21.6.06

De Mythe van de Rechtvaardige Rechters 5 (Rechters, speurders & fantasten)





HOOFDSTUK 1

EEN HELDERZIENDE BIJ PILAAR L



In hun boeken over de roof hebben Mortier & Kerckhaert steevast een lijst opgenomen van een vijftigtal pendelaars en helderzienden, die op speurtocht zijn gegaan naar het verdwenen paneel. In deze lijst figureert ook ene A.V. uit S., die al in 1965 een gooi deed naar landelijke roem en niemand minder dan August Vervloet uit Sint-Truiden bleek te zijn.
Gust Vervloet raakte gefascineerd door het mysterie, toen hij toevallig in gesprek kwam met een wellicht eveneens helderziende dame. 'Als u ooit in Gent komt,' zo sprak dit moderne orakel hem toe, 'loop er dan niet voorbij, want in Gent werd een lammetje verloren. De rechters die erover moesten waken, hebben de stal eveneens verlaten. Ze zouden zich bevinden in een grote trap.'
Aangespoord door deze sibyllijnse boodschap, ging Gust op zoek. Nog in 1965 legde hij, naar eigen zeggen, in Gent een proef af bij commissaris Mortier en kreeg hij diens vertrouwen. Mortier gaf Gust een foto van Goedertier en zelf schafte Gust zich een postkaart aan met een afbeelding van het Lam Gods, waarin ook de door Jozef Van der Veken geschilderde kopie van de Rechtvaardige Rechters was opgenomen. Precies omdat het hier om een afbeelding ging van een kopie en niét van het origineel, raakte Gust met zijn pendel op een dwaalspoor. In de stadsmagazijnen aan de Nederpolder in Gent vond Gust onder een steen wel een oude vloer terug, maar geen Rechters. Het experiment gebeurde in tegenwoordigheid van onder andere de schepen van onderwijs, een televisieploeg, journalist Jos Cels en commissaris Karel Mortier. Het zorgde ervoor dat Gust het vertrouwen van Mortier verloor.
Gust bleef evenwel niet lang bij de pakken zitten. Eind 1965 deed hij een tweede pendelpoging met behulp van een foto van de échte, door Van Eyck geschilderde Rechters, een plan van de kathedraal en het portret van Goedertier. Zo vond hij in de nacht van Allerheiligen op Allerzielen - let op de symboliek! - de bergplaats van de Rechtvaardige Rechters. Tot drie maal toe wees zijn wichelroede de pilaar L aan, gesitueerd tussen de Vydkapel en het altaar van het kapittel.
Op 29 maart 1966 verscheen er in de Gazet van Antwerpen een artikel over de Rechtvaardige Rechters, naar aanleiding van het eerste boek van Mortier & Kerckhaert. Vooral de tekeningen die erbij werden afgedrukt, trokken de aandacht van Gust Vervloet. Eén schets, die samen met andere gevonden werd in Goedertiers bureau, stelde ogenschijnlijk een wagentje voor met rechts onderaan een opstapje. Zo goed hij kon, kopieerde Gust deze schets (zie figuur A), die volgens hem niets anders was dan een doorsnede van pilaar L, met verdere aanduidingen van de ligging ervan. De maten klopten precies. De Rechters konden niet anders dan verborgen zijn achter een zware marmeren gebogen plaat langs de noordzijde van die pilaar L in het kapittel.
Gust vroeg en kreeg toestemming om de pilaar te onderzoeken. Achter de plaat vond hij gebruikte lucifers, vele stukken zwart marmer, glas, lood, plaaster en ander afbraakmateriaal. 'De Rechtvaardige Rechters waren aan het verstikken,' verklaarde hij naderhand. 'Ze hadden die plaats toen nog niet verlaten. Ze waren echter tevreden omdat ik hen met een ijzeren lat op de kop had getikt. Ik heb ze ook aangeraakt en voelde dat de achterkant van het paneel met dwarsliggers was bezet.' De autoriteiten zagen echter af van een verwijdering van de plaat tegen pilaar L.
Op de Boekenbeurs van Antwerpen nam Gust Vervloet opnieuw contact op met commissaris Mortier. Hij wees hem erop dat de maten op de tekening van het zogenaamde 'wagentje' klopten met deze die hij bij pilaar L had opgemeten. Hierop zou Mortier hem gezegd hebben dat de tekening van het wagentje 'nooit meer het daglicht zal zien'. In de tweede druk van het boek van Mortier & Kerkchaert werd dit wagentje inderdaad niet meer afgebeeld.
Begin 1968 zou de koster van Sint-Baafs overigens aan Gust meegedeeld hebben dat 'het paneel niet meer achter de pilaar zat'. Gust stelde persoonlijk vast dat dit de waarheid was. 'Twee heren,' aldus de koster, 'hebben de plaat verschoven en de Rechters meegenomen.'
In de nacht van Pinksteren op Pinkstermaandag 1969 kwam het onderzoek van Gust Vervloet in een tweede beslissende fase. Toen slaagde hij er namelijk in het plan van het geheimzinnige wagentje te ontcijferen.
In het midden van het wagenwiel ziet men een cirkel, waarin men een S kan ontwaren (zie ook figuur I, omcirkeld). Links boven de S vindt men een omgedraaide B terug. Links van de cirkel ziet men tevens een tweede boog, die men als een C kan lezen. Wanneer men die tweede boog nu met de S verbindt, krijgt men een G. De vier aldus verkregen letters - S, B, C en G - staan uiteraard voor Sint Baafs Cathedraal Gent.
Onderaan de figuur A ziet men het zogenaamde opstapje. In deze tekening ontwaart Gust Vervloet een rebus, die verdere aanduidingen geeft met betrekking tot de bergplaats van de Rechters. Deze schets is volgens hem immers opgebouwd uit louter letters, die door en over elkaar heen geschreven zijn (zie figuur II, omcirkeld). Als men deze rebus van letters met de Methode Vervloet te lijf gaat, bekomt men de volgende boodschap: 'PILAAR L ZWARTE MARMEREN PLAAT PLANK'.
Volgens Gust Vervloet zouden ook andere schetsen van Goedertier maten bevatten die corresponderen met de maten die hij eertijds opgemeten heeft in de kathedraal, bij pilaar L. Zo is 1,09 (zie figuur A, in het wiel van het wagentje) de afstand van het middelpunt naar de buitenrand van de pilaar; 1,44 is dan weer de afstand van het middelpunt van de pilaar naar de buitenkant van de kolom die naast de pilaar staat en waarvan het gewelf op het kapittel rust. Hierbij dient volgens Gust ook opgemerkt dat een schets van een wagentje nooit zulke gekke maten kan bevatten.
Zo en niet anders dienen dus de fameuze schetsen van Arsène Goedertier ontraadseld te worden. Gust Vervloet heeft zijn studie in eigen beheer gepubliceerd onder de titel Spoorloze Sporen - De bergplaats van de Rechtvaardige Rechters gevonden - Het plan Goedertier ontcijferd. De tamelijk onleesbare brochure werd gedrukt door een Antwerpse firma die anoniem wenste te blijven en was nooit in de handel verkrijgbaar. Gust deelde exemplaren van zijn levenswerk uit, met gulle hand.
In 1985, toen de Rechters net een halve eeuw spoorloos waren en deze verjaardag overal te lande werd herdacht door middel van koortsachtige speurtochten, wijdde journalist Jef Van Gool van Gazet van Antwerpen nog eens een paginagroot artikel aan de ontdekkingen van Gust Vervloet. Daarin stelt hij zich de vraag waarom commissaris Mortier verklaarde dat de schets van het wagentje nooit meer het daglicht zou zien, nadat Gust hem over zijn ontdekking had verteld. 'Waarom staat in een luxe-uitgave van het boek van Jos Cels, handelend over de affaire, tóch een foto van Gust, terwijl er nog 46 andere helderzienden mee bezig waren?' vraagt van Gool zich voorts af. En: 'Waarom wil men per sé een wagentje zien in een tekening die dit helemaal niet voorstelt?'
Anno 1985 was Gust Vervloet ervan overtuigd dat de Rechters in het bezit waren van het bisdom Gent of van een vooraanstaande katholieke familie, die het paneel uiteraard niet konden teruggeven zonder zichzelf in diskrediet te brengen. Daarom trachtte men het kunstwerk via allerlei afleidingsmaneuvers zoals het openbreken van monumenten of graftomben aan het daglicht te laten komen uit een schuilplaats waar het 'altijd' verborgen had gezeten.
Gust zelf had wel een paar ideetjes waar het paneel moest gezocht worden, nadat het door de twee geheimzinnige heren was weggehaald uit de buurt van pilaar L in de Sint Baafs. Maar indien hij deze informatie aan de grote klok hing, zou men hem wellicht naar het leven staan.
'Ik wil alle moeilijkheden die daarbij komen kijken, niet meer meemaken,' zei hij aan Jef Van Gool. 'Daarenboven zijn er mensen die weten waar het zit; ze kunnen het van schuilplaats verwisselen.'


LEES HIER MEER OVER IN:

HOOFDSTUK 3

DE MYSTERIEUZE MONSIEUR MAX



Op 23 november 1971 zorgde gerechtsverslaggever Jos Cels, die met het eerste non-fictie boek over de roof van de eeuw - Meneer Arseen en de Rechtvaardige Rechters (1963) - ook verantwoordelijk was geweest voor een eerste opstoot van na-oorlogse Rechters-gekte voor een tweede partijtje vuurwerk. Boven een artikel in het weekblad Knack zette hij toen namelijk deze titel: 'Rechtvaardige Rechters (ongeschonden) terecht?' Later deed hij de achtergronden van die sensationele kop uit de doeken in één van de volgende verbeterde en aangevulde edities van zijn eerste boek.
Wat was er gebeurd? Twee maanden voordien had Jos Cels een onderhoud gehad met monseigneur Leo de Kesel, voorzitter van de kerkfabriek van Sint Baafs, in het bekende restaurant De Potaerde te Waarloos. Enkele dagen later bezocht Cels de vicaris-generaal op diens verzoek in zijn woning aan de Limburgstraat te Gent. Tijdens deze samenkomsten zou monseigneur de Kesel hem toevertrouwd hebben dat het paneel de Rechtvaardige Rechters in 1941 tijdens grondige opsporingen in de Sint Baafskathedraal voor de neus van Oberleutnant Koehn uit zijn schuilplaats werd gehaald. Het paneel zat verborgen onder de trappen die leiden naar het hoogkoor, dat alleen te bereiken was via de crypte die onder het gehele koor doorloopt. Nu berustte het paneel in een kluis van een museum in Parijs, waarover Max Winders meer kon vertellen, aldus nog monseigneur de Kesel, die voor de rest ook meende dat hij niet de aangewezen persoon was om Winders ertoe over te halen het paneel terug te bezorgen. Later zou monseigneur de Kesel dan weer hardnekkig ontkennen dat hij Jos Cels dit alles ooit had toevertrouwd.
Een vreemde historie, die nog merkwaardiger wordt wanneer we wat dieper ingaan op de mysterieuze figuur van meneer Max Winders, geboren in 1882 als zoon van een bekend Antwerps architect - bouwmeester van o.a. het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten - en overleden in 1982, op honderdjarige leeftijd.
Max trad als jongeman in de voetsporen van zijn vader, maar specialiseerde zich in het tekenen van bankgebouwen, waar zijn huwelijk in 1907 met de dochter van de toenmalige directeur van de Nationale Bank te Brussel wellicht niet vreemd aan zal geweest zijn. In opdracht van zijn schoonvader bracht hij in 1914 de Belgische goudreserve in veiligheid, in Engeland. Koningin Elisabeth, prinses Marie-Josée en de prinsen Leopold en Karel vergezelden hem op de overtocht. Zo raakte Max Winders bevriend met het vorstenhuis, en vooral dan met koningin Elisabeth en prins Karel. Sindsdien werd zijn naam ook steeds in één adem genoemd met ons nationaal kunstpatrimonium. Zowel tijdens de Eerste als de Tweede Wereldoorlog werd hij belast met de zorg voor onze kunstschatten.
In het Dossier Lam Gods van Mortier & Kerckhaert wordt vrij veel aandacht besteed aan de rol van Max Winders in het onderzoek naar de Rechtvaardige Rechters. Niet alleen had hij in het begin van de oorlog te maken met een aantal avonturen die het Lam Gods toén beleefde, maar ook werkte hij tijdens de oorlogsjaren nauw samen met Oberleutnant Koehn om het verdwenen paneel de Rechtvaardige Rechters op te sporen. Volgens commissaris Mortier was het duidelijk dat Winders de verbindingsman was tussen de Duitse 'Kulturforscher' en 'derden'. Samen met de Oberleutnant deed hij het hele gerechtelijk onderzoek uit de jaren dertig en het officieuze onderzoek van Van Ginderachter & Co. nog eens over - soms door het maken van samenvattingen van 'geheime' en minder geheime dossiers.
Winders lichtte monseigneur Coppieters en kanunnik Van den Gheyn in over de activiteiten en voornemens van Oberleutnant Koehn. Daarbij stelde hij uitdrukkelijk dat hij aan dit Duitse onderzoek meewerkte 'onder de formele voorwaarde, die aanvaard was, dat het paneel, indien het werd teruggevonden, aan Sint Baafs zou overhandigd worden'. Volgens Winders verbleven de Rechters 'met absolute zekerheid' in de Sint Baafs, en meer bepaald in de crypte, 'waarschijnlijk in de ruimte die er aan paalt en zich uitstrekt onder het deel, gelegen voor het koor'. Uit één en ander bleek duidelijk dat Winders, buiten medeweten van Koehn, op eigen houtje opsporingen deed in de kathedraal en dus ook een privé-onderzoek verrichtte, wellicht met de bedoeling de Duitsers voor te zijn.
Zowel Winders als Koehn leken te denken aan een nis, gelegen achter de westelijke muur van de crypte, onder de benedenkerk, als een mogelijke bergplaats voor de Rechters. 'In een hoek van de nis trof hij (Winders) een sterk beschadigde doodskist aan met daarin nog een geraamte,' lezen we in Dossier Lam Gods. 'Het gebeente lag enigszins verspreid, het hoofd naast de romp. De bodem van die onderaardse ruimte was bedekt met een dikke, redelijk droog gebleven laag zand.'
Deze ruimte, die volgens Winders 'bepaalde radiesthetische reacties' uitzond, samenvallend met 'die van de panelen van de triptiek', stemde overeen met voorstellingen die Goedertier kon aangetroffen hebben in de boeken van de detective-serie Le Masque, die hij in zijn bibliotheek bewaarde. Bij een tweede bezoek aan deze plaats bleken de planken van de doodskist verplaatst te zijn. Door Winders zelf? Door de radiesthesist, een zekere Janssens, die hij opgetrommeld had? Door anderen nog?
Op 20 mei 1942 ging Koehn, in tegenwoordigheid van o.a. Winders, commissaris Luysterborgh, kanunnik Van den Gheyn en drie arbeiders over tot een grootscheeps onderzoek van de kathedraal en de crypte. 'Vrij abrupt vermeldde hij in zijn nota over die opzoeking, dat het paneel zich niet in de kathedraal kon bevinden of... dat het er al was verdwenen,' schrijven Mortier & Kerckhaert. Die vaststelling zou niet alleen gebaseerd zijn op 'het negatief resultaat van de speurtocht'. Meer uitleg verstrekte de Oberleutnant niet. Nadien zou hij, in sommige gevallen alweer samen met Winders, nog op een aantal andere locaties die in aanmerking kwamen als bergplaats onderzoekingen verrichten, zo onder meer in de Sint Gertrudiskerk en de Tekenacademie van Wetteren.
In 1963 vertelde Max Winders aan commissaris Mortier dat hij in 1941 'op last van het bisdom' een onderzoek had ingesteld, wat zijn verhaal er niet eenvoudiger op maakte. Winders beweerde toen ook dat monseigneur Coppieters hem zou toevertrouwd hebben dat Arsène Goedertier een verre neef van hem was, die dikwijls bij hem op bezoek kwam en bleef dineren, zelfs tijdens de periode van de afpersing. Bij het vernemen van de naam van de dader, zou Coppieters hebben geweend. Commissaris Mortier vroeg Winders naar de aantekeningen die hij gemaakt had, maar de mysterieuze monsieur Max weigerde hem dit dossier voor te leggen.
Na het overlijden van Winders, kon Mortier toch de hand leggen op deze dokumenten, dank zij Winders' dochter. Hij vond er nergens een spoor in terug van wat de man hem eerder had verteld. 'We zijn er echter niet zeker van of we in het bezit zijn van het hele dossier,' vermeldt de commissaris nog. Hij stelde ook een onderzoek in naar de vermeende verwantschap tussen Goedertier en Coppieters: er bleek geen familierelatie te bestaan, maar er was wel sprake van 'vriendschapsbanden'.
Winders was van oordeel dat er Goedertier een senaatszetel werd aangeboden, 'in ruil voor diensten bewezen of te bewijzen aan de katholieke partij'. (De senaatszetel ging uiteindelijk naar advocaat Georges De Vos!) In verband hiermee verklaarde Winders in 1964 tegenover Mortier: 'Ik weet dat een grote politieke personaliteit met die zaak in het gedrang komt. Na het beëindigen van de oorlog ben ik bij hem thuis geweest en ik heb hem, aan de hand van mijn dossier, gezegd wat ik wist. Hij vroeg wat ik er voor in de plaats wilde: geld, decoraties...? Ik heb hem gezegd dat ik enkel met rust wenste gelaten te worden. Kort daarna werd in mijn woning ingebroken. Alhoewel verscheidene voorwerpen aanwezig waren die zeer kostbaar zijn, werden deze niet aangeraakt. Maar deze kast hier (hij toonde een antieke bergkast) werd opengebroken. Klaarblijkelijk had men mijn dossier gezocht. Van dan af heb ik dit verborgen bij een vriend te Parijs.' Drie jaar later noemde Winders tegenover Mortier de naam van Frans van Cauwelaert als die van 'de grote politieke personaliteit'; advocaat Georges De Vos was overigens goed bevriend met de familie van Cauwelaert.
Toen commissaris Mortier één en ander checkte bij 'politieke personaliteiten' viel het hem op dat Max Winders telkens werd gedoodverfd als 'een fantast'. 'Het leek dan ook vreemd,' merkt Mortier droogjes op in Dossier Lam Gods, 'dat die "fantast" voorzitter, later ere-voorzitter kon worden van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, "membre associé étranger" van het Institut de France, lid en oud-voorzitter van de Koninklijke Archeologische Academie van België, lid "honoris causa" van de Academie van Wetenschappen, Kunst en Letteren van Dijon enz. Tevens werd hij op het koninklijk paleis ontvangen op 11 juni 1942 en 23 januari 1970.'
Toen Winders werd ondervraagd over de uitlatingen van monseigneur de Kesel, verklaarde hij door de koning ontboden te zijn geweest en de opdracht gekregen te hebben de Rechtvaardige Rechters te voorschijn te halen, zonder evenwel iemand in opspraak te brengen. Op de vraag of hij het paneel met zijn eigen ogen had gezien en of het zich nog in goede staat bevond, antwoordde hij bevestigend. 'Volledigheidshalve dient ook hier te worden onderstreept dat Max Winders nadien ontkend heeft deze woorden ooit te hebben uitgesproken,' schrijft Jos Cels. Die ontkenning zou dan weer te maken hebben met een verzoek van Minister van Staat Frans Grootjans aan de minister van Justititie, om de verklaringen van Winders te onderzoeken - een onderzoek waaruit bleek dat deze verklaringen niet met de werkelijkheid strookten.
'Het is duidelijk dat iemand in deze zaak liegt,' schreef Marnix Gijsen op 15 juni 1973 in een scherpe reactie op bovenstaande revelaties in het blad Kunst & Cultuur (waarbij de taal- en stijlfouten op de rekening van de beroemde auteur komen). 'Ofwel heeft vicaris-generaal de Kesel het verhaal verzonnen, ofwel is M. Winders een fantasist (sic) zoals de Minister het beweert. Wat ten zeerste onwaarschijnlijk klinkt is dat een Parijs museum zich zou lenen om het doek te verbergen. Welke rol heeft de Koning in de zaak gespeeld of is het onderhoud en de opdracht door de Vorst aan Max Winders gegeven ook een verzinsel. Er doen zelfs geruchten de ronde dat Prins Karel met het geval zou gemoeid zijn. Kortom het is een fabelachtige poespas. Logisch zou men kunnen deduceren dat het doek (sic!) in het bisschoppelijk paleis te Gent moet ondergebracht zijn. Zelfs de Duitsers zouden geaarzeld hebben daar een huiszoeking te doen.'
Marnix Gijsen besluit zijn artikel met een opmerking, waarin we een echo horen van een statement dat veertig jaar voordien al werd gedaan, door reporter John F. in De Dag: 'Is verstoppertje spelen in deze zaak de regel evenzeer bij de Staat als bij de Kerk? En is het een al te stoutmoedig vermoeden te denken dat de Kerk, in het bezit van het paneel, wacht op de uitslag van het geding (met betrekking tot het eigendomsrecht van het Lam Gods) om eindelijk kleur te bekennen en aan de gemeenschap eventueel terug te geven wat aan de gemeenschap hoort. Nu zijn dus bij de zaak betrokken: 1. Z.M. de Koning, indien de verklaringen van Max Winders een grond van waarheid hebben, hetgeen de minister van Justitie ontkend heeft in een brief aan de Heer Grootjans. 2. De Heer M. Winders, die op zijn 91-jaar met stomheid is geslagen en die beweerd heeft dat hij het paneel gezien heeft in Parijs. 3. De Heer Jos Cels, die de verklaring van Mgr. De Kesel heeft opgetekend en die geloofwaardig is. 4. Mgr. De Kesel, Vicaris-generaal die in 1971 Max Winders impliceerde en formeel verzekerde dat het paneel ongeschonden is en dat men wist waar het zich bevond. 5. De "aanzienlijke familie" die moet gespaard blijven.'
Jos Cels van zijn kant besluit dit interessante hoofdstuk in de speurtocht naar de ware toedracht achter de roof van de Rechters met de bedenking dat, als het juist is wat monseigneur Leo de Kesel hem toevertrouwde, het verdwenen paneel zeven jaar lang - van 1934 tot 1941 - verborgen is geweest in de Sint Baafs, mét het medeweten van de kerkelijke overheid of in ieder geval toch van kanunnik-bewaarder Gabriël Van den Gheyn, die aanwezig zou zijn geweest bij de verplaatsing.
Meteen stelt zich dan de vraag hoe het staat met de verklaring van Arsène Goedertier, als zou hij alléén geweten hebben waar de Rechters verborgen waren. En zo komt Jos Cels dan weer terecht bij de broer van Arsène Goedertier, Valère, die op 1 augustus 1971 te Sint Niklaas overleed. Hij was juwelier, net als de schoonbroer van Arsène, in wiens huis de bezwarende laatste woorden zouden zijn uitgesproken, en hij heeft altijd volgehouden dat zijn broer de zondebok is geweest van de hele affaire. Volgens Valère had Arsène nooit een diefstal gepleegd, om de eenvoudige reden dat er nooit een diefstal was geweest! Het panel werd uit wraak door iemand van het bisdom zelf weggenomen - wat overeenstemt met een verklaring die opgetekend werd uit de mond van Gabriël Van den Gheyn - en Arsène had, als een intieme vriend van bisschop Coppieters en in zíjn opdracht, niet meer of minder dan de rol van afperser gespeeld.




HOOFDSTUK 4

DE KOPIE IS HET ORIGINEEL



Op 26 maart 1974 titelde het dagblad Vooruit over vijf kolommen dat volgens de Gentse surrealistische kunstschilders Jos Trotteyn en Hugo De Putter de kopie van de Rechtvaardige Rechters in werkelijkheid het échte stuk was. Tijdens een bezoek ten huize van journalist Jos Murez beweerden beide artiesten met grote stelligheid dat het spoorloze paneel al ettelijke jaren weer zijn oorspronkelijke plaats had ingenomen. Ze steunden hun ophefmakende onthulling op 'technische bevindingen in hun hoedanigheid van kunstenaars, die jarenlang op paneel schilderden'. Bovendien was Jos Trotteyn een zeer bekend restaurateur van oude meesterwerken, die in 1954 officieel werd aangesteld om ieder jaar omstreeks Pasen het Lam Gods te 'reinigen'. Hugo De Putter van zijn kant kreeg dan weer de kans om de Rechters van heel dichtbij te bestuderen.
De stelling van Trotteyn & De Putter was gebaseerd op de waarneming dat de kopie van de Rechters hetzelfde craquelé vertoonde - dit is een netwerk van fijne barstjes in de verf- of vernislaag - als de andere panelen van het veelluik. Het craquelé ontstaat enerzijds door ouderdom, anderzijds door manipulaties van het schilderij. De door Jozef Van der Veken in de periode 1939-1941 geschilderde kopie van de Rechters kon onmogelijk op een zo korte tijd dezelfde craquelures gekregen hebben als de andere panelen uit de vijftiende eeuw.
'Jos Trotteyn, zich steunend op zijn jarenlange contact met Van Eycks meesterwerk, gaat nog verder en beweert dat het gezicht van één der rechters te paard werd overschilderd. Men weet inderdaad dat Van der Veken één der rechters de gelaatstrekken van Koning Leopold III heeft gegeven. Dit belangrijke detail, dat volgens Jos Trotteyn van dichtbij en met de loep gemakkelijk na te gaan is, zou er op wijzen dat op het authentieke paneel van de Rechtvaardige Rechters alleen en uitsluitend één gezicht van één rechter werd overschilderd. (...) Indien Jos Trotteyn en Hugo De Putter het gelijk aan hun kant moesten hebben, dan stelt zich meteen de vraag, waarom al die geheimzinnigheid rond die zaak in het leven wordt gehouden. Een zuiver publicitaire stunt? In dit verband zou het wel interessant zijn eens te vernemen hoeveel de bezoeken aan de Vydtkapel per jaar opbrengen. (...) Wanneer komt eindelijk de dag, waarop men én het authentieke paneel én de kopie van de Rechtvaardige Rechters samen exposeert, opdat eenieder er zich zou kunnen van vergewissen, in hoeverre beide met elkaar verschillen. En vermits, volgens Trotteyn en De Putter, het authentieke meesterwerk voorhanden is, waarop wacht men om Van der Vekens kopie te tonen?'
Twee dagen later al nodigde monseigneur de Kesel de pers uit om 'deze kwakkel' uit de wereld te helpen. 'Aangezien de kopie geschilderd is op een andere houtsoort dan Sint Johannes de Doper (de van de Rechters gescheiden achterkant van het paneel), kan er geen andere conclusie mogelijk zijn,' zo zei monseigneur de Kesel, 'dan dat er - helaas - nog altijd een kopie in de Sint Baafs hangt. Het bisdom heeft zich in deze zaak niets te verwijten en heeft zeker niets te verbergen.' Trotteyn en De Putter, die eveneens aanwezig waren op de persconferentie, dropen ontgoocheld af.
Rik Clément, journalist van Het Volk en zowel een kenner van het werk van John Flanders als van de Rechters-materie, vond dat het bisdom er zich wat al te gemakkelijk vanaf had gemaakt. Na een onderhoud met een gepensioneerd architect uit Melle, Clement Trefois, schreef hij een geruchtmakend artikel dat voortborduurde op de piste van de twee surrealistische artiesten.
Trefois was een carrière lang verbonden aan de Gentse universiteit, o.a. als medewerker van de professoren Stan Leurs en August Vermeylen, en van eminente Van Eyck kenners als Conrad de Tolnay. Als wetenschappelijk vorser had hij meer dan 150 publikaties op zijn naam, meestal over landelijke architectuur. Hij ontdekte de Romaanse muurschilderingen in de crypte van de Sint Baafs en liet in 1940, onder de neus van de Duitsers, de oorspronkelijke kast van het retabel verdwijnen. Hieraan is het de danken dat een kwatrijn met betrekking tot het auteursschap van het Lam Gods wetenschappelijk kon worden onderzocht.
Trefois had de kopiïst Jozef Van der Veken persoonlijk gekend en stelde nadrukkelijk dat deze restaurateur een meer dan gewone stielkennis bezat. 'Als betekenisvolle anecdote haalt hij aan dat Van der Veken ooit eens de opdracht kreeg een kopie te maken van een 16e-eeuws schilderij; jaren later werd hij als expert aangezocht de twee schilderijen, die na veel wederwaardigheden weer samen waren gekomen, te identificeren. Van der Veken had zelf de grootste moeite om ze uit elkaar te herkennen.'
De specialiteit van Jozef Van der Veken was echter precies de stijl van de gebroeders Van Eyck. 'Toen hij in 1938 de gedachte koesterde het verdwenen zijluik door een kopie te vervangen, was dit voor hem een uitzonderlijke gelegenheid om zijn experimenten in verband met hun stijl en techniek in de praktijk te brengen. Hij begon het werk in 1939 en werkte er aan tot in 1941. De oorlog van 1940 kwam zijn werk storen, toen het retabel naar Pau in veiligheid werd gebracht. In hoever Van der Veken met de kopie was gevorderd, is niet geweten. Wat daaromtrent wordt verteld, is opvallend verward. Pas in 1959 wordt over de prijs (225.000 frank) een accoord bereikt en (met stads-, provincie- en staatssubsidies) wordt hij betaald.'
Van der Veken was in staat een perfecte kopie af te leveren, maar de heer Trefois had er geen verklaring voor waarom hij als paneel voor zijn kopie de dekplaat gebruikte van een oude eiken kast, omdat 'er geen enkele reden bestond om het onderscheid tussen oud en nieuw te minimaliseren'. Aangezien het toch om een kopie ging, meende Trefois dat het beter en meer voor de hand liggend zou geweest zijn ze op koper uit te voeren. De oude plank kon zijn taak alleen maar bemoeilijken. Het was een handelswijze die 'niet met de stielman Van der Veken strookte'.
Door kanunnik Van den Gheyn werd aan Jef Van der Veken destijds nog verboden de Vydkapel te betreden. Hij vatte het werk dan maar aan in het Museum voor Schone Kunsten te Brussel, met een eerdere kopie van Coxie als voorbeeld. Later kreeg hij toch de toelating om in de sacristie van de Sint Baafs en in de Vydkapel te werken. In 1940, toen de kopie zo goed als klaar was, nam hij ze mee naar huis. Daar zou Oberleutnant Koehn het werk nog met zijn eigen ogen bewonderd hebben. Van der Veken vertelde de Oberleutnant toen ook hoe hij de kopie had vervaardigd, een relaas dat door Koehn nauwkeurig werd opgetekend. In zijn rapport staat o.a. te lezen dat Van der Veken voor het kopiëren van de Rechters uitsluitend met 'eierverf' werkte, het materiaal waarmee ook Jan en Hubert Van Eyck hun Lam Gods hadden geschilderd. Het geel verving hij evenwel door bijenwas.
Vervolgens was er 'het gedoe', dixit Clemens Trefois, omtrent het gedichtje dat Van der Veken in gothische leters op de rug van het paneel schilderde:

Uit liefde
als plicht
verrricht (sic)
en om te wreken
voor streken
niet geweken
Jef Van derveken
october 1945

Volgens Trefois werd deze tekst - opzettelijk! - overschilderd, tijdens een 'behandeling' in de periode 1950-51, in het Centraal Laboratorium van de Nationale Musea, omdat het gedicht meer betekende dan men op het eerste gezicht zou veronderstellen. Kanunnik Van den Gheyn sprak dadelijk na de diefstal van 'een wraakneming' en het versje zou volgens Trefois dan ook beduiden dat aan Van der Veken de restauratie werd toevertrouwd van het teruggevonden, maar ernstig beschadigde paneel. Van der Veken had bijgevolg geen kopie gemaakt, maar het door een onbekende wraaknemer zwaar beschadigde origineel gerestaureerd. Hij was de enige die een schilderij, dat voor de helft of zelfs voor twee derden was beschadigd, onnaspeurbaar kon herstellen.
'Dit zou dan meteen verklaren hoe beide kunstschilders aarzelen in verband met het craquelé,' schrijft Rik Clement. 'Er zijn delen in die origineel zijn en dus inderdaad het originele craquelépatroon vertonen. De nieuwe delen vertonen andere craquelures. Dit geeft ook een antwoord, aldus de heer Trefois, op de vraag die de wetenschappelijke kunstgeschiedenis zich momenteel stelt: hoe is het te verklaren dat de moderne kopie der Rechtvaardige Rechters zo bewonderenswaardig in éénklank is met het overige retabel?'
Mortier en Kerckhaert vermelden in hun Dossier Lam Gods dat ook zij even hebben geloofd in de thesis van 'de overschilderde kopie', die samen met het verhaal van 'het opgerolde doek' tot de evergreens behoort in de mythe van de Rechtvaardige Rechters. Met de bedoeling het gerucht te checken, raadpleegden zij het standaardwerk van professor Coremans, L'Agneau Mystique au laboratoire, waarin ook een studie gemaakt werd van de door Van Eyck gebruikte houtsoort en waarvoor de jaarringen in het hout aan een radiografische onderzoek werden onderworpen. Hierbij werd geconstateerd dat de jaarringen van de zijpanelen die in Duitsland werden gehalveerd, identiek waren. De voor- en achterzijde van de zijpanenelen werden dus oorspronkelijk op één enkele plank beschilderd.
Totaal verrast lazen Mortier en Kerckhaert in dit standaardwerk dat deze vaststelling ook opging voor de panelen VIII en XVIII, met andere woorden: voor de Rechters en voor de achterkant, Sint Jan de Doper. 'Aangezien bedoeld wetenschappelijk onderzoek verricht was in 1951 en men dan slechts over de kopie van Vanderveken kon beschikken, lag de verrassende conclusie voor de hand: de kopie was inderdaad geschilderd op het origineel! Een ogenblik dachten wij aan een ongelooflijke misleiding.'
Dus begaven de veelgeplaagde speurders zich naar het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium in Brussel, waar de originele dokumenten en foto's van het desbetreffende onderzoek werden bewaard. Aan de hand daarvan konden zij met zekerheid vaststellen dat de jaarringen in het hout waarop Van der Veken zijn kopie schilderde en die van het paneel Sint Jan de Doper anders liggen, dat de houtsoorten totaal verschillend zijn en dat zich onder de kopie geen ander schilderij bevindt.
Hiermee verwijzen Mortier & Kerckhaert de theorie van het overschilderde origineel naar het rijk der fabelen. Rest alleen nog de vraag hoe een alom gerespecteerde autoriteit er in 1951 toe komt, op basis van een ernstig wetenschappelijk onderzoek door experten ter zake, met stelligheid te beweren dat de panelen waarop de kopie van de Rechters en de originele Sint Jan de Doper werden geschilderd, oorspronkelijk deel uitmaakten van één en dezelfde plank?
Nog een laatste woordje over Jozef Van der Veken. In een herdruk van zijn boek over de Rechters merkt Jos Cels op dat de kunstschilder/restaurateur in de jaren zestig nog eenmaal in het nieuws kwam, in voor hem minder prettige omstandigheden.
'Dat was weliswaar op een ogenblik dat hij reeds met blindheid geslagen was, maar de feiten die hem ten laste gelegd werden, dateerden van jaren voordien. Het was een onverkwikkelijke geschiedenis. Na het overlijden van baron Ruffo de Bonnevalle di Calabria, een bekend kunstverzamelaar die aan het Sint Maartensplein te Brugge een patriciërshuis bewoonde dat als museum was ingericht, verrijkte zijn weduwe, Adèle de Winter, de collectie eerst met een "echte" Gerard David, voorstellende O.L. Vrouw Met De Paplepel, en vervolgens met een "echte" El Greco, voorstellende een Neerlegging Van Christus In Het Graf. Deze werken werden aan de weduwe verkocht door de Brugse makelaar August Suvée, respectievelijk voor 450.000 en 1 miljoen frank.'
Jaren later kwam aan het licht dat de beide doeken geen authentieke werken, maar gerestaureerde kopieën waren, die door Jef Van der Veken aan Suvée werden geleverd. Men stelde onder meer vast dat de zogenaamde El Greco in 1954 te Brussel was geveild voor... 1500 frank! De weduwe Ruffo de Bonnevalle diende klacht in, maar zij overleed iets later. August Suvée kon niet meer ondervraagd worden, want hij leed aan geheugenverlies. En Van der Veken was inmiddels blind geworden...
In hoeverre Van der Veken rechtstreeks bij deze affaire betrokken was, werd nooit opgehelderd. Wel kwam men te weten dat de echtgenote van de schilder, vermoedelijk zonder medeweten van haar man, na de verkoop van de valse El Greco in een café in de buurt van het Sint Maartensplein van August Suvée 400.000 frank ontving.
Is Jef Van der Veken zowat het Vlaamse broertje geweest van de Nederlandse meester-vervalser Han van Meegeren, die de hele kunstwereld jarenlang bij de neus wist te nemen?


Geen opmerkingen: