelling over een schilderij dat er al zestig jaar niet meer is (hoewel zelfs dàt voor sommigen aan enige twijfel onderhevig is) en voor een nieuwe grootscheepse zoektocht in de Sint Baafs, onder leiding van een ouwe rot in het vak, commissaris Karel Mortier. De jongste tijd wordt het thema dat ons hier bezig houdt in de kranten omschreven als 'het Vlaamse monster van Loch Ness', en als u iéts hebt opgestoken uit deze inleiding, dan moet het wel zijn dat de Rechters in de loop der jaren zijn uitgegroeid tot een gezonde Vlaamse mythe. Dàt heb ik geleerd uit de reacties op mijn twee boeken en uit mijn ervaringen in de parochiezalen van Vlaanderen. Een mythe die, tussen haakjes, veel stéviger is dan die andere langlopende sage - over het ongeval van Albert I, dat eigenlijk geen ongeval was - en blijkbaar ook veel krachtiger tot de verbeelding spreekt dan veel en véél erger criminele dossiers, zoals bijvoorbeeld de moordaanslagen door de Bende van Nijvel. Hoe komt dat? Als dit boek ergens een antwoord op geven wil, dan is het wel op die vraag.
De zaak van de verdwenen Rechters heeft diverse archetypische trekjes, en ieder verhaal dat aanspraak wil maken op de status van de mythe, dient over deze sterk symbolisch geladen facetten te beschikken. Er is de stoutmoedige diefstal van een wereldberoemd en onschatbaar kunstwerk; er is het geklungel van de autoriteiten; er is de geniale gentleman-gangster; er is de biecht van een stervende die er niet meer in slaagt zijn geheim mee te delen en het bijgevolg meeneemt in het graf; er is de jarenlang volgehouden reeks onthullingen over deze feiten; er is het politieke gekonkel achter de schermen en er is de naam van een vooraanstaande familie die beschermd lijkt te worden.
Er zijn de professionele onderzoekers en de amateur-detectives die weer voor nieuwe revelaties zorgen en er is het grote publiek, dat via de media wordt opgeroepen om deel te nemen aan de speurtocht, en aan de speurtocht deelneemt, en voor altijd andere, soms zelfs frisse invalshoeken zorgt. Er is het grote publiek dat zelfs uitgedaagd wordt deel te nemen aan de speurtocht, er is een beloning van een half miljoen frank die wordt uitgeloofd en er is nog zoveel meer...
Er is, bovenal, het feit dat ieder van ons zich in het diepst van zijn gedachten een Speurder mag en kàn wanen, want op dit ogenblik beschikken wij met ons allen over ongeveer even veel feiten als bijvoorbeeld commissaris Mortier, dank zij zijn criminologische studies over het onderwerp.
Dit boek wil zich bezig houden met de mensen die de mythe vorm hebben gegeven. Wat maakt dat een misdaad uitgroeit tot een mythe en wie werkt daar aan mee, op welke manier? In de eerste plaats zijn er uiteraard de historische hoofdrolspelers: zij worden belicht in een hoofdstuk dat 'de feiten' behandelt. Wie waren zij, wat dachten zij, hoe handelden zij? Er zijn de speurders van het eerste ogenblik: Antoon Luysterborgh die belast werd met het gerechtelijk onderzoek; Van Ginderachter en De Vos die op eigen houtje een officieuze enquête startten. Ik heb dit 'de eerste fase' van het onderzoek genoemd: het vond plaats in die chaotische jaren dertig. Crisisjaren, jazeker.
De tweede fase van het onderzoek is die van de jaren veertig, van de oorlogsjaren, met Oberleutnant Koehn die de eerste fase nog eens overdoet, maar dan heel wat grondiger dan zijn voorgangers. In de marge van deze enquête zien we hoe zich voor de tweede keer een officieus onderzoek afspeelt: dat van Max Winders, die een apart hoofdstukje heeft gekregen.
De derde fase is die van de jaren zestig: gerechtsverslaggever Jos Cels steekt het vuur aan de lont en bezorgt de toekomstige amateur-detectives het basismateriaal voor hùn speurtochten; commissaris Karel Mortier en journalist Noël Kerckhaert hebben de eerste fase nog eens overgedaan, zijn op het spoor gekomen van de tweede fase - het onderzoek van Koehn dreigde in het vergeetboek terecht te komen -, hebben die tweede fase ook nog eens overgedaan en startten met een eigen onderzoek, dat in 1994 culmineerde in het standaardwerk Dossier Lam Gods. Geen mythen daar, maar harde feiten. Een criminologische studie.
Het tweede deel van dit boek behandelt een curieus 'parallel onderzoek'. Grotendeels los van de bevindingen van Jos Cels en Mortier & Kerckhaert, was William Luck in dezelfde periode zeer actief als een twintigste eeuwse Sherlock Holmes. Hij volgde 'het Dendermondse spoor'. Omdat hij voor een groot stuk onafhankelijk opereerde, was zijn onderzoek een unicum en zeker ook wat meer aandacht waard dan het tot dusver heeft gehad.
In het derde deel kunt u mijn eigen avonturen én die van John Flanders op de voet volgen, maar daarover hebben we het al gehad. En in het vierde deel komen enkele hoogtepunten uit de polemiek rond de Rechtvaardige Rechters aan bod, samen met enkele speurders en/of fantasten van wie de hypotheses het verdienen voor het nageslacht vastgelegd te worden, soms alleen al omdat zij de mythe nieuw leven hebben ingeblazen door hun kleurrijke karakter en de stoutmoedigheid van hun optreden. Allen speelden zij een mooie rol in het tot stand komen van de mythe; allen kregen zij hun deel in de media, en dus ook in dit boek.
Ik ben ervan overtuigd dat velen onder u de wenkbrauwen zullen fronsen omdat hùn naam niet voorkomt op deze pagina's, maar dit is nu eenmaal geen encyclopedie. Ik heb mij gedwongen gezien een keuze te maken en heb mij daarbij laten leiden door geheel persoonlijke voorkeuren.
Maar wie weet, maken we het bij een volgende druk wel weer goed...

Erembodegem, 5 augustus 1995.
Dit was de inleiding van mijn boek De Mythe van de Rechtvaardige Rechters dat verscheen in 1995 - waarna de uitgeverij prompt in faling ging en het nog slechts bij De Slegte verkrijgbaar was. Sindsdien is er veel water door de zee gevloeid en zijn verscheidene nieuwe boeken over het Vlaamse Monster van Loch Ness verschenen. Geregeld wordt mij nog de vraag gesteld of ik soms geen exemplaar van De Mythe... meer op overschot heb. Tot dusver moest ik die vraag altijd ontkennend beantwoorden. Vanaf nu kan ik de geïnteresseerde Lam Godsfanaat dus verwijzen naar deze pagina's.

De Mythe van de Rechtvaardige Rechters 2 (De Feiten)



HOOFDSTUK 1

HET LAM GODS: EEN KORTE HISTORIEK



De werken die worden toegeschreven aan Jan Van Eyck (ca. 1390-1441) stralen al meer dan vijf eeuwen een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit en hebben een aureool van esthetische perfectie en spiritualiteit gekregen.
Jan werd lange tijd beschouwd als de uitvinder van de olieverf, wat niet helemaal correct is. Zijn 'geheim procédé', dacht men, zou zijn werk die heldere en doorzichtige kleuren meegegeven hebben, glanzend als email. Sommige zijn in opeenvolgende doorschijnende lagen aangebracht, om een soort dieptewerking te bekomen.
Het devies van de schilder luidde 'Als Ich Can'. Hij bracht het op vier van zijn schilderijen in Griekse lettertekens aan. Gezien zijn onmiskenbare belangstelling voor de alchemie, was men wel eens geneigd in dit devies de letters van het woord 'alchimia' te zoeken. Naast chronogrammen, rebussen, mystieke formules, opdrachten en handtekeningen met een dubbele bodem, vinden we in zijn schilderijen ook totaal onverklaarbare woorden terug.
Het meest enigmatische werk van Jan Van Eyck is het wereldberoemde Lam Gods. Het mysterie begint al met de schepping van het kunstwerk zelf. Hoewel Jan Van Eyck meestal wordt genoemd als de geestelijke vader van het Lam Gods, heeft hij het vermoedelijk samen met zijn broer Hubert vervaardigd, in opdracht van de schatrijke toekomstige burgemeester van Gent Jodocus Vyd, en zijn vrouw Elisabeth Borluut, al bestaan ook daar dissidente opvattingen over. Tegenwoordig zijn de kunsthistorici het er min of meer over eens dat het Lam Gods door Hubert ontworpen, maar door Jan voltooid en op 6 juni 1432 onthuld werd. Alle theorieën omtrent hun precieze aandeel in het kunstwerk blijven echter hypothetisch.
De twaalf eiken panelen van het altaarstuk geven onderwerpen weer die op verschillende grootte zijn geschilderd en waarvan de betekenis, in zijn geheel genomen, niet altijd erg duidelijk is. Wanneer we de onderste rij panelen openklappen, treffen we optochten aan van heiligen, pelgrims, kluizenaars, edelen en rechters, op weg naar een weelderig van bloemen voorziene weide, weergegeven op het middenpaneel. Daar wordt het Lam Gods aanbeden door profeten, apostelen, kerkvaders, maagden-martelaressen en martelaren.
Het onderste gedeelte van het geopende altaarstuk is onder meer op een tekst uit de Openbaringen gebaseerd: 'Hierna aanschouwde ik, zie, een grote menigte, die geen mens kan tellen, uit alle naties en stammen, volkeren en talen, gekleed in witte klederen en met palmen in de hand, staande voor de troon van het Lam.' In het bovenste gedeelte bevinden we ons in de hemel, waar we o.a. God, de Maagd Maria en Adam en Eva terugvinden. Een aantal van de reeds vermelde geheimzinnige formules worden gesignaleerd op diverse plaatsen in het Lam Gods.
In 1557 werd door Michel Coxie een kopie van het retabel vervaardigd, waarin alleen Adam en Eva ontbraken. Deze kopie zou bijna vierhonderd jaar nadien door Jozef Van der Veken gebruikt worden om op zijn beurt de spoorloze originele Rechters te kopiëren.
In 1566 verborg men het veelluik in de toren van de Sint Baafs, waar het sinds de onthulling bewaard werd in de Vydkapel. Men was bang dat de Beeldenstormers het kunstwerk zouden beschadigen. Toen het gevaar geweken was, bracht men het werk onder in het stadhuis, waar het bijna aan koningin Elisabeth van Engeland werd verkocht. Pas in 1584 keerden de twaalf eiken panelen, waarvan de acht opvouwbare aan beide zijden beschilderd zijn, naar de kathedraal terug. Drie jaar later plaatste men ze opnieuw in de Vydkapel.
In 1781 maakte Jozef II een geschokte opmerking over de naaktheid van Adam en Eva, zodat de twee panelen in kwestie uit de kerk werden verwijderd en als in rook oplosten. Zij zouden pas tachtig jaar later opduiken en voorlopig in een Brussels museum geplaatst worden. In 1794 ontvoerden de Franse republikeinen de vier middenpanelen naar Parijs, om ze daar samen met andere gestolen kunstwerken tentoon te stellen. De zes zijpanelen bleven op een geheime plek in het stadhuis van Gent verborgen.
In 1816 gebeurde er iets onbegrijpelijks met het veelluik, dat zowel 'het mooiste schilderij ter wereld' als 'het meest mystieke schilderwerk aller tijden' wordt genoemd. Napoleon was naar Waterloo geweest en koning Willem I die nu over de Verenigde Nederlanden regeerde, gaf een Brugs schilder de opdracht in Parijs de gestolen luiken op te sporen. Op die manier kon het middengedeelte al gauw opnieuw in de kathedraal ondergebracht worden. Voor de kerkfabriek zou dit de gelegenheid bij uitstek geweest zijn om de in 1794 verborgen zijpanelen uit hun schuilplaats te halen en het veelluik in al zijn glorie in de Vydkapel te laten prijken. Maar in plaats daarvan werden de reeds meer dan twintig jaar aan het oog onttrokken zijpanelen door de vicaris-generaal, de deken van Sint Baafs én het voltallige kerkbestuur prompt en voor een habbekras verkocht.
Toen het nieuws van de verkoop uitlekte, hechtte niemand er aanvankelijk geloof aan. Maar bij een Brussels antiquair werd ten slotte een overtuigend bewijs gevonden in de vorm van een kwijtbrief, ondertekend door de deken van Sint Baafs. Antiquair Nieuwenhuyse verkocht de panelen voor een duizelingwekkend veelvoud van wat ze hem gekost hadden aan een Engelse verzamelaar. Later kwamen ze terecht in de privé-collectie van Frederik Willem II, de koning van Pruisen. Na zijn dood werden ze aan het Kaiser Friedrich Museum van Berlijn geschonken, waar ze tot 1920 zouden blijven. In 1894 werden alle zijpanelen, beschilderd aan de voor- en achterkant, in het Berlijnse museum middendoor gezaagd, op een uiterst professionele wijze overigens, om het gelijktijdig exposeren van de voor- en achterkanten mogelijk te maken. Het zijpaneel dat aan de voorkant de Rechtvaardige Rechters voorstelde, met Sint Jan de Doper aan de achterkant, onderging dezelfde behandeling.
Toen de Duitsers tijdens de Eerste Wereldoorlog de stad Gent bezetten, informeerden ze al vrij snel naar de panelen van het Lam Gods die nog niét in hun bezit waren. Die waren ditmaal echter op initiatief van kanunnik Gabriel Van den Gheyn ingepakt en wel op een stootkar geladen en in twee particuliere woningen opgeborgen. De Duitsers kregen een brief van de minister van Kunsten & Wetenschappen te lezen, waarin verklaard werd dat de panelen zich in Engeland bevonden.
Kanunnik Van den Gheyn zou enkele jaren later een belangrijke rol spelen in de zaak van de verdwenen Rechters. Door verscheidene auteurs werd hij beschouwd als 'de man die er meer van wist'. Van den Gheyn klaarde de klus samen met o.a. de drie gebroeders Coppejans: Frans, kunstschilder Henri en smid-slotenmaker Charles. Zij hadden hem korte tijd voordien geholpen bij het organiseren van een religieuze stoet in Lede bij Aalst, het geboortedorp van Arsène Goedertier - de vermoedelijke dader van de diefstal in 1934 - en zijn al even vermoedelijke medeplichtige Achiel De Swaef.
Nadat de Rechters werden gestolen, heeft men zich deze episode uit de turbulente geschiedenis van het Lam Gods wel herinnerd, maar er verder weinig mee gedaan. Twintig jaar voordien hadden Van den Gheyn en de gebroeders Coppejans de panelen immers voor de Duitsers verstopt in het huis van beeldhouwer Jozef Cornelis aan de Schouwvegerstraat 18 en in het achterhuis van Ivo De Vreese aan de Lange Steenstraat 8, palend aan de Vrouwebroerstraat. Een aanpalende woning van deze laatste locatie werd begin 1918 door de Duitse legerleiding opgeëist om een legerafdeling in onder te brengen. Nu hadden de Duitsers de kwalijke gewoonte in opgeëiste woningen gaten in de muren te maken, waardoor ze zich van het ene naar het andere huis konden begeven zonder zich op straat te hoeven vertonen. Frans Coppejans ging dan ook op zoek naar een andere schuilplaats, die gevonden werd in het nabijgelegen augustijnerklooster. De Rechters werden daar verborgen achter een biechtstoel.
Na de Eerste Wereldoorlog keerden niet alleen de verborgen panelen terug naar de Sint Baafs, maar ook de ontbrekende zijluiken die nog in Berlijn zaten en waaronder zich de Rechters en Sint Jan bevonden. Dit was een gevolg van artikel 247 van het Verdrag van Versailles, waardoor de Duitsers werden verplicht de vernielde Belgische kunstschatten te vergoeden. In het kader van de teruggave rees in België een scherpe discussie over het eigendomsrecht van de diverse onderdelen van het retabel. In 1921 werd uiteindelijk een koninklijk besluit uitgevaardigd, waarin de kerkfabriek van Sint Baafs als 'bewaarder' werd aangesteld. De door Duitsland aan België geleverde zijpanelen werden door de staat aan de kerkfabriek van Sint Baafs teruggegeven, 'met een uitdrukkelijk voorbehoud inzake alle wederzijdse eigendomsrechten'.
Dit typisch Belgisch compromis en de veeleer vage termen van de 'regeling' lagen voor een deel ook aan de basis van de vaudeville die werd opgevoerd toen er met de dief van de Rechters over een losgeld moest overhandigd worden. Wie diende de centen nu eigenlijk op te hoesten? Het bisdom (de kerkfabriek) enerzijds of Vadertje Staat anderzijds? En wie van de beide partijen had in deze zaak nu welke precieze verantwoordelijkheid? Zoals het hier te lande wel meer gebeurt, is deze discussie eigenlijk nog altijd niet definitief besloten, om de eenvoudige reden dat ze nooit echt begonnen is.
Nadat het beroemde veelluik zo lang onvolledig was gebleven, besloot men Adam en Eva ook maar weer op transport te zetten van Brussel naar Gent, zodat het Lam Gods opnieuw in zijn volle glorie in de kathedraal kon prijken. Die glorieuze periode duurde echter nog geen twintig jaar, want in 1934 werden zowel de Rechtvaardige Rechters als Sint Jan gestolen; over deze stoutmoedige diefstal en vooral over de gevolgen daarvan, handelt dit boek. Sint Jan keerde nog datzelfde jaar terug naar de kathedraal, maar van de originele Rechters ontbreekt nog altijd ieder spoor. De kopie die u nu in de Sint Baafs kunt bewonderen, is van de hand van Jozef Van der Veken, aan wie in dit boek ook een hoofdstuk wordt gewijd.
In 1939, toen het ernaar uitzag dat België zijn neutraliteit niet zou kunnen behouden, evacueerden de Belgische autoriteiten het Lam Gods en andere kunstschatten naar Frankrijk, meer bepaald naar het kasteel van Henri IV in Pau, in de Pyreneeën. Frankrijk werd door de Duitsers bezet en Pau lag in de zone van de Vichy-regering, buiten het bereik van de Duitsers. Maar hier in België herinnerde men zich wat er tijdens de Eerste Wereldoorlog was gebeurd en dat de Duitsers nog altijd aanspraak maakten op de zijpanelen die ze destijds hadden gekocht, maar daarna weer hadden moeten teruggeven in het kader van de herstelbetalingen. Er werd een delegatie naar Pau gestuurd, waarin zich o.a. Jozef Van der Veken bevond, om toe te zien op de veiligheid en het comfort van het retabel, dat aangetroffen werd in zeer goede staat.
In 1942 reisde Max Winders in opdracht van de Commissie Monumentenzorg naar Pau, om zich nogmaals te vergewissen van de toestand van ons nationaal patrimonium. 'Alles was volledig,' zei men hem daar, 'behalve het Lam Gods.' De Vichy-regering had het Lam Gods in de handen van de Duitsers laten vallen. Eerst werd het verstopt in het kasteel van Neuschwangstein en later - bij het naderen van de geallieerden - samen met andere uit bezette gebieden geroofde kunstwerken in de zoutmijnen van Alt Aussee, op een tachtigtal kilometer van Salzburg. Ondertussen had ene Oberleutnant Koehn ook de opdracht gekregen de gestolen Rechters in België op te sporen. In mei 1945 wist het Derde Amerikaanse Leger, samen met het Oostenrijkse verzet, de kunstwerken in de zoutmijnen van Alt Aussee in veiligheid te brengen. En zo werd het Lam Gods nog maar eens op transport gesteld naar de Sint Baafs.
In de jaren tachtig werd het veelluik weggehaald uit de Vydkapel en tentoon-gesteld in de voormalige doopkapel, waar het 'in een glazen schrijn in een koffer van staal' beter beveiligd kon worden tegen brand, overstromingen, aardbevingen en ander onheil. De maatregelen die toen genomen werden, hebben het Lam Gods de bijkomende status van het best beveiligde kunstwerk ter wereld bezorgd. Jammer dat die maatregelen voor althans één onderdeel van het onschatbare veelluik een halve eeuw te laat kwamen...





HOOFDSTUK 2

DE ROOF VAN DE RECHTVAARDIGE RECHTERS




Het minste dat men over de jaren dertig kan zeggen, is dat het 'bewogen' jaren waren. In heel Europa sloeg de economische crisis hard toe; Duitsland en Italië bevonden zich op een gevaarlijke rechtse helling. Tussen 1931 en 1934 werden niet minder dan 39 politieke aanslagen gepleegd en tussen oktober 1932 en juni 1934 kende België vier regeringen.
In 1933 werd ons land overspoeld door verschijningen van de Maagd Maria, die eerst in Banneux en Beauraing werd gesignaleerd, en daarna ook op bezoek kwam op verscheidene plaatsen in Vlaanderen. Het hoogtepunt van de religieuze massahysterie in Vlaanderen werd genoteerd in Onkerzele, een dorpje bij Geraardsbergen. Daar kreeg de zieneres Leonie Van den Dijck niet alleen visioenen van de Heilige Maagd, maar werd ze ook het middelpunt van een reeks Zonnewonderen, die door duizenden mensen werden bijgewoond. Eén van de velen die door Leonie werden gefascineerd, was Jan Boon, de hoofdredacteur van De Standaard, die ook van zich zou laten horen in een andere mysterieuze kwestie uit die periode: die van het gestolen Lam Godspaneel...
In januari 1934 voorspelde Leonie Van den Dijck dat koning Albert ten val zou komen. In een droom had ze gezien hoe iemand hem van een rots duwde. Nauwelijks een maand later was het zo ver. Het verhaal dat Albert I niet door een ongeval om het leven kwam, maar dat hij werd vermoord, groeide in de loop der jaren uit tot een stevige moderne sage.
Met de verschijningen, de UFO-fenomenen die zich rondom haar manifesteerden en vooral ook met haar visioenen, waarin zij allerlei voorspellingen deed, werd het verhaal van de zieneres van Onkerzele eveneens stilaan getransformeerd tot een onvervalst Vlaamse mythe. Zij voorspelde immers niet alleen de dood van koning Albert, maar ook het dodelijk ongeval van koningin Astrid in 1935, waardoor de natie nogmaals ernstig geschokt werd. Als we haar biograaf mogen geloven, voorspelde zij bovendien het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog en last but not least het feit dat haar lichaam na haar dood niet snel tot ontbinding zou overgaan. Meer dan twintig jaar na haar overlijden - de jaren zeventig waren dan al aangebroken - werd Leonie door haar volgelingen opgegraven, in het bijzijn van Jan Van Rompaey en zijn cameraploeg van het bekende TV-programma Echo. En zie, Leonie Van den Dijck had niet overdreven: zij lag nog 'intact' in haar graf!
In 1993 schreef ik samen met Guy Didelez een boek over de zieneres van Onkerzele, dat dorpje van niks op een half uurtje rijden van Erembodegem, waar ik woon. Het gaf de aanzet voor een tweede boek, een jeugdroman ditmaal, over De Moord op Albert I. Hierbij viel het me op dat ik mij, sinds Mysteries van het Lam Gods in 1991, in een periode van drie jaar, had bezig gehouden met drie van de grootste Vlaamse mythen die deze eeuw heeft voortgebracht. Alle drie hebben zij hun wortels in dat magische jaar 1934. Het zijn drie moderne sagen, die nog steeds zéér alive and kicking zijn, en dat niet alleen in de pers, in boekvorm of in de massamedia, maar ook - en misschien vooral - in wat we maar 'de volksmond' zullen noemen.
Dat 'magische jaar 1934' kende dus rampen en onheil in overvloed; gebrek aan stof voor sterke tapkastverhalen was er allerminst. En toch sloeg de roof van de Rechtvaardige Rechters nog in als een bom, te midden van vallende koningen en kabinetten, groeiende werkloosheid en de verbluffend snelle opmars van extreem-rechts.
In Gent, op 11 april 1934, om half zes in de ochtend, had de kerkbewaarder van de Sint Baafs de deur van de rechter zijingang open gevonden, wat trouwens al een paar keer voordien ook was gebeurd. (In april 1933 had het bisdom nog een tip gekregen dat er 'iets' beraamd werd met het Lam Gods, maar ook met die informatie werd weinig of niets aangevangen.)
Om zes uur zei de kerkbewaarder tegen de koster dat de kerkdeur aan het Sint Baafsplein waarschijnlijk weer een hele nacht had opengestaan. Samen deden zij hun ronde door de kathedraal, maar zagen niets verdachts. Het hek voor de Vydkapel, waar het Lam Gods werd bewaard, was nog altijd gesloten. Het groene rolgordijn dat iedere avond voor het veelluik werd neergelaten, hing er zo te zien nog onaangeroerd bij.
Om half acht opende de kerkbewaarder de zijkapellen van de kathedraal, want weldra zouden de toeristen nu opdagen. Hij maakte het hek van de Vydkapel open, rolde het gordijn op en verstijfde... het dubbele paneel aan de linkeronderkant van het veelluik ontbrak! Het dubbele paneel met aan de ene kant de Rechtvaardige Rechters en aan de andere kant Sint Jan de Doper was gestolen!
Het nieuws verspreidde zich als een lopend vuurtje. Toen commissaris Antoon Luysterborgh van de Gentse gerechtelijke politie eindelijk een onderzoek instelde naar de eerste sporen van de diefstal - het was inmiddels al namiddag geworden - waren honderden nieuwsgierigen reeds naar een schilderij komen kijken dat er niet meer was. De radio, het gloednieuwe medium dat reeds in vele Vlaamse huiskamers een centrale plaats bekleedde en waardoor duizenden mensen eerder al de begrafenis van Albert I hadden gevolgd alsof ze er zelf bij waren geweest, wijdde een speciaal nieuwsbericht aan de roof.
Het publiek werd opgeroepen om te helpen bij het opsporen van de stoutmoedige dief - nog een nieuwtje, en een tactiek die later nog een paar maal beproefd zou worden en zeker een rol heeft gespeeld in de ontwikkeling van de mythe die wij nu kennen. Bij die andere, latere oproepen regende het net als in april 1934 tips, letterlijk. Maar ofwel waren ze vals, ofwel deden ze niet terzake. Ook dat is een constante.
De meeste informanten van het eerste uur staken een beschuldigende vinger op richting Duitsland. Gedurende die eerste weken kregen verscheidene onschuldige Duitsers of lieden met een Duitse tongval het zwaar te verduren. De theorie dat de nazi's achter de roof zaten, zou in de jaren dertig o.a. een tijdje door John Flanders verdedigd worden en ging een lang leven tegemoet. In Mysteries van het Lam Gods heb ik deze thesis gebruikt voor één van de zeven scenario's waaruit het boek bestaat.
Toen Riki Simons in het Cultureel Supplement van het Nederlandse NRC-Handelsblad (24/1/1992) een paginagroot artikel wijdde aan de Mysteries van het Lam Gods, weekte dat een aantal reacties los in de vorm van lezersbrieven. Eentje was afkomstig van Nadja Goffaert uit Gent, die insinueerde op de persvoorstelling van mijn boek aanwezig te zijn geweest en stelde dat 'Barnauw' daar met zo veel onjuistheden en inconsequenties werd geconfronteerd, dat hij toegaf een roman in de trant van Eco's De Slinger van Foucault geschreven te hebben. Nu moet je als schrijver wel goed gek zijn om je op de persvoorstelling van je eigen boek te laten confronteren met een hoop negatieve kritiek; persvoorstellingen worden dan ook àltijd gekenmerkt door bijzonder vleiende - en meestal voor een stuk toch onterechte - loftuitingen van ingehuurde critici of deskundigen.
Nog merkwaardiger wordt de reactie van Nadja Goffaert, vijftien jaar oud op het ogenblik van de feiten en gezegend met een vader die ambtenaar was bij de burgerlijke stand van Gent en nog werd ondervraagd in verband met de diefstal, als we erbij vermelden dat ze vervolgens een exposé houdt waarin ze de stelling uit Mysteries van het Lam Gods bijtreedt en eveneens wijst op de betrokkenheid van Duitsland. Zo schrijft ze dat het nog steeds een courante opvatting is onder oudere Gentenaars, dat de schuilnaam D.U.A. van de vermoedelijke dader van de roof Arsène Goedertier, niets anders betekent dan 'Deutschland Uber Alles'. Het was een afkorting, even doorzichtig als - voor de Hollanders - 'vandaag CPN of VVD'.
'Omdat het (toen) nog niet in de lijn van de Duitse overheid lag, kunstschatten te roven,' aldus Nadja Goffaert, 'werd verondersteld dat één of meer fervente Duitsland-fanaten op eigen houtje hadden gehandeld (de zijpanelen waren immers na W.O. I uit Duitsland "teruggeroofd"). De discretie van de politie is heel goed te verklaren: men benaderde de Duitse overheid, in de hoop dat die het werk zou aangeboden krijgen.'
Nadja Goffaert betoogt voorts dat het er, volgens die oudere Gentenaars, sterk op leek dat men in Goedertier een geschikte dode had gevonden om als zondebok te dienen. Toen Oberleutnant Koehn in 1940 het onderzoek heropende, 'was iedereen stomverbaasd en ging men ervan uit dat er iets scheef moest zijn gelopen, dat het paneel nooit aan Duitsland was overhandigd'. Goedertier zou misleid zijn geweest; hij zou wél de Sint Jan teruggegeven hebben, maar de Rechters waren toen al door een onbekende verdonkeremaand. Die onbekende moest een kennis zijn van Goedertier en van 'de notaris' (ze bedoelt advocaat De Vos) en heeft zich voorgedaan als 'een Duitse revanchist'.
Kanunnik Van den Gheyn deed officieel en in het Frans aangifte van de diefstal en hield er een heel ander idee op na dan Nadja Goffaert. In interviews liet hij al meteen uitschijnen dat het om een 'revanche' ging, een wraakneming. Hij sprak ook van chantage. Luysterborgh van zijn kant was van mening dat de dieven goede bekenden moesten geweest zijn van de Sint Baafs en dat het best mogelijk was dat de gestolen goederen zich nog in de kathedraal bevonden.
Gedurende de hele maand april bleef het gerechtelijk onderzoek zowat ter plaatse trappelen. Pas veel later zou het bekend worden dat iemand rond middernacht een man uit de kathedraal had zien komen met een plank onder de arm, gewikkeld in iets zwarts. Maar op dat ogenblik waren er voor de rest slechts een handvol concrete sporen voorhanden. De man waarvan sprake zou overigens naar een zwarte Chevrolet gestapt zijn, die naast de kathedraal stond. Merkwaardig detail: de meid van Arsène Goedertier verklaarde in de jaren zestig aan de reporter William Luck die elders in dit boek aan het woord komt, dat haar werkgever reed met een bléke Chevrolet.
Op 1 mei bevond er zich onder de massa afpersingsbrieven van 'valse' dieven die op het bisdom Gent werden besteld en die het meestal hadden over 'een doek dat opgerold op mijn zolder ligt' of over één paneel - terwijl er eigenlijk twee stuks gestolen waren -, een lichtgroene omslag. Hij was gericht aan Zijne Hoogeerwaarde Excellentie Monseigneur Coppieters, de bisschop van Gent, en droeg de vermelding: strikt persoonlijk.
De omslag was de vorige dag in Antwerpen afgestempeld. Hij bevatte een slecht getypte en in onbeholpen Frans gestelde brief, waarin werd meegedeeld dat de schrijver dezes in het bezit was van de gestolen panelen (2 stuks!) en dat hij bereid was ze terug te geven, in ruil voor een losgeld van één miljoen frank. De brief was ondertekend met de kenletters 'D.U.A.' en de persoon die zich achter dit pseudoniem verborg, was rekening gehouden met de vaktermen die hij gebruikte, ongetwijfeld een kunstkenner.
'Wij oordelen het verkieslijk U de wederwaardigheden te onthouden van de wijze waarop wij in het bezit gekomen zijn van deze parels,' schreef D.U.A. 'Dit is zo onduidelijk dat enkel kan gezegd worden dat het kostbaarste van de twee panelen zich op een plaats bevindt welke slechts door één persoon gekend is.'
In zijn verdere briefwisseling met het bisdom zou D.U.A. zich altijd blijven voorstellen als een soort 'tussenpersoon' en nooit als de dief; over het losgeld sprak hij het liefst als over een 'commissieloon'.
D.U.A. stelde voor Sint Jan de Doper gratis voor niks terug te geven, zodat de bisschop op zijn beide oren kon slapen: híj was wel degelijk de man met wie onderhandeld moest worden. Indien de bisschop zijn voorwaarden aanvaardde, diende hij in de krant La Dernière Heure een advertentie te laten verschijnen met de tekst: 'D.U.A. In overeenstemming met de betrokken overheid, aanvaarden wij in het geheel uw voorstellen.' Het bisdom reageerde, in overeenstemming met de betrokken overheid, met de boodschap: 'D.U.A. Uw voorstel is overdreven.' Ondertussen deed commissaris Luysterborgh geen enkele poging om D.U.A. te identificeren aan de hand van de schrijfmachine waarmee de brief getypt was; schrijfmachines waren toen nog tamelijk zeldzaam, zelfs de politie bezat er geen, dus dat zou in feite een makkelijke klus geweest zijn.
D.U.A. antwoordde in een volgende brief dat hij zijn voorstel helemaal niet overdreven vond. Als de bisschop zijn voorwaarden aanvaardde, mocht hij zelfs vijf procent van het losgeld op zak steken! Uiteraard ging monseigneur Coppieters hier niet op in, maar inmiddels achtte men het bij het gerecht wel raadzaam het spelletje voorlopig mee te spelen. Op die manier zou men immers alvast de Sint Jan in handen krijgen. Over het bedrag dat nadien moest gestort worden, op een manier die duidelijk maakte dat de afperser goed op de hoogte was van het reilen en zeilen in de financiële wereld, kon men later nog met D.U.A. onderhandelen. Op 25 mei 1934 verscheen in de krant dan ook de gevraagde advertentie.
Vier dagen later ontving de bisschop een nieuwe brief van D.U.A., samen met een ontvangstbewijs van het bagagebureau van de Société Nationale des Chemins de Fer Belges, Bruxelles-Nord, nr. 8178, met als datumstempel 28.V.34 (8 u.). Dat was dezelfde datum en hetzelfde uur als op de afstempeling van de briefomslag; D.U.A. of één van zijn medewerkers was dus in Brussel geweest om het paneel te overhandigen en commissaris Luysterborgh koesterde de hoop dat de spoorwegbeamte hem een vrij duidelijke persoonsbeschrijving zou kunnen geven. D.U.A. had eindelijk een eerste onvoorzichtigheid begaan, door het depotbriefje dadelijk na de afgifte van het paneel in het Brusselse Noordstation op te sturen naar de bisschop. Blijkbaar had hij haast om de hele affaire definitief geregeld te krijgen.
Op de avond van de 29ste mei spoedde commissaris Luysterborgh zich naar de Brusselse randgemeente waar de spoorwegbeamte woonde die het paneel in ontvangst had genomen. De 46-jarige Alex Puissant herinnerde zich de persoon die hem de dag voordien 'een plank' had afgegeven als een man van vooraan in de vijftig, met een puntbaardje en een snor. Hij sprak Frans en zag er nogal bezadigd en welstellend uit. Later zou deze Alex Puissant de man van de plank identificeren als Achiel De Swaef, een goede bekende van Arsène Goedertier. De volgende ochtend repte commissaris Luysterborgh zich naar het Brusselse Noordstation, om het paneel af te halen. De onbeschadigde Sint Jan de Doper was gewikkeld in een zwart doek, met een wit touw omwonden.
Op 1 juni ontving de bisschop een vierde brief van D.U.A., waarin hij de monseigneur verzocht, 'ingevolge onze overeenkomst', een pakje met het commissieloon te deponeren bij pastoor Meulepas van de Sint Laurentiusparochie te Antwerpen. Meulepas woonde aan de Markgravelei 95.
'U kunt hem laten weten dat het hier gaat om de teruggave van papieren en brieven waarvan de eer van een zeer voorname familie afhangt,' schreef D.U.A. 'Gelieve E.H. Meulepas terzelfder tijd met dit pakje het hierbij gevoegde stukje dagbladpapier te bezorgen. De persoon die dit pakje in ontvangst komt nemen, zal in het bezit zijn van het andere gedeelte dat bij het eerste moet passen, wat men kan nagaan aan de tekst en de scheuring. Het is alleen aan de drager van dit stukje dagbladpapier dat het pakje met geld mag afgegeven worden. Wij menen dat deze voorzorgen noodzakelijk zijn om aldus elke vergissing uit te sluiten. Men mag deze persoon niet om uitleg vragen, men mag hem niet toespreken. Houd goed Uwe verplichtingen en doe geen verdere opzoekingen langs andere geheime wegen, want zij zouden de vernietiging van de Rechtvaardige Rechters voor gevolg hebben. Gelieve derhalve in La Dernière Heure aan te kondigen wanneer het pakje overhandigd wordt en wel met het volgende bericht: "D.U.A. - S.J. bien arrivé et paquet remis." Handel vlug en de zaak zal spoedig van de baan zijn.'
Op 6 juni vond er een hoogst belangrijke vergadering plaats op het kabinet van minister van justitie Paul-Emile Janson en in tegenwoordigheid van procureur-generaal Hayoit de Termicourt. De heren besloten eerst te proberen het nog ontbrekende paneel te bemachtigen en pas daarna al het mogelijke te doen om de rover te ontmaskeren. Met andere woorden: Luysterborgh kreeg te horen dat de dief hen bij wijze van spreken gestolen kon worden, en diende een rendez-vous met D.U.A. - waarbij hij hem mogelijk kon klissen - nog even uit te stellen. Hij mocht zich tijdens de overhandiging van het losgeld zelfs niet vertonen in de Sint Laurentiusparochie!
In het pakje dat aan de eerwaarde heer Meulepas werd overhandigd, zat overigens niet de geëiste 950.000 frank, maar 25.000 frank! Samen met een briefje van de bisschop, waarin hij zich verontschuldigde voor het feit dat hij 'in tegenstelling tot de verwachtingen' er niet in geslaagd was het gevraagde losgeld in te zamelen. Wél was hij bereid nog eens 225.000 frank te betalen 'na of op het ogenblik van de afgifte der Rechtvaardige Rechters'.
Op 14 juni bood zich een taxichauffeur aan bij pastoor Meulepas, nadat D.U.A. twee keer met de pastoor had gebeld om zijn komst te melden. De taxichauffeur gaf de eerwaarde heer het stukje krant en kreeg een pakje mee. Hij stak de straat over en verdween in een zwarte Minerva, die bliksemsnel wegreed en waarvan aangenomen wordt dat het Arsène Goedertier was die in de auto zat. In de nalatenschap van Goedertier zou immers een brief gevonden worden, geschreven door D.U.A. en gericht aan Goedertier, waarin hem - als fatsoenlijke vent - werd gevraagd een pakje op te halen, dat de eer van een voorname familie kon redden.
Deze spitsvondige truuk van Goedertier voor het geval hij gesnapt zou worden, was aan het gerecht van die dagen echter duidelijk verspild. Pas een half jaar later zou Luysterborgh de taxichauffeur ondervragen over die bewuste dag in juni... Maar toen was het natuurlijk al veel te laat om nog bruikbare informatie van de man te krijgen. En bovendien zou deze informatie hoe dan ook te laat gekomen zijn.
Toen D.U.A. ontdekte dat het bisdom de financiële afspraak niet was nagekomen, startte hij een kwade-brievencampagne. In totaal acht brieven schreef hij nog, waarvan de laatste niet meer verstuurd werd. D.U.A. reduceerde het losgeld tot een half miljoen, maar nog wilde men niet op zijn voorstellen ingaan.
Uit die brieven bleek dat D.U.A. goed wist waar het paneel zich bevond, maar dat hij het niet te voorschijn kon halen, zonder de aandacht van het publiek te trekken. Hieruit heeft men later geconcludeerd dat D.U.A. zinspeelde op een publieke gelegenheid. Alleen de bisschop kon, op aanduidingen van de dief, het paneel terugkrijgen. Hieruit dacht men dan weer te mogen afleiden dat het paneel verstopt was in de Sint Baafs zelfs, al kan het ook gewoon betekenen dat D.U.A., die altijd alléén met Coppieters wilde onderhandelen, het geheim van de schuilplaats ook alleen aan de bisschop wilde verklappen.
De laatste, erg bittere en geheimzinnige brief die D.U.A. naar monseigneur Coppieters stuurde, werd verzonden te Brussel op 1 oktober 1934. 'Laat mij toe vast te stellen dat ik alles heb gedaan om de Rechtvaardige Rechters te redden,' schreef hij. 'Ik geloof als "chef" mijn plicht te hebben gedaan tot het bittere einde en ik onthef mijn kameraden van mijn bevel hun wraak langer uit te stellen.'
Die passage wordt vaak geïnterpreteerd als een metaforische zinspeling op de elementen (vocht, weersomstandigheden,...). Ik geloof dat deze analyse op z'n minst voor discussie vatbaar is en dat D.U.A. ook gewoon zijn medeplichtigen kan bedoeld hebben.
'Zij zijn vrij en zoals zij en U, blijft mij niets anders over dan de gebeurtenissen af te wachten. Ik was mijn handen in onschuld en met gerust gemoed vertrek ik met mijn verschrikkelijk geheim,' stond er nog.




HOOFDSTUK 3

DOOD VAN EEN WISSELAGENT



Arsène Goedertier was een bezige bij. Van beroep koster en later wisselagent, had hij al eens een vliegtuigmodel ontworpen dat zelfs de interesse wekte van specialisten terzake. Hij was beheerder van enkele naamloze vennootschappen en stichter van de Congolese maatschappij Plantexel. Van het Ziekenfonds de Eendracht was hij medestichter en van de katholieke partij een vooraanstaand lid. In zijn vrije tijd speelde hij graag voor amateur-detective en ontpopte hij zich als een groot kunstliefhebber, die kopieën maakte van doeken van beroemde meesters. Hij was directeur van de Tekenacademie van Wetteren, waar hij in een protserig huis woonde aan de Wegvoeringstraat.
De familie Goedertier werd alom geacht. Meneer Arsène zelf zag eruit als een degelijk burger. Met zijn gouden neusknijper en zijn deftige zwarte kleren leek hij allerminst een fantast. Alleen die volle snor maakte zijn uiterlijk misschien een tikje buitenissig. Toch schilderden zijn kennissen hem af als iemand die ronduit knotsgekke ideeën durfde te verkondigen. Hij kon blijkbaar ook een aardig stukje doordrammen, want sommigen onder hen namen prompt de benen als ze hem op straat zagen naderen.
Meneer Arsène, geboren te Lede op 23 december 1876, gehuwd met Julienne Minne en vader van Adhemar, was op het ogenblik van zijn overlijden wisselagent-bankier met aanzienlijke, maar niet onoverkomelijke financiële problemen. Slechts een handjevol mensen was ervan op de hoogte dat die vrome, kunstzinnige en welgestelde meneer Arsène schulden had. Op 14 november 1934 ging de maatschappij Plantexel, die hij acht jaar voordien had opgericht, failliet. Maar 'monsieur Arsène' leek daar niet veel hinder van te ondervinden: hij bleef een kwajongensachtige man, grillig en... begiftigd met een enorm speurderstalent!
Zijn ijdelheid zette hem ertoe aan 'gevallen' op te lossen. Iedereen in Wetteren wist te vertellen hoe meneer Arsène, lang voor de politie, de sensationele inbraak in de juwelierszaak van Coosemans te Brussel had opgehelderd. Soms hielp het toeval hem wel een handje. Kort na de zaak Coosemans sloeg een dief op net dezelfde manier toe in Dendermonde, bij de schoonbroer van Arsène, juwelier Ernest Van den Durpel. Meneer Arsène slaagde erin zonder veel moeite de inbraak te reconstrueren, tot in de kleinste details. Jammer genoeg werd de handige dief nooit ingerekend.
Op een andere keer, toen hij nog koster was van de Sint Gertrudiskerk in Wetteren, kwam hij binnen de 24 uur de dader van een schilderijendiefstal uit de kerk op het spoor. Arsène Goedertier ontmaskerde de dief en dwong hem het gestolen doek terug te geven. De identiteit van de kerel wilde hij echter niet verklappen. Meneer Arsène bood ook de oplossing voor twee diefstallen van oude doeken uit Gentse kerken aan, maar in deze gevallen boekte hij minder succes: de inbrekers werden nooit gevonden.
Op zondag 25 november 1934 - een milde herfstdag - werd er omstreeks het middaguur een vergadering van de Katholieke Volkspartij gehouden in het Onze Lieve Vrouwcollege van Dendermonde. Arsène Goedertier, voorzitter van het katholieke ziekenfonds de Eendracht, nam het woord en pleitte vurig voor de oprichting van een vierde stand (hoge burgerij en intellectuelen). Er volgde een debat, Goedertier stapte naar een paar vrienden toe die hem feliciteerden - 'Ik heb het weer eens goed gezegd, hé?' glunderde hij - en toen zakte meneer Arsène plotseling door de knieën.
Zijn vrienden brachten hem naar een nabijgelegen herberg. Dokter De Cock, die de vergadering eveneens had bijgewoond, werd bij hem geroepen. Bereidwillige lieden hadden reeds zijn gezicht gewassen en zijn hemd geopend. Goedertier ademde zwaar en had een zwakke en onregelmatige polsslag.
'Acute hartasystolie,' luidde de diagnose van de dokter.
'Breng mij alstublieft naar het huis van mijn schoonbroer,' kreunde meneer Arsène. 'Juwelier Van den Durpel...'
Hij werd in zijn eigen auto gelegd en naar zijn schoonbroer gebracht, die op de Vlasmarkt woonde. Daar diende de dokter hem een injectie toe met een cafeïnepreparaat, maar de patiënt bleef onrustig en kortademig. Hij weigerde de bijstand van een priester: 'Mijn geweten is in orde,' zei hij. Maar hij vroeg wel naar een vertrouwensman: zijn boezemvriend en partijgenoot advocaat Georges De Vos, die de vergadering eveneens had bijgewoond.
Waarschijnlijk koos hij voor een vertrouwensman en niet voor een priester, omdat een priester gebonden was door het biechtgeheim en dat de zaak misschien kon blokkeren. De goede katholiek Goedertier had trouwens die dag vermoedelijk al gebiecht. Men heeft geopperd dat hij, indien hij in de biechtstoel een tipje van de sluier had opgelicht, de opdracht zal hebben gekregen het gestolen goed te restitueren. Dat lijkt hij ook daadwerkelijk van plan te zijn geweest.
Toen hij alleen was met Georges De Vos, zou Arsène Goedertier hem met horten en stoten verteld hebben dat enkel híj wist waar het Lam Gods zich bevond: 'In mijn bureau... Schuifken... kast... Mutualité...' Daarop gaf hij de geest. Of Goedertier alleen maar déze woorden gezegd heeft, weet niemand tenzij de advocaat, die later alleen maar deze woorden zou citeren. Er doen verschillende versies de ronde over de precieze laatste woorden van Arsène Goedertier; volgens sommigen zou hij bijvoorbeeld ook gezegd hebben dat 'het hele dossier van die zaak' in dat 'schuifken' berustte.
De precieze omstandigheden waarin Goedertier stierf, zijn ook altijd vrij duister gebleven. Als we de sterfscène in het huis van zijn schoonbroer reconstrueren, dan merken we dat er nog een heleboel andere mensen in de buurt moeten geweest zijn. Hebben zij niets opgevangen van zijn laatste woorden? De Vos zou ook minstens een kwartier met Goedertier alleen geweest zijn: heeft Goedertier dan écht niks méér gezegd?
En dan is er nog de kwestie Libertus Bornauw (een bijna-naamgenoot van schrijver dezes, maar geen familie!). De dokter zou, in samenspraak met de schoonbroer van Arsène en tegen diens wil in, tóch een priester gehaald hebben, in de persoon van dom Bornauw, een monnik van de abdij van Dendermonde. De benedictijn zou de laatste woorden van Goedertier even hebben onderbroken, maar door Goedertier weer weggestuurd zijn - een oponthoud dat volgens sommigen fataal is geweest. Goedertier wilde immers nog iets aan zijn bekentenis toevoegen, maar kón het nu niet meer en blies zijn laatste adem uit. Libertus Bornauw werd naderhand naar een abdij in het zuiden van Frankrijk gestuurd, waar hij in het holst van de winter het bezoek mocht ontvangen van een mysterieuze persoon, die zijn naam uit het gastenboek van de abdij liet schrappen.
Op 29 november 1934 vond te Wetteren in de Sint Gertrudiskerk voor een enorme menigte een begrafenisplechtigheid plaats, die op een koninklijke wijze werd opgeluisterd. Minister van Staat baron Werner Tibbaut, burgemeester Jozef Du Chateau en een paar mindere goden spraken de lijkreden uit, waarin de toewijding en de wijsheid, de strijdvaardigheid, de onvermoeibare werklust en de belangeloze offervaardigheid van de aflijvige werden geprezen. Om nog maar te zwijgen van 'het uiterst verfijnde kunstgevoel' en 'de ingeboren behoefte tot mededelen van praktische bevindingen' van deze 'reddende engel van de arbeidersklasse', van deze 'apostel wiens woord meeslepend en overtuigend klonk'. Zijn ziel mocht rusten in vrede, want zijn edele werken zouden zijn onderbroken taak onverminderd verder zetten, voor het welzijn van alle burgers.
Onder de rouwende menigte bevond zich ook de 45-jarige boezemvriend van wijlen Arsène Goedertier, advocaat Georges De Vos uit Dendermonde. Twee andere intieme vrienden waren afwezig, maar dit werd door niemand opgemerkt, om de eenvoudige reden dat weinige mensen op de hoogte waren van de relatie tussen deze twee dubieuze figuren en de alom geprezen monsieur Arsène. Eigenaardig genoeg droegen beide raadselachtige heerschappen precies hetzelfde puntbaardje en precies dezelfde snor.
'Eén van hen kon zelfs niet meer aanwezig zijn op de begrafenis want hij overleed in de vroege ochtend van 29 november 1934,' schreef Jos Cels in Meneer Arseen en de Rechtvaardige Rechters. 'De andere was die morgen erg ongesteld en hij overleed een paar maanden nadien, even plotseling.'





HOOFDSTUK 6

HET ONDERZOEK, DERDE FASE: MORTIER & KERCKHAERT




Gedurende de jaren vijftig leken de speurders naar het verdwenen paneel ingedut te zijn, maar die betrekkelijke rust was slechts schijn. Naast gerechtsverslaggever Jos Cels, die in 1963 zou uitpakken met het eerste boek over de zaak, Meneer Arseen en de Rechtvaardige Rechters, waren ook Karel Mortier en Noël Kerckhaert reeds gefascineerd geraakt door het mysterie dat Goedertier had nagelaten.
Karel Mortier (1928) trad in 1948 toe tot het politiekorps van de stad Gent en was van 1974 tot 1991 hoofdcommissaris van politie. Deze licentiaat in de criminologie en ook in de stedebouw en de ruimtelijke ordening, associeerde zich met Noël Kerckhaert, leraar en later journalist bij Gazet van Antwerpen. In 1966 publiceerden zij gezamenlijk een criminologische studie over De diefstal van het Lam Gods, die in 1968 werd gevolgd door De Rechtvaardige Rechters gestolen. In 1994 verscheen de kroon op hun werk: Dossier Lam Gods, zoektocht naar de Rechtvaardige Rechters. Jammer genoeg overleed Noël Kerckhaert precies in de periode waarin dit standaardwerk van de persen rolde.
Het belang van het speurwerk van dit duo kan niet genoeg benadrukt worden. Met wetenschappelijke nauwgezetheid en een eindeloos geduld bogen zij zich over het raadsel. Ze werden daarbij niet gehinderd door de journalistieke slordigheden en simplificaties of de zucht naar sensatie die al eens opdoken in het werk van Jos Cels, en evenmin door de fantasie van schrijvers die in de eerste plaats droomden van een zo sterk mogelijk verhaal. Wat dan weer niet betekende dat het duo gespeend was van een elementair gevoel voor humor. Vooral de flegmatieke, inmiddels gepensioneerde commissaris toverde al eens een monkellachje te voorschijn. Evenmin ontbeerden zij de flair om op een uiterst doeltreffende wijze de moderne massamedia te bespelen. Ook op dit punt was het meestal de commissaris die het voortouw nam.
Het is dank zij Mortier & Kerckhaert dat het grote publiek voor het eerst uitgebreid kon kennismaken met het zo belangrijke Dossier Koehn, dat voorheen zo goed als onbekend was. Ze kwamen de Oberleutnant op het spoor door twee Duitstalige dokumenten in het gerechtelijk dossier, waarin gewag werd gemaakt van elementen die zich niet (meer?) in het gerechtelijk dossier bevonden.
'In 1964 begaven we ons naar het "Heeresarchiv" in de vroegere abdij van Kornelimünster, dichtbij Aken,' lezen we in Dossier Lam Gods. 'Daar worden alle personeelsgegevens over alle leden van het Duitse leger tijdens W.O.II bewaard. Hoewel de naam Koehn zo verspreid was als bijvoorbeeld Janssens of Peeters in België, kon de betrokkene gevonden worden door zijn in het Engels geschreven voornaam Henry. Via die identiteitsgegevens kon, met medewerking van de Duitse politie, achterhaald worden dat hij zich na de oorlog in Hamburg had gevestigd. Daar vernamen wij dat hij kort voordien was overleden. Zijn broer verwees ons naar de weduwe, die intussen in Kampen op het eiland Sylt woonde. Na haar de toedracht van de zaak en het belang ervan te hebben uiteengezet, was zij bereid ons het dossier van de door haar man gedane opzoekingen en verhoren toe te vertrouwen. Hij had haar destijds meegedeeld dat het ging om waardevolle dokumenten, waarover hij misschien nog eens een boek zou schrijven. Later kregen wij ook delen van zijn dagboek ter inzage.'
Het Dossier Koehn telde 257 bladzijden en gaf een heel nieuwe kijk op de feiten, alleen al vanwege al de gegevens die niet in het Gentse gerechtelijk dossier aan bod kwamen.
Mortier & Kerckhaert onderwierpen de zaak voor het eerst aan een degelijke reconstructie en diepten verklaringen van ooggetuigen van de diefstal op. Ze ondervroegen nog niet over de kwestie ondervraagde personen of deden de verhoren uit de jaren dertig en veertig nog eens over, voor zover deze mensen nog in leven waren.
Omtrent de motieven van Goedertier verklaarde commissaris Mortier in het docudrama Agnus Deï (1994) van het BRTN-programma Panorama het volgende: '... toen kwam er in 1929 de fameuze crash van New York. Op dat ogenblik deden zich ook in ons land nogal wat moeilijkheden voor, maar Goedertier kon tamelijk goed standhouden. Als men bedenkt dat hij in 1934 samen met zijn echtgenote over drie miljoen frank in eigendommen kon beschikken... Dat was voor die periode toch een respectabele som. (...) Er werd jarenlang volgehouden, zowel door de gerechtelijke overheid als door de mensen uit Wetteren, dat één van de motieven van de misdaad geldnood zou kunnen zijn. Welnu, dat is eenvoudig niet waar. Wij hebben dat duidelijk kunnen ondervinden aan de hand van dokumenten. Dat er misschien geldhonger was, laat ik in het midden. Maar andere motieven kunnen bijvoorbeeld zijn: wraak, dat is niet uitgesloten, of een vriendendienst, een vrouwenkwestie, politiek... Wat een mogelijkheid zou kunnen zijn, zonder daar formele bewijzen van gevonden te hebben, is dat Goedertier geen verder geld meer uit het wisselagentschap kon nemen, noch uit zijn privébezit, maar dat hij toch iemand wilde helpen, en daarvoor als tegenprestatie de belofte kreeg van een politiek mandaat. Hij was ongetwijfeld politiek gebonden aan de toenmalige Katholieke Volkspartij. Het is best mogelijk dat in die periode zich moeilijkheden voordeden met wat men noemde "mantelorganisaties". De verliezen op economisch gebied waren enorm. Het is zelfs zo dat men in 1934 en meer bepaald vijf dagen voor het overlijden van Goedertier een nieuwe regering moest installeren, omdat de vorige die bestond uit katholieken en liberalen, spraak gelopen was op het probleem van steun aan de banken.'
Mortier & Kerckhaert geloven dat er een verband bestaat tussen de zaak van de verdwenen Rechters enerzijds en tussen de politici, de financiers en de organisaties rondom de Katholieke Volkspartij anderzijds. In juni 1934, twee maand na de diefstal, stelden de liberalen en de oppositie hieromtrent parlementaire vragen aan de volksvertegenwoordigers De Schrijver en Van Cauwelaert en aan minister Sap - alle drie leden van de Katholieke Volkspartij. Vooral minister Sap kwam in de vuurlinie te liggen, maar hij beriep zich in zijn antwoorden op het beroepsgeheim. Sap verklaarde dat hij afwist van zaken die voor de Katholieke Volkspartij een schande en een ramp zonder weerga zouden betekenen.
De familie Goedertier van haar kant deelde aan Mortier & Kerckhaert mee dat Arsène destijds goed bevriend was geweest met politieke personaliteiten als August De Schrijver. En had mevrouw Goedertier niet gezegd dat haar man alleen maar had 'geholpen' bij de diefstal, ten behoeve van een eerbare familie waarvan de kinderen geld nodig hadden?
Opgemerkt dient te worden dat op deze uitspraak in het TV-programma een reactie kwam van Reginald De Schrijver, een zoon van de genoemde politicus. Hij meldde dat 'ten tijde van de diefstal door Arseen Goedertier, in de familie De Schrijver het oudste kind acht, de oudste zoon nog geen vijf en het jongste kind - ondergetekende - vijftien maand oud was'.
Hoe dan ook, dat het paneel nog steeds zoek is, komt volgens Mortier & Kerckhaert door het feit dat er mensen zijn die vrezen dat samen met de Rechters de juiste toedracht van de zaak aan het licht zou komen, en dat het niet alleen Goedertier was die bij de kwestie betrokken was.
Blijft er nog het raadsel van de bergplaats. Al in hun eerste publikatie over het onderwerp hebben de beide auteurs gesteld dat de Rechtvaardige Rechters zich wellicht nog ergens in de Sint Baafs bevinden. Dit menen zij te mogen opmaken uit een close reading van de D.U.A.-brieven, uit diverse uitlatingen van Goedertier, uit verklaringen van de weduwe Goedertier en uit de reconstructie van de diefstal.
'Iets dat verplaatst wordt, is niet gestolen,' zou Goedertier ooit gezegd hebben. Tegen zijn vrouw zou hij ook beweerd hebben dat, indien hij de Rechters moest zoeken, dit zou gebeuren 'au tour' of 'autour' Sint Baafs - in de toren of rondom Sint Baafs. Uit de D.U.A.-brieven weten we dat er gezocht dient te worden in een publieke gelegenheid, waar men de Rechters niet onopgemerkt kon weghalen en waar mogelijk zelfs alleen de bisschop ze kon recupereren. Op die manier moest D.U.A. zich zélf niet in de gevaarzone begeven om de Rechters terug te geven, zodra hij het losgeld in handen had. Voor de tegenpartij was zijn voorstel 'te nemen of te laten': eerst het losgeld, en dan zou hij zéggen waar men de Rechters moest zoeken.
Goedertier speelde vaak op het orgel in de Sint Baafs. Nu werd in zijn bureau een sleutel gevonden, waarvan men tot voor kort niet goed wist in welk slot die paste. Commissaris Mortier kwam erachter dat deze sleutel paste in het slot van het oksaal, de plaats waar het orgel staat, hoog boven de linker zijbeuk, ongeveer in het midden van de kathedraal. Op die plek loopt een dubbele muur tussen de zuilen van het middenschip, waar de portretten van alle Gentse bisschoppen hangen.
Eén van de schetsjes die in de nalatenschap van Goedertier werd gevonden, vertoont een paar evenwijdige lijnen en het cijfer 25. En hoe breed waren de oude planken van de vloer van het oksaal? Jazeker, 25 centimeter! Het was heel goed mogelijk een paar van die planken op te lichten en het paneel tussen de dubbele muur te laten zakken. Aan weerskanten van het orgel liepen ook twee wenteltrappen.
Mortier & Kerckhaert wisten dat het oksaal nog nooit goed was uitgekamd. Onder de nieuwe vloer uit '35 vonden ze de oude houten vloer, die aangelegd werd toen de Sint Baafs een nieuw orgel kreeg. Als vriend van de bisschop wist Arsène Goedertier dat voor de Wereldtentoonstelling van 1935 een nieuw, groter orgel besteld was, waarvoor ook een nieuwe vloer over de oude heen gelegd zou worden. Dit verklaart zijn wanhoop wanneer zijn correspondenten niet meteen geneigd lijken op zijn voorstellen in te gaan, de oproepen die hij doet om snel te handelen en de verwijzingen naar 'zijn kameraden' die de Rechters wel eens voor altijd zouden kunnen vernietigen.
Toen Mortier & Kerckhaert proefboringen deden in de planken van het oksaal, vonden zij iets heel merkwaardigs: één enkel blaadje, dat uit een oud missaal was gescheurd. En wat stond er op dit blaadje? Het Agnus Deï... 'Bijna niet te geloven, hé?' glunderde de commissaris in een interview dat hem afgenomen werd in 1991, door René De Witte van de Gazet van Antwerpen.
'Het paneel zou dus in of onder de vloer van het oksaal verborgen zijn?' vroeg de journalist.
'Of in het orgel,' antwoordde de commissaris. 'In een windtunnel of zo. We zijn naar Dresden gegaan in de hoop dat we in de archieven van de orgelbouwer zouden kunnen achterhalen waar het eerste orgel - of stukken ervan - naartoe is gegaan, maar jammer genoeg is dat gebouw tijdens de oorlog gebombardeerd. Er was dus niets terug te vinden.'
'Het paneel kan dus best onder de vloer van het oksaal zitten of ergens in een deel van een orgel dat zich om het even waar bevindt?'
'Inderdaad. Wij vermoeden dat het nog wel bestaat. Wat kan, is dat het zich ergens bevindt waar het sterk beschadigd wordt. Stel dat het paneel zo lang op dezelfde plaats heeft gezeten, dan is het best om er af te blijven. Als iemand het paneel zou vinden en er aankomen, is het goed mogelijk dat de verf er zo van afvalt.'
Maar ook dit alles blijft een hypothese. In 1994 ging de Panorama-ploeg op aanwijzingen van commissaris Mortier en met de hulp van Guido Van de Voorde van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium zelf op - radiografisch - onderzoek in de Sint Baafs. Er waren honderden potentiële bergplaatsen voorhanden, maar de preekstoel leek wel de moeite van een onderzoek waard.
'Honderden amateur-detectives, pendelaars, parapsychologen, paragnosten enz... wisten het paneel al of niet zitten,' luidde het verslag van de speurtocht. 'Zestig jaar lang werd er gezocht naar iets dat zeer sterk op het monster van Loch Ness leek. Alleen bestond dit paneel wel echt. In een bergplaats van de kathedraal maakte Guido Van de Voorde een geïmproviseerd foto-lab. De X-ray films ontwikkelde hij onmiddellijk, maar het resultaat was negatief.'
In de marge van dit onderzoek ontmoetten de speurders de opvolger van kanunnik Van den Gheyn. 'Hij opende voor ons deuren en bergplaatsen waar je anders nooit binnenraakt, en vertelde ons over amateur-detectives die hij betrapt had met werktuigen om graven te openen. Merkwaardig was het verhaal van de kapelaan over de zoon van - ja, opnieuw - August De Schrijver, die als student een zoektocht organiseerde in de crypte.'
Wordt ongetwijfeld vervolgd.

De Mythe van de Rechtvaardige Rechters 3 (Het Dendermondse spoor van William Luck)





HOOFDSTUK 1

SHERLOCK HOLMES WERKT OP DE BRT



We kunnen ons afvragen waarom het mysterie van de Rechtvaardige Rechters is uitgegroeid tot een Vlaamse versie van het Monster van Loch Ness. Het antwoord ligt voor de hand: omdat het dossier van de Rechters alle ingrediënten bevat van een klassieke story met mythische allures.
In de eerste plaats is het een nog steeds onopgeloste misdaadgeschiedenis. In de tweede plaats is het een schatverhaal dat qua dramatische wendingen en kleurrijke personages niet moet onderdoen voor R. L. Stevenson's beroemde Schateiland, en waarin het grote publiek bovendien ook nog een rol kan spelen als schattenjager. Zowel de misdaadgeschiedenis als het schatverhaal zijn literaire archetypes. Zij spreken zodanig tot de verbeelding dat ze uitgegroeid zijn tot zelfstandige literaire genres. Wanneer dergelijke verhalen zich niet beperken tot een fictionele context, maar zich in de werkelijkheid afspelen, vlak bij de deur, dan krijg je bijna logischerwijze een Nessie-effect.
Het mysterie van de verdwenen Rechters spreekt alle lagen van de bevolking aan, zowel mannen als vrouwen, zowel grijsaards die het allemaal nog meegemaakt hebben als pubermeisjes die zich laten verleiden door het romantische aureool van de geniale gentleman-gangster Arsène Goedertier/Arsène Lupin. Dit is trouwens ook een archetype, een wat archaïscher variante van geheim agent 007, James Bond. Het is bovendien, hoe contradictorisch dit op het eerste gezicht ook mag klinken, nauw verwant aan zijn archetypische opponent: de geniale speurder, hij weze een amateur-detective als Miss Marple of Sherlock Holmes, een privé-detective als Mannix of een professioneel detective als Maigret.
Het is dan ook helemaal niet zo verbazend dat het spoor van de geniale gentleman-gangster in het dossier van de spoorloze Rechters niet alleen gevolgd werd door pendelende pastoors en andere helderzienden, herbergiers, kunsthistorici, journalisten en mystery-schrijvers van de Engelse school, maar ook door serieuze amateur-detectives als Hilde Leynen of professionele detectives als commissaris Mortier. Wie haar artikels heeft gelezen of de KRO-televisiedocumentaire Het mysterie van het Lam Gods heeft gezien, zal met mij beamen dat Hilde Leynen méér dan een paar trekjes bezit van Agatha Christie's onsterfelijke Miss Marple. En wie commissaris Mortier ooit heeft aan het werk gezien of aan het woord gehoord, zal toegeven dat hij een regelrechte én maar al te reële incarnatie is van Simenons fictieve evergreen, commissaris Maigret.
U moet maar eens een foto van de man bekijken, in het weekblad De Post bijvoorbeeld, uit 1968. De onafscheidelijke sigaret, de schrijfmachine, maar vooral de ogen die zich alert hebben gefixeerd op een punt buiten beeld... en dan het onderschrift: 'Weet deze man méér?' De menselijke aanpak ook, de melancholieke toon, het psychologisch doorzicht, die rustige en onverstoorbare gedrevenheid, dat soms ondeugende of een tikje kwajongensachtige laten rondslingeren van clou's en cliff hangers, de provocerende mysterieuze hints... Nee, Simenon had deze commissaris Mortier nauwelijks béter kunnen verzinnen.
De kleurrijke figuren uit het dossier van de Rechters hebben àndere ietwat zonderlinge personages aangetrokken, die zich elk met hun eigen motieven en mogelijkheden in dat dossier hebben vastgebeten en voor wie het enigma van het verdwenen kunstwerk een levenslange obsessie is geworden. Eén onder hen zal ik mij wellicht - en om nog even in de sfeer van onze dramatische geschiedenis te vertoeven - tot op mijn sterfbed blijven herinneren, en dan heb ik het over William Luck en diens alter ego Sherlock Holmes.
Nog voor Mysteries van het Lam Gods was uitgegeven, had ik samen met mijn vriend en collega Guy Didelez het plan opgevat een vierdelige televisieserie te schrijven over het onderwerp. Zo trokken wij in de zomer van 1991 met een synopsis in de hand naar de Reyerslaan, voor een gesprek met BRT-dramaturge Marga Neirynck.
Wat we hadden kunnen verwachten, gebeurde ook: na een vijftal minuten gekeuveld te hebben over koetjes en lammetjes trok mevrouw Neirynck een lade open, waarin reeds een synopsis voor een feuilleton over de Rechters bewaard werd. Het project waarbij o.a. Fernand Auwera en Libera Carlier betrokken waren, was tot op dat ogenblik evenwel nog niet écht van de grond geraakt. Guy en ik konden eventueel voor een nieuwe frisse wind zorgen en bijgevolg werd het project opnieuw opgestart.
De research voor de fictie-serie was tot dusver in handen geweest van een BRT-medewerker, van wie ik de naam hier niet zal noemen, omdat hij verkoos zijn onderzoek met betrekking tot de Rechters te publiceren onder het pseudoniem William Luck. Terwijl Guy werd ingedeeld bij de pool van de scenaristen, zou ik de research-ploeg versterken. Ik werkte dan ook een tijdje nauw samen met de man die ik voor het gemak maar William Luck zal blijven noemen, tot het fictionele Rechters-project opnieuw in de koelkast belandde, vanwege te duur.
Het merkwaardige aan William Luck was dat hij in zijn werk, in de omgang en voor zover ik dat kon beoordelen ook in zijn privé-leven een perfecte Meneer Doorsnee was: vriendelijk, correct, evenwichtig en met een behoorlijk ontwikkeld gevoel voor humor, maar voor de rest zonder specifieke eigenaardigheden. Wanneer William Luck zich echter actief op het detectivepad begaf - en dat deed hij uitsluitend in functie van de Zaak Goedertier -, dan voltrok er zich in de man een gedaanteverwisseling à la doctor Jekyll and mister Hyde. In dat geval voorzag hij zich van de attributen van Sherlock Holmes - het klepje, de geruite cape, het vergrootglas en de pijp - en dan wérd hij ook de archetypische creatie van sir Arthur Conan Doyle. Hij had zelfs een vriend die hem bij zijn speurwerk een helpende hand verleende en in wie de onthutste waarnemer met enige goeie wil zelfs doctor Watson kon herkennen.
Dit alles zou niet méér opgeleverd hebben dan een leuke anecdote, indien William Luck alias Sherlock Holmes in de huid en het pak van mister Holmes niet alle intellectuele capaciteiten had behouden die hij reeds bezat als William Luck. De scherpzinnigheid van de man werd er geenszins door teniet gedaan, zoals ik tijdens een paar van onze werksessies mocht ondervinden. Sherlock Holmes stelde mij bovendien een groot aantal fotokopies ter hand van een reeks artikelen, ondertekend door William Luck en gepubliceerd in het weekblad De Voorpost, dat verscheen in de regio Aalst-Dendermonde, in de periode 1963-1967. In deze reportages volgde William Luck 'het Dendermondse spoor'.
William Luck was afkomstig uit de streek waar de hele geschiedenis zich had afgespeeld en hij had diverse mensen die met de roof of met Goedertier te maken hadden gehad, nog persoonlijk aan de tand gevoeld. Voor vele speurders die later kwamen, was dit niet meer mogelijk geweest, omdat alle getuigen toen al overleden waren. Tevens had hij inzage gekregen in het gerechtelijk dossier, een claim die bevestigt wordt door de publicatiedata van zijn onthullingen en die van Jos Cels enerzijds en Mortier & Kerckhaert anderzijds.
Het eerste boek over de verdwenen Rechters dateert van 1963 en is van de hand van journalist Jos Cels. Voor het eerst verschenen belangrijke gegevens uit het gerechtelijk dossier in boekvorm, gegevens die op dat ogenblik nog niet bekend waren voor het grote publiek. Dit werk werd pas in 1966 gevolgd door De diefstal van het Lam Gods, de eerste criminologische studie van het duo Mortier & Kerckhaert, waarin heel wat foute of onnauwkeurige elementen uit het boek van Cels werden gecorrigeerd, andere sporen werden uitgediept en belangrijke nieuwe onthullingen werden gedaan. In 1968 vormde De diefstal van het Lam Gods de basis voor een tweede, nog verder uitgewerkte en gecorrigeerde versie onder de titel De Rechtvaardige Rechters gestolen. Als we de reportages van William Luck nu even van naderbij bekijken, dan merken we dat deze in feite kunnen onderverdeeld worden in twee reeksen: een eerste die gepubliceerd werd in 1963, en een tweede in 1967. Het onderzoek van William Luck verliep dus parallel in de tijd met dat van Jos Cels en het duo Mortier & Kerckhaert. Waar andere speurders zich in grote mate hebben gebaseerd op de publicaties van Cels of van Mortier & Kerckhaert, was dit voor William Luck voor een groot stuk onmogelijk. De waarde van zijn speurwerk zit hem dan ook vooral in het feit dat dit bij mijn weten het enige grootscheepse na-oorlogse onderzoek is geweest dat zich min of meer onafhankelijk van de bevindingen van Cels of Mortier & Kerckhaert heeft ontwikkeld.
De onthullingen van William Luck hebben nooit de weerklank gevonden van de publicaties van Cels of van Mortier & Kerckhaert, omdat ze verschenen in een regionaal weekblad. Dat is één reden waarom ik er in dit boek dieper op wens in te gaan. De andere reden zit hem precies in het tamelijk onafhankelijke en globale karakter van het onderzoek, dat zich niet alleen bezig houdt met de bergplaats van de Rechters, maar ook met een reconstructie van de roof, de motieven voor de misdaad en de figuur van Goedertier. Naast het officiële gerechtelijk onderzoek en de officieuze bemoeienissen van Georges De Vos & Co. in de jaren dertig en het Duitse speurwerk van Oberleutnant Koehn in de jaren veertig, kent het werk van William Luck bovendien alleen maar een vooroorlogse gelijke in het staaltje investigative journalism avant la lettre van John Flanders.
Heel wat elementen, aangedragen door William Luck, figureerden daarna ook in de criminologische studie van Mortier & Kerckhaert; sommige vragen die William Luck stelt werden door hen beantwoord en bepaalde van zijn stellingen werden door hen tegengesproken. Niettemin blijft het boeiend om het speurwerk van deze twintigste eeuwse Vlaamse Sherlock Holmes op de voet te volgen, zoals het zich nu alweer dertig jaar geleden heeft ontwikkeld.

LEES HIER ALLES OVER IN:





De Mythe van de Rechtvaardige Rechters 4 (John Flanders/Jean Ray & Monsieur Arsène)





HOOFDSTUK 1

JOHN FLANDERS: EEN KORTE BIOGRAFIE



Raymond Jean-Marie De Kremer werd op 8 juli 1887 geboren te Gent, als de zoon van een spoorbeambte, werkzaam in de Gentse haven, en van een onderwijzeres. Zijn moeder was niemand minder dan Marie-Thérèse Anseele, de zuster van de beroemde socialistische voorman Edward Anseele. Het gezin betrok een herenhuis in de Ham, een lange donkere straat in de wijk Sint Jacob. De opvoeding van Raymond en zijn drie jaar oudere zus Elvire werd toevertrouwd aan het bijgelovige dienstmeisje Elodie, die de kwajongen allerlei spannende en fascinerende verhalen vertelde, over de Duivel, om maar iemand te noemen.
De belhamel Raymond wordt de schrik van alle leerkrachten, tot hij in de klas van Michel Thiery terechtkomt - zijn zoon zal later bekendheid verwerven als schrijver onder het pseudoniem Johan Daisne -, waar hij diep getroffen wordt door de zachtmoedigheid en eruditie van deze 'meester'. Via zijn onderwijzers leert de kleine Raymond de bibliotheek van het Willemsfonds kennen en de werken van Karl May en Hendrik Conscience. Na schooltijd zwerft hij met zijn kameraden door de donkere en sinistere stegen van de Ham, die door hun verbeelding bevolkt worden met heksen en watergeesten. Het speelterrein van de wilde bende strekt zich uit van de Vrijdagmarkt tot de dokken, waar ze naar de namen van aangemeerde schepen raden. Ze luisteren naar de spookverhalen die van mond tot mond gaan, bezoeken het marionettentheater van Tone Antroes of verslinden 'zantjeswale', de vroege voorlopers van de stripverhalen.
In 1901 wordt Raymond door zijn ouders naar de Rijksmiddelbare School in het Waalse Pecq gestuurd, om er zijn kennis van het Frans bij te spijkeren. Heimwee, eenzaamheid en verveling doen hem vluchten in zijn eigen verbeelding. Twee jaar later behaalt hij het getuigschrift voor het derde jaar middelbaar onderwijs en in 1903 volgt hij de lessen aan het Koninklijk Atheneum van de Ottogracht te Gent, waar hij een eerste prijs Nederlands en lichamelijke opvoeding behaalt. Op zeventienjarige leeftijd publiceert hij zijn eerste griezelverhalen in een Vlaams studententijdschrift, maar op aandringen van zijn omgeving geeft hij het studeren aan de Rijksnormaalschool voorrang op het schrijven. Daar zakt hij echter tot twee maal toe, zodat hij weer tijd krijgt om te schrijven. In de almanak van de Gentse vrijzinnige studentenvereniging 't Zal wel gaan publiceert hij gedichten en een verhaal. Als het grote succes uitblijft, besluit hij zijn geluk te beproeven in Parijs, maar ook de lichtstad zal hij ontgoocheld de rug toekeren.
Dan komt Raymond De Kremer in contact met het Gentse theatermilieu, begint hij liedjesteksten te schrijven en leert hij tijdens de première van een revue de Brusselse actrice Nini Balta kennen, alias Virginie Bal. Zij sterkt hem in de overtuiging dat een schrijver in hem woont, maar de familie Anseele - zijn oom Edward zetelt in de Gentse gemeenteraad - dringt hem een baan bij het stadsbestuur op. Telkens Raymond De Kremer een doktersattest aflevert op kantoor, mag je er donder op zeggen dat één van de revues van Jean Ray in première gaat, het pseudoniem van de jonge Gentenaar heeft gekozen.
In 1912 trouwt de vierentwintigjarige auteur met de vier jaar oudere revuester en gaan zij wonen aan de Zondernaamstraat te Gent. Jean Ray krijgt enkele vaste kronieken in een maandblad en wanneer Gent in 1913 internationale belangstelling geniet voor de organisatie van de wereldtentoonstelling en de daarmee gepaard gaande financiële kater, is dat een dankbaar onderwerp voor weer een nieuwe revue. In dat jaar krijgen Raymond en Virginie ook een dochtertje: Lucienne, die Lulu zal genoemd worden.
Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog wordt Raymond opgeroepen als korporaal bij de Burgerwacht en raakt hij gewond. Tijdens de bezetting wordt hij tewerkgesteld in het Expeditiebureau van de stad en bij de Dienst Opeisingen, waar hij logies moet zoeken voor Duitse officieren. Zijn vader sterft na een langdurige ziekte en wegens de oorlogsomstandigheden schrijft hij slechts twee revues, die allebei worden opgevoerd in de Minardschouwburg. Na de Wapenstilstand kent Pinnen af!, waarvoor Henri Van Daele de muziek schrijft, een enorm succes: verscheidene vertoningen in de Minard, meer dan 500 voorstellingen in de belangrijkste Belgische steden.
Het tweetal, soms bijgestaan door Nini Balta, gaat nog een tijdje op hetzelfde élan door, maar dan meent Raymond De Kremer - niet geheel ten onrechte - dat de nog jonge filmkunst het medium van de toekomst is en gaat hij een tweetalig filmtijdschrift uitgeven. Hij zegt zijn baan bij het Gentse stadsbestuur op, gebruikt de advertentieruimte van zijn filmblad om publiciteit te maken voor zijn theaterstukken en publiceert enige verhalen in zijn eigen Ciné en in een paar andere bladen. Na nauwelijks een half jaar wordt het filmtijdschrift echter opgedoekt, omdat de publieke belangstelling ondermaats blijkt.
De bekende Gentenaar Jean Ray gaat nu werken bij de Gentse wisselagent August Van den Bogaerde en wordt ook redacteur van het liberale dagblad Journal de Gand - Echo des Flandres, waarin hij benevens een theaterrubriek en een 'chronique fantaisiste' literatuurrecensies pleegt en zijn eigen verhalen publiceert. Wanneer de krant van de markt wordt gehaald, zal hij ongeveer hetzelfde doen in het tweemaandelijks tijdschrift van dezelfde eigenaar, L'Ami du Livre. In 1925 verschijnt zijn eerste verhalenbundel, Les Contes du Whisky, bij een Brusselse uitgeverij. Het boek wordt dadelijk enthousiast ontvangen.
Op literair en financieel gebied gaat het Raymond De Kremer voor de wind. Hij huurt regelmatig een automobiel met chauffeur, organiseert picknicks voor de familie Anseele en jachtpartijen voor de vrienden, verblijft tijdens de weekends bij voorkeur met zijn gezin aan het Noordzeestrand en haalt uit de stoere verhalen van de vissers die hij daar treft inspiratie voor steeds nieuwe verhalen. Maar drie jaar voor de beruchte crach van Wall Street en het begin van de economische recessie, komt er voor Jean Ray een einde aan het sprookje.
Samen met wisselagent Van den Bogaerde wordt hij aangehouden, op verdenking van misbruik van vertrouwen. Zij zouden grote geldsommen van cliënten achterover hebben gedrukt. Gedurende de hele maand maart van het jaar 1926 gonst het in Gent van de geruchten over de omvang van de fraude en de wijze waarop het geld zou zijn beseed. De kranten maken zelfs gewag van alcoholsmokkel, door Jean Ray georganiseerd, van Europa naar de Verenigde Staten, in het kader van de Drooglegging. Het gezin verhuist naar een kleine woning aan de Albertkaai en om de eindjes aan elkaar te knopen, moet de actrice Nini Balta gaan werken als naaister.
Op 10 januari 1927 komt het proces Van den Bogaerde versus Raymond De Kremer voor de correctionele rechtbank van Gent. Volgens de openbare aanklager is Jean Ray een sluwe zwendelaar die de naam van zijn oom, minister Anseele, heeft misbruikt om het vertrouwen te winnen van goedgelovige, welgestelde burgers, en hun spaarcenten - driekwart miljoen frank - te beleggen in frivole uitstapjes. Op 20 januari 1927 wordt Raymond De Kremer veroordeeld tot een effectieve gevangenisstraf van zes jaar en zes maanden en een boete van 1350 frank; zijn werkgever krijgt een straf van vijf jaar en een boete van 300 frank. De precieze toedracht van de feiten is nooit erg duidelijk geweest, maar één ding staat vast: Jean Ray is een gebroken man.
Zoals weleer in tijden van eenzaamheid, zoekt hij zijn toevlucht in de fantasie en de literatuur. In zijn cel schrijft hij enkele van zijn beste verhalen, die later voor het grootste deel zullen verschijnen in La Revue Belge, onder een ander pseudoniem evenwel, want de naam Jean Ray is voorlopig verbrand. Raymond De Kremer kiest voor John Flanders, naar de heldin Moll Flanders uit de gelijknamige roman van Daniel Defoe. Onder de schuilnaam John Flanders publiceert hij ook in het weekblad Ons Land, dat niet op de hoogte is van de ware identiteit van de auteur.
Op 1 februari 1929 wordt Raymond De Kremer vervroegd vrijgelaten. Zijn losse bijdragen voor beide bladen leveren niet genoeg geld op, zodat hij genoodzaakt wordt contact te zoeken met uitgeverijen die reeksen publiceren. Vanaf 1931 begint John Flanders mee te werken aan de jeugdreeks Vlaamsche Filmkens van de Goede Pers te Averbode; in totaal zal hij in deze serie 'van de paters' 150 verhalen publiceren. Tegelijk begint John Flanders voor een Amsterdamse uitgever de avonturen van Harry Dickson, de Amerikaanse Sherlock Holmes te vertalen in het Frans. Uiteindelijk zal hij de verhalen echter helemaal zelf gaan schrijven, aangezien hij de oorspronkelijke stukken niet zo best vindt. Voor de uitgever is dit in orde, als hij maar rekening houdt met de kaftillustraties van Alfred Raloff. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog wordt deze reeks na 178 nummers stopgezet.
Eind 1931 durft John Flanders het opnieuw aan onder zijn oorspronkelijke pseudoniem een verhalenbundel te publiceren: La Croisière des Ombres bevat enige van zijn beste verhalen, voor het grootste deel ontstaan tijdens zijn verblijf in de cel. Het nieuwe boek van Jean Ray wordt door de pers en het publiek echter straal genegeerd.
Vanaf 1933 begint Raymond De Kremer opnieuw te werken voor een paar kranten. In het Gentse katholieke dagblad Le Bien Public schrijft hij over het dagelijkse leven in de stad, over zijn jeugdherinneringen en over dramatische gebeurtenissen als de dood van koning Albert I, in februari 1934. In dat jaar kan hij ook aan de slag als reporter voor de regio Gent bij het 'onpartijdige morgenblad in woord en beeld', De Dag. Daarin schrijft hij niet alleen nostalgische artikels neer over het Gent van rond de eeuwwisseling, maar wordt hij de specialist van de sensationele berichtgeving, met onder meer zijn verslagen van enkele opzienbarende moordzaken... en zijn reeks reportages over de roof van de Rechtvaardige Rechters uit de Sint Baafs. John Flanders zal aan De Dag verbonden blijven tot 1943, wanneer het blad in een steeds duidelijker collaborerend vaarwater verzeild geraakt.
In de jaren dertig kent John Flanders successen in het buitenland met de publikatie van verhalen in Amerikaanse tijdschriften als Weird Tales en Terror Tales, maar voor het jeugdige publiek in België is hij stilaan een begrip geworden. Hij begint nu ook verhalen te leveren voor de Franstalige tegenhanger van de Vlaamsche Filmkens en publiceert een eerste avonturenroman voor de jeugd: de klassieker Spoken op de ruwe heide uit 1935. Zijn eerste Franstalige jeugdroman verschijnt het jaar nadien.
In 1936 staat hij aan de wieg van het Vlaamse jeugdtijdschrift Bravo!, dat naast Amerikaanse strips als Felix de kat of Stormer Gordon ook ontelbare bijdragen zal brengen van tientallen schuilnamen, waarachter steeds weer Raymond De Kremer verborgen gaat. Samen met de bekende Vlaamse expressionist Frits Van den Berghe verzorgt John Flanders een stipversie van Edmund Bell, de jonge detective. In die periode krijgt hij ook een aantal zware emotionele klappen te verwerken: de dood van zijn moeder, van zijn vriend Frits Van den Berghe en ten slotte ook van zijn zus Elvire, in 1939. Het enige lichtpunt in die dagen is de hereniging met zijn gezin, waarmee hij na zijn arrestatie nog slechts sporadisch contact heeft gehad.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog maakt John Flanders/Jean Ray deel uit van het Brusselse schrijverscollectief annex uitgeverij Les Auteurs Associés. Hij besluit opnieuw zijn oude pseudoniem te hanteren en publiceert bij het collectief de bundels Le Grand Nocturne, Les Cercles de l'épouvante en Les Derniers contes de Canterbury. Bij dezelfde uitgeverij verschijnt ook de roman La Cité de l'indicible peur en zijn meesterwerk, dat algemeen wordt beschouwd als een hoogtepunt in de internationale fantastische literatuur, de roman Malpertuis (1943). Op dat ogenblik blijft erkenning echter nog uit.
Na de oorlog introduceert Averbode de naam John Flanders in de kindertijdschriften Zonneland en Petits Belges, waarvoor hij korte verhalen, feuilletons en stripscenario's schrijft. Tegelijk publiceert hij bij deze uitgeverij enkele jeugdromans, waaronder de klassieker Geheimen van het noorden uit 1948. In die periode werkt John Flanders ook mee aan de jeugdbladen Kuifje (Tintin), Mickey Magazine, 't Kapoentje, Ons Volkske en Pat. De kranten Het Volk en De Nieuwe Gids zijn eveneens gretige afnemers van zijn verhalen en artikels.
Een eerste stap naar internationale erkenning voor zijn werk, wordt gezet door de Franse cineast Roland Stragliati, die na een mislukte poging om La Cité de l'indicible peur te verfilmen, het werk van Jean Ray onder de aandacht brengt van de Franse tijdschriften Mystère Magazine en Fiction. Op die manier belandt de roman Malpertuis ten slotte bij de Parijse uitgever Denoël, die een herdruk van dit meesterwerk brengt in 1955. Het literaire succes wordt overschaduwd door de dood van zijn echtgenote Virginie Bal, maar daarna staat er voor Jean Ray geen maat meer op de roem in Frankrijk.
Het blad Audace bekroont één van zijn verhalen als het beste van het jaar 1956, interviews op radio en televisie volgen elkaar op, in 1961 verschijnt Les 25 meilleures historires noires et fantastiques van Jean Ray bij de Franse uitgeverij Gérard, die onder meer ook Malpertuis opnieuw op de markt brengt. Met de hulp van Jean Ray krijgt zijn vriend, de toneelauteur Michel de Ghelderode, literair eerherstel. In 1963 wordt aan Jean Ray Le Prix des Bouquinistes toegekend te Parijs en enige tijd later verschijnt bij Robert Laffont het eerste deel van zijn Oeuvres complètes. In eigen land wordt Jean Ray nu ook gevierd door diverse verenigingen en door een opvoering van het Ballert van de Twintigste Eeuw, gebaseerd op een verhaal van Jean Ray, in de Koninklijke Muntschouwburg.
Op dat ogenblik is de auteur echter al ernstig ziek. Hij overlijdt op 17 september 1964 te Gent. Zijn omvangrijke werk onder diverse pseudoniemen wordt na zijn dood door verschillende uitgeverijen gepubliceerd, herdrukt en vertaald in het Spaans, Italiaans, Portugees, Duits en Engels. Striptekenaars creëren hun versie van Harry Dickson en Edmund Bell; filmregisseurs laten zich inspireren door zijn boeken: Jean-Pierre Mocky door La Cité de l'indicible peur en Harry Kümel door Malpertuis (1972)...




HOOFDSTUK 2

JOHN F. EN HET MYSTERIE VAN DE VERDWENEN RECHTERS



Ik ben zo diep op de biografie van John Flanders/Jean Ray ingegaan, omdat de auteur een belangrijke rol heeft gespeeld in de groei van de mythe die de Rechtvaardige Rechters geworden zijn. Dat kan bezwaarlijk anders wanneer een mythenmaker als John Flanders of Jean Ray, eminent kenner en beoefenaar van zowel het fantastische als het detective-genre, zich met een zo mysterieuze zaak als de Rechtvaardige Rechters gaat bemoeien.
Als u bovendien weet dat hij ook zijn eigen biografie een mythisch tintje durfde verlenen, hebt u meteen een tweede goeie reden bij de hand. Zo zou hij niet alleen aan de kost gekomen zijn als piraat en dranksmokkelaar tijdens de Drooglegging - zijn verblijf in de cel had in werkelijkheid een veel prozaïscher oorzaak -, maar ging hij ook regelmatig op wandel in 'de vierde dimensie' en beweerde hij in interviews dat zijn grootmoeder een Indiaanse was.
Zijn échte biografie zal voor een correcte interpretatie van wat volgt trouwens niet van belang verstoken zijn. Van mei tot september 1935 schreef een zekere John F. immers zijn visie op de roof van de Rechters neer in een reeks van negentien reportages, voor de krant De Dag. Waar ik mij voor wat zijn biografie betrof voornamelijk heb verlaten op de catalogus bij de tentoonstelling over leven en werk van John Flanders/Jean Ray, Leven in de vierde dimensie (1994), baseer ik mij voor de Dag-reportages van John F. voornamelijk op een serie van zes artikelen die journalist Rik Clément schreef over 'Reporter John F. en het Lam Gods', en die verschenen in de herfst van 1987 in de krant Het Volk.
'Arsène Goedertier... Koster, bankier, politieker, schilder en kerkdief...' vertelt John F. in zijn gekende stijl. 'Het was een geheimzinnige vogel. Hij was heel dikwijls 's nachts op de baan. Hoe meer ge de menschen uithoort, hoe meer dit personnage onder dit daglicht verschijnt: geldzuchtig, voor niets terugdeinzend als het hem maar geld opbracht. De ware God van dien kerkdienaar scheen het eeuwig gouden kalf te wezen. Hij kende de nalatigheden van kerkbedienden, hij wist dat er geen gemakkelijkere schuilplaats bestaat voor een dief dan een kerk, dat de kerkfabriek al het mogelijke zou doen om weer in 't bezit te komen van het kunstwerk, dat de kerkoverheid zwijgen kan als het moet...'
En verder:

Arsène Goedertier ofte Arsène Lupin, gentleman-detekDIEF, dat klinkt heel voornaam. En als men nu weet dat de fictieve Arsène talloze welgelukte boevenstreken op zijn kerfstok had, vooral een meester was in 't weggappen van vermaarde kunstschatten, dat hij nooit gesnapt werd... dan moest dat de ware Arsène zoo aangenaam als bemoedigend voorkomen. Want Maurice Leblanc's ingebeelde held ging ongeveer te werk als hij, toen hij in 't bezit van een gestolen kunstwerk er geld uit wilde slaan...
De suggestie van enkelen uitgaand, dat Goedertier een soort detektief zou geweest zijn, die voor eigen rekening op zoek ging naar het paneel, het ontdekte, of beter de dieven ontdekte, en alsdan hun afgezant werd, is tamelijk verleidelijk, maar tevens te fantastisch. De koster-bankier-detektief las graag detektief-romans, en we weten maar al te best dat de schrijvers dezer romans zelf dikwijls den bal missloegen als ze persoonlijk wilden optreden in de plaats hunner ingebeelde helden: zoo Conan Doyle, zoo Simenon. Hartstochtelijke lezers der huidige politie-verhalen, zijn nutteloze Don Quichots als ze als detektief fungeeren willen. En wat de romanmethode betreft, ze is onaanwendbaar voor de doorslaande reden dat zulke verhalen niet van A tot Z worden geschreven, maar van Z tot A: de auteur begint steeds met het einde ervan neer te pennen.
De sensatielektuur van den Wetterschen Arsène Lupin heeft wel geen detektief van hem kunnen maken, maar een tamelijk goed ingelicht mensch inzake van merkwaardige verhelingen. Het ware interessant de bibliotheek van Arsène eens goed te doorlopen. Het zou de eerste maal niet zijn dat de recherche de sleuter eener misdaad op de boekenplank heeft gevonden, want de politie-verhalen hebben nooit detektieven gevormd, maar wel misdadigers. Er zijn verscheidene dezer werken die, inzake kunstdiefstallen, ware aanduidingen geven...

In zijn reportages neemt de fantasie van reporter John F. nogal eens een loopje met de werkelijkheid, maar even vaak slaat hij nagels met koppen. John F. was de eerste die de thesis lanceerde dat dat Arseen Goedertier voor één en ander misschien inspiratie had gevonden in detective-romans, en hij bleef zeer uitdrukkelijk stilstaan bij de romans rond de geniale gentleman-gangster Arsène Lupin. De autoriteiten - en dan meer bepaald de Duitse bezetter, in de persoon van de intelligente en vasthoudende Oberleutnant Koehn - zouden pas tien jaar na de feiten op het idee komen de bibliotheek van Arseen Goedertier eens aan een nader onderzoek te onderwerpen. Toen bleek dat Goedertier, zoals John F. het al had gesuggereerd, wel degelijk een fervent lezer was van de romans van Maurice Leblanc. Volgens sommigen zou hij zelfs een bijzondere belangstelling gekoesterd hebben voor de roman L'aiguille creuse, oftewel 'de holle naald', in het Nederlands vertaald als Het geheim van Arsène Lupin (Het Spectrum).
John F., als schrijver én lezer van detective-story's, was ook één van de eersten om te stellen dat Goedertier onmogelijk alleen kon hebben gehandeld. Een hypothese die slechts schoorvoetend werd bijgetreden door commissaris Mortier, maar die nu algemeen aanvaard wordt. Naast deze onmiskenbaar belangwekkende opmerkingen, laat John F. zich echter ook regelmatig meeslepen door zijn verbeelding, bijvoorbeeld wanneer hij vertelt dat Goedertier zelfs bij slecht weer en bij het invallen van de nacht nog 'de doodenakkers doorwandelde'. En daar de gedachte aan verbindt dat 'het geheim van het gestolen paneel' wel eens 'het geheim van den grafkelder' zou kunnen worden.
Op 12 juni 1935 publiceert John F. een geruchtmakend artikel, waarin hij suggereert dat kanunnik Van den Gheyn, de man die verantwoordelijk was voor het onschatbare Lam Gods, op één of andere manier medeplichtig zou geweest zijn aan de diefstal. Kanunnik Van den Gheyn speelde inderdaad een vreemde rol in de hele affaire. Nadat men de deuren van de Sint Baafs 's ochtends al enkele malen geopend had gevonden, en nadat men een anonieme tip gekregen had dat er 'iets' beraamd werd met het Lam Gods, waren de dieven er toch maar mooi in geslaagd zonder noemenswaardige moeilijkheden de Rechtvaardige Rechters te ontvoeren. Bovendien legde Van den Gheyn dadelijk na de diefstal verklaringen af aan de pers, waaruit men eventueel kon opmaken dat hij meer wist over de hele affaire. Hij had het bijvoorbeeld al meteen over een 'chantage', terwijl op dat ogenblik nog geen afpersingsbrieven waren ontvangen.
Wat de opmerkingen van John F. betreft over de stokken die Van den Gheyn in de wielen van het gerecht zou hebben gestoken... die dienen we toch met een korreltje zout te nemen. Om een duistere reden had de arme kanunnik het nu eenmaal verkorven bij John F., en dat zou hij geweten hebben!

Een hooggeplaatst kerkelijk dienaar heeft zich maandenlang bij den neus laten leiden door den heiligschenner Goedertier. Hij heeft stokken in het wiel gestoken van het gerecht, uit louter schrik het paneel te verliezen, hij heeft de pers voor den aap gehouden. Alsdan heeft hij zich in wanhoop naar O.L. Vrouw van Lourdes gekeerd om, door een mirakel, de teruggave te bewerken van het gestolen luik. Het is pover en de vaardigheid onzer geestelijkheid staat op het spel. Maar met een greintje gezond verstand, gepaard met een beetje eerbied voor het gerecht der menschen, ware niet alleen het luik teruggevonden geworden, maar ware zelfs de dief zijn aardsche straf niet ontloopen.
Dit alles maakt dat de reporter zich de taak niet vergemakkelijkt ziet, als hij met hare Overheden (van de Kerk) te doen heeft. 't Liefst wordt daar gezwegen over de zaak van 't gestolen luik in 't algemeen en over de zaak Arsène Goedertier in 't bijzonder... Sinds enigen tijd schijnt het ons toe dat wij met ijle woordjes worden afgescheept. Is dat pure inbeelding of hangt er werkelijk iets in de lucht? De onthullingen in de zaak Goedertier zijn plots stopgezet geweest. De reporters zoeken in hun eentje, heel filosofisch bij zich zelven de oude spreuk herhalend 'wie zoekt vindt'.

Zijn artikel van 23 juni besluit John F. als volgt: 'Misschien staat ergens een doodgewoon meubel in een hoek, een meubel dat een fortuin waard is, voor wie 't goed onderzoekt...' Veel heeft hij op dat ogenblik blijkbaar niet te melden. Maar op 27 juli is het weer prijs. Dan beschrijft John F. hoe hij enkele dagen voordien een raadselachtige postkaart ontving met de tekst:

Den heer John F.
redakteur 'De Dag'
Clementinalaan 62
Gent

Het komiteit van De vrienden van het Museum, Mijnheer, bidt Donderdag 25 juli om 5 uur aanwezig te zijn in het Vlaamsch theater (St. Baafsplein) voor zeer belangrijke mededeelingen aangaande het Lam Gods. Al de Belgische kunstcritici worden dringend uitgenoodigd.

Hoogachtend.

De handtekening was onleesbaar.
John F. vertelde daarop niet zonder leedvermaak hoe al die journalisten voor gesloten deuren kwamen te staan. 'Of deze gemakkelijke klucht ontstond in een Dinsdagavond-clubje of in een gezellige taveerne der kuip onzer Vlaamsche stee, kan ons niet schelen,' schrijft hij. 'We lieten er onze pluimen niet bij.'
Ondertussen had een eigen onderzoek van de krant De Standaard aan het licht gebracht dat de Rechtvaardige Rechters best wel eens in een openbaar gebouw vlak bij de Sint Baafs konden verborgen zijn. Bedoeld werd het Geraard de Duivelsteen. Jan Boon, hoofdredacteur van De Standaard en later N.I.R.-directeur, zou hieromtrent nadien nog enkele malen aan de tand gevoeld worden door de autoriteiten en ook door Oberleutnant Koehn. Alle opzoekingen in het Geraard de Duivelsteen leidden echter tot niks. Toch stelde De Standaard, niet meteen een schandaalkrant, uitdrukkelijk dat het paneel terecht was. Dat de achtenswaardige Jan Boon uiteindelijk openlijk dreigde 'man en paard' te zullen noemen, wijst erop dat hij vermoedde dat men het terugvinden van het paneel geheim wilde houden. Jan Boon heeft zijn dreigement nooit uitgevoerd. Voortaan zou hij zwijgen als vermoord over de affaire, maar zijn verhaal over het teruggevonden luik heeft hij nooit ingetrokken.
John F. van zijn kant vroeg zich af of de postkaart die hij ontving en de geruchten over het Geraard de Duivelsteen niet met elkaar in verband konden staan.

In alle geval komt de mystificatie waarmee we allen hebben gelachen op een zeldzaam ogenblik. Moeten we een deel der 'lolle' ernstig opnemen? Heeft de spotzieke kaartenschrijver hier genoten van een doodgewoon samentreffen of weet hij werkelijk iets en heeft hij niet de persmannen, maar wel sommigen zijner kennissen, een paar onrustige uurtjes willen bezorgen? Zoo dat de werkelijkheid is, dat hij zich weer tot de reporters wende, die hij bijna heeft 'vast gehad'. Hij is hen dat wel verschuldigd: ook op hunne discretie zou hij mogen rekenen.
Daar hij aan mij persoonlijk als dagbladschrijver een kaart stuurde, heb ik het recht hem persoonlijk te antwoorden, en gewis deed ik het, moest ik zijn adres kennen. Ik ben dus genoopt het langs dezen openlijken weg te doen. Hij ontvange dit woordje: 'Waarde ongekende Heer! Ik verdenk u er van, slechts een "halve lollekensheer" te zijn, en stel u aldus eene ernstige vraag: Waarom werd uwe kaart geschreven weinigen tijd na eene zeer gewichtige samenkomst, waar werd gehandeld over het gestolen luik? Beteekent dat uur "vijf uur in de namiddag" iets heel ironieks aangaande betreffende samenkomst? Weet ge werkelijk iets? Zoo laat u kennen in vertrouwen, ook voor de dagbladschrijvers die ge voor den aap hebt willen houden misschien, telt het ambtsgeheim... Hoogachtend, John F.'

Op 14 augustus 1935 berichtte John F. dat het luik Sint Jan de Doper zijn oorspronkelijke plaats weer had ingenomen.

Toen het eerste deel van het luik zijn plaats weer in de Borluutkapel innam, en de Heer Kanunnik Vandergheyn ons bijna de deur uitgooien deed, kwam Zijne Eerwaarde Monseigneur Coppieters tusschen en sprak: 'Nu kunnen we u niets mededeelen, helpt ons het overige gedeelte van het meesterwerk terug te vinden, en dan, zullen we u veel te vertellen hebben.' Dat is tekstueel.
Er bestaan dus gewichtige, wetenswaardige dingen rond deze geheimzinnige zaak... Waarom deze terughouding? Wat wordt er verzwegen en waarom? Als de gerechtelijke overheid geen verklaring aflegt, dan zullen de raven het uitbrengen, en de raven in kwestie zouden wel de dagbladschrijvers kunnen zijn. We komen er weldra op terug.

John F. hield zijn belofte op 7 september 1935:
Sinds enkele maanden hoorden wij wauwelen over een kerkelijke ceremoniemeester, die in 't Bisdom hier thuis was, en vriendschappelijk met Goedertier den schilderijdief omging. De man, die eenigen tijd na Goedertier overleed, gaf zich aan den drank over, en na zijn dood, ontdekte men in zijn kamer van het Bisschoppelijk Paleis niet min dan 350 ledige wijnflesschen! Weldra ontstond omtrent den doode een legende: hij zou van Goedertier's euveldaad op de hoogte zijn geweest, en in zijne onmiddellijke nabijheid zou werkelijk het overblijvend luik ontdekt zijn. Maar in welken staat! Thans zou het berusten in een schildersatelier der middenstad, waar een befaamd kunstenaar, de heer B., het onder handen neemt...
En nu, kleine man? Zullen de kerkelijke en ook de rechterlijke overheid hun povere zwijgerspolitiek tegenover het publiek en de pers laten varen? Zal de heer kanunnik Van der Gheyn voort blijven verstoppertje spelen, in de Hoofdkerk, in het Bisschoppelijk Paleis, of in zijn eigen woning als de dagbladschrijvers komen aankloppen, vooral als het reporters zijn die men korporaalwijze geen motus kan opleggen? En nu is de vraag die we vlakaf stellen aan wie 't aangaat: ja of neen, is het gedeelte van het gestolen luik, de Rechtvaardige Rechters van 't Lam Gods gevonden?

Deze onthullingen, onder de sensationele kop 'Het gestolen luik van 't Lam Gods ontdekt!' heeft John F. te danken aan een schriftelijke tip van een zekere Lemice-Terrieux, een schuilnaam waaronder uiteraard 'Le Mystérieux' dient verstaan te worden. De brief van deze heer was gedateerd 'begin juli 1935', de maand waarin ook Jan Boon met zijn onthullingen uitpakte. John F. schrijft verder nog dat de inlichtingen die hij ingewonnen heeft de informatie van zijn tipgever bevestigen.
Nu nog kan men het bovenstaande verhaal in diverse varianten horen vertellen. Dat de Rechtvaardige Rechters zouden verdwenen zijn uit de Sint Baafs, al of niet met medeweten van de kerkelijke overheid, en dat ze er daarna weer zijn teruggekeerd (de kopie van Jozef Van der Veken is in bepaalde versies geen kopie maar het origineel!) is een steeds terugkerend thema in de mythe. Dat de kerkelijke overheid dit niet durft bekennen omdat ze er zélf te nauw bij betrokken is, of dat men het stil houdt vanwege al de gratis publiciteit die de spoorloze Rechters op die manier al jaren voor het Lam Gods hebben weten te werven, wordt er dan meestal in één adem bij verteld. Voor een groot stuk aan de basis van dit refrein lag ontegensprekelijk John F.
Nu nog kan men soms horen dat De Dag op een bepaald ogenblik de vinger op de wonde legde, maar na de publikatie van bovenstaand artikel - 'korporaalwijze', zoals John Flanders het schreef - het zwijgen werd opgelegd. Omdat reporter John F. de oplossing nabij was, of omdat men bij de hoofdredactie van De Dag vond dat hij het toch wat al te gortig had gemaakt?
Tegenover vrienden gaf John F. later toe dat hij 'zijn vingers niet aan deze zaak wilde verbranden'.