7.9.26
Woord in Beeld, Kunst in het Huis... en zijn er ook Verboden Boeken in Utopia?
3.9.26
Met "Malpertuis" van Jean Ray/John Flanders op schoot bij de Fantasticon VII in Nieuw-Vennep
Op zaterdag 5 september vindt vanaf 9.00 uur in het
Nederlandse Nieuw-Vennep de Fantasticon VII plaats, georganiseerd door Remco
Meisner en zijn stichting Fantastische Vertelling die binnen een paar jaar haar
halve eeuwfeest viert. Ik mag er om 13.00 uur een lezing houden “Omtrent
Malpertuis en hoe Jean Ray zich verhoudt tot de schrijvers van vandaag”,
waarvan ik nu al het gevoel heb – nee, de zekerheid – dat ze flink uit de hand
zal lopen. Dit naar aanleiding van mijn essay “Malpertuis”, vers van de Rare
Boekjes pers.
Er staan nog andere lezingen op het programma: zo heeft
Jeroen Kuypers het over Franstalige en Vlaamse fantastiek, en hoe een
Antwerpenaar met een Fransman verward kan raken; Johan Klein Haneveld en
Antonie Holslag vragen zich af waarom je horror zou lezen en/of schrijven; Charles van Wettum wil dan weer weten waar de
beloofde SF-utopie blijft. Remco Meisner zelf bericht over zijn Breinpijn
inzake Ganymediaanse Bloedwetten en stelt het jaarboek Ganymedes 26 voor.
Doorlopend zijn er fantastische tentoonstellingen - daar
vind je me ook terug met een selectie blackout poetry collages. Ik neem mij
trouwens voor aan de voor mij voorbehouden boekentafel een kleine maar fijne workshop
stiftgedichten te organiseren. Gert-Jan van den Bemd die de cover en
binnenillustraties maakte voor het essay “Malpertuis” begeeft zich aan zijn
tafel dan weer aan Ware Kunst, waar hij met een select, door hem uitverkoren
gezelschap ter plekke aan knutselt. En dan zijn er ook nog één op één momenten
voorzien tussen de vele eregasten een een bezoeker van de conventie, op
voorspraak van surrealistisch minister en duizelingwekkend in een veelvoud aan
talen gepubliceerde Frank Roger “Koffieklets” genoemd.
Hier vind je het programma met alle alle informatie en nog veel meer:
Allen daarheen!
26.8.26
101 Familiefoto's van Patrick Bernauw - 008-011: Schemeroorlog
Hier zullen op termijn alle afleveringen van 101 Familiefoto's te vinden zijn.
De Schemeroorlog of Spookoorlog werd in Duitsland de Sitzkrieg genoemd, in Frankrijk de Drôle de Guerre en in het Engelse taalgebied de Phoney War. Na de Duitse inval in Polen was er aan het westelijk front nauwelijks sprake van militaire actie, ondanks Britse en Franse oorlogsverklaringen op 3 september 1939.
Ook voor België kwam er een einde aan de Schemeroorlog toen de Duitsers op 10 mei 1940 ons land binnenvielen. Tot dat moment probeerde België buiten het Europese conflict te blijven door zijn neutraliteit te benadrukken, zoals tijdens de aanloop naar de Eerste Wereldoorlog. Vanaf eind augustus 1939 werd er echter grootscheeps gemobiliseerd door het Belgische leger, zonder dat er werd gevochten. In mei 1940 waren ongeveer 600.000 tot 650.000 mannen onder de wapens geroepen. Dit gigantische aantal vertegenwoordigde circa 8% van de totale Belgische bevolking van destijds en trof nagenoeg het volledige economisch actieve mannelijke deel daarvan.![]() |
| De oorspronkelijke "Schemeroorlog" postkaart |
Eén van die soldaten was Jan Ferdinand Onverwagt, mijn "Petjen". Zijn dochter Justine Onverwagt, mijn moeder, verzamelde zijn foto's uit het leger in een fotoalbum gewijd aan de familie Onverwagt, het "Groene Boek". Deze aflevering van mijn reeks 101 Familiefoto's is gewijd aan foto's over "het leven zoals het was" voor een gemobiliseerde soldaat tijdens de Schemeroorlog. Het zijn in feite stuk voor stuk postkaarten, op één ervan is de mysterieuze vermelding "Voor Esschene, nog 29" te zien; op de achterkant bleek ooit een nauwelijks zichtbare boodschap neergekribbeld in potlood. De moeizame ontraadseling van de boodschap, met enige hulp van het artificieel intelligente Gemini, stelde me voor een nog groter raadsel...
| De postkaart "Voor Esschene, nog 29" waarop Jan Ferdinand, mijn "Petjen", uiterst links poseert op zijn klompen, die in Essene "kloefen" worden genoemd. Op de achterkant bleek deze tekst te staan: Aalst, 1939 Lieve Jan Ferdinand, Kom snel naar huis, het doet je voor de zekerheid
geen [kwaad]. Stuur ons snel je portret (foto) of een andere. Veel groeten van ons allen, van Ellen en Coecie. Oh, en van de 'gazeer'
[de gasarbeider / man van de gasfabriek?] en [...] Smet, Blinker, broers en
zusters van [...] niet vergeten. De jongere ook, en de Stany. Veel geluk! En [groeten van] Kamilien, en tante en nonkels van Lie, en dan denk ik
ook aan de kaart en veel vrienden van ons allen, van je vrouw en kinderen. Uit ons hele hart en een kus van Ellen en Coecie en van de hele familie,
oemien [ooms/tantes?], en van de bompies [grootouders]. Allez, tot ziens / tot gauw (tot rapens), Lot
Opvallende dialect- en taalwendingen in deze kaart: ·
‘Rap’ / ‘Tot rapens’: Rap betekent snel. Tot
rapens is een typisch (Oost-)Vlaamse dialectuitdrukking voor ‘tot gauw’ of ‘tot
binnenkort’. ·
‘Prtret’ (Portret): In die tijd werd er vaak gevraagd
naar een 'portret' wanneer men een foto van een geliefde wilde hebben. ·
‘Nonkels’ en ‘Bompies’: Nonkels zijn ooms, en bompies
(of bompa's) verwijst naar de grootvaders of grootouders. ·
‘Vrinds’: Fonetische spelling voor vrienden (vrienden
-> vriende -> vrinds). ·
‘Kamilien’: Dit zou een naam kunnen zijn (Camiel /
Camilien), of een verbastering van 'familie'. Omdat er verderop ook famlie
staat, is het vermoedelijk een eigennaam.
|
12.8.26
Joannes Onverwagt, het verhaal van een vondeling (101 Familiefoto's 007)
Aflevering 007 uit de reeks 101 Familiefoto's van Patrick Bernauw, is een 'specialleke'. Ze is bestemd voor persoonlijke luisterverhalen waarin oude familiefoto’s de deur openen naar herinneringen, familiegeheimen -en geschiedenissen, en verdwenen werelden. In dit geval startte het verhaal niet bij een familiefoto, maar bij de foto van een scan uit het bevolkingsregister: een 'acte de naissance' van 'Jean Onverwacht', een 'enfant trouvé'.
In aflevering 005, Onverwagt & Victime, vertelde ik al hoe ik best wel mijn reserves had bij de familielegende dat de naam 'Onverwagt' terugging op een vondeling. Ik raadpleegde mijn stamboom... en ik bleek geen nakomeling te zijn van één vondeling, maar van twee: Joannes Onverwagt en Melanie Victime. Dankzij de site Made in Aalst slaagde ik erin de geboorteakte van Joannes terug te vinden, met een 'marginale nota' - een proces-verbaal in de marge - van zijn vondst. Zijn echtgenote, eveneens een vondeling, kwam uit Brussel - maar zij kwamen allebei in het Brabantse gehucht Essene terecht, waar zij een familie stichtten, die zich uiteindelijk zou vertakken naar mijn moeder. De overgrootvader van mijn overgrootvader werd op een ochtend in februari 1808 aangetroffen voor de poort van Ambroise Boon, in de wijk Mijlbeek.
Hier zullen op termijn alle afleveringen van 101 Familiefoto's te vinden zijn.
Tot 19 janurari 1811 was het te vondeling leggen van kinderen strafbaar. Napoleon bracht daar met het instellen van vondelingenschuiven in elke hoofdstad van een arrondissement in zijn keizerrijk verandering in. Wie een kind achterliet in deze schuif, deed niets illegaals. Maar in 1808 - Melanie Victime werd drie jaar eerder gevonden - was dat nog niet zo. Ik probeerde met de marginale nota en wat ik zoal te weten kon komen over vondelingen het leven van mijn voorouder zo getrouw mogelijk te reconstrueren.
Hier volgt een zo nauwkeurig mogelijke transcriptie, analyse en
Nederlandse vertaling van de akte over Jean Onverwacht (akte n° 40) en de bijbehorende langgerekte kantlijnnotitie over de
vondeling.
1. Transkriptie van Akte N° 40
De standaard geboorteakte is grotendeels doorgestreept/niet
ingevuld omdat de ouders onbekend waren, maar de specifieke gegevens zijn
aangevuld en er wordt verwezen naar het proces-verbaal van de politie.
N° 40 ARRONDISSEMENT COMMUNAL DE TERMONDE. MAIRIE D’ALOST.
Du deuxième jour du mois de février dix-huit cent huit, à trois heures de relestée [relevée],
ACTE DE
NAISSANCE DE Jean Onverwacht trouvée a la porte
de la rue de moulin, fameuse de mijlbeke, le deux février dix-huit cent huit, à six heures du matin, fils d... né à ...
Le sexe
de l’Enfant a été reconnu être Mâle.
Premier Témoin Jean
Longe âgé de quarante ans, profession de Cultivateur domicilié à Alost mijlbeke. Second Témoin Ambroise Boon âgé de vingt huit ans, profession de marchd d’allumettes domicilié à Alost.
Sur la réquisition à nous faite par [proces
verbal de le commissaire de police de cette Ville d’alost] les témoins ont declare ne savoir ecrire.
Constaté
par moi Van
Boterdael Maire
d’ALOST, faisant les fonctions d’Officier public de l’état civil. (Getekend:)
Van Boterdael
2. Transcriptie van de tekst in de kantlijn ('Marginale nota / Relaas
van de vondeling')
De tekst in de linkermarge beschrijft in detail de
omstandigheden waarin het kind werd gevonden. Het Frans bevat heel wat
spelfouten en dialectische constructies uit die tijd.
L’an 1808
le 2 du mois de février nous Louis Rymbaunt commissaire de police de la
ville d’alost arrondissement de d’monde dept de la lys sur le rapport a
nous fait ce jour d’hui vers les neuf heures du... qu’un enfant
abandonné venait d’etre trouvé exposé sur la voie publique sous la maison
d’ambroise boon merch.d d’allumettes domicilié hors de la porte des moulins at
mijlbeke, a l’endroit appellé den biggenbagaert nous nous sommes rendu de suite
a la maison du dit ambroise boon, ou étant entré nous y avons trouvé le nommé
judoc boon avec un jeune enfant dans ses bras ainsi que le dit ambroise boon et
son domestique jean lonyes les quels nous ont déclaré que ce matin vers les six
heures sortant de leur maison pour se rendre en ville a l’église, ils avoient
entendu sur la chausée de termonde un homme accompagné d’une femme, tous deux
fort bien habillés, mais a eux inconnus, qui s’arrêtaient jusque a la maison
d’ambroise boon et y ans entendu les cris d’un enfant, qu’ayant cherché dans
l’obscurité, ils ont trouvé fameuse la porte de la maison d’ambroise boon
l’enfant en question, qu’ayans frappé aux portes des maisons voisinnes le dit ambroise
boon a sorti de sa maison, a pris l’enfant et l’a porté à sa femme dans la
maison. Nous avons alors examiné l’etat du dit enfant que nous avons trouvé
etre du sexe masculin paraissant agé d’environ dix jours, etant habillé d’une
chemise blanche de lin, d’un camisole de vin coton pourpre et d’un petit
mouchoir blanc portant sur la tete, deux petits bonnets blancs de toile, et
etant emmailloté dans une mauvaise serviette et une partie de couverte de laine
brune.
N’y ayant
alors rien trouvés sur le dit ambroise boon de vouloir soigner le dit enfant et
de lui procurer les alimens nécessaires ce qu’il a accepté et nous avons laissé
le dit enfant entre ses mains. De tout ce que dessus nous avons dressé
le présent procès verbal pour conformement a l’article cinquante huit du code
napoléon etre remis a l’officier paisible [public] de l’état civil de cette
commune d’alost. Fait à Alost le jour mois et an que dessus signés
Rymbaunt com.
3. Nederlandse Vertaling
Het Geboorte- / Vondeling-Aktenummer 40
Gemeentelijk Arrondissement Dendermonde — Burgemeesterij Aalst
Op de tweede dag van de maand februari
achttienhonderd acht, om drie uur in de namiddag.
GEBOORTEAKTE VAN: Jean Onverwacht, gevonden aan de poort
van de Molenstraat, behorende tot Mijlbeek, op twee februari
achttienhonderd acht, om zes uur ’s morgens, zoon
van [onbekend]...
Het geslacht van het kind is vastgesteld als mannelijk.
- Eerste
getuige: Jean Longé, 40 jaar, landbouwer, wonende te Aalst
(Mijlbeek).
- Tweede
getuige: Ambroise Boon, 28 jaar, lucifermaker/handelaar in
zwavelstokken, wonende te Aalst.
Op verzoek aan ons gedaan via [het proces-verbaal
van de commissaris van politie van deze stad Aalst]. De getuigen hebben
verklaard niet te kunnen schrijven.
Vastgesteld door mij, Van Boterdael,
Burgemeester van Aalst, vervullende de functie van Ambtenaar van de Burgerlijke
Stand.
Het Relaas van de Politiecommissaris (Marginale nota)
In het jaar 1808, op de 2e van de maand februari, Wij,
Louis Rymbaut, commissaris van politie van de stad Aalst, arrondissement
Dendermonde, departement van de Leie (Lys):
Na een melding die ons vandaag rond negen uur is gedaan
dat er een verlaten kind op de openbare weg was gevonden voor het huis van
Ambroise Boon, lucifermaker wonende buiten de Molenpoort te Mijlbeek (op de
plaats genaamd 'den Begijnen Bogaer'), hebben wij ons terstond begeven naar
het huis van genoemde Ambroise Boon.
Daar binnengekomen troffen wij ene Judocus Boon aan met
een klein kind in zijn armen, evenals genoemde Ambroise Boon en diens knecht
Jean Longé. Zij hebben ons verklaard dat toen zij vanmorgen rond zes uur hun
huis verlieten om naar de kerk in de stad te gaan, zij op de steenweg op
Dendermonde een man en een vrouw hoorden. Beiden waren zeer goed gekleed, maar
voor hen onbekend. Dit paar stopte vlak bij het huis van Ambroise Boon. Nadat
zij het gehuil van een kind hoorden en in het donker zochten, vonden zij nabij
de poort van het huis van Ambroise Boon het betreffende kind.
Nadat er op de deuren van de omliggende huizen was
geklopt, kwam genoemde Ambroise Boon naar buiten, nam het kind op en bracht het
naar zijn vrouw binnen in huis.
Wij hebben vervolgens de toestand van het kind
onderzocht: het bleek een jongetje te zijn van ongeveer tien dagen oud. Hij was
gekleed in een wit linnen hemdje, een jasje/vestje van paars/purperen katoen en
een kleine witte zakdoek. Op het hoofd droeg hij twee kleine witte linnen
mutsjes. Hij was ingebakerd in een versleten handdoek en een stuk van een
bruine wollen deken.
Aangezien er verder niets is aangetroffen [omtrent de
herkomst], hebben wij Ambroise Boon gevraagd om voor het kind te zorgen en het
van het nodige voedsel te voorzien, wat hij heeft geaccepteerd. Wij hebben het
kind dan ook in zijn handen gelaten.
Van al het bovenstaande hebben wij dit proces-verbaal
opgemaakt om overeenkomstig artikel 58 van de Code Napoléon te worden
overhandigd aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van deze gemeente Aalst.
Gedaan te Aalst op dag, maand en jaar als boven,
getekend: Rymbaunt, comm.
4. Contextualisering & Opmerkingen
- De
naam "Jean Onverwacht": Vondelingen kregen in de Franse tijd
vaak een achternaam die verwees naar de situatie waarin ze gevonden werden
(Onverwacht / Onverwagt). "Jean" was een zeer gangbare Franse
voornaam (Jan).
- Locatie
(Aalst / Mijlbeek): De gebeurtenis speelt zich af net buiten de
historische stadswallen van Aalst (buiten de Molenpoort, in de wijk
Mijlbeek bij 'den Begijnen Bogaert' of Boomgaard).
- Historische
Context: In 1808 viel Aalst onder het Franse Keizerrijk (Departement
van de Leie / Département de la Lys). De akten werden verplicht in het
Frans opgesteld volgens de regels van de Code Napoléon.
- Status
van de Vondeling: Het kind was vermoedelijk niet zomaar te vondeling
gelegd door verpauperde ouders, gezien de opmerking dat de man en vrouw
die het kind achterlieten "fort bien habillés" (zeer goed
gekleed) waren en het kind netjes ingebakerd was.
10.8.26
101 Familiefoto's - 006: Brouwersgasten
De vrachtwagen is een Chevrolet, zwaar beladen met
biervaten. Hij draagt de naam van een brouwerij die ooit bekend in de oren moet
hebben geklonken in de cafés van het Pajottenland. Tous-saint Frères, gevestigd
in de Aspergestraat 55 in Brussel.
De man rechts, met de arm om de schouder van zijn
collega, is mijn grootvader: Jan Ferdinand Onverwagt, ‘Petjen’. Zijn collega is
ook zijn broer: Jean Baptist Onverwagt, ‘Nonkel Zjang’. Ze hebben hun werk even
onderbroken voor de fotograaf. En hun werk, dat is: de biervaten vervoeren, laden en lossen, door weer en wind, over Brusselse kasseien die toen nog
geen toeristische attractie waren maar een dagelijkse beproeving voor mens en
machine. Ze staan daar met een vanzelfsprekende trots, fier op wat ze doen.
Zonder hen wordt er geen lambiek getapt, komt er geen gueuze op tafel.
Brouwerij Toussaint Frères houdt zich schuil in het
doolhof van straten rond het centrum, niet ver van de huidige Dansaertwijk. Dat
was destijds een buurt van ambachtslui, opslagplaatsen, kleine industrie en handelszaken.
Op de laadbak zijn nog letters zichtbaar die verwijzen naar de geuze, het bier
dat even Brussels is als Manneken Pis.
De foto dateert waarschijnlijk van eind jaren 30,
wellicht net voor de algemene mobilisatie die een abrupt eind zou maken aan hun
werkzaamheden. Het is ongetwijfeld een publiciteitsfoto gemaakt in opdracht
van de brouwerij, op een moment dat die zich in de laatste bloeiperiode bevindt
van een eeuwenoude Brusselse traditie. In de negentiende eeuw telde Brussel
tientallen brouwerijen. Rond de Zenne, in de Marollen, Anderlecht, Molenbeek,
Koekelberg en de Vijfhoek hing regelmatig de geur van mout en kokend wort in de
lucht. Bier werd niet beschouwd als een luxeproduct, maar was bestemd voor de
dagelijkse consumptie. Vrijwel elke wijk
had haar brouwerij, haar bierhandelaar en haar vaste cafés.
De wereld waarin de gebroeders Onverwagt werkten was
nog die van de houten tonnen. Vandaag associëren we bier met flessen en
blikjes, maar tot ver in de twintigste eeuw werd een aanzienlijk deel van het
bier per vat geleverd. Brouwersgasten reden van café naar café, laadden volle
tonnen af en namen de lege weer mee terug. Het was zwaar werk. Een houten vat
kon makkelijk meer dan honderd kilogram wegen.
Terwijl namen als Cantillon, Belle-Vue en later Mort
Subite bekend bleven, verdwenen in de loop van de twintigste eeuw de meeste
brouwerijen – door schaalvergroting, fusies, oorlogen en veranderende
consumptiegewoonten. Net zoals Toussaint Frères lieten ze vrijwel geen sporen
achter in het collectieve geheugen. Het ging waarschijnlijk om een lokale
brouwerij die een eigen klantenkring bediende van cafés, estaminets en
bierhuizen… en waarbij eerder al de vader van de twee broers, Henricus, had
gewerkt. Het lijkt er sterk op dat de brouwerij gespecialiseerd was in de
lambiek uit de Zennevallei en het Pajottenland, een biercultuur die zo uniek is
dat ze wereldwijd als een van de meest karakteristieke Belgische tradities
wordt beschouwd.
![]() |
| In zijn trouwboekje staat Onverwagt Jan Ferdinand geboekstaafd als 'brouwersgast'. |
En ik die dacht dat Petjen altijd schrijnwerker was
geweest. Blijkt nu dat hij aan de slag ging als brouwersgast, van vader op
zoon. En samen met zijn vijf jaar oudere broer. Zat hij achter het stuur van
het gevaarte, of was dat Nonkel Zjang? Of wisselden ze af? Mijn Petjen heeft
altijd iets met auto’s gehad, ik weet dat hij er begin jaren 50 in één
rondreed, een Austin, toen het nog lang niet gewoon was dat een ‘werkmens’ een
auto bezat. Met zijn kleine gezinnetje maakte hij uitstapjes naar de zee of
naar Bouillon. Daar zou hij, volgens ons moe, in het hotel waar ze logeerden op
de vraag hoe laat ze wilden vertrekken, in zijn beste Frans ge-antwoord hebben:
‘A huit heures of om een uur of negen.’ Later koos hij voor Fiat, eerst een 500
en daarna een 850. Ik heb ze allebei nog meegemaakt. Dus misschien was hij het
wel die ach-ter het stuur zat, want Nonkel Zjang heb ik nooit met een auto
weten rijden.
4.8.26
Groetjes uit Brocéliande - verhalend essay in Fantastische Vertellingen
In het nawoord van mijn boek Groetjes uit de Vierde Dimensie vertelt Ginette Pas-Tourette hoe ik in augustus 2025 op vakantie ging naar Rennes, de hoofdstad van Bretagne, vlak bij de betoverde wouden van Brocéliande, waar de beroemde magiër Merlijn nog springlevend is. Het is inderdaad zo dat ik specifiek naar Rennes trok om over Brocéliande en Merlijn te schrijven, dat hij op de eerste ochtend van mijn verblijf al meteen gewoon buiten op de stoep bleek te zitten, tegenover mijn hotel. Het leverde voor de bundel bovenstaande postkaart op, gebaseerd op onderstaande échte foto, én op het ultrakorte verhaal Merlijn in Rennes.
Merlijn in Rennes
Men zegt dat Merlijn nooit echt gestorven is in het woud van Brocéliande. De tovenaar die ooit koning Arthur adviseerde, die de tijd boog en met draken sprak, werd moe van paleizen, gedoe met feeën en oorlogen. Hij verdween in de anonimiteit en liet legendes ontstaan terwijl hij verder zwierf, van eeuw tot eeuw.
In Rennes fluisteren sommigen dat
hij een nieuwe gedaante heeft aangenomen — dat hij niet langer gehuld is in
pracht en praal, maar in vodden en zeilen, gezeten op de koude straatstenen.
Zijn baard is nog steeds lang, zijn blik nog steeds diep van wijsheid. Weinigen
herkennen hem. Ze lopen hem voorbij, terwijl de tekens toch duidelijke taal
spreken: hij vertoeft op de grens van de Elyzeese Velden, vlakbij bakker
Augustinus, die als kerkvader een indrukwekkende autobiografie schreef, de Confessiones.
Naast hem ligt zijn trouwe metgezel — geen magisch hert, maar een
straathond.
Voor de meesten onder ons lijkt
hij op elke andere verloren ziel van de stad. Maar soms, wanneer het vroege
ochtendlicht op zijn gezicht valt, zeggen mensen dat ze iets anders zien: een
gloed, een zwaartekracht, een fluistering van oude macht.
De waarheid is dat Merlijn wacht
in Rennes, dicht bij het betoverde bos waar zijn verhaal begon. Op een reden om
weer op te staan? Op de fee Viviane, die in hem de magiër van weleer zal
herkennen, en haar minnaar? Tot die tijd schrijft hij zijn autobiografie op gevonden
vellen papier, mompelt hij vergeten profetieën en gaat zijn magie vermomd als
waanzin uit een vierde dimensie.
Het essay, of het reisverhaal, of de lijvige fantastische vertelling die ik eraan overhield, verscheen nu in het onvolprezen blad Fantastische Vertellingen, uitgegeven door de stichting waar ook zopas dat andere lijvige essay over Malpertuis van Jean Ray verscheen, in de Rare Boekjes Reeks.
Fantastische Vertellingen is aan zijn 47e jaargang nummer 79 toe. Het nummer kan besteld worden aan €8,95 via de webshop en ik kan ook van harte een abonnement aanbevelen op dit unieke tijdschrift voor fantastiek, horror, sciencefiction & aanverwante literatuur.
Hieronder enkele impressies van mijn trip, waarover veel meer - zoniet alles - te lezen valt in de essayistische fantastische vertelling Groetjes uit Brocéliande.
![]() |
De menukaart bestuderen van Le Gorille Bleu, op de hoek van de Rue du Griffon. |
![]() |
In deze feeërieke winkelstraat van Rennes hing Merlijn ook rond, met zijn hele hebben en houden in een winkelkarretje. |
![]() |
| Een betoverd meer (of een dito grote vijver) in Paimpont. |
![]() |
| De Tombe van Merlijn, met offerandes... |
![]() |
| Felix Bellamy populariseerde de legenden en vond er de plekken bij waar ze zich afspeelden. |
![]() |
| De Bron van de Eeuwige Jeugd trekt nog steeds veel toeristen... |
![]() |
| Eindpunt van de ontdekkingstocht was het kerkje van abbé Gillard in Tréhorenteuc, de Kerk van de Graal met het vreemd mystieke opschrift boven de deur: "La Porte Est Dedans!" |
![]() |
| Christelijke en Keltische mythen en Graalsymboliek zijn hier verenigd. |
![]() |
| Haalden de promotoren van Rennes-le-Château en de abbé Saunière hier in Tréhorenteuc bij abbé Gillard hun mosterd vandaan? |
![]() |
| Dàt en nog veel meer kom je te weten in... Groetjes uit Brocéliande! |
31.7.26
101 Familiefoto's - 005: Onverwagt & Victime
Mijn vrouw, Elke, doet al vele jaren onderzoek naar haar stamboom, die
voor een deel ook de mijne is. Daar zijn al enkele curieuze ontdekkingen uit
voortgekomen – bijvoorbeeld, dat ik nog verre familie ben van die andere
schrijver uit Erembodegem, Louis Paul Boon. Maar daar moet ik het een andere
keer over hebben, omstreeks Familiefoto 90 of zo. Want nu zit ik met hetfotoalbum van ons moe op schoot omdat ik iets wil gaan schrijven over de mensen
die daarin terug te vinden zijn. Geneanet kan daarbij een uitstekend hulpmiddel
zijn, als je tenminste een poging wil doen om de feiten van de fictie te
scheiden, al dan niet van eigen fabricaat, je herinneringen te checken en je
memoires in min of meer correcte banen te leiden.
Het is mijn voornemen in eerste instantie te vertrekken vanuit mijn
parate geheugen: de verzameling uitspraken, anekdotes en familielegendes die
vooralsnog ergens in het voorgeborchte van de vergetelheid rondzweven.
Vervolgens wil ik in de mate van het mogelijke achterhalen hoe groot hun
waarheidsgehalte is. Wie mij en mijn werk een beetje kent, weet dat ik er ook
niet voor terug zal schrikken, als de gelegenheid zich voordoet, met
onversneden plezier een nieuwe legende te creëren. Ik woon nu eenmaal in twee
werelden tegelijk: die van jouw en mijn werkelijkheid, en die van de
verbeelding.
Wat de Nonkel Victor betreft van de familiefoto waarmee ik deze reeks begonnen ben, moet ik al meteen een bekentenis doen. In de verbeelding die mijn
herinneringen creëerden, behoorde hij
tot het geslacht Temmerman (‘het Daensistisch nest’, weet je wel) maar
blijkt dat niet zo te zijn en heb ik hem dus mogelijk ten onrechte ‘zwarte
gedachten’ onder zijn panama geschoven. En het beeld dat ik in dat stukje
ophang van Rosa klopt – wat de roodgestifte lippen en de rouge op haar wangen
betreft – en het zal ongetwijfeld wel waar zijn dat zij ook een goeie
partij huwde, maar als echtgenoot had ik een andere in gedachten, getrouwd met
een andere tante van ons va (eveneens met roodgestifte lippen en rouge op de
wangen, maar iets minder).
Nog zoiets: het is altijd mijn stellige overtuiging geweest dat Petjen uit een boerenfamilie kwam uit het gehucht Essene, gelegen op enkele flinke boogscheuten van Erembodegem, en dat hij altijd schrijnwerker is geweest, timmerman. In 2020, toen het fotoalbum van ons moe boven water kwam, bleek ineens dat hij in zijn jonge jaren als brouwersgast de baan op was gegaan, samen met zijn broer Jean Baptist, aka Nonkel Zjang. En dat hun vader, Henricus Onverwagt – de man van de foto bij dit stukje – in de huwelijksakte van Petjen niet als ‘landbouwer’ maar evenzeer als ‘brouwersgast’ vermeld staat. Het album van ons moe opent nogal pontificaal met een grote landscape foto uit de jaren 30 van de twee broers bij hun vrachtwagen. Was het dan dat brouwersgastenschap dat in de familie zat, in plaats van de boerderij? Ook aan die kwestie moet ik nog een apart stuk wijden.
Ik wil maar zeggen dat ik enige reserves had bij misschien wel de
grootste, maar ook – dacht ik – de moeilijkst verifieerbare familielegende van
het geslacht Onverwagt. Zowel ons moe als Petjen waren nogal fier op hun naam,
die ze – terecht – heel mooi en zelfs een tikje mysterieus vonden. ‘Wij zijn
afkomstig van een vondeling!’ beweerden ze, die ergens onverwacht was opgedoken
in een tijd toen de ch en de g in de spelling van de Nederlandse taal nog
inwisselbaar waren.
Via Henricus
Onverwagt, gehuwd met Joanna-Francisca Van Schuerbeeck brengt Geneanet mij
onverwijld bij zijn ouders: Petrus Joannes Onverwagt en Barbara De Raedt. En
een generatie verder bij ‘Joannes Onverwacht (sic), geboren op 2 februari 1808
te Aalst, 26 jaar oud, vondeling, wonende te Esschene, dienstbode van beroep,
vondeling zonder bekende ouders geboren omstreeks 02-02-1808; voldaan aan wet
op Militie’. De huwelijksakte is te vinden in de Open Archieven
(openarchieven.nl) en op de website Familiegeschiedenis
(familiegeschiedenis.be), in de parochieregisters. Henricus trouwde op 15
januari 1834 in Essene met ‘Melania Victime, geboren op 29 oktober 1805 te
Brussel, meerderjarige, vondelinge, wonende te Esschene, dienstmeyt van beroep,
vondelinge zonder (on)bekende ouders geboren omstreeks 07 brumaire jaar XIV.’
De alternatieve jaartelling slingert ons meteen terug naar revolutionaire
tijden. Getuigen bij het huwelijk waren overigens twee landbouwers, een
herbergier en een ‘veldwagter’.
De unieke
achternamen van Joannes en Melania schijnen typerend te zijn voor de naamloze
kinderen die destijds in het vondelingenhuis werden ‘afgegeven’. Enig speurwerk
leert me dat Vlaanderen rond 1800 een sterke stijging kende van het aantal
vondelingen als gevolg van zware armoede en de textielcrisis. Onder het Frans
bewind werd in 1811 een decreet uitgevaardigd dat zorgde voor officiële
vondelingentehuizen en de beruchte 'vondelingenschuif'. Vondelingen werden door
de ambtenaar van de burgerlijke stand geregistreerd. Ze kregen een willekeurige
voor- en achternaam, vaak afgeleid van de vindplaats, het tijdstip of de maand
van vondst. De vondelingentehuizen fungeerden vooral als depots; de
overlevingskans was daar zeer laag, door ondervoeding en ziektes. Zodra het
kon, werden de baby’s uitbesteed aan pleeggezinnen op het platteland, die
hiervoor een vergoeding kregen. Vanaf hun zesde of twaalfde jaar moesten de
kinderen er vaak als dienstbode of landarbeider werken.
Vondelingen
werden door ambtenaren of de kerk vaak bedacht met fantasierijke of symbolische
namen, zoals Onverwacht (het kind kan het gevolg geweest zijn van een
‘ongelukje’) en Victime. Blijkbaar gebeurde het wel meer dan vondelingen met
elkaar trouwden: zij groeiden nu eenmaal vaak op in dezelfde instellingen of
bij specifieke pleeggezinnen in dezelfde regio.
Kunnen
synchroniciteiten – in het oog springende toevalligheden, zie daarvoor Een magisch-realist in Mysterieus België – zich op magisch-realistische wijze
ook manifesteren in je voorgeslacht? Blijkbaar zijn Petjen – Jan Ferdinand
Onverwagt – en zijn gevonden overgrootvader Joannes getrouwd met exact honderd
jaar verschil. En de ontvanger die negentig frank incasseerde voor de
huwelijksakte van Jan Ferdinand in 1934, heette Toussaint… net zoals de
brouwerij waar hij als brouwersgast aan de slag was.
Alle 101 Familiefoto's zullen op termijn hier te vinden zijn.
21.7.26
101 Familiefoto's - 004: Het Groene Boek van ons Moe
Het fotoalbum is typisch jaren zeventig. Op een zacht glooiende
grashelling, badend in warm namiddaglicht, schurkt een jong koppel dicht tegen
elkaar aan. Hun gezichten zijn nauwelijks zichtbaar; ze lijken volledig op te
gaan in elkaar, zich niet bewust van de camera – dit is een gestolen moment.
Rond hen strekt zich een uitgestrekt parklandschap uit. Het gazon golft
zacht naar beneden, als een groene zee waarin het zonlicht brede banen van goud
trekt. Hoge bomen omringen de scène als een natuurlijke kathedraal. Hun
bladeren filteren het licht, waardoor overal kleine schitteringen ontstaan.
Links hangen takken laag over een donkere waterpartij of een schaduwrijke
greppel; rechts valt het zonlicht fel op een treurwilg waarvan de lange takken
als een gordijn naar beneden hangen.
Precies dit in hels groen plastic verpakt album met een nostalgisch
coverbeeld naar vervlogen zomers en jeugdige liefdes heeft ons moe uitgekozen
als familiaal fotoalbum. Het past als de spreekwoordelijke tang op het dito
varken, al besef ik dat ook die beeldspraak hier min of meer ongepast is. De
handige cellofaan maakt het onhandig knoeien met klevertjes overbodig,
misschien heeft ze daarom dit album gekozen. Of het lag in de solden, dat kan
ook. Nu goed, het is het binnenste dat telt, nietwaar. Niet de verpakking, maar
de inhoud.
Zonder dit Groene Boek zou er geen sprake zijn van deze reeks 101 Familiefoto’s. Zoals je kunt zien, heb ik het volgeplakt met papiertjes die me eraan moeten herinneren wat ik nog zoal wil vertellen bij de foto’s die het bevat. Ik ben er vrij zeker van dat ons moe eraan begonnen is kort na de dood van haar vader, mijn Petjen, in 1976. En ze is zeer selectief geweest: dit album was duidelijk bedoeld voor haar tak van de familie, voor het geslacht Onverwagt – en aangezien Jan Ferdinand trouwde met Florine Van Gheit, min of meer ook voor die vertakking. Een Bernauw of een Temmerman (mijn grootmoeder langs vaders kant) zijn nog in geen velden of wegen te bekennen.
Eigenlijk is het bijna symbolisch dat er toch tamelijk veel ruimte in
het album wordt besteed aan ‘tante Louise’, de jongere zus van Florine. Je kon
ons moe niet echt een fan noemen van tante Louise, het Orakel van de
Brusselbaan die een glansrijke carrière als Gendarme of Dragonder had gemist.
Tante Louise (spreek uit: ‘Lowis’) heeft op het reilen en zeilen van het gezin
Onverwagt-Van Gheit erg veel invloed uitgeoefend, en doorgaans niet in de goede
zin van het woord. Haar talent om onrust te zaaien heeft ook voor haar eigen
gezin desastreuze gevolgen gehad. Maar daarover later meer.
Ik wist nauwelijks af van het bestaan van dit album tot 2020. Na de dood van ons va in 2009 had ons moe zich vrij snel ‘herpakt’, en was ze vol goede moed begonnen aan een nieuw leven zonder haar ‘halve trouwboek’. Fysiek mocht hij er dan niet meer zijn, in onze – en haar – gedachten en gevoelens bleef hij nog zeer levendig. Vanaf 2016 zo ongeveer begon ons moe lichamelijk en geestelijk erg achteruit te gaan: ze sloot zich af van vrienden, kennissen en buren – maar ook van haar naaste familie. Als Ferna en Johan – mijn twee broers – en ik op zondagvoormiddag kwamen aperitieven, trok ze naar buiten om bladeren op te rapen van het gazon. Ook als ze bij ons thuis kwam eten, nam ze nog nauwelijks deel aan de conversatie. Ze verwaarloosde zichzelf, het huis aan de Roomshofstraat raakte in verval, maar daarover met haar in gesprek gaan was onmogelijk.
Ik denk dat ze bang was dat ze dement werd. We gaven bij de Scriptomanen
in die periode een dichtbundel van Eddy Vaernewyck uit, Over het geluk van
oude zomers. Omdat ik meende dat ze deze poëzie wel zou kunnen smaken en
omdat er enkele pakkende gedichten over dementie in stonden – ons moe was erg
geïnteresseerd in dat onderwerp, sinds ze haar demente moeder had verzorgd –
gaf ik haar een exemplaar cadeau. Ze gooide het weg, met de boodschap dat ze
dat allemaal niet meer wilde lezen.
Eind december 2019 vond mijn jongste broer Johan haar in de gang, waar
ook de telefoon stond. Ze had daar al een hele tijd gelegen, had een toeval
gekregen, een attakske – of een reeks attakskes – en was gevallen
toen ze wellicht op weg was naar de telefoon. Ze was erg verward, werd
opgenomen in het ziekenhuis, knapte daar lichamelijk vrij goed op – al zou ze
vanaf nu voortdurend aangewezen zijn op een rollator, of zelfs een rolstoel –
en moest opgenomen worden in een woonzorgcentrum. We kozen voor de Gerstjens:
het was dichtbij, in het hart van Erembodegem waar ze altijd gewoond had, en er
verbleven al enkele oude bekenden van haar, onder wie ook een bijzonder goeie
jeugdvriendin.
Begin januari 2020 verhuisde ze van het ziekenhuis recht naar het
woonzorgcentrum – waar ze een paar maanden later al meteen geconfronteerd werd
met corona – en werd haar huis aan de Roomshofstraat verkocht. Het huis moest
leeg gemaakt worden, en bij die gelegenheid stootte ik op het Groene Boek, dat
in mijn archieven belandde, op de zolder van de garage. In 2008 hadden we het
huis van Nonkel Frans al leeggemaakt – de jongste broer van Petjen – en had ik
mij ook ontfermd over zijn archief. Vroeg of laat zou ik daar eens iets mee
aanvangen, had ik gedacht. En omdat hij de jongste van het geslacht Onverwagt
was geweest, en al zijn broers en zussen inmiddels ook waren gestorven, waren
veel memorabilia via hem ook al bij mij verzeild geraakt.
Op die manier wist ik dat veel foto’s het Groene Boek niet hadden
gehaald, niet alleen omdat het hoogstwaarschijnlijk al kort na 1976 was
samengesteld, maar ook omdat de focus ervoor duidelijk bij het gezin
Onverwagt-Van Gheit had gelegen, met tante Lowis als onvermijdelijk aanhangsel.
Uiteraard dook het ook weer op bij het overlijden van ons moe in mei
2026, toen mijn broers en ik op zoek gingen naar foto’s voor de montage bij
haar levensloop en het liedje In de ogen van ons moe dat we gemaakt
hadden. Daar en dan heeft het idee voor dit boek vaste vorm aangenomen. Ik was
verplicht een selectie te maken, maar bij elke mij al bekende of nog redelijk
onbekende foto die ik onder ogen kreeg, ontsprong telkens ook weer een stroom
herinneringen…
En wat doe je dan, als schrijver?
Dan schrijf je die op, natuurlijk.
20.7.26
Blackout 04: De eerste keer dat hij stierf
De eerste keer dat hij stierf, merkte hij het nauwelijks.
Er was een ziekenhuiskamer geweest, een winteravond waarop
de regen tegen de ramen tikte en een verpleegster die hem nog iets had gevraagd
wat hij niet meer verstond omdat haar stem al van heel ver leek te komen.
Daarna volgde een duisternis die zo volmaakt was dat zij niet eens als
duisternis kon worden ervaren. Er waren geen dromen, geen herinneringen, geen
tunnel van licht of reeds gestorven familieleden die hem stonden op te wachten.
Er was eenvoudigweg Niets.
En vervolgens was er opnieuw Iets.
Toen hij zijn ogen opende, zat hij in de woonkamer van zijn ouderlijk huis. De versleten sofa stond nog naast de
kachel, de klok boven de schoorsteenmantel wees tien over acht aan en door het
raam zag hij de appelboom die vroeger precies in het midden van de tuin had gestaan.
Alles was nog net zoals hij het zich herinnerde.
Aanvankelijk dacht hij dat hij droomde. Maar toen hij naar
buiten liep, kreeg hij steeds sterker het gevoel dat niet hijzelf, maar de
wereld rondom hem een droom was. De straat lag er verlaten bij, er reden geen
auto's voorbij, er klonken geen stemmen. Hij wandelde door de stilte van een toneeldecor
dat wacht tot de acteurs hun plaatsen innemen.
Maandenlang dwaalde hij door deze merkwaardige stad die de zijne was. Hij vond
winkels waarvan de deuren nooit opengingen, cafés waarin glazen op tafels
stonden alsof de klanten elk moment konden terugkeren en stations waar treinen
aankwamen zonder passagiers.
Pas veel later ontmoette hij een andere mens. Een jonge vrouw zat op een bank aan een rivier die op geen enkele kaart voorkwam. Ze vroeg hem wanneer hij was gestorven en toen hij antwoordde dat dit vorige week was gebeurd, glimlachte ze en zei: "Dat denkt u maar."
Zijzelf werd geveld in 1912 door een longontsteking. Sindsdien woonde
ze hier, in deze vreemde wereld waar mensen uit verschillende tijden elkaar
soms ontmoetten alsof de geschiedenis was samengevouwen tot één enkele
bladzijde.
In de jaren die volgden ontmoette hij nog lotgenoten: een
zeeman uit de zeventiende eeuw, een monnik uit de middeleeuwen, een programmeur
uit een verre toekomst die beweerde dat heel deze wereld niet meer dan een simulatie was. Hun
verhalen verschilden in bijna alles, behalve in één detail: iedereen was gestorven, en hij of zij was daarna hier terechtgekomen.
Langzaam groeide het vermoeden dat deze plaats geen
hiernamaals was, maar… iets anders. Gebouwen leken soms alleen te bestaan omdat
iemand ze zich herinnerde. Straten verdwenen wanneer hun laatste bewoner
vergeten werd... of ze vergat. De stad was niet opgebouwd uit steen en beton, maar uit
herinneringen die hardnekkig weigerden te verdwijnen.
Op een avond bracht de vrouw hem naar een verlaten vlakte waar een eenzame deur stond, zonder muur eromheen, zonder huis - alsof ze daar door niemand en voor niemand was achtergelaten.
"Wat bevindt zich erachter?" vroeg hij.
"Dat weet niemand," antwoordde de vrouw. "Wie
erdoor gaat, keert nooit terug."
Jarenlang bleef de deur hem achtervolgen - spreekwoordelijk, uiteraard. Uiteindelijk won zijn nieuwsgierigheid het pleit. Op een dag legde hij zijn hand op de koude klink, dacht
aan de regen tegen het ziekenhuisraam op de avond van zijn dood en aan alle
herinneringen waaruit deze wereld was opgebouwd.
Toen opende hij de deur.



































