10.7.06

Otto Rahn en de Verloren Koning (geschrapt uit Het Bloed van het Lam)

Februari 1939… Vier dagen eerder was Dieter Klein in Frankfurt vertrokken met de wagen die Ahnenerbe hem ter beschikking had gesteld. Nu naderde hij eindelijk zijn bestemming: domein Fontrouge, in het dorpje Monthaut, nabij Limoux. Hij was door Nîmes gekomen, had de Camargue doorkruist en Saintes-Maries-de-la-Mer bezocht, was daarna via Montpellier en Béziers dwars door het land van de katharen gereden, richting Carcassone.
Voorbij Limoux was er geen sprake meer geweest van iets dat leek op een weg. In het nauwelijks verharde grindpad zaten enorme gaten en scheuren. Het regende al de hele dag en Klein moest zijn snelheid beperken tot hij nauwelijks harder ging dan een voetganger. Het bochtige pad begon steeds meer op een middeleeuws karrenspoor te lijken, dat verloren liep in de beukenbossen. Het grootste deel was weggespoeld en het water stroomde van de hellingen.
Dieter Klein bereikte een min of meer open plek in het bos. Achter een gordijn van regen doemde nu een prachtig groen dal voor hem op, waarin het kleine landhuis verborgen lag dat Ahnenerbe voor Otto Rahn had gehuurd. Klein reed een houten bord voorbij, waarop in grote rode letters Domaine Fontrouge stond geschreven.
Dit was de eerste buitenlandse missie van Obersturmführer ss Dieter Klein. Hij voelde zich bijzonder gespannen, opgewonden ook. Voor hem persoonlijk hing enorm veel af van het welslagen van deze opdracht. Falen was geen optie.
Dieter Klein stopte voor het landhuis en doofde de lichten. Een donkere gestalte kwam naar buiten gelopen met een grote zwarte paraplu. Klein rende onder de paraplu van Otto Rahn naar binnen.
‘Welkom,’ zei Rahn, toen ze in de zitkamer stonden, sober gemeubileerd met een tafel, stoelen en een kast in eikenhout. De witgekalkte muren werden alleen versierd door boeketjes gedroogde bloemen – lavendel, muguet. De ruimte werd slechts verlicht door het vuur in de haard en door een olielamp, bevestigd aan de zoldering van verweerd en zwartberookt hout.
Rahn had een ferme handdruk, maar een schuwe blik. En er stond zweet in zijn handpalmen. Klein had zijn dossier grondig bestudeerd en kende het zo goed als uit het hoofd. Otto Rahn werd geboren in 1904 in Michelstadt als zoon van Karl Rahn en Clara Hamberger. Een begaafde knaap, met grote belangstelling voor muziek en geschiedenis. Dank zij Richard Wagners Parsifal werd zijn aandacht getrokken door de Parzival van Wolfram von Eschenbach. Hij nam zich voor een doctoraalscriptie te wijden aan Kyot de Provençaal, bij wie Wolfram beweerde de inspiratie gevonden te hebben voor zijn verhaal. Hij droomde van de troubadours, de katharen, de Languedoc, maar zag zich genoodzaakt in Berlijn de eindjes aan elkaar te knopen door filmscripts te schrijven of vertalingen te maken in opdracht van klinkende namen als Erich-Maria Remarque, Max Reinhardt, Fritz Lang. In Génève, bij een bevriende familie van diplomaten, had hij uitstekend Frans geleerd en ook een aardig mondje Engels.
In 1931 trok Otto Rahn eindelijk naar het Franse zuiden en vestigde hij zich in het enigszins in verval geraakte kuuroord Ussat-les-Bains, gelegen in de Pyreneeën, enkele kilometers van de Spaanse grens en het miniatuurstaatje Andorra. Hij ontving er veel Duitse, Nederlandse, Zwitserse vrienden en zelfs een Amerikaan, Nat Wolff genaamd, die niet echt goed uit de voeten kon met de Engelse taal. Wat niet zo verwonderlijk was, aangezien Nat Wolff geen Amerikaan was, maar een Duitser die in werkelijkheid Karl Wolff heette en het ondertussen al tot hoofd van de generale staf van Heinrich Himmler had geschopt. In het vredige Ussat deed al gauw het gerucht de ronde dat er een Duits spion was neergestreken. Dat was niet helemaal correct. Otto Rahn werd immers op onderzoek gestuurd naar de streek van Montségur door Alfred Rosenberg, de mystieke filosoof en ideoloog van de nazipartij, die de Graal beschouwde als raciaal Duits erfgoed.
In 1932 kocht Rahn het hotel Les Maronniers voor de ronde som van twintigduizend francs. In Ussat vroeg iedereen zich af waar hij dit aanzienlijke bedrag vandaan had. De Sureté Nationale stelde een onderzoek in, maar trof geen maatregelen. Rahn verklaarde dat hij in de streek verbleef om de katharen te bestuderen, en dat was niet gelogen. Hij werd in het rapport van de Sureté beschreven als een jongeman van één meter zeventig, met lichte ogen, kastanjebruin haar en een snorretje. Un beau garçon, quoi!
Rahn kon nog steeds een mooie man genoemd worden, stelde Klein niet zonder een steek van jaloezie vast. Het verblijf in het concentratiekamp had hem nochtans getekend. Er waren diepe groeven in zijn gezicht verschenen en hij had iets zorgelijks gekregen.
Rahn zette Klein een schotel met brood en kaas voor en ontkurkte een fles wijn. ‘Hoe is de reis verlopen?’ informeerde hij vriendelijk.
‘Prima,’ antwoordde Dieter Klein kortaf.
Rahn legde Klein het boek voor dat de aanleiding was geweest voor de verre reis van de Obersturmführer: La Vraie Langue Celtique et le Cromleck de Rennes-les-Bains, verschenen in 1886 te Carcassone. Het boek van 310 bladzijden was van de hand van Henri Boudet, pastoor van Rennes-les-Bains, een klein kuuroord in het departement van de Aude, vlak bij Rennes-le-Château en Monthaut. Boudet was een goeie vriend geweest van Bérénger Saunière, de parochiepriester van Rennes-le-Château die in zijn kerk een schat of alleszins een geheim gevonden zou hebben dat hij te gelde kon maken. Volgens Rahn had hij echter slechts een klein deel van die schat of dat geheim gevonden.
‘Mijn informante…’
Klein snoof. ‘Uw vriendinnetje…’
‘Tita was ervan overtuigd dat het grootste deel van het geheim in dit boek van pastoor Boudet te vinden moest zijn. En zij stond met die mening niet alleen, Herr Klein. De boodschap die Boudet in zijn boek had verstopt, werd echter gecodeerd en er was nog altijd niemand in geslaagd de code te breken.’
‘Mijn vader verwachtte niet veel van al die sporen van de Graal die men hier meende te ontwaren,’ zei Klein bars. ‘Hij had veel meer vertrouwen in het Vlaamse spoor. En niet ten onrechte.’
‘Het ene hoeft het andere niet in de weg te staan.’
‘Ga verder.’
‘Boudet liet vijfhonderd stuks drukken van La Vraie Langue Celtique, op zijn eigen kosten. De meeste exemplaren schonk hij weg aan vrienden en kennissen, maar ook de koningin van Engeland kreeg er eentje op. De inhoud van zijn boek was ronduit krankzinnig; geleerden dreven er dan ook de spot mee. Het boek van Boudet zou met andere woorden al lang vergeten geweest zijn als hij geen goeie vriend van Saunière was geweest en als hij niet in de buurt van Rennes-le-Château had gewoond en gewerkt. Stilaan begon het gerucht de ronde te doen dat de krankzinnige inhoud wel eens alles te maken kon hebben met het geheimschrift dat Boudet had gehanteerd. Zo probeerde hij in zijn boek onder meer te bewijzen dat zowat alle Europese talen waren afgeleid van het Engels. Neem nu bijvoorbeeld de Oude Belgen – de Nerviërs en de Menapiërs en al die andere volksstammen die door de legioenen van Caesar onder de voet werden gelopen. Welnu, volgens Boudet was het de taak van de druïden aan plaatsen, rivieren, volkeren enzovoort een passende naam te geven, in overeenstemming met hun voornaamste kenmerken. Het woordje Belgae werd indertijd dan ook doodgewoon afgeleid van twee Engelse werkwoorden: to pale (met palen omringen) en to cow (afschrikken). De Belgen waren kortom een volkje dat zijn dorpen met palen omringde om de vijand af te schrikken. Op die manier verklaarde Boudet honderden woorden.’
Het Franse liefje van Otto Rahn was erin geslaagd een exemplaar van het bijna onvindbaar geworden boek van Boudet op de kop te tikken en had het bestudeerd.
‘Het werd Tita al snel duidelijk dat het boek een of andere gecodeerde boodschap moest bevatten. Die pastoor was toch niet gek? Waarom gaf hij dan op zijn eigen kosten een boek vol nonsens uit! De vraag was alleen welke code hij gebruikt had. Het werd een zenuwslopend zoek- en puzzelwerkje. Op zeker ogenblik werd Tita’s aandacht getrokken door één bepaalde verklaring van Boudet. In de naam van een stad uit de Oudheid, Syphax, vond de pastoor ook weer twee Engelse werkwoorden terug. Als je de plaatsnaam splitste, kreeg je immers to see (zien) en to face (in het gezicht kijken, onder ogen zien). En daarmee speelde Boudet zijn lezers de sleutel van de code in handen!’
Otto Rahn slaagde er niet in een spoortje van triomf uit zijn stem te weren. Zijn ogen die net nog zo dof in zijn gezicht hadden gestaan, gingen zowaar weer schitteren van een jongensachtige opwinding. Hij maakte aanstalten om Klein nog eens in te schenken en toen die met een handgebaar weigerde, schonk hij zijn eigen glas vol en dronk het voor de helft leeg. De Obersturmführer had het brood, de kaas en de wijn nauwelijks aangeraakt.
‘Als je dezelfde plaatsnaam anders splitst, namelijk als Sypha-x, krijg je ook een andere betekenis: a cipher to x. Het Engelse woord cipher kan zowel “nul” als “cijfer” betekenen, maar het wordt ook gebruikt in de betekenis van “geheimschrift”. En to x kan zowel betekenen “een röntgenfoto maken” als “nauwkeurig onderzoeken”!’
‘In 1886, toen het boek van Boudet verscheen, moest dokter Röntgen zijn x-stralen nog uitvinden,’ merkte Klein kritisch op.
‘Maar de andere betekenis – “nauwkeurig onderzoeken” – bestond toen al,’ zei Rahn onverstoorbaar. ‘Het boek van Boudet was met andere woorden een geheimschrift dat nauwkeurig onderzocht moest worden! Dàt was de boodschap die uit de naam Syphax te voorschijn kwam! Alle woorden die Boudet zogenaamd verklaarde in zijn boek, waren onderdelen van een geheimschrift en allemaal dienden ze nauwkeurig onderzocht te worden. Enkele honderden woorden wachtten op nader onderzoek…’
‘En voor iedere naam die Boudet zogenaamd verklaarde, heeft juffrouw Gadal een andere verklaring gezocht?’
‘Ik geef toe dat het enigszins ongeloofwaardig klinkt, maar het is een feit dat zij op basis van de aanwijzingen die zij op deze manier gevonden heeft bepaalde… ontdekkingen heeft gedaan,’ zei Rahn.
‘En toen heeft zij uw hulp ingeroepen?’
‘En heb ik permissie gekregen om haar onderzoek ter plaatse verder te zetten, inderdaad. En nu…’
‘Nu ben ik zeer moe en zou ik graag gaan slapen, meneer Rahn,’ viel Dieter Klein hem bruusk in de rede. ‘We kunnen het morgen verder over uw zaak hebben.’
Klein vertrouwde Rahn voor geen cent én hij had nog steeds weinig op met zijn stelling als zou de Graal in de Midi moeten gezocht worden, en niet in Vlaanderen. Stel dat Rahn het bij het rechte eind had en dat het levenswerk van zijn vader in diskrediet werd gebracht! Dieter Klein mocht er niet aan denken.
‘Zoals u wil,’ zei Rahn. En hij ging Dieter Klein voor naar het slaapvertrek dat hij voor de ss-officier in gereedheid had gebracht.

Dieter Klein kleedde zich uit en ging naar bed, maar hij slaagde er niet in de slaap te vatten. In gedachten overliep hij nogmaals het Dossier Otto Rahn. Hoe Rahn in Ussat vriendschap had gesloten met de gepensioneerde onderwijzer, geleerde en speleoloog Antonin Gadal… en vooral met zijn dochter Jeanne, die Rahn om een reden die alleen hem bekend was ‘Tita’ noemde. Antonin en Tita Gadal dweepten met het kathaarse verleden van de streek. Samen met Rahn exploreerden zij de grotten, die volgens Gadal door de katharen werden gebruikt als tempels en – toen ze genadeloos vervolgd werden door de kerk – als schuilplaats. Ze bogen zich ook over de raadselachtige graffiti in de grotten, waarvan ze het mysterie poogden te ontsluieren. Een vriend van Gadal, de ingenieur Arnaud, geloofde dat de legendarische schat van de katharen niets met goud te maken had, maar alles met hun geheime doctrine, neergelegd in manuscripten als het ‘authentieke’ Evangelie van Johannes. Deze unieke stukken zouden verborgen zijn in een schuilplaats van de berg, de beroemde Poch van Montségur. De lieve, maar bejaarde en wat mallotige gravin Puyol-Murat behoorde eveneens tot het gezelschap Graalfanaten dat steeds vaker samen optrok. Zij was een occultiste die beweerde af te stammen van Jacques de Molay en in één moeite door ook van de kathaarse martelares Escarlamonde, die na de val van Montségur als een duif naar de hemel zou zijn opgestegen en daarbij ook de Graal zou hebben meegenomen. Tot de vaste kliek van Rahn en de Gadals behoorden ten slotte nog Déodat Roché, die eveneens ten stelligste geloofde in de Pyrenese Graal, en Maurice Magre, die in 1937 de Société des amis de Montségur et du Saint-Graal zou stichten.
In oktober 1932 ging de zaak van Otto Rahn failliet; in werkelijkheid waren de fondsen van Rosenberg uitgeput. De Graalqueeste van Rahn in de streek van Montségur werd financieel drooggelegd. Zijn onderzoek had geen enkel tastbaar resultaat opgeleverd en hij verliet Ussat, om het jaar daarop zijn bevindingen openbaar te maken in het werk Kreuzzug gegen den Gral. Montségur was de Graalburcht Munsalvaesche van Wolfram von Eschenbach, zijn Parsifal was graaf Trencavel die zijn katharenland wanhopig verdedigde tegen de pauselijke legers, en de Graal was de schat van de katharen die in de grotten van Ussat werd verborgen. Rahn identificeerde de Graal niet als de kelk van het Laatste Avondmaal of de schaal waarin het bloed van Christus werd opgevangen, maar – net als Wolfram – als een edelsteen die volgens oeroude mythen ooit de kroon of het voorhoofd van de gevallen engel Lucifer sierde en die hem kennis zou geschonken hebben.
Op 13 december 1933 had Otto Rahn het lidmaatschap aangevraagd van de officiële Reichsschrifttumskammer – een voorwaarde zonder dewelke zijn werk niet kon verschijnen. Daarbij verklaarde hij Ariër te zijn en de literatuur in nationaal-socialistische geest te beoefenen. Maar dit was flagrant in tegenspraak met de onloochenbaar sympathiserende toon die de auteur aansloeg in de passages van de Kreuzzug waarin hij de bijdrage schetste die de joodse gemeenschap in de Midi had geleverd aan de plaatselijke cultuur en economie.
In 1934 brak een bloedige strijd los tussen de bruinhemden van de sa en de zwarte stoottroepen van de ss. De Führer van de sa, Ernst Röhm, werd geëxecuteerd en in de Nacht van de Lange Messen vond een bloedbad plaats waarbij honderden sa-ers werden omgebracht. Dit alles gebeurde in München en Otto Rahn was er getuige van. Onder de slachtoffers waren heel wat van zijn vrienden. Het vervulde hem met paniek, hij wilde naar de Ariège vluchten, naar de dochter van Antonin Gadal, met wie hij nog steeds correspondeerde. Maar in de gegeven omstandigheden was het voor een sympathisant van de sa onmogelijk een uitreisvisum voor Frankrijk te bekomen. Italië lukte nog wel.
Toen de politieke situatie het toestond, reisde Rahn naar Parijs in verband met een Franse vertaling van zijn boek. Van een onbekende afzender ontving hij daar een telegram met felicitaties voor zijn Kreuzzug, gekoppeld aan het voorstel om in dezelfde geest een tweede werk te schrijven. Eveneens telegrafisch werd hem een som overgemaakt om eventuele schulden te vereffenen en zijn reis naar Berlijn te betalen. Financieel had Rahn het bijzonder moeilijk, hij ging dan ook dankbaar in op het voorstel. In de Duitse hoofdstad kwam hij er achter dat het telegram afkomstig was van Heinrich Himmler, de Reichsführer ss, die door Karl Wolff op de Kreuzzug opmerkzaam was gemaakt.
‘Ik heb eindelijk de tijd gevonden om het boek van Rahn grondig te lezen,’ zei Himmler. ‘U hebt gelijk als u stelt dat de Graal onmogelijk door een jood naar Frankrijk kan gebracht zijn. Ongetwijfeld is dit het werk geweest van het Germaanse volk der Westgoten, die de Graal bij de plundering van Rome hebben buitgemaakt. Spreekt de Führer zelf niet van “de Graal van het Duitse bloed” en laat hij zich niet afbeelden als een Graalridder? Wij delen uw fascinatie voor de katharen, Herr Rahn, die het joodse Oude Testament verwerpen, en wij verwelkomen iedere aanval op het kleinburgerlijke christendom met open armen! Om de christelijke wereldorde in Germaanse zin om te vormen, moeten wij een beroep doen op alle mogelijke occulte ideologieën. Het is onze plicht aan te tonen dat de magie van de Graal niets vandoen heeft met christelijke waarden of met het Midden Oosten, maar wortelt in een arisch oer-Germanendom. Wij zijn geroepen om de oud-Germaanse rituelen tot nieuw leven te wekken, Herr Rahn! U moet uw werk bijgevolg in dezelfde geest verder zetten. Wij beschikken nu over de mogelijkheden om u daartoe de gelegenheid te geven. Ik kan u een maandwedde in het vooruitzicht stellen van duizend Reichsmark, vrij van belasting, uiteraard vermeerderd met een vergoeding voor bijkomende kosten, en de beschikking over een bureau met secretaresse. U zult dan wel het uniform van de ss moeten dragen en deelnemen aan militaire oefeningen.’
In mei 1935 ging Otto Rahn aan het werk, vooralsnog als burgerlijk ambtenaar, in de afdeling Prehistorie en Vroege Geschiedenis van het Rasse- und Siedlungshauptamt van de ss in München. Op 29 februari 1936 schreef generaal Karl Wolff, inmiddels hoofd van de generale staf van Heinrich Himmler, een dienstnota waarbij Otto Rahn op bevel van de Reichsführer ss tot de ss werd toegelaten. Het jaar daarop kreeg hij de graad van Untersturmführer en werkte hij op de generale staf. In de zomer van 1937 verscheen Luzifers Hofgesinde, het werk dat hij geschreven had in opdracht van Himmler, maar dat al bij al slechts een flauw afkooksel was van zijn Kreuzzug gegen den Gral. Rahn nam nu wel duidelijk stelling in tegen ‘het internationale jodendom’: ‘Met het katharisme bleef een van Judea en het roomse Vaticaan onafhankelijke macht actief, tot in de 13de eeuw, de tijd van Chrétien de Troyes; een kracht die het niet nodig had zich van alle joodse mythologie te ontdoen, omdat zij die nooit overgenomen had.’
Aan de Nacht van de Lange Messen had Rahn niet alleen een depressie, maar ook een alcoholverslaving overgehouden. Zo raakte hij kort na het verschijnen van Luzifers Hofgesinde betrokken bij een dronkemansincident, waardoor ‘een smet geworpen werd op het blazoen van de ss’. Rahn werd gedegradeerd en moest bij wijze van straf als gewone ss-man aan de slag in het concentratiekamp van Dachau. Zijn werk als kampbewaker vervulde hem met diepe weerzin. Begin 1938 meldde generaal Karl Wolff aan de Reichsführer ss dat Otto Rahn hem nog steeds niet het certificaat van raszuiverheid had bezorgd, waaruit zijn onverdacht arische afkomst moet blijken, maar dat dit zo gauw mogelijk in orde gebracht zou worden. In de loop van datzelfde jaar bezorgde Tita hem de informatie met betrekking tot het gecodeerde boek van pastoor Henri Boudet. Otto Rahn nam onverwijld contact op met Karl Wolff en werd prompt ontslagen van bewakingsdienst en definitief overgeplaatst naar het commando van de Totenkopfverbände. Tevens werd hij bevorderd tot Obersturmführer.
‘Op een dag zat Tita zo’n beetje te spelen met een van die verklaringen van Boudet, waar ik geen raad mee wist,’ zei Rahn. ‘Op pagina 274 van zijn boek heeft hij het over de naam van een ijzerhoudende koudwaterbron: de Gode. Dat zou afgeleid zijn van het Engelse to goad, dat prikkelen, bezielen, aansporen betekent. Het water van de bronnen zou geneeskrachtig zijn, vandaar. Tita snapte maar niet wat Boudet daar wérkelijk wilde mee zeggen, tot ze van to goad iets anders maakte: to go at… Maar wààr moest ze dan naartoe gaan? Op dat woordje volgde niks meer. Het hoofdstuk was ten einde en het volgende deel behandelde een andere geneeskrachtige bron – die van Notre-Dame de Marceille, een plaatsje in de streek van Rennes-les-Bains en Rennes-le-Château. Tita zat een tijdje te staren naar de titel van het nieuwe hoofdstuk… Notre-Dame de Marceille… En toen was ze op slag klaarwakker. Want stel dat Boudet hier letterlijk bedoelde: go at Notre-Dame de Marceille! Stel dat hij, sluw als een vos, de naam van die plek voluit had geschreven, zonder ditmaal een codewoord te gebruiken!’
Na het ontbijt namen ze de wagen van Klein en reden naar de kerk van Notre-Dame de Marceille. Het was opgehouden met regenen, maar er stond een harde wind.
Rahn wees naar de muur bij de kerk, daarboven lag een park. ‘Straks zullen we daar ook een kijkje nemen. Alles wat u hier ziet, is van belang. Dit hele landschap speelt een rol in de geheime boodschappen van Boudet.’
De kerk zelf was een somber gebouw, van oudsher een bedevaartsoord, voorzien van een miraculeuze bron.
‘Merkt u niets speciaals op?’ vroeg Rahn.
Klein schudde het hoofd.
‘Tijdens haar eerste bezoek zag Tita hier ook niets dat haar een stap verder kon helpen, maar toen…’
Rahn liep weer naar buiten, in de richting van de miraculeuze bron. Ze lag aan de rand van de bedevaartsweg – de Voie Sacrée of Heilige Weg – die rechts van de grote weg afdaalde naar een mooi oud bruggetje. De bron zelf bleek een putje van slechts enkele centimeters diep te zijn. Ze bezat een heus heiligdom en een Mariabeeld dat versierd was met verse bloemen.
Rahn bleef staan en wees naar een grote cipres. ‘Wat ziet u daar?’
‘Een cipres.’
‘En wat nog?’
Klein kneep zijn ogen tot spleetjes. ‘Een steen?’
‘Laten we eens van dichterbij een kijkje gaan nemen,’ zei Rahn.
Op het eerste gezicht was het alleen een onschuldige gedenksteen met een smeedijzeren kruis, die daar aan de kant van de bedevaartsweg stond. ‘Maar u moet eens lezen wat erin gebeiteld staat,’ zei Rahn.
Klein las de tekst hardop:

ici est mort
gustave vison
se rendant
a.n.d
de marceille
le 2 mai 1886/

priez pour lui.


‘Hier is gestorven Gustave Vison, terwijl hij zich naar…? A.N.D.? Wat betekent dat?’
‘In normale omstandigheden zou dat à Notre Dame moeten betekenen,’ antwoordde Rahn. ‘Maar zoals u ziet, staat er geen accent op de A en geen streepje tussen de N en de D. Er volgt ook geen punt achter de D. Nu ja, een oppervlakkige waarnemer zal hooguit concluderen dat de steenhouwer een beetje verstrooid was, nietwaar?’
‘Hier is Gustave Vison gestorven, terwijl hij zich naar Notre-Dame de Marceille begaf, op twee mei achttien zesentachtig. Bid voor hem.’
‘Valt er u voor de rest niets op?’
‘Achter het jaartal staat een streepje.’
‘De eerste gedachte die bij Tita opkwam, was dat deze Gustave Vison toch wel een bijzondere figuur moest geweest zijn. Dit is immers geen gewone grafzerk, maar een gedenksteen, die de plaats aanwijst waar die brave pelgrim in elkaar is gezakt. Waarschijnlijk is hij hier bezweken aan een hartaanval of iets dergelijks. Maar zou men zo’n dure gedenksteen plaatsen voor een onbelangrijk iemand? Nee toch! En omdat Tita deze plek bereikt had door het ontcijferen van een code van Boudet, bleef zijn geheimschrift door haar hoofd spoken. Voor ze het wist, was ze gestart met het ontcijferen van de tekst op de steen, volgens het systeem van Boudet. Hebt u een stukje papier?’
Dieter Klein scheurde een velletje uit zijn notitieboek en gaf Rahn het stompje potlood dat hij altijd bij zich had. In een snel tempo, tong tussen de tanden, schreef Rahn de tekst van de gedenksteen op het blaadje papier. ‘Als men deze Franse regeltjes in het Engels uitspreekt, de taal waarin de code van Boudet gesteld is, krijgt men het volgende…’
Hij schreef er de Engelse zinnetjes onder en voegde er de vertaling aan toe. Dit was het resultaat:

ici est mort
i see east more
ik zie in het oosten meer

gustave vison
just have a vision
ga maar eens een kijkje nemen

se rendant
see rent end
zie scheur op het eind

a.n.d
and
en

de marceille
the mark sealed
het verzegelde merkteken

le 2 mai 1886/
ell to five (1886)
meet op basis van vijf

‘Het klonk nog steeds als wartaal,’ zei Rahn, ‘maar anderzijds… leek het allemaal op een vreemde manier te kloppen. Mei was de vijfde maand, 1886 was ook het jaar waarin het boek van Boudet verscheen. Toeval of…? Wat werd bedoeld met de scheur op het eind? Werd daarmee verwezen naar het verticale streepje achter het jaartal? Moest op deze manier de aandacht getrokken worden op het jaar 1886? Kwam daarbij – maar daar zijn we pas later achter gekomen – dat de naam Vison in Frankrijk gewoon niet bestaat. Ik heb er zelfs een boek over Franse familienamen voor geraadpleegd!’
‘Volgens u heeft Boudet hier de hand in gehad? Hij heeft de steen hier laten plaatsen en hij heeft hem voorzien van nieuwe, gecodeerde aanwijzingen?’
‘Zo is dat! Want wat bevindt er zich in het oosten? Het park en de muur bij de kerk van Notre-Dame de Marceille… En tegen die muur staat het standbeeld van de heilige Vincentius a Paulo. Tita vroeg zich af of onder het voetstuk van dat beeld de toegang lag tot een of andere geheime gang. Maar er viel daar nergens een opening te bekennen. Teleurgesteld keek ze op naar het beeld van Sint Vincentius. De heilige beantwoordde haar blik met een milde blik, begrijpende glimlach. Had ze zich vergist? Had Sint Vincentius helemaal niets met de geheime boodschappen van Boudet te maken? Het leek bijna onmogelijk, want tot dusver klopte alles te goed om toeval te kunnen zijn. Toen heeft Tita mij op de hoogte gebracht van haar ontdekking.’
‘U hebt contact genomen met generaal Wolff en hij heeft u naar Notre-Dame de Marceille gestuurd om het mysterie op te helderen… Wat u vervolgens in een handomdraai hebt klaargespeeld. U bent waarlijk een genie, Herr Rahn.’
‘Kijk, Obersturmführer Klein,’ zei Rahn gedecideerd. ‘Het is nergens voor nodig dat wij op een vriendschappelijke basis met elkaar zouden omgaan. Ik weet dat u mij niet goed gezind bent en dat u meent daar verscheidene redenen voor te hebben. Maar al heeft de Reichsführer u dan hierheen gestuurd als mijn waakhond, wij hebben dezelfde graad en ik ben u geen gehoorzaamheid verschuldigd. Laten we deze kwestie dus professioneel afhandelen.’
Er speelde een ondoorgrondelijke glimlach om de lippen van Obersturmführer Klein. Hij liet de gespannen stilte een tijdje duren en zei toen neutraal: ‘Ik ben geheel en al tot uw beschikking, Obersturmführer Rahn.’
‘Uitstekend,’ zei Rahn. ‘Samen met Tita heb ik urenlang aan de voeten van de heilige Vincentius gezeten…’
‘Ja, daar zegt u zoiets,’ viel Klein hem al opnieuw in de rede. ‘Waar is uw vriendin eigenlijk gebleven?’
‘Ze verkoos het niet aanwezig te zijn wanneer de rechterhand van de Reichsführer hier arriveerde,’ zei Rahn. ‘Zoals u ongetwijfeld weet, is zij geen groot voorstander van de politieke koers waarvoor Duitsland gekozen heeft.’
Klein keek Rahn strak aan, maar onthield zich van iedere commentaar.
‘Op zeker moment heb ik, zittend aan de voet van het standbeeld, een ingeving gekregen,’ vervolgde Rahn. ‘Opeens leek het of de heilige Vincentius tegen mij spràk... Ik herinnerde mij een reeks codewoorden van Boudet, die de pastoor op zijn gebruikelijke, schijnbaar absurde manier had verklaard. In de plaatsnaam Vardulles zag hij de Engelse wooren to ward en hull, in soldure de woorden soul en to dure. Ik begon de reeks nu met het systeem Boudet te decoderen en verkreeg zo een samenhangende tekst: “Warder of the hill, a soul to dure. Look and see its hand shows down to track…”’
Rahn schreef de volledige tekst op de achterkant van het velletje papier dat Klein hem had gegeven:

Wachter van de heuvel,
een vereeuwigde ziel.
Kijk en zie,
zijn hand wijst neerwaarts naar het spoor.
Zoek nu het einde,
kijk naar de ronding,
naar het dal dat grenst aan de grote vlakte.
Klim tot waar je blikveld reikt.
Overtuig je ervan dat het de derde macht van vijf is,
van rand tot ravijn.
Buig en zie post.


‘Een standbeeld staat als een wachter op een heuvel,’ zei Rahn. ‘Het overschouwt de hele streek. En een heilige is beslist een vereeuwigde ziel. Nu moeten we kijken en zien, want zijn hand wijst neerwaarts naar het spoor…’
Rahn liep in de richting die de hand van de heilige Vincentius aanwees. ‘Met de ronding wordt de muur bij het park bedoeld, die een beetje gebogen is. En vijf tot de derde macht is 125. Vergeet ook niet dat de gedenksteen van Vison ons al vertelde dat we moeten meten op basis van vijf. Vertrekkend van de hand van de heilige Vincentius, moeten we dus 125 meter afleggen, langs een lijn die loopt over de muur en eindigt bij een ravijn…’
Ze stapten ongeveer 125 meter in de aangegeven richting, langs de gebogen muur, waarachter een dal bleek te liggen dat grensde aan een grote vlakte. Op ongeveer 125 meter van de rand van de muur lag een ravijn.
‘Hier moeten we nu uitkijken naar een post,’ zei Rahn. ‘Wat dat verder ook mag betekenen…’
Van een pad, een post of een toegang tot een geheime berplaats viel geen spoor te bekennen. Het standbeeld van Vincentius a Paulo werd vanop deze plek aan het oog onttrokken door welig tierend struikgewas en bomen. Aan de hand van de grote cipres die daar in de buurt groeide, slaagde Klein erin de steen van Gustave Vison te situeren. ‘Buig en zie post,’ luidden de laatste woorden van de ontcijferde boodschap. Maar hij zag niets belangwekkends.
‘Ik liep langs de rand van het ravijn om die post ergens in de diepte te ontwaren,’ zei Rahn, ‘maar dat was een hopeloze onderneming. De braambossen benamen me toen ook al het uitzicht. Er zat niets anders op dan me een weg door de wildernis te banen en tussen de stenen, de struiken en de bomen af te dalen tot beneden in het ravijn.’
Daar stroomde een beekje, zag Klein. Rahn begon aan de afdaling, op de voet gevolgd door Klein. Ze liepen een tijdje naast het beekje in de bedding van het ravijn. Net voorbij een scherpe bocht lag een zandheuveltje met een onnatuurlijk spitse top, begroeid met laag struikgewas en omringd door hoge eiken.
‘Is dat de post?’ vroeg Klein. ‘De spitse vorm doet denken aan een grafheuvel en is duidelijk door mensenhanden gemaakt. Ligt hier die geheime kelder van u?’
‘Het is mijn geheime kelder niet,’ antwoordde Rahn korzelig. ‘En dat is volgens mij de post, ja. Maar het is nog altijd niet het eindpunt van onze tocht. Integendeel, het is het laatste vertrekpunt… Boudet had immers nog een paar andere codewoorden in petto voor de speurder. Vindomage bijvoorbeeld. Nine to do to marsh…’
‘Negen passen tot bij het moeras?’
‘Niet vergeten te meten op basis van vijf, Obersturmführer.’
‘Dan moeten we het moeras vinden op 45 meter van deze plek?’
Rahn begon zijn passen te tellen. Ongeveer 50 meter verder stootten ze op een drassige modderpoel. Een paar passen verder zag Klein een geul in de aarde van ongeveer een halve meter groot.
Rahn begon de dode takken op te ruimen die er gedeeltelijk overheen lagen. ‘Er zat een gang onder, die voor een stuk was ingestort. In die gang vond ik een gleuf, die verder liep onder een deksteen.’
Rahn liet zich in de geul zakken… en was verdwenen. Klein volgde zijn voorbeeld. Via de geul kwam hij op een berg puin terecht die in het onderaardse gangetje lag. Het gangetje was amper breed genoeg om een volwassen persoon door te laten.
Rahn stond even verder, gebukt. Hij had een petroleumlamp aangestoken, die daar aan de muur hing. ‘Dit is de geheime plek waar heel dat zonderlinge boek van Boudet in werkelijkheid over handelt. Dit is… Volcae… To vault, to cow… De gewelfde kelder… Kom maar eens kijken.’
Klein stapte tot bij Rahn, die een pas terug deed, zodat Klein zijn plaats kon innemen. Klein nam de lamp van Rahn over en toen zag hij het ook: het ronde gewelf, gebouwd met natuurstenen. Het overkoepelde een vierkante ruimte van ongeveer drie vierkante meter en vele meters diep. De vloer van de kelder was bedekt met losse stenen. Er was geen trap, maar er hing wel een touwladder klaar.
Ze daalden af in de mysterieuze gewelfde kelder, waarover geen enkel historisch of oudheidkundig werk ook maar met één woord repte. Niemand was op de hoogte van het bestaan van deze ondergrondse ruimte. Niemand, behalve juffrouw Gadal, Rahn, Klein en hun superieuren.
Uit de muren waren heel wat stenen verdwenen. De regen had ook een grote hoeveelheid aarde door de opening naar binnen gespoeld. Vlak onder de plek waar het gangetje abrupt eindigde, zat een ijzeren klem, waarschijnlijk bedoeld om een zware kabel aan te verankeren. In het gewelf waren sporen te zien van een inscriptie; alleen de letters A, R en D waren nog leesbaar. In de achterste muur bleek een soort van doorgang te zitten, die ongeveer een halve meter breed en meer dan een meter hoog was. Dit tweede gangetje leidde naar een tweede, kleinere kelder.
‘Kijk,’ zei Rahn. ‘De zoldering van de tweede kelder is bekleed met marmer. Gepolijste rode marmer. De eerste kelder bezit niet de minste versiering, maar zelfs het gangetje naar deze tweede kleinere kelder is afgedekt met gepolijste rode marmerplaten, die men gewoonlijk alleen aantreft in de ruïnes van Romeinse villa’s, als een teken van weelde.’
Rahn had een groot aantal foto’s genomen in de kelder en hij had een brok mortelspecie uit de kelder laten ontleden door een archeoloog uit de streek, zonder er voor de rest bijzonderheden over te verstrekken. De man was formeel geweest: de kelder moest in het begin van onze tijdrekening gebouwd zijn. Rahn had hierover omstandig verslag uitgebracht bij generaal Wolff, die de bevindingen van zijn omstreden beschermeling onverwijld had besproken met de Reichsführer. Himmler had zich op zijn beurt dadelijk in contact gesteld met Obersturmführer Dieter Klein, de zoon van de geleerde die hij zo bewonderde en die enige jaren geleden in Brugge werd vermoord, terwijl hij een nieuw spoor volgde in zijn niet aflatende queeste naar de Graal.
‘In Notre-Dame de Marceille was ooit een Romeins garnizoen gevestigd,’ zei Rahn. ‘Waarschijnlijk werd de kelder gebouwd door Romeinse soldaten en misschien diende het garnizoen zelfs om de inhoud van de kelder te bewaken. Er is geen twijfel aan dat dit onderaardse bouwwerk een of ander belangrijk doel gehad moet hebben.’
Voordat hij naar Monthaut reisde, had Klein de ontdekking van Rahn nog besproken met een archeoloog van Ahnenerbe. Alle beschikbare gegevens wezen op een enorme ondergrondse brandkast, die men dank zij een vernuftig systeem van sluizen onder water kon zetten. Rahn had sporen gevonden van wat ooit ‘pijpleidingen’ geweest konden zijn, naar de rivier de Aude, die in de onmiddellijke nabijheid van de kelder lag. Als men deze ‘pijpleidingen’ in tijden van nood ergens opende, stroomde de kelder vol water en kon de vijand de opgeslagen schatten niet bereiken…
‘Maar natuurlijk was het Boudet niet te doen om een schat van zilver of goud,’ zei Rahn. ‘In zijn boek en in de decoderingen heb ik geen enkele aanwijzing in die richting gevonden. Nu vraag ik u, Obersturmführer Klein: wat kan er dan wél zo belangrijk geweest zijn, dat pastoor Boudet het terugvinden van de kelder zo ingewikkeld heeft gemaakt?’

De grote tafel in de zitkamer van het landhuis dat gehuurd werd door Ahnenerbe en dat nu dienst deed als uitvalsbasis van Otto Rahn, was bezaaid met volgekrabbelde velletjes papier. Te midden van een hoop paperassen prijkte het boek van Boudet, La Vraie Langue Celtique.
‘Boudet heeft in geheimschrift verschillende routes beschreven, die allemaal naar dezelfde plek leiden,’ zei Rahn. ‘Wij hebben slechts één van de gecodeerde wegwijzers ontcijferd, maar als je weet waar je moet eindigen, wordt het een stuk makkelijker om ook de andere boodschappen op te lossen.’ Hij viste een papiertje van een stapel en gaf het aan Klein.
‘De te volgen weg mondt uit bij de deur, waar het hoofd van de koning binnen bereik ligt. Daar bevindt zich de schuilplaats,’ las Klein. Hij trok zijn voorhoofd in rimpels. ‘Het hoofd van de koning? Welke koning bedoelt hij?’
‘Ik denk dat het geheim van Boudet alles te maken heeft met het hoofd van de Verloren Koning,’ zei Rahn, en hij schoof een ander papiertje in de richting van Klein.
‘Om gemakkelijk bij het einddoel en het reliekschrijn te komen, moet men de weg naar het ravijn volgen. De hele zaak komt erop neer het geheiligde graf te vinden.’ Klein keek op. ‘En wie bedoelt Boudet dan met de Verloren Koning?’
‘Eén van de troonopvolgers uit het geslacht van de Merovingen was Dagobert II. Hij werd in het jaar 679 vermoord. Op dat ogenblik waren er nogal wat intriges aan de gang tegen de Merovingen. Nochtans bleef dit koninklijk geslacht nog een tijdje aan de macht. Tot Pepijn de Korte in 751 een staatsgreep pleegde, die de Merovingen voorgoed van het toneel verdreef, ten gunste van de Karolingen. Volgens sommigen zou de omgebrachte koning Dagobert II een zoon gehad hebben. Deze Sigisbert IV zou naar het zuiden van Frankrijk gevlucht zijn om te ontsnappen aan de moordpartijen die door de vijanden van de Merovingen werden aangericht. Men noemt hem wel eens “le rejeton ardent”, de vurige telg. Of men spreekt van “le prince Ursus”.’
Klein knikte nadenkend. Hij had het verhaal ook wel eens gehoord. Volgens de meeste historici had Sigisbert of Ursus of hoe men hem ook mocht noemen nooit bestaan. Toch waren er nog altijd adellijke families in Frankrijk die beweerden dat zij afstammelingen waren van Sigisbert, de zoon van de vermoorde Dagobert. De achterliggende gedachte was natuurlijk dat de Fransen beter af zouden zijn met een monarchie dan met hun republiek, en dat de legitieme koning van Frankrijk een Merovinger hoorde te zijn. Boudet leefde in voor Frankrijk politiek woelige tijden. De republiek was nog lang geen vaste verworvenheid en wie met de nodige documenten kon aantonen dat hij afstamde van het koningshuis der Merovingen, die op een onwettige manier werden onttroond door de Karolingen, maakte een ernstige kans om het nog ver te schoppen in de politiek. Vooral als men, in een tweede stadium, erin slaagde te bewijzen dat de Merovingen op hun beurt weer afstamden van Jezus Christus.
Klein kon het niet over zijn hart krijgen het ook hardop te zeggen, maar hij was behoorlijk onder de indruk van de ontdekking die Otto Rahn gedaan had. Rahn had niet overdreven, toen hij rapporteerde dat men rekening moest houden met de mogelijkheid dat hij de bergplaats van de Graal had gevonden. Reichsführer Himmler had Klein een tweede opinie gevraagd. ‘Er dient vastgesteld te worden,’ had hij gezegd, ‘of de mogelijkheid bestaat dat dit koningsgraf, deze kelder uit het begin van onze tijdrekening, ook het graf van Jezus Christus kan zijn geweest.’
‘Wat dacht Boudet over deze kwestie?’ vroeg Klein nu.
‘Boudet sprak er zich niet over uit. Hij schijnt aangenomen te hebben dat Jezus Christus wel degelijk gestorven is aan het kruis en dat Maria Magdalena hier in het Franse zuiden alleen zijn nageslacht in veiligheid heeft gebracht. Het koningsgraf dat hij ontdekt had mocht dan dateren uit het begin van onze tijdrekening, hij bracht het voor de rest alleen in verband met Sigisbert, de Verloren Koning.’ Rahn toonde Klein weer een ander papiertje en las het zelf voor: ‘Wees in staat om de inhoud van deze tekst te achterhalen. Wat ik zorgvuldig bescherm, voert tot het rijk van de beer, de verborgen S. Ardant… Ursus is Latijn voor beer en Sigisbert noemde men al eens “le rejeton ardent”, in deze tekst aangeduid als S. Ardant. Het woord staat ook bijna letterlijk zo in het boek van Boudet. Kijk, hier… Sardan.’
‘De vervaagde inscriptie op de keldermuur,’ mompelde Klein. ‘De letters A, R en D… Best mogelijk dat de ontbrekende letters E, N en T zijn.’
‘En dan zijn er nog de rode marmerplaten… Rood is de koningskleur. Rood marmer wordt vaak aangetroffen in koningsgraven.’
Obersturmführer Klein was nog niet geheel overtuigd. ‘Hoe wist Boudet, de eenvoudige pastoor van Rennes-les-Bains, het klaar te spelen in een meer dan vijfentwintig kilometer verderop gelegen parochie een gedenksteen te plaatsen voor een dode pelgrim die nooit had bestaan?’
‘Boudet moet de steun gekregen hebben van machtige en kapitaalkrachtige heren achter de schermen…’ zei Rahn.
Dieter Klein dacht aan het netwerk van satanistische kringen, dat door het onderzoek van zijn vader was blootgelegd. De rol die een aantal eenvoudige pastoors van het fin de siècle daarin hadden gespeeld: Saunière, Van Haecke… en Henri Boudet?
‘Wat denkt u erover?’ vroeg Klein.
‘Boudet behoorde ongetwijfeld tot een geheim genootschap dat in alle stilte werkte aan het herstel van het koningshuis der Merovingen,’ antwoordde Rahn zonder een spoor van aarzeling. ‘Om een nieuwe, wettige koning van Frankrijk naar voor te schuiven, moesten ze ten eerste bewijzen dat Sigisbert IV wel degelijk had bestaan, en ten tweede dat hun mannetje een afstammeling was van de Verloren Koning. Daarom was het graf van Sigisbert IV zo belangrijk. Misschien bevatte het niet alleen een reliekschrijn met zijn hoofd, maar ook allerlei oorkonden die onomstotelijk bewezen dat het wel degelijk om koning Ursus ging. Misschien bevatte de kelder zelfs een stamboom, die niet alleen de afstammelingen maar ook de voorzaten van Sigisbert IV aanwees…’
Klein glimlachte, maar dat veranderde niets aan de uitdrukking op zijn gezicht. In zijn hele houding lag ook nog steeds dezelfde dodelijke ernst. ‘U bent een voorzichtig man, Obersturmführer Rahn. Zelfs nu nog houdt u een slag om de arm.’
Rahn haalde de schouders op. ‘Het enige dat wij met zekerheid weten, is dat de erfgenamen van Sigisbert er alles aan hebben gedaan om de wereld te laten geloven dat Sigisbert nooit heeft bestaan. Ze waren bang dat zij anders, net als Dagobert, omgebracht zouden worden. Als Sigisbert nooit werd geboren, was hij ook niet gestorven en dan mocht zijn graf natuurlijk in geen geval gevonden worden. Een oude Romeinse bankkluis vormde een geschikt toevluchtsoord. Sigisbert, zijn graf, zijn afstammelingen losten als in rook op. Zolang een wettige erfgenaam van de Merovingen gevaar liep door een ander koningshuis opgejaagd, vervolgd en vermoord te worden, zou men het geheim bewaren. Zodra het tij keerde, zou de nieuwe Merovingenkoning zich bekend maken…’
‘Maar het tij keerde niet…’
‘Nee,’ zei Rahn met een diepe zucht. ‘Het tij keerde niet…’
Henri Boudet had zijn grafsteen vooraf besteld en zorgvuldig laten ontwerpen. Op de zerk had hij een allerlaatste boodschap achtergelaten. In de rechter benedenhoek was een gesloten boek gebeiteld, met de inscriptie: ‘I.X.O.E.’ Boudet had zijn geweldige codesysteem in het Engels uitgewerkt. Ook de Franse tekst op de gedenksteen van Vison moest in het Engels uitgesproken worden. Hetzelfde gold voor deze mededeling.
‘I X’ed All In End,’ zei Otto Rahn. ‘Ik heb alles in het einde gecodeerd. Met dat einde bedoelde hij waarschijnlijk de slothoofdstukken van zijn krankzinnige boek, waarin we inderdaad veruit de meeste sleutelwoorden terugvinden…’
‘Werkelijk een fascinerende geschiedenis, Herr Rahn,’ zei Obersturmführer Klein, weer met die vage suggestie van een glimlach om zijn mond.
De intelligente ogen van Otto Rahn bleven lang rusten op de jongere man naast hem, van wie het afgetrainde lichaam gemaakt leek om in een uniform gestoken te worden. ‘Hoe moet het nu verder?’ vroeg hij ten slotte.
‘Dat,’ antwoordde Klein na een lange pauze, ‘is een beslissing die aan de Reichsführer toekomt. U hebt nog steeds geen attest van raszuiverheid voorgelegd. Generaal Wolff tilt er duidelijk niet zo zwaar aan, maar de Reichsführer wenst in uw geval geen enkel risico te nemen. Misschien dat hij bereid zou zijn een en ander door de vingers te zien, als er uw voorgeschiedenis niet was en als uw ontdekking niet van een té groot belang zou zijn voor het Reich om ze op de naam van een jood te schrijven.’
Klein zag met genoegen welk effect zijn woorden sorteerden. Rahn sloeg de ogen neer. Zijn adamsappel wipte nerveus op en neer.
‘Het behoorde tot mijn opdracht enig onderzoek naar uw persoon te verrichten,’ ging Klein meedogenloos verder. ‘In Berlijn hebt u veelvuldig artistieke kringen van communistische signatuur gefrequenteerd. Sommige leden van de sa, die tot uw vriendenkring behoorden, gingen ervan uit dat zij lid waren van een arbeidersbeweging, die op kortere termijn dan de sociaal-democraten het nationale, maar ook het wàre socialisme zou verwezenlijken. Weet u nog? Maar goed, wij hebben allemaal recht op een dwaling en u bent altijd een dromer geweest. Een dromer en een dwaas, Herr Rahn, het spijt me u dat te moeten zeggen. Maar onnoemelijk veel erger is, dat uw moeder Hamberger heet, net zoals haar vader uiteraard… En dat de naam van diens echtgenote Cucer was. Uw moeder is met andere woorden een volbloed jodin en uzelf bent halfjoods. Uw jeugdvriend Karl Wolff heeft u steeds een hand boven het hoofd gehouden, maar hier komt zelfs de stafchef van de Reichsführer ss niet meer mee weg.’ Klein haalde een omslag uit zijn borstzak. ‘Ik heb de vrijheid genomen alvast een ontslagbrief voor u op te stellen. Hij is gericht aan uw vriend generaal Wolff.’
Klein overhandigde de omslag aan Rahn, die hem opende en zijn ogen snel over de getypte regels van de brief liet glijden:

Gruppenführer,

Ongelukkigerwijs moet ik u vragen bij de Reichsführer ss aan te dringen op mijn onmiddellijk ontslag uit de ss. De redenen die mij deze beslissing hebben doen overwegen en mij tot dit besluit hebben geleid, zijn van een zo ernstige aard dat ik ze u niet anders dan mondeling kan uiteenzetten. Met deze bedoeling zal ik eerstdaags naar Berlijn komen en u om belet vragen.

Heil Hitler!
Otto Rahn, ss-Obersturmführer

Klein schroefde de dop van zijn vulpen en gaf ze aan Rahn. ‘Het is nu mijn u te begeleiden naar Berlijn en er zorg voor te dragen dat de Reichsführer in alle rust en sereniteit een oordeel kan vellen over u en uw werk,’ zei hij. ‘Alleen op deze manier kan ik er zeker van zijn dat generaal Wolff de hele kwestie niet weer op zijn manier regelt. Wat de Reichsführer nu ook beslist, alles zal administratief perfect in orde zijn. Desnoods kan uw ontdekking dan op mijn naam geschreven worden.’
Er viel geen enkele emotie af te lezen van het gezicht van de ss-officier. Rahn las de brief nog eens door. ‘En als ik dit doodvonnis weiger te tekenen? Want dat is dit vodje toch, nietwaar? Een doodvonnis?’
‘Dan zal ik niet aarzelen het nodige te doen,’ zei Klein.

Dieter Klein escorteerde Otto Rahn naar Frankfurt. Gedurende een drietal dagen werd er geen woord gesproken in de wagen. Ze deden er ook het zwijgen toe in de hotelkamers die ze deelden. Alles was gezegd. Dieter Klein dacht aan de glorieuze toekomst die hem wachtte, Otto Rahn aan het verleden en de mensen en dingen die hij daar achterliet.
Terwijl Rahn achterbleef in de hotelkamer die Klein voor hem geregeld had, vroeg deze laatste bij generaal Karl Wolff, stafchef van Heinrich Himmler, een onderhoud aan met de Reichsführer ss. Achter gesloten deuren bracht Klein omstandig verslag uit van de ontdekking van het koningsgraf bij de Aude. Himmler luisterde geconcentreerd naar de Obersturmführer, zonder hem ook maar één enkele keer te onderbreken.
‘Het is bekend dat Otto Rahn een alcoholprobleem heeft,’ zei de Reichsführer, toen Klein was uitgesproken. ‘Hij werd daarvoor reeds gestraft. Dichterlijke zielen zoals Otto Rahn er één is, krijgen vaak af te rekenen met depressies. Om er weer bovenop te komen, plegen ze al eens lange wandelingen te maken in de vrije natuur. Dan trekken zij het gebergte in, soms met meer alcohol in het bloed dan goed voor ze is, en vriezen ze jammerlijk dood.’

Dieter Klein had zijn jeugd doorgebracht in Kufstein, een stadje in het noorden van Tirol. In het midden van de stad stond de Kufsteiner Vesting, het verdedigingsbolwerk dat destijds de staat Tirol moest beschermen tegen zowel de Beieren als Napoleon Bonaparte. Maar ondanks de dikke muren en de vele kanonnen – waaronder twee hele grote – werd Kufstein meerdere malen ingenomen. Delen van de oude stad vielen ongetwijfeld pittoresk te noemen. Dwars door de stad stroomde de Inn die altijd een groene kleur bezat, behalve als er meer water dan gewoonlijk uit de bergen kwam: dan kleurde de immer groene Inn bruin. De stad werd wel eens geroemd als ‘de parel van Tirol’, maar dat vond Klein een beetje te veel eer. Aan de oostelijke zijde werd ze begrensd door het gebergte van de Wilde Kaiser, dat Klein vrij goed kende omdat hij er als jongeman vaak had rondgezworven.
‘Ik zou het op prijs stellen,’ zei Rahn met een krop in de keel, ‘als u mij in staat stelde de eer aan mezelf te houden.’ Het waren zowat de eerste woorden die hij gesproken had sinds ze de grafsteen van Henri Boudet hadden bezocht.
Klein knikte tevreden. Wellicht had zijn vriend generaal Wolff hem een cyaankalipil bezorgd. Himmler had er geen twijfel over laten bestaan: het was van het grootste belang dat het een ongeluk of een zelfmoord leek. De ss moest in deze kwestie volkomen buiten schot blijven. Op deze manier zou de Reichsführer zijn zin krijgen, zonder dat Klein een vinger hoefde uit te steken naar Rahn. Hij schrok er niet voor terug een mens te doden als dat nodig was – en al helemaal niet als het om een Untermensch ging als Otto Rahn –, maar hij was er reeds achter gekomen dat het niet tot zijn favoriete bezigheden hoorde. Hij was geen sadist.
Rahn liet zijn bagage achter in het pension waar Klein een kamer voor hem had geboekt. Doof voor de protesten van de pensionhouder, trok hij in de vroege morgen van 13 maart 1939 moederziel alleen het gebergte van de Wilde Kaiser in. Met een fles Schnapps in zijn rugzak en met een cyaankalipil bij de hand, veronderstelde Klein, die op een veilige afstand rustig de gebeurtenissen afwachtte.
De volgende ochtend was Otto Rahn nog steeds niet teruggekeerd. De brave pensionhouder was in alle staten. ‘Ik heb meneer Rahn nog zo gewaarschuwd! Het was gekkenwerk nu het gebergte in te trekken! Op de flanken van de Wilde Kaiser is de lente nog niet ingetreden! En die sneeuwstormen van het voorjaar zijn levensgevaarlijk!’
Dit was ook de reden waarom de pensionhouder er weinig voor voelde een zoekactie op het getouw te zetten. Maar toen arriveerde, geheel onverwacht, een nieuwe gast in het pension. Het was niemand minder dan de stafchef van Reichsführer Himmler.
‘Ik ga de Obersturmführer zoeken,’ zei generaal Wolff.
‘Laat mij met u meegaan,’ bood Klein aan.
‘U hebt uw plicht gedaan, Obersturmführer Klein. Op last van de Reichsführer ss, handel ik deze zaak verder af. Op. Hij is tot dusver zeer tevreden over uw werk, en dat ben ik ook. Laten we dat zo houden. Ja?’
Klein klakte zijn hielen tegen elkaar en bracht de Hitlergroet. ‘Jawohl, mein General! Heil Hitler!’
Het had geen zin het op te nemen tegen Wolff, besefte hij. Een Obersturmführer kon niet anders dan het onderspit delven als hij het opnam tegen de chef van de generale staf. En wie tot de Reichsführer ss wilde doordringen, moest altijd eerst via Wolff passeren.
Even doof voor de protesten van de pensionhouder als Rahn dat was geweest, trok Wolff samen met een paar van zijn mannetjes het gebergte in. De stormen van het voorjaar joegen nog steeds door de Wilde Kaiser. In zijn verbeelding zag Obersturmführer hoe de sneeuw langzaam maar zeker een lichaam toedekte, als een lijkwade. Maar van wie was het lijk waarmee Wolff en zijn soldaten op 16 maart in Kufstein terugkeerden? Daar had Klein het raden naar. En generaal Wolff liet hem geen gelegenheid om nog een laatste blik te werpen op het gezicht van de dode Otto Rahn.
Klein dacht aan die andere zestiende maart, eeuwen geleden, toen de verdedigers van het laatste kathaarse bolwerk Montségur stierven op de brandstapel. Was het toeval of…?
Otto Rahn werd op 17 maart 1939 uit de ss ontslagen en korte tijd later begraven in Darmstadt. Pas op 18 mei verscheen in de Berliner Ausgabe een overlijdensbericht:

Tijdens een sneeuwstorm in maart jongstleden is ss-Obersturmführer Otto Rahn tragisch om het leven gekomen. Met deze kameraad betreuren wij een eerlijk ss-man en de auteur van uitstekende werken over de geschiedenis.

Het hoofd van de Generale Staf van de Reichsführer, ss-Gruppenführer Wolff.

Het bericht verscheen niet in de officiële partijkrant, de Völkischer Beobachter.
Waarom moest Wolff nog zo nodig een dode ontslaan? En waarom werd het overlijdensbericht van Otto Rahn, zoals het verschenen was in de Berliner Ausgabe, bewaard in zijn ss-dossier? Dat was hoogst ongebruikelijk. Al even ongebruikelijk was het dat een overlijdensbericht van een ss-man uitging van de ss en niet van de familie van de overledene.
In het grootste geheim stelde Dieter Klein een eigen onderzoek in naar de bemoeienissen van generaal Wolff. Hij koesterde de hoop voldoende gegevens te verzamelen die zwart op wit aantoonden dat de stafchef was ingegaan tegen de bevelen van Heinrich Himmler en een jood het leven had gered. Als hij zijn zaak hard genoeg kon maken, zou hij wel een manier vinden om de Reichsführer in kennis te stellen van zijn ontdekkingen. Maar toen brak de oorlog uit en eisten dringender zaken zijn aandacht op.

Geen opmerkingen: