21.6.06

De Mythe van de Rechtvaardige Rechters 2 (De Feiten)



HOOFDSTUK 1

HET LAM GODS: EEN KORTE HISTORIEK



De werken die worden toegeschreven aan Jan Van Eyck (ca. 1390-1441) stralen al meer dan vijf eeuwen een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit en hebben een aureool van esthetische perfectie en spiritualiteit gekregen.
Jan werd lange tijd beschouwd als de uitvinder van de olieverf, wat niet helemaal correct is. Zijn 'geheim procédé', dacht men, zou zijn werk die heldere en doorzichtige kleuren meegegeven hebben, glanzend als email. Sommige zijn in opeenvolgende doorschijnende lagen aangebracht, om een soort dieptewerking te bekomen.
Het devies van de schilder luidde 'Als Ich Can'. Hij bracht het op vier van zijn schilderijen in Griekse lettertekens aan. Gezien zijn onmiskenbare belangstelling voor de alchemie, was men wel eens geneigd in dit devies de letters van het woord 'alchimia' te zoeken. Naast chronogrammen, rebussen, mystieke formules, opdrachten en handtekeningen met een dubbele bodem, vinden we in zijn schilderijen ook totaal onverklaarbare woorden terug.
Het meest enigmatische werk van Jan Van Eyck is het wereldberoemde Lam Gods. Het mysterie begint al met de schepping van het kunstwerk zelf. Hoewel Jan Van Eyck meestal wordt genoemd als de geestelijke vader van het Lam Gods, heeft hij het vermoedelijk samen met zijn broer Hubert vervaardigd, in opdracht van de schatrijke toekomstige burgemeester van Gent Jodocus Vyd, en zijn vrouw Elisabeth Borluut, al bestaan ook daar dissidente opvattingen over. Tegenwoordig zijn de kunsthistorici het er min of meer over eens dat het Lam Gods door Hubert ontworpen, maar door Jan voltooid en op 6 juni 1432 onthuld werd. Alle theorieën omtrent hun precieze aandeel in het kunstwerk blijven echter hypothetisch.
De twaalf eiken panelen van het altaarstuk geven onderwerpen weer die op verschillende grootte zijn geschilderd en waarvan de betekenis, in zijn geheel genomen, niet altijd erg duidelijk is. Wanneer we de onderste rij panelen openklappen, treffen we optochten aan van heiligen, pelgrims, kluizenaars, edelen en rechters, op weg naar een weelderig van bloemen voorziene weide, weergegeven op het middenpaneel. Daar wordt het Lam Gods aanbeden door profeten, apostelen, kerkvaders, maagden-martelaressen en martelaren.
Het onderste gedeelte van het geopende altaarstuk is onder meer op een tekst uit de Openbaringen gebaseerd: 'Hierna aanschouwde ik, zie, een grote menigte, die geen mens kan tellen, uit alle naties en stammen, volkeren en talen, gekleed in witte klederen en met palmen in de hand, staande voor de troon van het Lam.' In het bovenste gedeelte bevinden we ons in de hemel, waar we o.a. God, de Maagd Maria en Adam en Eva terugvinden. Een aantal van de reeds vermelde geheimzinnige formules worden gesignaleerd op diverse plaatsen in het Lam Gods.
In 1557 werd door Michel Coxie een kopie van het retabel vervaardigd, waarin alleen Adam en Eva ontbraken. Deze kopie zou bijna vierhonderd jaar nadien door Jozef Van der Veken gebruikt worden om op zijn beurt de spoorloze originele Rechters te kopiëren.
In 1566 verborg men het veelluik in de toren van de Sint Baafs, waar het sinds de onthulling bewaard werd in de Vydkapel. Men was bang dat de Beeldenstormers het kunstwerk zouden beschadigen. Toen het gevaar geweken was, bracht men het werk onder in het stadhuis, waar het bijna aan koningin Elisabeth van Engeland werd verkocht. Pas in 1584 keerden de twaalf eiken panelen, waarvan de acht opvouwbare aan beide zijden beschilderd zijn, naar de kathedraal terug. Drie jaar later plaatste men ze opnieuw in de Vydkapel.
In 1781 maakte Jozef II een geschokte opmerking over de naaktheid van Adam en Eva, zodat de twee panelen in kwestie uit de kerk werden verwijderd en als in rook oplosten. Zij zouden pas tachtig jaar later opduiken en voorlopig in een Brussels museum geplaatst worden. In 1794 ontvoerden de Franse republikeinen de vier middenpanelen naar Parijs, om ze daar samen met andere gestolen kunstwerken tentoon te stellen. De zes zijpanelen bleven op een geheime plek in het stadhuis van Gent verborgen.
In 1816 gebeurde er iets onbegrijpelijks met het veelluik, dat zowel 'het mooiste schilderij ter wereld' als 'het meest mystieke schilderwerk aller tijden' wordt genoemd. Napoleon was naar Waterloo geweest en koning Willem I die nu over de Verenigde Nederlanden regeerde, gaf een Brugs schilder de opdracht in Parijs de gestolen luiken op te sporen. Op die manier kon het middengedeelte al gauw opnieuw in de kathedraal ondergebracht worden. Voor de kerkfabriek zou dit de gelegenheid bij uitstek geweest zijn om de in 1794 verborgen zijpanelen uit hun schuilplaats te halen en het veelluik in al zijn glorie in de Vydkapel te laten prijken. Maar in plaats daarvan werden de reeds meer dan twintig jaar aan het oog onttrokken zijpanelen door de vicaris-generaal, de deken van Sint Baafs én het voltallige kerkbestuur prompt en voor een habbekras verkocht.
Toen het nieuws van de verkoop uitlekte, hechtte niemand er aanvankelijk geloof aan. Maar bij een Brussels antiquair werd ten slotte een overtuigend bewijs gevonden in de vorm van een kwijtbrief, ondertekend door de deken van Sint Baafs. Antiquair Nieuwenhuyse verkocht de panelen voor een duizelingwekkend veelvoud van wat ze hem gekost hadden aan een Engelse verzamelaar. Later kwamen ze terecht in de privé-collectie van Frederik Willem II, de koning van Pruisen. Na zijn dood werden ze aan het Kaiser Friedrich Museum van Berlijn geschonken, waar ze tot 1920 zouden blijven. In 1894 werden alle zijpanelen, beschilderd aan de voor- en achterkant, in het Berlijnse museum middendoor gezaagd, op een uiterst professionele wijze overigens, om het gelijktijdig exposeren van de voor- en achterkanten mogelijk te maken. Het zijpaneel dat aan de voorkant de Rechtvaardige Rechters voorstelde, met Sint Jan de Doper aan de achterkant, onderging dezelfde behandeling.
Toen de Duitsers tijdens de Eerste Wereldoorlog de stad Gent bezetten, informeerden ze al vrij snel naar de panelen van het Lam Gods die nog niét in hun bezit waren. Die waren ditmaal echter op initiatief van kanunnik Gabriel Van den Gheyn ingepakt en wel op een stootkar geladen en in twee particuliere woningen opgeborgen. De Duitsers kregen een brief van de minister van Kunsten & Wetenschappen te lezen, waarin verklaard werd dat de panelen zich in Engeland bevonden.
Kanunnik Van den Gheyn zou enkele jaren later een belangrijke rol spelen in de zaak van de verdwenen Rechters. Door verscheidene auteurs werd hij beschouwd als 'de man die er meer van wist'. Van den Gheyn klaarde de klus samen met o.a. de drie gebroeders Coppejans: Frans, kunstschilder Henri en smid-slotenmaker Charles. Zij hadden hem korte tijd voordien geholpen bij het organiseren van een religieuze stoet in Lede bij Aalst, het geboortedorp van Arsène Goedertier - de vermoedelijke dader van de diefstal in 1934 - en zijn al even vermoedelijke medeplichtige Achiel De Swaef.
Nadat de Rechters werden gestolen, heeft men zich deze episode uit de turbulente geschiedenis van het Lam Gods wel herinnerd, maar er verder weinig mee gedaan. Twintig jaar voordien hadden Van den Gheyn en de gebroeders Coppejans de panelen immers voor de Duitsers verstopt in het huis van beeldhouwer Jozef Cornelis aan de Schouwvegerstraat 18 en in het achterhuis van Ivo De Vreese aan de Lange Steenstraat 8, palend aan de Vrouwebroerstraat. Een aanpalende woning van deze laatste locatie werd begin 1918 door de Duitse legerleiding opgeëist om een legerafdeling in onder te brengen. Nu hadden de Duitsers de kwalijke gewoonte in opgeëiste woningen gaten in de muren te maken, waardoor ze zich van het ene naar het andere huis konden begeven zonder zich op straat te hoeven vertonen. Frans Coppejans ging dan ook op zoek naar een andere schuilplaats, die gevonden werd in het nabijgelegen augustijnerklooster. De Rechters werden daar verborgen achter een biechtstoel.
Na de Eerste Wereldoorlog keerden niet alleen de verborgen panelen terug naar de Sint Baafs, maar ook de ontbrekende zijluiken die nog in Berlijn zaten en waaronder zich de Rechters en Sint Jan bevonden. Dit was een gevolg van artikel 247 van het Verdrag van Versailles, waardoor de Duitsers werden verplicht de vernielde Belgische kunstschatten te vergoeden. In het kader van de teruggave rees in België een scherpe discussie over het eigendomsrecht van de diverse onderdelen van het retabel. In 1921 werd uiteindelijk een koninklijk besluit uitgevaardigd, waarin de kerkfabriek van Sint Baafs als 'bewaarder' werd aangesteld. De door Duitsland aan België geleverde zijpanelen werden door de staat aan de kerkfabriek van Sint Baafs teruggegeven, 'met een uitdrukkelijk voorbehoud inzake alle wederzijdse eigendomsrechten'.
Dit typisch Belgisch compromis en de veeleer vage termen van de 'regeling' lagen voor een deel ook aan de basis van de vaudeville die werd opgevoerd toen er met de dief van de Rechters over een losgeld moest overhandigd worden. Wie diende de centen nu eigenlijk op te hoesten? Het bisdom (de kerkfabriek) enerzijds of Vadertje Staat anderzijds? En wie van de beide partijen had in deze zaak nu welke precieze verantwoordelijkheid? Zoals het hier te lande wel meer gebeurt, is deze discussie eigenlijk nog altijd niet definitief besloten, om de eenvoudige reden dat ze nooit echt begonnen is.
Nadat het beroemde veelluik zo lang onvolledig was gebleven, besloot men Adam en Eva ook maar weer op transport te zetten van Brussel naar Gent, zodat het Lam Gods opnieuw in zijn volle glorie in de kathedraal kon prijken. Die glorieuze periode duurde echter nog geen twintig jaar, want in 1934 werden zowel de Rechtvaardige Rechters als Sint Jan gestolen; over deze stoutmoedige diefstal en vooral over de gevolgen daarvan, handelt dit boek. Sint Jan keerde nog datzelfde jaar terug naar de kathedraal, maar van de originele Rechters ontbreekt nog altijd ieder spoor. De kopie die u nu in de Sint Baafs kunt bewonderen, is van de hand van Jozef Van der Veken, aan wie in dit boek ook een hoofdstuk wordt gewijd.
In 1939, toen het ernaar uitzag dat België zijn neutraliteit niet zou kunnen behouden, evacueerden de Belgische autoriteiten het Lam Gods en andere kunstschatten naar Frankrijk, meer bepaald naar het kasteel van Henri IV in Pau, in de Pyreneeën. Frankrijk werd door de Duitsers bezet en Pau lag in de zone van de Vichy-regering, buiten het bereik van de Duitsers. Maar hier in België herinnerde men zich wat er tijdens de Eerste Wereldoorlog was gebeurd en dat de Duitsers nog altijd aanspraak maakten op de zijpanelen die ze destijds hadden gekocht, maar daarna weer hadden moeten teruggeven in het kader van de herstelbetalingen. Er werd een delegatie naar Pau gestuurd, waarin zich o.a. Jozef Van der Veken bevond, om toe te zien op de veiligheid en het comfort van het retabel, dat aangetroffen werd in zeer goede staat.
In 1942 reisde Max Winders in opdracht van de Commissie Monumentenzorg naar Pau, om zich nogmaals te vergewissen van de toestand van ons nationaal patrimonium. 'Alles was volledig,' zei men hem daar, 'behalve het Lam Gods.' De Vichy-regering had het Lam Gods in de handen van de Duitsers laten vallen. Eerst werd het verstopt in het kasteel van Neuschwangstein en later - bij het naderen van de geallieerden - samen met andere uit bezette gebieden geroofde kunstwerken in de zoutmijnen van Alt Aussee, op een tachtigtal kilometer van Salzburg. Ondertussen had ene Oberleutnant Koehn ook de opdracht gekregen de gestolen Rechters in België op te sporen. In mei 1945 wist het Derde Amerikaanse Leger, samen met het Oostenrijkse verzet, de kunstwerken in de zoutmijnen van Alt Aussee in veiligheid te brengen. En zo werd het Lam Gods nog maar eens op transport gesteld naar de Sint Baafs.
In de jaren tachtig werd het veelluik weggehaald uit de Vydkapel en tentoon-gesteld in de voormalige doopkapel, waar het 'in een glazen schrijn in een koffer van staal' beter beveiligd kon worden tegen brand, overstromingen, aardbevingen en ander onheil. De maatregelen die toen genomen werden, hebben het Lam Gods de bijkomende status van het best beveiligde kunstwerk ter wereld bezorgd. Jammer dat die maatregelen voor althans één onderdeel van het onschatbare veelluik een halve eeuw te laat kwamen...





HOOFDSTUK 2

DE ROOF VAN DE RECHTVAARDIGE RECHTERS




Het minste dat men over de jaren dertig kan zeggen, is dat het 'bewogen' jaren waren. In heel Europa sloeg de economische crisis hard toe; Duitsland en Italië bevonden zich op een gevaarlijke rechtse helling. Tussen 1931 en 1934 werden niet minder dan 39 politieke aanslagen gepleegd en tussen oktober 1932 en juni 1934 kende België vier regeringen.
In 1933 werd ons land overspoeld door verschijningen van de Maagd Maria, die eerst in Banneux en Beauraing werd gesignaleerd, en daarna ook op bezoek kwam op verscheidene plaatsen in Vlaanderen. Het hoogtepunt van de religieuze massahysterie in Vlaanderen werd genoteerd in Onkerzele, een dorpje bij Geraardsbergen. Daar kreeg de zieneres Leonie Van den Dijck niet alleen visioenen van de Heilige Maagd, maar werd ze ook het middelpunt van een reeks Zonnewonderen, die door duizenden mensen werden bijgewoond. Eén van de velen die door Leonie werden gefascineerd, was Jan Boon, de hoofdredacteur van De Standaard, die ook van zich zou laten horen in een andere mysterieuze kwestie uit die periode: die van het gestolen Lam Godspaneel...
In januari 1934 voorspelde Leonie Van den Dijck dat koning Albert ten val zou komen. In een droom had ze gezien hoe iemand hem van een rots duwde. Nauwelijks een maand later was het zo ver. Het verhaal dat Albert I niet door een ongeval om het leven kwam, maar dat hij werd vermoord, groeide in de loop der jaren uit tot een stevige moderne sage.
Met de verschijningen, de UFO-fenomenen die zich rondom haar manifesteerden en vooral ook met haar visioenen, waarin zij allerlei voorspellingen deed, werd het verhaal van de zieneres van Onkerzele eveneens stilaan getransformeerd tot een onvervalst Vlaamse mythe. Zij voorspelde immers niet alleen de dood van koning Albert, maar ook het dodelijk ongeval van koningin Astrid in 1935, waardoor de natie nogmaals ernstig geschokt werd. Als we haar biograaf mogen geloven, voorspelde zij bovendien het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog en last but not least het feit dat haar lichaam na haar dood niet snel tot ontbinding zou overgaan. Meer dan twintig jaar na haar overlijden - de jaren zeventig waren dan al aangebroken - werd Leonie door haar volgelingen opgegraven, in het bijzijn van Jan Van Rompaey en zijn cameraploeg van het bekende TV-programma Echo. En zie, Leonie Van den Dijck had niet overdreven: zij lag nog 'intact' in haar graf!
In 1993 schreef ik samen met Guy Didelez een boek over de zieneres van Onkerzele, dat dorpje van niks op een half uurtje rijden van Erembodegem, waar ik woon. Het gaf de aanzet voor een tweede boek, een jeugdroman ditmaal, over De Moord op Albert I. Hierbij viel het me op dat ik mij, sinds Mysteries van het Lam Gods in 1991, in een periode van drie jaar, had bezig gehouden met drie van de grootste Vlaamse mythen die deze eeuw heeft voortgebracht. Alle drie hebben zij hun wortels in dat magische jaar 1934. Het zijn drie moderne sagen, die nog steeds zéér alive and kicking zijn, en dat niet alleen in de pers, in boekvorm of in de massamedia, maar ook - en misschien vooral - in wat we maar 'de volksmond' zullen noemen.
Dat 'magische jaar 1934' kende dus rampen en onheil in overvloed; gebrek aan stof voor sterke tapkastverhalen was er allerminst. En toch sloeg de roof van de Rechtvaardige Rechters nog in als een bom, te midden van vallende koningen en kabinetten, groeiende werkloosheid en de verbluffend snelle opmars van extreem-rechts.
In Gent, op 11 april 1934, om half zes in de ochtend, had de kerkbewaarder van de Sint Baafs de deur van de rechter zijingang open gevonden, wat trouwens al een paar keer voordien ook was gebeurd. (In april 1933 had het bisdom nog een tip gekregen dat er 'iets' beraamd werd met het Lam Gods, maar ook met die informatie werd weinig of niets aangevangen.)
Om zes uur zei de kerkbewaarder tegen de koster dat de kerkdeur aan het Sint Baafsplein waarschijnlijk weer een hele nacht had opengestaan. Samen deden zij hun ronde door de kathedraal, maar zagen niets verdachts. Het hek voor de Vydkapel, waar het Lam Gods werd bewaard, was nog altijd gesloten. Het groene rolgordijn dat iedere avond voor het veelluik werd neergelaten, hing er zo te zien nog onaangeroerd bij.
Om half acht opende de kerkbewaarder de zijkapellen van de kathedraal, want weldra zouden de toeristen nu opdagen. Hij maakte het hek van de Vydkapel open, rolde het gordijn op en verstijfde... het dubbele paneel aan de linkeronderkant van het veelluik ontbrak! Het dubbele paneel met aan de ene kant de Rechtvaardige Rechters en aan de andere kant Sint Jan de Doper was gestolen!
Het nieuws verspreidde zich als een lopend vuurtje. Toen commissaris Antoon Luysterborgh van de Gentse gerechtelijke politie eindelijk een onderzoek instelde naar de eerste sporen van de diefstal - het was inmiddels al namiddag geworden - waren honderden nieuwsgierigen reeds naar een schilderij komen kijken dat er niet meer was. De radio, het gloednieuwe medium dat reeds in vele Vlaamse huiskamers een centrale plaats bekleedde en waardoor duizenden mensen eerder al de begrafenis van Albert I hadden gevolgd alsof ze er zelf bij waren geweest, wijdde een speciaal nieuwsbericht aan de roof.
Het publiek werd opgeroepen om te helpen bij het opsporen van de stoutmoedige dief - nog een nieuwtje, en een tactiek die later nog een paar maal beproefd zou worden en zeker een rol heeft gespeeld in de ontwikkeling van de mythe die wij nu kennen. Bij die andere, latere oproepen regende het net als in april 1934 tips, letterlijk. Maar ofwel waren ze vals, ofwel deden ze niet terzake. Ook dat is een constante.
De meeste informanten van het eerste uur staken een beschuldigende vinger op richting Duitsland. Gedurende die eerste weken kregen verscheidene onschuldige Duitsers of lieden met een Duitse tongval het zwaar te verduren. De theorie dat de nazi's achter de roof zaten, zou in de jaren dertig o.a. een tijdje door John Flanders verdedigd worden en ging een lang leven tegemoet. In Mysteries van het Lam Gods heb ik deze thesis gebruikt voor één van de zeven scenario's waaruit het boek bestaat.
Toen Riki Simons in het Cultureel Supplement van het Nederlandse NRC-Handelsblad (24/1/1992) een paginagroot artikel wijdde aan de Mysteries van het Lam Gods, weekte dat een aantal reacties los in de vorm van lezersbrieven. Eentje was afkomstig van Nadja Goffaert uit Gent, die insinueerde op de persvoorstelling van mijn boek aanwezig te zijn geweest en stelde dat 'Barnauw' daar met zo veel onjuistheden en inconsequenties werd geconfronteerd, dat hij toegaf een roman in de trant van Eco's De Slinger van Foucault geschreven te hebben. Nu moet je als schrijver wel goed gek zijn om je op de persvoorstelling van je eigen boek te laten confronteren met een hoop negatieve kritiek; persvoorstellingen worden dan ook àltijd gekenmerkt door bijzonder vleiende - en meestal voor een stuk toch onterechte - loftuitingen van ingehuurde critici of deskundigen.
Nog merkwaardiger wordt de reactie van Nadja Goffaert, vijftien jaar oud op het ogenblik van de feiten en gezegend met een vader die ambtenaar was bij de burgerlijke stand van Gent en nog werd ondervraagd in verband met de diefstal, als we erbij vermelden dat ze vervolgens een exposé houdt waarin ze de stelling uit Mysteries van het Lam Gods bijtreedt en eveneens wijst op de betrokkenheid van Duitsland. Zo schrijft ze dat het nog steeds een courante opvatting is onder oudere Gentenaars, dat de schuilnaam D.U.A. van de vermoedelijke dader van de roof Arsène Goedertier, niets anders betekent dan 'Deutschland Uber Alles'. Het was een afkorting, even doorzichtig als - voor de Hollanders - 'vandaag CPN of VVD'.
'Omdat het (toen) nog niet in de lijn van de Duitse overheid lag, kunstschatten te roven,' aldus Nadja Goffaert, 'werd verondersteld dat één of meer fervente Duitsland-fanaten op eigen houtje hadden gehandeld (de zijpanelen waren immers na W.O. I uit Duitsland "teruggeroofd"). De discretie van de politie is heel goed te verklaren: men benaderde de Duitse overheid, in de hoop dat die het werk zou aangeboden krijgen.'
Nadja Goffaert betoogt voorts dat het er, volgens die oudere Gentenaars, sterk op leek dat men in Goedertier een geschikte dode had gevonden om als zondebok te dienen. Toen Oberleutnant Koehn in 1940 het onderzoek heropende, 'was iedereen stomverbaasd en ging men ervan uit dat er iets scheef moest zijn gelopen, dat het paneel nooit aan Duitsland was overhandigd'. Goedertier zou misleid zijn geweest; hij zou wél de Sint Jan teruggegeven hebben, maar de Rechters waren toen al door een onbekende verdonkeremaand. Die onbekende moest een kennis zijn van Goedertier en van 'de notaris' (ze bedoelt advocaat De Vos) en heeft zich voorgedaan als 'een Duitse revanchist'.
Kanunnik Van den Gheyn deed officieel en in het Frans aangifte van de diefstal en hield er een heel ander idee op na dan Nadja Goffaert. In interviews liet hij al meteen uitschijnen dat het om een 'revanche' ging, een wraakneming. Hij sprak ook van chantage. Luysterborgh van zijn kant was van mening dat de dieven goede bekenden moesten geweest zijn van de Sint Baafs en dat het best mogelijk was dat de gestolen goederen zich nog in de kathedraal bevonden.
Gedurende de hele maand april bleef het gerechtelijk onderzoek zowat ter plaatse trappelen. Pas veel later zou het bekend worden dat iemand rond middernacht een man uit de kathedraal had zien komen met een plank onder de arm, gewikkeld in iets zwarts. Maar op dat ogenblik waren er voor de rest slechts een handvol concrete sporen voorhanden. De man waarvan sprake zou overigens naar een zwarte Chevrolet gestapt zijn, die naast de kathedraal stond. Merkwaardig detail: de meid van Arsène Goedertier verklaarde in de jaren zestig aan de reporter William Luck die elders in dit boek aan het woord komt, dat haar werkgever reed met een bléke Chevrolet.
Op 1 mei bevond er zich onder de massa afpersingsbrieven van 'valse' dieven die op het bisdom Gent werden besteld en die het meestal hadden over 'een doek dat opgerold op mijn zolder ligt' of over één paneel - terwijl er eigenlijk twee stuks gestolen waren -, een lichtgroene omslag. Hij was gericht aan Zijne Hoogeerwaarde Excellentie Monseigneur Coppieters, de bisschop van Gent, en droeg de vermelding: strikt persoonlijk.
De omslag was de vorige dag in Antwerpen afgestempeld. Hij bevatte een slecht getypte en in onbeholpen Frans gestelde brief, waarin werd meegedeeld dat de schrijver dezes in het bezit was van de gestolen panelen (2 stuks!) en dat hij bereid was ze terug te geven, in ruil voor een losgeld van één miljoen frank. De brief was ondertekend met de kenletters 'D.U.A.' en de persoon die zich achter dit pseudoniem verborg, was rekening gehouden met de vaktermen die hij gebruikte, ongetwijfeld een kunstkenner.
'Wij oordelen het verkieslijk U de wederwaardigheden te onthouden van de wijze waarop wij in het bezit gekomen zijn van deze parels,' schreef D.U.A. 'Dit is zo onduidelijk dat enkel kan gezegd worden dat het kostbaarste van de twee panelen zich op een plaats bevindt welke slechts door één persoon gekend is.'
In zijn verdere briefwisseling met het bisdom zou D.U.A. zich altijd blijven voorstellen als een soort 'tussenpersoon' en nooit als de dief; over het losgeld sprak hij het liefst als over een 'commissieloon'.
D.U.A. stelde voor Sint Jan de Doper gratis voor niks terug te geven, zodat de bisschop op zijn beide oren kon slapen: híj was wel degelijk de man met wie onderhandeld moest worden. Indien de bisschop zijn voorwaarden aanvaardde, diende hij in de krant La Dernière Heure een advertentie te laten verschijnen met de tekst: 'D.U.A. In overeenstemming met de betrokken overheid, aanvaarden wij in het geheel uw voorstellen.' Het bisdom reageerde, in overeenstemming met de betrokken overheid, met de boodschap: 'D.U.A. Uw voorstel is overdreven.' Ondertussen deed commissaris Luysterborgh geen enkele poging om D.U.A. te identificeren aan de hand van de schrijfmachine waarmee de brief getypt was; schrijfmachines waren toen nog tamelijk zeldzaam, zelfs de politie bezat er geen, dus dat zou in feite een makkelijke klus geweest zijn.
D.U.A. antwoordde in een volgende brief dat hij zijn voorstel helemaal niet overdreven vond. Als de bisschop zijn voorwaarden aanvaardde, mocht hij zelfs vijf procent van het losgeld op zak steken! Uiteraard ging monseigneur Coppieters hier niet op in, maar inmiddels achtte men het bij het gerecht wel raadzaam het spelletje voorlopig mee te spelen. Op die manier zou men immers alvast de Sint Jan in handen krijgen. Over het bedrag dat nadien moest gestort worden, op een manier die duidelijk maakte dat de afperser goed op de hoogte was van het reilen en zeilen in de financiële wereld, kon men later nog met D.U.A. onderhandelen. Op 25 mei 1934 verscheen in de krant dan ook de gevraagde advertentie.
Vier dagen later ontving de bisschop een nieuwe brief van D.U.A., samen met een ontvangstbewijs van het bagagebureau van de Société Nationale des Chemins de Fer Belges, Bruxelles-Nord, nr. 8178, met als datumstempel 28.V.34 (8 u.). Dat was dezelfde datum en hetzelfde uur als op de afstempeling van de briefomslag; D.U.A. of één van zijn medewerkers was dus in Brussel geweest om het paneel te overhandigen en commissaris Luysterborgh koesterde de hoop dat de spoorwegbeamte hem een vrij duidelijke persoonsbeschrijving zou kunnen geven. D.U.A. had eindelijk een eerste onvoorzichtigheid begaan, door het depotbriefje dadelijk na de afgifte van het paneel in het Brusselse Noordstation op te sturen naar de bisschop. Blijkbaar had hij haast om de hele affaire definitief geregeld te krijgen.
Op de avond van de 29ste mei spoedde commissaris Luysterborgh zich naar de Brusselse randgemeente waar de spoorwegbeamte woonde die het paneel in ontvangst had genomen. De 46-jarige Alex Puissant herinnerde zich de persoon die hem de dag voordien 'een plank' had afgegeven als een man van vooraan in de vijftig, met een puntbaardje en een snor. Hij sprak Frans en zag er nogal bezadigd en welstellend uit. Later zou deze Alex Puissant de man van de plank identificeren als Achiel De Swaef, een goede bekende van Arsène Goedertier. De volgende ochtend repte commissaris Luysterborgh zich naar het Brusselse Noordstation, om het paneel af te halen. De onbeschadigde Sint Jan de Doper was gewikkeld in een zwart doek, met een wit touw omwonden.
Op 1 juni ontving de bisschop een vierde brief van D.U.A., waarin hij de monseigneur verzocht, 'ingevolge onze overeenkomst', een pakje met het commissieloon te deponeren bij pastoor Meulepas van de Sint Laurentiusparochie te Antwerpen. Meulepas woonde aan de Markgravelei 95.
'U kunt hem laten weten dat het hier gaat om de teruggave van papieren en brieven waarvan de eer van een zeer voorname familie afhangt,' schreef D.U.A. 'Gelieve E.H. Meulepas terzelfder tijd met dit pakje het hierbij gevoegde stukje dagbladpapier te bezorgen. De persoon die dit pakje in ontvangst komt nemen, zal in het bezit zijn van het andere gedeelte dat bij het eerste moet passen, wat men kan nagaan aan de tekst en de scheuring. Het is alleen aan de drager van dit stukje dagbladpapier dat het pakje met geld mag afgegeven worden. Wij menen dat deze voorzorgen noodzakelijk zijn om aldus elke vergissing uit te sluiten. Men mag deze persoon niet om uitleg vragen, men mag hem niet toespreken. Houd goed Uwe verplichtingen en doe geen verdere opzoekingen langs andere geheime wegen, want zij zouden de vernietiging van de Rechtvaardige Rechters voor gevolg hebben. Gelieve derhalve in La Dernière Heure aan te kondigen wanneer het pakje overhandigd wordt en wel met het volgende bericht: "D.U.A. - S.J. bien arrivé et paquet remis." Handel vlug en de zaak zal spoedig van de baan zijn.'
Op 6 juni vond er een hoogst belangrijke vergadering plaats op het kabinet van minister van justitie Paul-Emile Janson en in tegenwoordigheid van procureur-generaal Hayoit de Termicourt. De heren besloten eerst te proberen het nog ontbrekende paneel te bemachtigen en pas daarna al het mogelijke te doen om de rover te ontmaskeren. Met andere woorden: Luysterborgh kreeg te horen dat de dief hen bij wijze van spreken gestolen kon worden, en diende een rendez-vous met D.U.A. - waarbij hij hem mogelijk kon klissen - nog even uit te stellen. Hij mocht zich tijdens de overhandiging van het losgeld zelfs niet vertonen in de Sint Laurentiusparochie!
In het pakje dat aan de eerwaarde heer Meulepas werd overhandigd, zat overigens niet de geëiste 950.000 frank, maar 25.000 frank! Samen met een briefje van de bisschop, waarin hij zich verontschuldigde voor het feit dat hij 'in tegenstelling tot de verwachtingen' er niet in geslaagd was het gevraagde losgeld in te zamelen. Wél was hij bereid nog eens 225.000 frank te betalen 'na of op het ogenblik van de afgifte der Rechtvaardige Rechters'.
Op 14 juni bood zich een taxichauffeur aan bij pastoor Meulepas, nadat D.U.A. twee keer met de pastoor had gebeld om zijn komst te melden. De taxichauffeur gaf de eerwaarde heer het stukje krant en kreeg een pakje mee. Hij stak de straat over en verdween in een zwarte Minerva, die bliksemsnel wegreed en waarvan aangenomen wordt dat het Arsène Goedertier was die in de auto zat. In de nalatenschap van Goedertier zou immers een brief gevonden worden, geschreven door D.U.A. en gericht aan Goedertier, waarin hem - als fatsoenlijke vent - werd gevraagd een pakje op te halen, dat de eer van een voorname familie kon redden.
Deze spitsvondige truuk van Goedertier voor het geval hij gesnapt zou worden, was aan het gerecht van die dagen echter duidelijk verspild. Pas een half jaar later zou Luysterborgh de taxichauffeur ondervragen over die bewuste dag in juni... Maar toen was het natuurlijk al veel te laat om nog bruikbare informatie van de man te krijgen. En bovendien zou deze informatie hoe dan ook te laat gekomen zijn.
Toen D.U.A. ontdekte dat het bisdom de financiële afspraak niet was nagekomen, startte hij een kwade-brievencampagne. In totaal acht brieven schreef hij nog, waarvan de laatste niet meer verstuurd werd. D.U.A. reduceerde het losgeld tot een half miljoen, maar nog wilde men niet op zijn voorstellen ingaan.
Uit die brieven bleek dat D.U.A. goed wist waar het paneel zich bevond, maar dat hij het niet te voorschijn kon halen, zonder de aandacht van het publiek te trekken. Hieruit heeft men later geconcludeerd dat D.U.A. zinspeelde op een publieke gelegenheid. Alleen de bisschop kon, op aanduidingen van de dief, het paneel terugkrijgen. Hieruit dacht men dan weer te mogen afleiden dat het paneel verstopt was in de Sint Baafs zelfs, al kan het ook gewoon betekenen dat D.U.A., die altijd alléén met Coppieters wilde onderhandelen, het geheim van de schuilplaats ook alleen aan de bisschop wilde verklappen.
De laatste, erg bittere en geheimzinnige brief die D.U.A. naar monseigneur Coppieters stuurde, werd verzonden te Brussel op 1 oktober 1934. 'Laat mij toe vast te stellen dat ik alles heb gedaan om de Rechtvaardige Rechters te redden,' schreef hij. 'Ik geloof als "chef" mijn plicht te hebben gedaan tot het bittere einde en ik onthef mijn kameraden van mijn bevel hun wraak langer uit te stellen.'
Die passage wordt vaak geïnterpreteerd als een metaforische zinspeling op de elementen (vocht, weersomstandigheden,...). Ik geloof dat deze analyse op z'n minst voor discussie vatbaar is en dat D.U.A. ook gewoon zijn medeplichtigen kan bedoeld hebben.
'Zij zijn vrij en zoals zij en U, blijft mij niets anders over dan de gebeurtenissen af te wachten. Ik was mijn handen in onschuld en met gerust gemoed vertrek ik met mijn verschrikkelijk geheim,' stond er nog.




HOOFDSTUK 3

DOOD VAN EEN WISSELAGENT



Arsène Goedertier was een bezige bij. Van beroep koster en later wisselagent, had hij al eens een vliegtuigmodel ontworpen dat zelfs de interesse wekte van specialisten terzake. Hij was beheerder van enkele naamloze vennootschappen en stichter van de Congolese maatschappij Plantexel. Van het Ziekenfonds de Eendracht was hij medestichter en van de katholieke partij een vooraanstaand lid. In zijn vrije tijd speelde hij graag voor amateur-detective en ontpopte hij zich als een groot kunstliefhebber, die kopieën maakte van doeken van beroemde meesters. Hij was directeur van de Tekenacademie van Wetteren, waar hij in een protserig huis woonde aan de Wegvoeringstraat.
De familie Goedertier werd alom geacht. Meneer Arsène zelf zag eruit als een degelijk burger. Met zijn gouden neusknijper en zijn deftige zwarte kleren leek hij allerminst een fantast. Alleen die volle snor maakte zijn uiterlijk misschien een tikje buitenissig. Toch schilderden zijn kennissen hem af als iemand die ronduit knotsgekke ideeën durfde te verkondigen. Hij kon blijkbaar ook een aardig stukje doordrammen, want sommigen onder hen namen prompt de benen als ze hem op straat zagen naderen.
Meneer Arsène, geboren te Lede op 23 december 1876, gehuwd met Julienne Minne en vader van Adhemar, was op het ogenblik van zijn overlijden wisselagent-bankier met aanzienlijke, maar niet onoverkomelijke financiële problemen. Slechts een handjevol mensen was ervan op de hoogte dat die vrome, kunstzinnige en welgestelde meneer Arsène schulden had. Op 14 november 1934 ging de maatschappij Plantexel, die hij acht jaar voordien had opgericht, failliet. Maar 'monsieur Arsène' leek daar niet veel hinder van te ondervinden: hij bleef een kwajongensachtige man, grillig en... begiftigd met een enorm speurderstalent!
Zijn ijdelheid zette hem ertoe aan 'gevallen' op te lossen. Iedereen in Wetteren wist te vertellen hoe meneer Arsène, lang voor de politie, de sensationele inbraak in de juwelierszaak van Coosemans te Brussel had opgehelderd. Soms hielp het toeval hem wel een handje. Kort na de zaak Coosemans sloeg een dief op net dezelfde manier toe in Dendermonde, bij de schoonbroer van Arsène, juwelier Ernest Van den Durpel. Meneer Arsène slaagde erin zonder veel moeite de inbraak te reconstrueren, tot in de kleinste details. Jammer genoeg werd de handige dief nooit ingerekend.
Op een andere keer, toen hij nog koster was van de Sint Gertrudiskerk in Wetteren, kwam hij binnen de 24 uur de dader van een schilderijendiefstal uit de kerk op het spoor. Arsène Goedertier ontmaskerde de dief en dwong hem het gestolen doek terug te geven. De identiteit van de kerel wilde hij echter niet verklappen. Meneer Arsène bood ook de oplossing voor twee diefstallen van oude doeken uit Gentse kerken aan, maar in deze gevallen boekte hij minder succes: de inbrekers werden nooit gevonden.
Op zondag 25 november 1934 - een milde herfstdag - werd er omstreeks het middaguur een vergadering van de Katholieke Volkspartij gehouden in het Onze Lieve Vrouwcollege van Dendermonde. Arsène Goedertier, voorzitter van het katholieke ziekenfonds de Eendracht, nam het woord en pleitte vurig voor de oprichting van een vierde stand (hoge burgerij en intellectuelen). Er volgde een debat, Goedertier stapte naar een paar vrienden toe die hem feliciteerden - 'Ik heb het weer eens goed gezegd, hé?' glunderde hij - en toen zakte meneer Arsène plotseling door de knieën.
Zijn vrienden brachten hem naar een nabijgelegen herberg. Dokter De Cock, die de vergadering eveneens had bijgewoond, werd bij hem geroepen. Bereidwillige lieden hadden reeds zijn gezicht gewassen en zijn hemd geopend. Goedertier ademde zwaar en had een zwakke en onregelmatige polsslag.
'Acute hartasystolie,' luidde de diagnose van de dokter.
'Breng mij alstublieft naar het huis van mijn schoonbroer,' kreunde meneer Arsène. 'Juwelier Van den Durpel...'
Hij werd in zijn eigen auto gelegd en naar zijn schoonbroer gebracht, die op de Vlasmarkt woonde. Daar diende de dokter hem een injectie toe met een cafeïnepreparaat, maar de patiënt bleef onrustig en kortademig. Hij weigerde de bijstand van een priester: 'Mijn geweten is in orde,' zei hij. Maar hij vroeg wel naar een vertrouwensman: zijn boezemvriend en partijgenoot advocaat Georges De Vos, die de vergadering eveneens had bijgewoond.
Waarschijnlijk koos hij voor een vertrouwensman en niet voor een priester, omdat een priester gebonden was door het biechtgeheim en dat de zaak misschien kon blokkeren. De goede katholiek Goedertier had trouwens die dag vermoedelijk al gebiecht. Men heeft geopperd dat hij, indien hij in de biechtstoel een tipje van de sluier had opgelicht, de opdracht zal hebben gekregen het gestolen goed te restitueren. Dat lijkt hij ook daadwerkelijk van plan te zijn geweest.
Toen hij alleen was met Georges De Vos, zou Arsène Goedertier hem met horten en stoten verteld hebben dat enkel híj wist waar het Lam Gods zich bevond: 'In mijn bureau... Schuifken... kast... Mutualité...' Daarop gaf hij de geest. Of Goedertier alleen maar déze woorden gezegd heeft, weet niemand tenzij de advocaat, die later alleen maar deze woorden zou citeren. Er doen verschillende versies de ronde over de precieze laatste woorden van Arsène Goedertier; volgens sommigen zou hij bijvoorbeeld ook gezegd hebben dat 'het hele dossier van die zaak' in dat 'schuifken' berustte.
De precieze omstandigheden waarin Goedertier stierf, zijn ook altijd vrij duister gebleven. Als we de sterfscène in het huis van zijn schoonbroer reconstrueren, dan merken we dat er nog een heleboel andere mensen in de buurt moeten geweest zijn. Hebben zij niets opgevangen van zijn laatste woorden? De Vos zou ook minstens een kwartier met Goedertier alleen geweest zijn: heeft Goedertier dan écht niks méér gezegd?
En dan is er nog de kwestie Libertus Bornauw (een bijna-naamgenoot van schrijver dezes, maar geen familie!). De dokter zou, in samenspraak met de schoonbroer van Arsène en tegen diens wil in, tóch een priester gehaald hebben, in de persoon van dom Bornauw, een monnik van de abdij van Dendermonde. De benedictijn zou de laatste woorden van Goedertier even hebben onderbroken, maar door Goedertier weer weggestuurd zijn - een oponthoud dat volgens sommigen fataal is geweest. Goedertier wilde immers nog iets aan zijn bekentenis toevoegen, maar kón het nu niet meer en blies zijn laatste adem uit. Libertus Bornauw werd naderhand naar een abdij in het zuiden van Frankrijk gestuurd, waar hij in het holst van de winter het bezoek mocht ontvangen van een mysterieuze persoon, die zijn naam uit het gastenboek van de abdij liet schrappen.
Op 29 november 1934 vond te Wetteren in de Sint Gertrudiskerk voor een enorme menigte een begrafenisplechtigheid plaats, die op een koninklijke wijze werd opgeluisterd. Minister van Staat baron Werner Tibbaut, burgemeester Jozef Du Chateau en een paar mindere goden spraken de lijkreden uit, waarin de toewijding en de wijsheid, de strijdvaardigheid, de onvermoeibare werklust en de belangeloze offervaardigheid van de aflijvige werden geprezen. Om nog maar te zwijgen van 'het uiterst verfijnde kunstgevoel' en 'de ingeboren behoefte tot mededelen van praktische bevindingen' van deze 'reddende engel van de arbeidersklasse', van deze 'apostel wiens woord meeslepend en overtuigend klonk'. Zijn ziel mocht rusten in vrede, want zijn edele werken zouden zijn onderbroken taak onverminderd verder zetten, voor het welzijn van alle burgers.
Onder de rouwende menigte bevond zich ook de 45-jarige boezemvriend van wijlen Arsène Goedertier, advocaat Georges De Vos uit Dendermonde. Twee andere intieme vrienden waren afwezig, maar dit werd door niemand opgemerkt, om de eenvoudige reden dat weinige mensen op de hoogte waren van de relatie tussen deze twee dubieuze figuren en de alom geprezen monsieur Arsène. Eigenaardig genoeg droegen beide raadselachtige heerschappen precies hetzelfde puntbaardje en precies dezelfde snor.
'Eén van hen kon zelfs niet meer aanwezig zijn op de begrafenis want hij overleed in de vroege ochtend van 29 november 1934,' schreef Jos Cels in Meneer Arseen en de Rechtvaardige Rechters. 'De andere was die morgen erg ongesteld en hij overleed een paar maanden nadien, even plotseling.'





HOOFDSTUK 6

HET ONDERZOEK, DERDE FASE: MORTIER & KERCKHAERT




Gedurende de jaren vijftig leken de speurders naar het verdwenen paneel ingedut te zijn, maar die betrekkelijke rust was slechts schijn. Naast gerechtsverslaggever Jos Cels, die in 1963 zou uitpakken met het eerste boek over de zaak, Meneer Arseen en de Rechtvaardige Rechters, waren ook Karel Mortier en Noël Kerckhaert reeds gefascineerd geraakt door het mysterie dat Goedertier had nagelaten.
Karel Mortier (1928) trad in 1948 toe tot het politiekorps van de stad Gent en was van 1974 tot 1991 hoofdcommissaris van politie. Deze licentiaat in de criminologie en ook in de stedebouw en de ruimtelijke ordening, associeerde zich met Noël Kerckhaert, leraar en later journalist bij Gazet van Antwerpen. In 1966 publiceerden zij gezamenlijk een criminologische studie over De diefstal van het Lam Gods, die in 1968 werd gevolgd door De Rechtvaardige Rechters gestolen. In 1994 verscheen de kroon op hun werk: Dossier Lam Gods, zoektocht naar de Rechtvaardige Rechters. Jammer genoeg overleed Noël Kerckhaert precies in de periode waarin dit standaardwerk van de persen rolde.
Het belang van het speurwerk van dit duo kan niet genoeg benadrukt worden. Met wetenschappelijke nauwgezetheid en een eindeloos geduld bogen zij zich over het raadsel. Ze werden daarbij niet gehinderd door de journalistieke slordigheden en simplificaties of de zucht naar sensatie die al eens opdoken in het werk van Jos Cels, en evenmin door de fantasie van schrijvers die in de eerste plaats droomden van een zo sterk mogelijk verhaal. Wat dan weer niet betekende dat het duo gespeend was van een elementair gevoel voor humor. Vooral de flegmatieke, inmiddels gepensioneerde commissaris toverde al eens een monkellachje te voorschijn. Evenmin ontbeerden zij de flair om op een uiterst doeltreffende wijze de moderne massamedia te bespelen. Ook op dit punt was het meestal de commissaris die het voortouw nam.
Het is dank zij Mortier & Kerckhaert dat het grote publiek voor het eerst uitgebreid kon kennismaken met het zo belangrijke Dossier Koehn, dat voorheen zo goed als onbekend was. Ze kwamen de Oberleutnant op het spoor door twee Duitstalige dokumenten in het gerechtelijk dossier, waarin gewag werd gemaakt van elementen die zich niet (meer?) in het gerechtelijk dossier bevonden.
'In 1964 begaven we ons naar het "Heeresarchiv" in de vroegere abdij van Kornelimünster, dichtbij Aken,' lezen we in Dossier Lam Gods. 'Daar worden alle personeelsgegevens over alle leden van het Duitse leger tijdens W.O.II bewaard. Hoewel de naam Koehn zo verspreid was als bijvoorbeeld Janssens of Peeters in België, kon de betrokkene gevonden worden door zijn in het Engels geschreven voornaam Henry. Via die identiteitsgegevens kon, met medewerking van de Duitse politie, achterhaald worden dat hij zich na de oorlog in Hamburg had gevestigd. Daar vernamen wij dat hij kort voordien was overleden. Zijn broer verwees ons naar de weduwe, die intussen in Kampen op het eiland Sylt woonde. Na haar de toedracht van de zaak en het belang ervan te hebben uiteengezet, was zij bereid ons het dossier van de door haar man gedane opzoekingen en verhoren toe te vertrouwen. Hij had haar destijds meegedeeld dat het ging om waardevolle dokumenten, waarover hij misschien nog eens een boek zou schrijven. Later kregen wij ook delen van zijn dagboek ter inzage.'
Het Dossier Koehn telde 257 bladzijden en gaf een heel nieuwe kijk op de feiten, alleen al vanwege al de gegevens die niet in het Gentse gerechtelijk dossier aan bod kwamen.
Mortier & Kerckhaert onderwierpen de zaak voor het eerst aan een degelijke reconstructie en diepten verklaringen van ooggetuigen van de diefstal op. Ze ondervroegen nog niet over de kwestie ondervraagde personen of deden de verhoren uit de jaren dertig en veertig nog eens over, voor zover deze mensen nog in leven waren.
Omtrent de motieven van Goedertier verklaarde commissaris Mortier in het docudrama Agnus Deï (1994) van het BRTN-programma Panorama het volgende: '... toen kwam er in 1929 de fameuze crash van New York. Op dat ogenblik deden zich ook in ons land nogal wat moeilijkheden voor, maar Goedertier kon tamelijk goed standhouden. Als men bedenkt dat hij in 1934 samen met zijn echtgenote over drie miljoen frank in eigendommen kon beschikken... Dat was voor die periode toch een respectabele som. (...) Er werd jarenlang volgehouden, zowel door de gerechtelijke overheid als door de mensen uit Wetteren, dat één van de motieven van de misdaad geldnood zou kunnen zijn. Welnu, dat is eenvoudig niet waar. Wij hebben dat duidelijk kunnen ondervinden aan de hand van dokumenten. Dat er misschien geldhonger was, laat ik in het midden. Maar andere motieven kunnen bijvoorbeeld zijn: wraak, dat is niet uitgesloten, of een vriendendienst, een vrouwenkwestie, politiek... Wat een mogelijkheid zou kunnen zijn, zonder daar formele bewijzen van gevonden te hebben, is dat Goedertier geen verder geld meer uit het wisselagentschap kon nemen, noch uit zijn privébezit, maar dat hij toch iemand wilde helpen, en daarvoor als tegenprestatie de belofte kreeg van een politiek mandaat. Hij was ongetwijfeld politiek gebonden aan de toenmalige Katholieke Volkspartij. Het is best mogelijk dat in die periode zich moeilijkheden voordeden met wat men noemde "mantelorganisaties". De verliezen op economisch gebied waren enorm. Het is zelfs zo dat men in 1934 en meer bepaald vijf dagen voor het overlijden van Goedertier een nieuwe regering moest installeren, omdat de vorige die bestond uit katholieken en liberalen, spraak gelopen was op het probleem van steun aan de banken.'
Mortier & Kerckhaert geloven dat er een verband bestaat tussen de zaak van de verdwenen Rechters enerzijds en tussen de politici, de financiers en de organisaties rondom de Katholieke Volkspartij anderzijds. In juni 1934, twee maand na de diefstal, stelden de liberalen en de oppositie hieromtrent parlementaire vragen aan de volksvertegenwoordigers De Schrijver en Van Cauwelaert en aan minister Sap - alle drie leden van de Katholieke Volkspartij. Vooral minister Sap kwam in de vuurlinie te liggen, maar hij beriep zich in zijn antwoorden op het beroepsgeheim. Sap verklaarde dat hij afwist van zaken die voor de Katholieke Volkspartij een schande en een ramp zonder weerga zouden betekenen.
De familie Goedertier van haar kant deelde aan Mortier & Kerckhaert mee dat Arsène destijds goed bevriend was geweest met politieke personaliteiten als August De Schrijver. En had mevrouw Goedertier niet gezegd dat haar man alleen maar had 'geholpen' bij de diefstal, ten behoeve van een eerbare familie waarvan de kinderen geld nodig hadden?
Opgemerkt dient te worden dat op deze uitspraak in het TV-programma een reactie kwam van Reginald De Schrijver, een zoon van de genoemde politicus. Hij meldde dat 'ten tijde van de diefstal door Arseen Goedertier, in de familie De Schrijver het oudste kind acht, de oudste zoon nog geen vijf en het jongste kind - ondergetekende - vijftien maand oud was'.
Hoe dan ook, dat het paneel nog steeds zoek is, komt volgens Mortier & Kerckhaert door het feit dat er mensen zijn die vrezen dat samen met de Rechters de juiste toedracht van de zaak aan het licht zou komen, en dat het niet alleen Goedertier was die bij de kwestie betrokken was.
Blijft er nog het raadsel van de bergplaats. Al in hun eerste publikatie over het onderwerp hebben de beide auteurs gesteld dat de Rechtvaardige Rechters zich wellicht nog ergens in de Sint Baafs bevinden. Dit menen zij te mogen opmaken uit een close reading van de D.U.A.-brieven, uit diverse uitlatingen van Goedertier, uit verklaringen van de weduwe Goedertier en uit de reconstructie van de diefstal.
'Iets dat verplaatst wordt, is niet gestolen,' zou Goedertier ooit gezegd hebben. Tegen zijn vrouw zou hij ook beweerd hebben dat, indien hij de Rechters moest zoeken, dit zou gebeuren 'au tour' of 'autour' Sint Baafs - in de toren of rondom Sint Baafs. Uit de D.U.A.-brieven weten we dat er gezocht dient te worden in een publieke gelegenheid, waar men de Rechters niet onopgemerkt kon weghalen en waar mogelijk zelfs alleen de bisschop ze kon recupereren. Op die manier moest D.U.A. zich zélf niet in de gevaarzone begeven om de Rechters terug te geven, zodra hij het losgeld in handen had. Voor de tegenpartij was zijn voorstel 'te nemen of te laten': eerst het losgeld, en dan zou hij zéggen waar men de Rechters moest zoeken.
Goedertier speelde vaak op het orgel in de Sint Baafs. Nu werd in zijn bureau een sleutel gevonden, waarvan men tot voor kort niet goed wist in welk slot die paste. Commissaris Mortier kwam erachter dat deze sleutel paste in het slot van het oksaal, de plaats waar het orgel staat, hoog boven de linker zijbeuk, ongeveer in het midden van de kathedraal. Op die plek loopt een dubbele muur tussen de zuilen van het middenschip, waar de portretten van alle Gentse bisschoppen hangen.
Eén van de schetsjes die in de nalatenschap van Goedertier werd gevonden, vertoont een paar evenwijdige lijnen en het cijfer 25. En hoe breed waren de oude planken van de vloer van het oksaal? Jazeker, 25 centimeter! Het was heel goed mogelijk een paar van die planken op te lichten en het paneel tussen de dubbele muur te laten zakken. Aan weerskanten van het orgel liepen ook twee wenteltrappen.
Mortier & Kerckhaert wisten dat het oksaal nog nooit goed was uitgekamd. Onder de nieuwe vloer uit '35 vonden ze de oude houten vloer, die aangelegd werd toen de Sint Baafs een nieuw orgel kreeg. Als vriend van de bisschop wist Arsène Goedertier dat voor de Wereldtentoonstelling van 1935 een nieuw, groter orgel besteld was, waarvoor ook een nieuwe vloer over de oude heen gelegd zou worden. Dit verklaart zijn wanhoop wanneer zijn correspondenten niet meteen geneigd lijken op zijn voorstellen in te gaan, de oproepen die hij doet om snel te handelen en de verwijzingen naar 'zijn kameraden' die de Rechters wel eens voor altijd zouden kunnen vernietigen.
Toen Mortier & Kerckhaert proefboringen deden in de planken van het oksaal, vonden zij iets heel merkwaardigs: één enkel blaadje, dat uit een oud missaal was gescheurd. En wat stond er op dit blaadje? Het Agnus Deï... 'Bijna niet te geloven, hé?' glunderde de commissaris in een interview dat hem afgenomen werd in 1991, door René De Witte van de Gazet van Antwerpen.
'Het paneel zou dus in of onder de vloer van het oksaal verborgen zijn?' vroeg de journalist.
'Of in het orgel,' antwoordde de commissaris. 'In een windtunnel of zo. We zijn naar Dresden gegaan in de hoop dat we in de archieven van de orgelbouwer zouden kunnen achterhalen waar het eerste orgel - of stukken ervan - naartoe is gegaan, maar jammer genoeg is dat gebouw tijdens de oorlog gebombardeerd. Er was dus niets terug te vinden.'
'Het paneel kan dus best onder de vloer van het oksaal zitten of ergens in een deel van een orgel dat zich om het even waar bevindt?'
'Inderdaad. Wij vermoeden dat het nog wel bestaat. Wat kan, is dat het zich ergens bevindt waar het sterk beschadigd wordt. Stel dat het paneel zo lang op dezelfde plaats heeft gezeten, dan is het best om er af te blijven. Als iemand het paneel zou vinden en er aankomen, is het goed mogelijk dat de verf er zo van afvalt.'
Maar ook dit alles blijft een hypothese. In 1994 ging de Panorama-ploeg op aanwijzingen van commissaris Mortier en met de hulp van Guido Van de Voorde van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium zelf op - radiografisch - onderzoek in de Sint Baafs. Er waren honderden potentiële bergplaatsen voorhanden, maar de preekstoel leek wel de moeite van een onderzoek waard.
'Honderden amateur-detectives, pendelaars, parapsychologen, paragnosten enz... wisten het paneel al of niet zitten,' luidde het verslag van de speurtocht. 'Zestig jaar lang werd er gezocht naar iets dat zeer sterk op het monster van Loch Ness leek. Alleen bestond dit paneel wel echt. In een bergplaats van de kathedraal maakte Guido Van de Voorde een geïmproviseerd foto-lab. De X-ray films ontwikkelde hij onmiddellijk, maar het resultaat was negatief.'
In de marge van dit onderzoek ontmoetten de speurders de opvolger van kanunnik Van den Gheyn. 'Hij opende voor ons deuren en bergplaatsen waar je anders nooit binnenraakt, en vertelde ons over amateur-detectives die hij betrapt had met werktuigen om graven te openen. Merkwaardig was het verhaal van de kapelaan over de zoon van - ja, opnieuw - August De Schrijver, die als student een zoektocht organiseerde in de crypte.'
Wordt ongetwijfeld vervolgd.

1 opmerking:

Cursief Huigje zei

zoveel jaar later is dit nog steeds actueel. De Lam Gods-gekte slaat weer eens toe.
Natuurlijk zou het de max zijn om nog mee te maken dat het paneel teruggevonden wordt.
Ik heb alvast een theorie.