12.5.10

Scharpenelle 24 - Jeannette Elisabeth Shrapnell


MONOLOOG VAN  DE ONBEKENDE SOLDAAT:

Stel u de lente voor van het jaar negentien vijftien.
Beeld u vijf brave piotten in, die tussen het puin van een afgevlamd huis ergens achter de IJzer een meisje vinden van drie, vier jaar oud of daaromtrent.
Ze geven de vondelinge een passende naam om onder te schuilen.
Jeannette Elisabeth Shrapnell.

Goed, goed. Gij heet Scherpeneel. Isabel Scherpeneel.
Maar gij hebt ook een geheime naam: Isabel Scharpenel.
En onder die geheime naam luistert ge naar de stem in uw hoofd – de stem die gij alleen kunt horen, de stem van uw onzichtbare speelkameraad.
Ge noemt hem Sansparole, de Onbekende Soldaat.

Hij zingt.

‘Scharpenel-Schrappenel-Shrapnell,’ zingt hij.

Ge schrijft gedichten onder uw schuilnaam.
Ge schrijft de wrede sprookjes die ik u heb ingefluisterd onder de schuilnaam Isabel Scharpenel.
Schuilt uw ware zelf ergens onder uw schuilnaam?
Schuilt Jeannette Elisabeth Shrapnell ergens onder uw geheime naam?

Haar vader zou gevlucht zijn, haar moeder omgekomen bij een bombardement. Petrol in haar hol.





De vijf piotten nemen het meisje in hun midden op, ze noemen het ‘hun bengeltje’.

Ze wordt hun mascotte, hun bewaarengeltje.

De vijf brave piotten dienen hun bewaarengeltje af te geven, want zij moeten naar het front marcheren.
De vijf piotten – één twee drie vier vijf – zweren dure eden.
En gij ook, ma belle Schrappenelle. Gij ook.
En we zingen d’r met z’n allen een liedje bij.
Luister maar, luister…

‘Ik zeg u geen vaarwel, Shrapnell.
Dra zien w’elkander weer…
Als de vrede weer komt in het land
dan zien w’elkander weer…’

Ge hebt het mij beloofd, Shrapnell. Ge hebt mij geen vaarwel gezegd.
En wij hebben u achtergelaten.
In een militair hospitaal.
In De Panne.

‘k Heb nog een liedje voor u geschreven. Speciaal voor u.

‘Kom laat mij u vertellen
van ’t gekende oorlogskind,
ma belle Schrappenelle -
zij werd zo zeer bemind.


Met vijven trokken wij ’t lot
wie haar dan mocht erven.
Papa gevlucht en mama dood –
wij zullen toch niet allen sterven?’

En we hebben nog een foto gemaakt, voor een prentbriefkaart…

‘k Had die op zak toen we met ons vijven in de Dodengang de dood tegemoet gingen.

Geen opmerkingen: