11.7.26

101 Familiefoto's - 002: De laatste tram

 


In mijn ‘creatieve autobiografie’ Eenmagisch-realist in Mysterieus België (2025) beschrijf ik het als volgt:



Dit moet zo ongeveer mijn oudste herinnering zijn. Ik ben een jaar of vier en zit op de arm van mijn grootmoeder. Ze staat helemaal achteraan in de tuin van haar huis, bij het hekje dat rechtstreeks uitgeeft op iets dat lijkt op de bedding van een drooggevallen rivier. Maar het is geen rivier, er liggen tramsporen in het midden van de bedding.

Naast mijn grootmoeder staat mijn grootvader, in zijn hemdsmouwen. En mijn ouders zijn er ook. De hond blaft en springt op – hij is helemaal wit, behalve rond zijn ene oog: daar is ie zwart.

Het is warm, de zon schijnt. Het moet augustus zijn, zo zal ik mij later realiseren… want aan de overkant van de tramlijn ligt een graanveld, en het graan is geel.

En dan is daar de tram. Hij rijdt ons traag voorbij. En de hond blaft en springt op. De zonnestralen lijken mij helemaal warm te maken, ook vanbinnen. Ik ervaar een intens gevoel van geluk, zoals er nog veel zullen volgen in die gouden jeugd van me. Het graan kan ik bijna ruiken. Wat een mooie, mooie dag is dit…

Achteraan op de tram, op een platformpje, staan een drietal mensen – twee mannen en een vrouw. En ze wuiven naar ons. En wij wuiven terug.

‘Kijk jongen, dat was nu de laatste tram,’ hoor ik mijn grootvader zeggen.  

Vele jaren later – ik woon nu al geruime tijd in het huis van mijn grootouders – vertel ik aan een heemkundige dat ik als kleuter daar, achteraan in de tuin, de laatste tram heb uitgewuifd.

De man kijkt me kritisch aan. ‘Hoe oud ben jij dan?’

Ik zeg dat ik geboren ben in ’62.

‘Ik dacht al zoiets,’ grijnst hij. ‘De laatste tram reed uit in 1963.’

 

Het is een typische valse herinnering. Waarschijnlijk heb ik in de loop der jaren – misschien zelfs voor een verhaal dat ik ooit schreef – het relaas van mijn ouders of grootouders over die laatste tram gecombineerd met mijn herinneringen aan hoe we ooit in een gouden zomer van lang geleden achteraan in de tuin stonden. Er bestaat trouwens nog een foto van zo een in de tijd gestold moment. De witte hond met het zwarte oog ken ik eigenlijk alleen maar van die foto, en van mijn valse herinnering, want voor de rest komt hij in mijn herinneringen niet voor.

Ik heb in de loop der tijden een massa van dit soort valse herinneringen gefabriceerd. De pseudo-herinnering is een bekend psychisch gegeven. Een niet-schrijvende mens zal een gat in zijn geheugen proberen op te vullen in een doorgaans grotendeels onbewust proces. Hij zal bepaalde details en zelfs hele herinneringen verzinnen, of ze door logisch redeneren proberen te reconstrueren. Een schrijvende mens zal bewust stilstaan bij een gebeurtenis uit zijn verleden en er iets mee doen in functie van een personage dat hij tot leven wil wekken, een scène die hij wil inkleuren, het verhaal dat hij wil vertellen.

In de psychologie spreekt men in dit verband over het Lost in the Mall Experiment, waarmee werd aangetoond dat mensen nieuwe herinneringen kunnen aanmaken over gebeurtenissen die nooit hebben plaatsgevonden. Proefpersonen krijgen het verslag van een aantal gebeurtenissen uit hun jeugd te lezen, genoteerd door familieleden. Eén ‘feit’ is evenwel verzonnen: dat ze op vijfjarige leeftijd verdwaalden in een winkelcentrum. Toch wordt ook deze fictieve gebeurtenis voor waar aangenomen: sommige proefpersonen slagen er zelfs in allerlei details te vertellen over een verzinsel.

Een schrijver kan hier zijn voordeel mee doen. Voor een magisch-realistische schrijver zou dit fenomeen zelfs een fundament kunnen zijn waarop een belangrijk deel van zijn werk is gebouwd. Ga het na bij verschillende magisch-realistische schrijvers als Haruki Murakami, Jeanette Winterson, Hubert Lampo, Isabel Allende, Jorge Luis Borges of Gabriel Garcia Marquez… en je zult telkens een andere definitie krijgen van wat magisch-realisme voor hen betekent. Een aantal elementen keert noodzakelijkerwijze terug: aan de ene kant de werkelijkheid zoals wij die kennen – de ‘feiten’ zeg maar –, aan de andere kant de droom, de verbeelding, de fictie, de mythe, het bovennatuurlijke en het mystieke, een alternatieve realiteit, een parallelle wereld.




Tot daar het fragment waar ik voor de lezer een valse herinnering ontmasker en er tegelijk een nieuwe aanmaak. Want de foto waarvan sprake, met de hond met het ene zwarte oog, achteraan in de tuin… die bestaat niet. Bij het doorploegen van het familiale foto-archief na de dood van mijn moeder op 13 mei 2026 – de rechtstreekse aanleiding voor het schrijven van deze stukken – ging ik naarstig op zoek naar de bewuste foto die ik me haarscherp meende te herinneren… en die niet bestond.

Blijkbaar heb ik aan de hand van een onbestaande foto – opnieuw – een alternatieve realiteit geconstrueerd, een parallelle wereld. Ik ben er wel vrij zeker van welke foto voor de inspiratie heeft gezorgd, en dat moet deze zijn waarmee ik dit stukje open. Mijn grootvader en mijn grootmoeder achterin de tuin van het huis waar ik nog steeds woon, mijn grootmoeder met een hond op de arm. En tussen hen in… niet ik, maar mijn moeder.

Die hond – al dan niet met één zwart oog – verschijnt trouwens wel vaker op foto’s met mijn grootouders en/of mijn moeder. Hij maakte, zolang ik mij kan herinneren, deel uit van de familie.

Eind jaren 40 maakte je niet zomaar eventjes een foto. Ik vraag me dan af wie besloot mama, papa en de dochter even bij elkaar in de tuin. Het moet weer zomer zijn. Mijn grootvader is lang en opvallend mager, zijn houding zelfverzekerd, bijna uitdagend met die hand in zijn zij. Hij is in hemdsmouwen, werd hij onderbroken bij het werk in de tuin? In zijn blik meen ik een zweem van ongeduld te ontwaren. 

Het meisje dat mijn moeder zal worden vangt in haar lichte jurk het meeste licht. Ze staat keurig rechtop met beide handen voor zich gevouwen, heeft ze dat zo geleerd op school? Toch straalt ze geen verlegenheid uit, integendeel, ze lacht, ze vindt dit amusant, ze heeft er schik in. 

Metjen heeft een stevig postuur – heel anders dan het frêle oude vrouwtje dat zij later zou worden. Ze glimlacht als iemand die tevreden is met haar leven. Zowel mijn moeder als mijn groot-moeder lijken  heel anders op deze foto dan ik ze mij herinner.

De aandacht van de hond wordt volledig opgeëist door iets buiten beeld. Je krijgt het gevoel dat hij elk moment zou kunnen beginnen spartelen en vervolgens onherroepelijk buiten beeld springen…

3.7.26

Blackout 03: De tuin die terugkeerde

 



De oude man woonde alleen aan de rand van het dorp, in een huis dat langzaam door klimop en vergetelheid werd veroverd. Niemand wist precies hoe oud hij was. Sommige buren beweerden dat hij er altijd al had gewoond. Anderen herinnerden zich vaag dat hij ooit als jonge onderwijzer was aangekomen, ergens kort na de oorlog. “De eerste of de tweede?” vroeg ik. Daar kon niemand op antwoorden.

Tegen de tijd dat ik hem leerde kennen, leek hij niet meer tot dezelfde wereld te behoren als de rest van ons. Iedere avond zat hij op een houten bankje achter zijn huis en keek hij uit over een stuk braakliggend terrein dat ooit een tuin was geweest. Volgens hem had daar vroeger een wonderlijke verzameling planten gestaan: blauwe rozen, zilveren papavers, nachtbloemen die enkel opengingen wanneer de maan vol was. Niemand geloofde hem. De grond lag er kaal bij, op wat onkruid en een paar verwilderde struiken na.

"Je bent te laat geboren," zei hij vaak tegen mij. "Je had het moeten zien."

Ik glimlachte dan beleefd. Kinderen zijn bereid veel te geloven, maar zelfs ik vermoedde dat de man vooral sprak over herinneringen die mooier waren geworden naarmate de jaren verstreken.

Toen hij stierf, werd zijn huis leeggehaald. Zijn boeken verdwenen naar antiquairs, zijn meubels naar kringloopwinkels en zijn persoonlijke papieren werden opgehaald door de stadsreinigingsdiensten.

De tuin bleef achter.

Dat jaar kwam de winter vroeg. Dagenlang hing er mist boven de velden. Op een avond wandelde ik langs het verlaten huis toen ik iets vreemds opmerkte. Achter het verroeste hek leek een zacht licht te gloeien, alsof iemand tussen de struiken een reeks kleine lampen had verborgen.

Nieuwsgierig klom ik over het hek. De lucht voelde er anders aan, warmer. En plots rook ik bloemen. De geur had niets van de herfst, van natte aarde, maar alles van een bedwelmend parfum dat ik niet thuis kon brengen.

Voor mij strekte zich een tuin uit die daar onmogelijk kon zijn. Waar enkele uren eerder nog kale grond was geweest, zag ik nu kronkelende paadjes, vijvers waarin sterren weerspiegeld werden en bloemen die een zacht licht uitstraalden alsof ze hun eigen kleine maan bezaten. Hoge bomen bogen zich over het landschap, hun bladeren ritselden in een taal die ik bijna kon verstaan.

Ik liep verder, verbluft en sprakeloos. Op een open plek zat de oude man op zijn bankje. Of liever: daar zat iemand die op hem leek. 

Hij keek glimlachend naar de bloeiende wereld rondom zich. "Ik zei toch dat je te laat geboren was," zei hij.

"Wat is dit?" vroeg ik.

"Een glimp," antwoordde hij. "Meer kan ik je niet geven.”

En toen begon de wereld rondom ons al te vervagen. De lichtgevende bloemen doofden één voor één uit. De bomen werden schaduwen, de paden losten op in nevel. Het huis was weer donker, en het bankje leeg.


Alle blackouts zullen op termijn te vinden zijn via deze link. Hier vind je ook alle info over het boek Groetjes uit de vierde dimensie, dat eveneens samengesteld is uit microfictie en illustraties (postkaarten) geïnspireerd door blackout poetry, en andere produkten van het Mystiek Actie Front MAF.

Van alle blackouts is ook een luisterverhaal gemaakt, terug te vinden op de podcast Luisterboeken.


 


1.7.26

Een zoektocht naar het vervloekte Malpertuis van Jean Ray in Gent


 


Zoals in tal van romans en verhalen van Jean Ray is Gent alomtegenwoordig in zijn meesterwerk Malpertuis. Ondanks de vrij precieze situering van dit naargeestige huis in de Sint-Jacobswijk, blijft het onvindbaar voor de onderzoeker die zich verdiept in het oude Gent met zijn nog niet gedempte waterlopen en vergeten en verbeelde straten, stegen en pleintjes. Bestaat het echt of is dit imposante en onheilspellende gebouw, opgetrokken uit de herinneringen van de auteur, geput uit tal van boeken en prenten, en enkel te vinden in de vervaarlijke vierde dimensie die raakpunten heeft met onze realiteit?

Jean Ray verwittigde Henri Vernes, schrijver van de Bob Morane-verhalen: 'Zoek maar verder naar Malpertuis… het zij zo… maar vergeet niet dat, zo ge dat verdoemde duivelshuis niet vindt, het u misschien zal vinden… en dan…

Ik heb het onderzoek van Vernes voortgezet, en de uitdaging van Jean Ray aangenomen, in een driedelige podcast reeks van Mysterieus België naar het essay Malpertuis dat zopas verscheen in de Rare Boekjes Reeks van Fantastische Vertellingen en dat hier kan besteld worden aan 7,95 euro.

Wie over het boekje beschikt en graag de reclamevrije luisterboek versie gratis & voor niets in zijn mailbox wil ontvangen, kan een mailtje sturen naar info@inter-actief.be 







Een Gentse schrijver, het geheim van het vervloekte Malpertuis, ongeloof over het beweerde verscheiden van John Flanders, te rusten gelegd naast Virginie Bal. De werkelijkheid zoals wij die kennen staat op losse schroeven en uiteengezet wordt op grond waarvan.

Het magisch realisme spat er vanaf.

Malpertuis; literair essay; Patrick Bernauw; 

omslag- en binnenillustraties Gert-Jan van den Bemd; 

Rare Boekjes-reeks 73; ISBN 978-90-78499-74-9; 72 blz.; 1e druk 2026; 

uitg. Stichting Fantastische Vertellingen; 

omslagontwerp Ingrid Heit; biografie van auteur en omslagillustrator; 

Penguin-formaat pocketboek.

7,95€


Rare Boekjes-reeks
Via de Rare Boekjes-reeks biedt de Stichting Fantastische Vertellingen een springplank voor nieuw of miskend oorspronkelijk Nederlandstalig talent op het gebied van fantastische literatuur en kunst. De publicaties in deze reeks beogen de creativiteit te stimuleren en de geesten maximaal te verruimen.

26.6.26

Blackout 02 - Een lange stilte

 


Toen de werklui de oude abdijbibliotheek eindelijk openbraken, verwachtten ze stof, schimmel en ingestorte boekenkasten aan te treffen. Niemand verwachtte een man in een pij, gezeten aan een houten tafel, in een kamer die volgens de bouwplannen al meer dan tweehonderd jaar niet meer toegankelijk was geweest. Het licht van hun zaklampen gleed over vergeelde perkamenten, een omgevallen zandloper en een inktpot die allang moest zijn opgedroogd.

De man keek op, hij leek niet verrast. Een ogenblik bleef iedereen roerloos staan. De stilte in de ruimte had iets eigenaardigs. Het was niet de gewone stilte van een verlaten gebouw, maar een zware, bijna tastbare variante die op de borst drukte zoals water op een duiker. Later zou een van de arbeiders zeggen dat het voelde alsof de kamer al eeuwenlang haar adem had ingehouden.

"Wie bent u?" vroeg iemand uiteindelijk.

De man fronste zoals iemand die een vraag niet goed begrijpt. Toen begon hij te spreken. Zijn woorden klonken als Nederlands, en toch ook weer niet. Sommige klanken leken eeuwen oud. Andere hadden een vreemde melodie die niemand kon thuisbrengen.

Een jonge historica, die de restauratie begeleidde, voelde de haren op haar armen overeind komen. Ze herkende flarden Middelnederlands.

Men bracht de monnik - of wat het ook was - naar buiten. Daar startte de werkelijke verwarring. Hij kende geen auto's, geen elektriciteit, geen vliegtuigen. Geen Napoleon, geen Belgische Revolutie, geen Eerste Wereldoorlog, laat staan een Tweede. Hij kende wel de graaf van Vlaanderen en voor hem was Brugge nog steeds de navel van de wereld.

Dagenlang ondervroegen wetenschappers hem. Ze onderzochten zijn kleding, zijn tanden, zijn huid, zijn haar. Alles wees erop dat hij werkelijk uit de dertiende eeuw afkomstig was.

Op een avond zat de historica alleen met hem in de onderzoeksruimte. "Waar denkt u dat u zich eigenlijk bevindt?" vroeg ze.

De man keek haar een tijdje zwijgend aan en glimlachte toen, enigszins droevig. Hij keek naar het raam, waar de regen tegen het glas tikte. "Ik zat in de bibliotheek," zei hij zacht. "Ik sloeg een boek open. Er stond iets in geschreven dat geen mens mocht lezen. Daarna werd alles stil." 

Zijn blik dwaalde af naar iets wat zij niet kon zien. 

"Toen verschenen… de anderen. Gij."

Diezelfde nacht nog verdween hij. De beveiligingscamera's registreerden niets: geen deur die openging, geen raam dat werd geforceerd. Om twee uur drieëntwintig zat hij nog in zijn kamer, om twee uur vierentwintig was zijn stoel leeg.

Alsof hij altijd al een illusie was geweest.


Alle blackouts zullen op termijn te vinden zijn via deze link. Hier vind je ook alle info over het boek Groetjes uit de vierde dimensie, dat eveneens samengesteld is uit microfictie en illustraties (postkaarten) geïnspireerd door blackout poetry, en andere produkten van het Mystiek Actie Front MAF.

Van alle blackouts is ook een luisterverhaal gemaakt, terug te vinden op de podcast Luisterboeken.


24.6.26

De blinde vlek in het Mysterie van Albert I (Johan Op de Beeck)


Uit Kroniek van de 20ste eeuw, Elsevier 1985:
koning Albert valt dieper dan de rots hoog is.


Laat er geen twijfel over bestaan: ik ben (en blijf) een groot liefhebber van de non-fictie van Johan Op de Beeck. Ik heb bijzonder genoten van zijn boeken - en podcasts - over de Zonnekoning, Versailles, de Franse Revolutie, Napoleon, Leopold II. Af en toe ergerde ik me wel aan het soms niet al te zuivere Nederlands, aan hele passages zelfs waarbij de redacteur duidelijk was ingedommeld, of aan zijn stiefmoederlijke behandeling van de alinea. Maar Op de Beeck is nu eenmaal een rasechte verteller met oog voor sprekende details en dito anekdotiek, en dan kijk je al eens wat door de vingers. Zo staan het sanitaire imbroglio van Versailles mij nog levendig voor de geest, de lichamelijke ongemakken waarmee de Zonnekoning af te rekenen kreeg (met de behandeling door zijn 'tandarts' als pijnlijk hoogtepunt) of de geur die de laarzen van de jonge Napoleon met zich meebrachten in de Parijse salons. Zij kunnen zich meten met de etymologie van het woord copain uit De Bourgondiërs van die andere meesterverteller, Bart Van Loo, die daarenboven een briljant stilist is. Dat laatste kan jammer genoeg niet van Op de Beeck gezegd worden - maar hij is dan weer een fan van Bruce Springsteen, en die kunnen bij mij altijd op extra krediet rekenen, meer zelfs dan de fans van het Franse chanson. 

Van de historische thrillers van Johan Op de Beeck ben ik nooit wild geweest, om het voorzichtig uit te drukken. Aan Het complot van Laken en zijn opvolger De staatsvijand heb ik nog enig plezier beleefd, al moest ik even een blik werpen op de achterflap om mij te herinneren waar ze ook weer over gingen. De stijl waarin een boek is geschreven, staat wat mij betreft garant voor een groot - zoniet het grootste - deel van mijn leesplezier. En zekere minpunten die in zijn non-fictie nog ondergeschoffeld worden, dringen zich in fictie genadeloos op de voorgrond. De aanslag op Napoleon heb ik na een vijftigtal bladzijden weggelegd, wegens te taai en - sorry - te slecht geschreven. De personages komen niet tot leven, de lezer dient zich door ettelijke pagina's niet echt terzake doende uitweidingen te ploegen, zinnen draaien regelmatig in een grammaticale knoop en de taal is stroef, de verwoording bijwijlen tegelijk omslachtig en onhandig.

Het was dus met enige reserve dat ik aan Het Mysterie van Albert I begon - maar een historische thriller over het onderwerp waar ik tussen 1993 en 2008 drie boeken aan wijdde, kon ik toch niet laten liggen? In Het Nieuwsblad verscheen een juichende recensie, Op de Beeck dook her en der op in de media, en het boek bleek al een bestseller te zijn nog voor het in de rekken lag. Gelukkig is deze thriller niet zo saai als De aanslag op Napoleon en zit hij weer zo ongeveer op het niveau van Het complot van Laken. Wild word ik er niet van, maar het kon erger. Misschien ben ik ook te zeer in de watten gelegd door auteurs als Robert Harris of Stephen King, die hun inhoud 'in stijl' weten te brengen en voor wie de geloofwaardigheid van het personage primeert. 

Het stoort me enorm dat grote uitgevers voor hun bestsellers-bij-voorbaat blijkbaar niet meer de moeite doen om een redacteur op een tekst te zetten die zijn stiel kent, en stijlbloempjes aanpakt als 'Het mens laat van ontstentenis haar poetslap op de stoep vallen' of 'In het salon grijpt de ontstentenis om zich heen als een bosbrand'. Die een contaminatie van het slag dat je vroeger al in de basisschool afgeleerd kreeg - 'onmeedogenloos' - onmeedogend corrigeert in meedogenloos, of vice versa. Die taalfouten opspoort van het genre 'Ik speur mensen op'. In mijn klassen creatief schrijven aan de Academie vlogen die er al bij een eerste lezing uit; dat je ze nog uit een boek moet plukken waarvan geheid enkele duizenden exemplaren verkocht worden, verdient onverbiddeloos de karwats. Ook zou ik er in die klassen op gewezen hebben dat je moet opletten met 'expositie' en een Sprechhund als sergeant Kimpe, als daar compleet ongeloofwaardige dialogen van komen waarin twee personages aan elkaar uitleggen wat ze eigenlijk allebei al weten, om de broodnodige informatie bij de lezer te brengen. En dat het kundig gebruik van de alinea een stijlmiddel is en niet een overbodig tierlantijntje: lees er Over leven en schrijven van de al eerder genoemde Stephen King op na, of om het even welke cursus creatief schrijven voor beginners.

'Waar maak jij je toch druk over?' hoor ik mijn critici al zeggen. 'Zijn boeken gaan als zoete broodjes over de toonbank, hoor!'

Och ja, het zal wel. Maar het lucht op het eens te kunnen zeggen als de thermometer over de 30° gaat.




En ik zou het vooral over de inhoud hebben. In de media klinkt het alsof Johan Op de Beeck zich als eerste waagt aan dit heikel onderwerp. De piste die hij bewandelt, wordt heel erg serieus genomen, want hij heeft nu eenmaal een indrukwekkende pedigree in het genre van de historische fictie en non-fictie. In 1993, toen ik samen met Guy Didelez de young adult historische thriller De moord op Albert I op de wereld losliet, lagen de kaarten heel anders. Het was 'maar' een jeugdroman, ik was ook die schrijver van Vlaamse Filmpjes, en historici zowel als royalty watchers buitelden over elkaar heen om een moord op de Koning-Ridder weg te zetten als een hardnekkige legende en/of een perfect voorbeeld van complotdenken. Toen we met de uitvinding van het internet nog meer informatie vonden die onze hypothese van 1993 bekrachtigde en het boek herschreven tot Het  februaricomplot (1999) was dat niet anders. 

In 2004 verscheen De val van Albert I, een sterk staaltje true crime van de Waalse journalist Jacques Noterman. Hij was de eerste die het gerechtelijk dossier over de dood van koning Albert kon inkijken en kwam tot een onomstotelijke conclusie: de officiële versie van de feiten - een tragisch maar klassiek ongeval 'van het alpinisme' - is niet houdbaar. Onder meer dankzij dit boek (en verdere research die ik ondertussen had gedaan) schreef ik in 2008 mijn laatste woord over de kwestie in de historische faction thriller voor volwassenen, Het Illuminati Complot. Ik beweer niet dat ik de waarheid in pacht heb, en dat het zo en niet anders gebeurd moet zijn als ik in dit boek vertel. Maar ik ben het eens met Noterman - en Op de Beeck - dat de officiële versie van de feiten een sprookje is, en ik geloof nog steeds dat mijn piste niets sprookjesachtigs heeft, omdat ik vertrek van drie premisses waaraan niet te tornen valt. Nog tot in 2016 bleven 'serieuze' onderzoekers evenwel zeer weinig serieuze pogingen ondernemen om de these van een moord in Marche-les-Dames onderuit te halen. Op de Beeck verwijst er ook naar, ik heb mij er destijds enigszins over opgewonden op deze blog, in de post De Frivole Fratsen van VTM-Royalty Reporter Reinout Goddyn en het DNA van Albert I uit Marche-les-Dames

Wat zijn dan die drie premisses?
  
Patrick Bernauw
Het Illuminati Complot
Werd de Belgische koning Albert I het slachtoffer van een passioneel drama of van een politiek complot? En wat heeft een voorspelling van de zieneres van Onkerzele, Leonie Van den Dijck, met dit alles te maken?
€27,50 Paperback
  

Nog voor 1993 en De moord op Albert I merkte ik al hoe slordig er verslag werd uitgebracht over de dood van de koning. Exemplarisch daarvoor is De kroniek van de 20ste eeuw, een prestigieus historisch naslagwerk uitgegeven door Elsevier en samengesteld door een enorme redactie, waarin de koning zowaar een val van 80 meter heeft gemaakt (zie foto bovenaan deze post). Gesteld dat hij van de top gevallen is, zou hij bijgevolg eerst een dertigtal meter omhoog gesprongen zijn. In het broertje van deze klepper, Kroniek van België (Standaard Uitgeverij) is er dan weer sprake van een val van 12 meter. Die discrepantie vond ik vreemd. Ik vroeg mij toen al af: waar halen zij hun cijfers vandaan?

Maar goed - de drie premisses dus, die eigenlijk in elk artikel over de dood van de koning vermeld horen te worden: 

Eén: als je een val doet, zelfs maar van 12 meter, van een rots zoals Le Vieux Bon Dieu in Marche-les-Dames, dan zul je daar blauwe plekken en schrammen en builen en gebroken armen en benen aan overhouden - dat kan niet anders. Koning Albert had één gapend gat in zijn schedel, en verder niks. Alsof hij dus 30 meter omhoog was gesprongen en daarna loodrecht neergevallen, op zijn hoofd. Dat is onmogelijk en sluit de stelling van een ongeval of van zelfmoord uit. Ja, zo duizelingwekkend eenvoudig en eenduidig kan één simpel feit zijn.

Twee: het is onmogelijk dat de groep boeren en rijkswachters uit de streek, opgetrommeld door de kamerheer die de koning vergezelde, de locatie waar Albert zijn beklimming aanvatte grondig uitkamde en er niks niemendal aantrof... als het lijk en enige rekwisieten van de Klimmer-Koning precies daar enkele uren later wél worden gevonden, vlakbij de openbare weg trouwens, door een zoekploeg onder leiding van enkele lui die in allerijl uit Brussel zijn overgekomen. De enige conclusie die je uit deze feiten kunt trekken, is dat het lijk en de rekwisieten er eerst niet waren, en daarna wel.

En nu wordt het interessant. Want als we iets zinnigs willen vertellen over de fabelachtige officiële versie van de feiten, dan moeten we ons in eerste instantie de vraag stellen wie hiervoor verantwoordelijk is geweest. Eén man treedt in dat geval nadrukkelijk voor het voetlicht: graaf Xavier de Grunne, ooit klimmaatje van Albert, secretaris-generaal van de Belgische alpinistenclub, die een landgoed bezat in de buurt van Marche-les-Dames en tot de Brusselse zoekploeg behoorde. Hij slaagde er niet alleen in het lichaam van de koning op miraculeuze wijze terug te vinden en te 'bergen', in de letterlijke betekenis van het woord (het lijk werd in de wagen gelegd en samen met alle daar ook aangetroffen spullen van de koning tegen alle geplogenheden in naar Laken gevoerd), maar belangrijker nog: hij dicteerde aan het parket van Namen hoe het allemaal precies was gebeurd. Het parket, dat pas op de crime scene verscheen nadat hij het lijk en alle mogelijke bewijs had laten verdwijnen.  

Johan Op de Beeck is volledig mee wat premisse één en twee betreft, maar blijft merkwaardig blind voor premisse drie: de uiterst verdachte machinaties van graaf Xavier de Grunne. Nochtans bestaat mijn korte samenvatting van hierboven alweer uit louter feiten.  De rol van Xavier de Grunne in de cover-up - hoe wil je het anders noemen? - minimaliseert hij, de man wordt zelfs nauwelijks vernoemd. Over de motivatie van Xavier de Grunne om te doen wat hij gedaan heeft - door zijn vasthouden aan 'het ongeval' bleek ook een lijkschouwing overbodig - kunnen de meningen uiteenlopen. Hij kan gehandeld hebben uit eerbied voor de vorst, om het imago van de koning clean te houden, weet ik veel... Maar hoe dan ook smeekt zijn modus operandi om een nauwgezet onderzoek van zijn persoon. Johan Op de Beeck zwijgt op een oorverdovende wijze over dit cruciale gegeven,  omdat hij de aandacht van de lezer wil afleiden van de mogelijkheid van een politieke aanslag door Duitsland, naar eentje in opdracht van de Franse geheime dienst. Hij kan niet anders dan toegeven dat er meteen na de dood van Albert in de hoogste kringen gedacht werd aan een Duitse aanslag, maar veegt dit element in het dossier zonder veel argumenten van tafel om - ook weer zonder veel argumenten - de Franse piste te volgen. 

Dit verhaal is er bijgevolg één met een opzichtige dode hoek. Komt daarbij dat ik het een regelrecht zwaktebod vind voor deze historische thriller wanneer blijkt dat de auteur zijn toevlucht zoekt tot een volslagen fictieve barones als bewoonster van het kasteel van Boninne - gelegen bij de crime scene - terwijl er een zeer non-fictieve barones voorhanden is, Alice de Zualart, over wie geruchten de ronde deden dat zij een minnares van de koning was geweest. Ook dit gegeven zet Op de Beeck weg in zijn dode hoek, met één enkel zinnetje in zijn nawoord: 'Daar is natuurlijk geen bewijs van.' Dat er daar zelfs ooit een pad naar de koning is vernoemd dat als mogelijke sluiproute kon dienen - nee, geen bewijs. Dat Albert al veel langer dan februari '34 naar Marche-les-Dames kwam 'om te klimmen', met een kamerheer als alibi - nog steeds geen bewijs. Maar anderzijds vindt hij het kasteel van Boninne en haar fictieve bewoonster wel sterk genoeg om mee te spelen in een eveneens puur fictieve context, die - laten we wel wezen - redelijk van de pot gerukt is en vooral dient om nog een extra portie seks binnen te smokkelen, via haar verschijning in pornografische publicaties. 

Ik heb ook veel moeite met het opvoeren van het historische personage van ingenieur Van Steenberghe, die een erg kritisch rapport schreef over de dood van de koning, dat door justitie destijds werd bestempeld als 'een complottheorie'. Hij wordt in het verhaal van Op de Beeck vermoord 'omdat hij te veel wist'. Wat de auteur zogenaamd wil vermijden met Alice de Zualart - een historisch personage een rol toedichten waar geen hard bewijs voor bestaat -, is plotseling geen probleem meer voor een ander historisch personage dat hij zelfs laat vermoorden, terwijl dat in werkelijkheid niet is gebeurd. Op de Beeck vermeldt het allemaal wel netjes in zijn nawoord en je mag me best een azijnpissende purist noemen, maar ik hou nu eenmaal niet zo van dit soort 'geschiedvervalsing' in thrillers met historische ambities. Stick to the facts, was altijd mijn devies - of je krijgt het lastig met the suspension of disbelief van de min of meer geïnformeerde lezer en je haalt je het commentaar van kritische kwieten als ondergetekende op de hals. 




De Franse piste die Johan Op de Beeck ontvouwt, trekt de spanningen tussen Albert en zijn Franse (en Engelse) bondgenoten tijdens de Groote Oorlog zonder meer door naar het jaar 1934. Albert wilde het bevel over zijn leger behouden en niet nodeloos jonge Belgische levens opofferen. Hij voerde zelfs in het grootste geheim 'gesprekken' met Duitsland. Dat laatste is voor Op de Beeck een argument om te stellen dat Albert eigenlijk best wel op goede voet stond met de Duitsers, zodat hun geheime diensten niet in aanmerking komen om een moordaanslag op de koning te beramen. Dat de spanningen en het wantrouwen van 14-18 voor de Fransen nog zo zouden doorwegen dat zij meenden de koning uit de weg te moeten ruimen, lijkt mij echter op zijn minst een paar bruggen te ver. Johan Op de Beeck lijkt te vergeten dat Hitler in 1933 aan de macht gekomen is en dat zijn nazi-Duitsland een heel andere, totaal nieuwe situatie geschapen heeft die niet meer te vergelijken valt met die van de oorlogsjaren, of van de Weimar republiek waar hij een eind aan maakte.

Wat Johan Op de Beeck zo nadrukkelijk buiten beeld laat, is een scenario dat vertrekt vanuit de historische figuur van graaf Xavier de Grunne, de verantwoordelijke voor de volstrekt fictieve officiële versie van de feiten die de geschiedenisboeken heeft gehaald en nog al te vaak klakkeloos nagepapegaaid wordt. Omdat, wie zich in de persoon van de Grunne verdiept, onvermijdelijk een uiterst recht(s)e lijn moet trekken naar... jawel, nazi-Duitsland. Het Illuminati Complot is gebouwd op de vaststelling dat de kas van de fascistische politieke partij Rex in de jaren dertig regelmatig gespekt werd met grote sommen geld die Führer Léon Degrelle in Duitsland en Italië wist los te weken. 'Xavier de Grunne, toen nog een vooraanstaand senator van Rex, heeft verklaard dat zijn partij van 1933 tot 1936 ruim 19 miljoen Belgische frank kreeg van Italië alleen al. De eerste fondsen werden door koeriers van Mussolini overhandigd in zijn kasteel van Oppem. In 1936 richtte Degrelle zich tot de Duitse gezant in Brussel en slaagde hij er eindelijk in een ontmoeting te regelen met zijn grote idool Adolf Hitler. Dat leverde Rex niet minder dan 100.000 rijksmark op, waarvan beweerd werd dat ze bestemd waren voor pers- en propagandadoeleinden, maar in werkelijkheid wilde men daarmee een staatsgreep plegen.'

Die poging tot staatsgreep is er in dat jaar ook gekomen. Ze bezorgde Degrelle & Co. (onder wie de Vlaamse schrijver Paul De Mont, Führer van de Vlaamse vleugel van Rex) een kater van formaat, want toen het erop aankwam verkozen de militairen eerste minister Van Zeeland boven een grillige amokmaker. Nu viel de Rex-beweging van Léon Degrelle, Paul De Mont, rijkswachtkolonel Vigneron en alpinist Xavier de Grunne lang niet zo goed te rijmen met de figuur van Albert I als met deze van Leopold III die zij tot het autoritaire staatshoofd van België wilden kronen. De Grunne brak later met Degrelle en ging tijdens de Tweede Wereldoorlog in het verzet, maar dat heeft geen belang voor zijn positie in die vroege jaren dertig. 




Had de Rexist, ooit de rechterhand van Degrelle, een motief voor een cover-up? Als Rex de financiering door Hitler veilig wilde stellen, of gewoon goede maatjes wilde blijven met hun Germaanse geestesgenoten... denk ik van wel. Had Hitler dan een motief om koning Albert uit de weg te ruimen? Vies van een politieke moordaanslag in het buitenland waren de nazi's allerminst: zo zouden zij in juli 1934 de dictator van Oostenrijk neerleggen, Engelbert Dollfuss. En in oktober 1933 - een half jaar na zijn machtsovername - eiste Hitler al 'gelijkberechtiging' wat de bewapening betrof, en trok hij Duitsland terug uit de Ontwapeningsconferentie en de Volkerenbond. Albert I volgde deze gevaarlijke bocht en de breuk met de naoorlogse veiligheidsorde met argusogen. Hij was bang voor zowel een nieuw Duits militair overwicht én een nieuwe algemene wapenwedloop. Kort na zijn dood, op 6 maart 1934, hield eerste minister Charles de Broqueville een toespraak die wellicht ook de visie van Albert weerspiegelde: tegenover de razendsnelle Duitse herbewapening moest men kiezen tussen preventieve oorlog of een algemene beperking van bewapening. Het was beter te onderhandelen dan zich te laten meeslepen in een nieuwe wapenwedloop. 

De positie van België in dit alles was voor nazi-Duitsland van het allergrootste belang. Met de stem van Albert werd toen nog rekening gehouden op het politieke toneel. Voor Albert mocht neutraliteit geen papieren illusie zijn, België moest zich kunnen verdedigen. Voor zijn zoon, de latere Leopold III, betekende dit dat België zich moest losmaken uit te nauwe Frans-Britse of Frans-Belgische militaire afhankelijkheden en een strikt zelfstandige positie moest innemen. Die politiek werd in het jaar van de mislukte staatsgreep, op 14 oktober 1936, door Leopold tegenover zijn ministers verdedigd. Het moet Duitsland als muziek in de oren geklonken hebben: na 1936 leidde deze houding onder meer tot het stopzetten van officiële stafcontacten met Frankrijk. Albert I wantrouwde de herbewapening van Duitsland; voor Leopold was dat een reden om Belgische zelfstandigheid te verkiezen boven de zekerheid van een bondgenootschap. Dat lijkt me toch wel een fundamenteel verschil.
 
Is dit een bewijs? Nee, dat is het niet. Mijn hypothese houdt wel met àlle bekende factoren rekening, zonder de geschiedenis in de pure feiten geweld aan te doen, en laat niet met opzet cruciale elementen buiten beeld omdat ze niet in mijn kraam passen. Johan Op de Beeck maakt, zeer terecht, het onderscheid tussen 'een complottheorie' en 'complotdenken'. Het eerste is rationeel onderbouwd, het tweede hoeft dat niet te zijn. Maar dan moet je dit onderscheid ook toepassen op je eigen werk en in je historische fictie geen aanslag plegen op de ratio en op de feiten, om een (com)plot op te zetten dat, bij nader onderzoek, zelfs voor hardhorigen heel hard gaat rammelen.

  

Ware Misdaad: Hoe Dolly Oesterreich haar minnaar jarenlang verborg op zolder

 


MYSTERIES VAN ROODE

Er bestaan misdaadverhalen die zo onwaarschijnlijk zijn dat zelfs de meest ervaren romanschrijver ervoor terugschrikt om ze te vertellen, omdat ze zo ongeloofwaardig klinken. Toch zijn het vaak precies deze verhalen die werkelijk gebeurd zijn. De geschiedenis van de misdaad zit vol moorden, verdwijningen, oplichterijen, obsessies en complotten die de wildste verbeelding tarten. Een aantal ervan zijn zo vreemd dat ze alleen konden plaatsvinden in uw en mijn werkelijkheid...



Met Mysteries van Roode bevind ik mij opnieuw op het terrein waar ik al een heel schrijversleven vertoef: op de dunne grens tussen feit en fictie. Elke aflevering in deze reeks vertrekt vanuit een waargebeurde misdaadzaak, maar eenmaal aangekomen in Roode ondergaat die werkelijkheid een merkwaardige transformatie. Roode zul je vruchteloos zoeken op een kaart, toch is de kans groot dat je - als bewoner van de Lage Landen - het provinciestadje herkent. Want het is opgebouwd uit herinneringen, anekdotes, lokale legenden, vergeten krantenberichten en de schaduwen van tientallen echte gemeenten. Het ligt ergens tussen (ook) jouw werkelijkheid en mijn verbeelding in. Wie er eenmaal arriveert, ontdekt dat achter elke gevel een geheim schuilgaat...

Deze ingreep is niet gebeurd om de waarheid te verbergen, maar om haar zichtbaar te maken. Fictie laat ons soms scherper kijken naar de realiteit dan een letterlijk verslag ooit zou kunnen. Door afstand te creëren ontstaat ruimte voor verbeelding, ironie, tragiek en menselijkheid. Zo werd deze Mona Lisa van Roode geïnspireerd door de beruchte Amerikaanse zaak van Walburga Oesterreich, de vrouw die jarenlang haar minnaar verborgen hield op de zolder van haar woning, terwijl haar echtgenoot niets vermoedde...



Walburga Oesterreich behoort tot die zeldzame figuren uit de misdaadgeschiedenis die zo onwaarschijnlijk lijken dat men denkt: dit moet wel een romanpersonage zijn. Toch is dit verhaal van a tot z waargebeurd. Het speelde het zich af, tussen de Amerikaanse industriestad Milwaukee en het snel groeiende Los Angeles van het begin van de twintigste eeuw. Walburga – bijnaam ‘Dolly’ – was het stralende middelpunt van een geschiedenis van obsessie, seksuele afhankelijkheid, bedrog, een verborgen leven op een zolder en uiteindelijk een moord die jarenlang onopgelost bleef omdat de waarheid te ongeloofwaardig leek om waar te kunnen zijn.

Walburga Korschel werd in 1880 geboren en trouwde op jonge leeftijd met Fred Oesterreich, een welgestelde fabrikant van schorten en andere textielproducten. Hun huwelijk leek voor de buitenwereld best wel succesvol. Fred bezat een bloeiende onderneming en het echtpaar genoot een comfortabele levensstijl. Achter de gesloten deuren van hun woning ging het er echter minder harmonieus aan toe. Verschillende bronnen beschrijven Fred als een dominante, moeilijke man, terwijl Walburga bekendstond als sociaal, aantrekkelijk en niet bepaald een fan van huwelijkstrouw. Reeds vóór haar ontmoeting met Otto Sanhuber deden geruchten de ronde over buitenechtelijke affaires.

Otto verscheen ten tonele in 1913. Hij was zeventien jaar oud en werkte als hersteller van naaimachines in het bedrijf van Fred Oesterreich. Walburga was drieëndertig. Wat begon als een huisbezoek om een defecte naaimachine te herstellen, mondde uit in een seksuele relatie die de volgende zeventien jaar hun beider levens volledig zou beheersen. Volgens latere getuigenissen ontwikkelde zich tussen Otto en Walburga een intense afhankelijkheidsrelatie. Otto zou zichzelf later zelfs omschrijven als haar ‘seksslaaf’, een woord dat wellicht evenveel zegt over zijn fascinatie voor haar als over haar controle over hem.

De verhouding bracht een praktisch probleem met zich mee. Hoe kon men een minnaar verborgen houden in een tijd waarin buren elk bezoek opmerkten en een echtgenoot onverwacht kon thuiskomen? Walburga vond een oplossing die even eenvoudig als krankzinnig was. Otto verhuisde naar de zolder van het huis. Via een verborgen toegang bij de slaapkamer kon hij zich verplaatsen zonder ontdekt te worden. Jarenlang leefde hij daar als een soort vrijwillige kluizenaar. Hij beschikte over een bed, een lamp, boeken en schrijfmateriaal. Overdag hielp hij soms in het huishouden; 's nachts las en schreef hij sciencefiction verhalen. Walburga bracht hem eten en verzorgde zijn contacten met de buitenwereld. Voor de buren was hij zogenaamd een rondtrekkende halfbroer die af en toe opdook. Voor Fred bestond hij eenvoudigweg niet.

Het meest verbijsterende aspect van de zaak is wellicht niet dat Otto zich jarenlang verborg, maar dat hij dat bleef doen terwijl het echtpaar verschillende keren verhuisde. Toen de Oesterreichs in 1918 naar Los Angeles trokken, stelde Walburga zelfs als voorwaarde dat hun nieuwe woning een zolder moest hebben. Dat was in Zuid-Californië eerder uitzonderlijk. Otto reisde vooruit en installeerde zich reeds in de nieuwe woning voordat Fred en Walburga arriveerden. Zo verhuisde niet alleen het echtpaar naar een andere staat, maar ook de verstekeling, ‘de gevangene der liefde’, die officieel niet bestond.

Intussen verslechterde het huwelijk tussen Fred en Walburga verder. Op 22 augustus 1922 bereikte de spanning een hoogtepunt. Het echtpaar kwam ruziënd thuis. Op de zolder hoorde Otto de verhitte woordenwisseling. Wat er vervolgens precies gebeurde, is nooit volledig duidelijk geworden. Volgens latere verklaringen dacht Otto dat Fred zijn geliefde aanviel. Hij greep twee pistolen en kwam van de zolder naar beneden. Er ontstond een worsteling waarbij Fred werd neergeschoten. Hij stierf ter plaatse.

De twee geliefden beseften onmiddellijk dat hun levens op het spel stonden. Daarom besloten zij de scène te manipuleren. Het moest lijken alsof onbekende inbrekers het huis waren binnengedrongen. Otto nam geld en een kostbaar horloge mee om de schijn van roof te versterken. Vervolgens sloot hij Walburga op in een kast en gooide de sleutel weg. Toen de politie arriveerde, trof zij een kersverse weduwe aan die opgesloten zat en beweerde het slachtoffer te zijn geworden van een gewelddadige overval. De rechercheurs vertrouwden haar verhaal niet echt, maar slaagden er niet in een bevredigende oplossing te vinden voor het raadsel. Want hoe had een vrouw haar echtgenoot kunnen vermoorden terwijl zij zelf opgesloten zat in een kast? Zolang zij niets afwisten van Otto's aanwezigheid ontbrak de ontbrekende schakel in de puzzel.

De zaak bleef jarenlang hangen tussen verdenkingen en gebrek aan bewijs. Nog ongelooflijker is dat Otto na de moord niet vluchtte. Hij keerde gewoon terug naar de zolder en bleef daar nog acht jaar wonen. Zijn leven – men ging hem later Bat Man noemen – werd zo mogelijk nog absurder dan het al geweest was. Nu Fred dood was, hoefde Otto niet langer doodstil te zijn en kreeg hij zelfs toestemming een schrijfmachine te gebruiken. Terwijl de politie vruchteloos op zoek bleef naar de moordenaar, zat die letterlijk boven hun hoofd terwijl zij Walburga ondervroegen.

Uiteindelijk kwam de waarheid niet aan het licht door speurwerk, maar door menselijke zwakheid. Dolly maakte het te dol, zij kreeg nieuwe minnaars en één daarvan was haar advocaat Herman Shapiro. Toen deze relatie verslechterde, begonnen oude geheimen naar boven te komen. Tegelijk ontdekten onderzoekers dat Walburga jaren eerder verdachte vuurwapens had laten verdwijnen. Een pistool werd teruggevonden in de beroemde teerputten van La Brea, een ander onder een rozenstruik. De druk nam toe, Dolly werd opgesloten en vroeg haar advocaat om eens naar haar mysterieuze ‘halfbroer’ te gaan kijken, die bij haar op zolder woonde. Daar trof hij de bleke, magere Otto Sanhuber aan, die uiteindelijk zijn rol in het drama bekende.

De pers smulde van het verhaal over Dolly en haar Zolderspook. Het publiek kon nauwelijks geloven dat iemand bijna twee decennia verborgen had geleefd in de woning van zijn geliefde en het proces groeide uit tot een nationaal mediaspektakel. Toch leidde alle sensatie niet tot een duidelijke juridische overwinning. Otto werd weliswaar schuldig bevonden aan doodslag, maar omdat de verjaringstermijn inmiddels verstreken was, verliet hij de rechtszaal als een vrij man. Walburga's eigen proces eindigde met een verdeelde jury. Uiteindelijk werden de aanklachten tegen haar in 1936 definitief ingetrokken. Geen van beiden bracht ooit een dag door in de gevangenis voor de dood van Fred Oesterreich.

Wat deze zaak zo fascinerend maakt, is dat zij veel meer is dan een moordverhaal. Het is een studie van macht, afhankelijkheid en vrijwillige gevangenschap. Otto leefde jarenlang opgesloten in een ruimte die nauwelijks groter was dan een cel, maar hij bleef daar uit vrije wil. Walburga creëerde een verborgen parallel universum boven het hoofd van haar echtgenoot, die al die jaren onder hetzelfde dak leefde als zijn rivaal, zonder het te beseffen. En de politie zocht jarenlang naar een moordenaar die de crime scene nooit had verlaten…

Toen Walburga Oesterreich in 1961 stierf, liet zij een aanzienlijk vermogen na. Otto Sanhuber verdween grotendeels uit het publieke zicht. Hij had ondertussen een andere naam aangenomen en probeerde een gewoon leven op te bouwen. Maar zijn plaats in de misdaadgeschiedenis was verzekerd. Er zijn moordzaken die beroemd worden door hun geweld, andere door hun juridische gevolgen. De zaak-Oesterreich leeft voort omdat zij iets veel zeldzamers bezit: een werkelijkheid die vreemder is dan fictie…



17.6.26

Blackout 01: De schim in de schaduw

 


Iedereen in het dorp kende het verhaal van de oude fotograaf. Een leven lang had hij gezichten vastgelegd die niemand zich later nog herinnerde. Huwelijken, begrafenissen, communies, de opening van een nieuwe slagerij... Zijn foto's stonden in albums die op zolders lagen te verstoffen.

Toen hij stierf, werd zijn huis leeggehaald. Tussen duizenden negatieven vond men één foto die nergens leek bij te horen. Een vrouw voor een donkere achtergrond, haar gezicht nauwelijks zichtbaar. Wat meteen opviel, waren haar handen. Ze hingen slap langs haar lichaam, alsof ze moe waren van een leven lang iets vast te houden.

De foto werd in een lade gestopt, kwam jaren later terecht in het lokale archief. Daar begon het. De eerste archivaris die de foto digitaliseerde, nam ontslag na drie weken. Hij vertelde niemand waarom. De tweede kreeg slaapproblemen. De derde beweerde dat er iemand achter hem stond wanneer hij naar het scherm keek. Altijd hetzelfde gevoel kreeg hij ervan, alsof er nét buiten zijn gezichtsveld iemand meekeek.

Men lachte ermee. Oude gebouwen kraken en mensen hebben stress, verbeelding doet de rest. Tot een studente kunstgeschiedenis de foto onderzocht voor een scriptie. Ze vergrootte het beeld honderden keren en toen zag ze iets vreemds. In de korrelige schaduw achter de vrouw verscheen een tweede silhouet. Niet scherp genoeg om een gezicht te herkennen, maar duidelijk menselijk.

Ze dacht eerst aan een fotografische fout, een dubbele belichting, een beschadigd negatief. Maar op de oorspronkelijke glasplaat stond de figuur ook, niet vóór de vrouw, maar achter haar. Alsof iemand zich verborgen hield in de duisternis.

De studente besloot uit te zoeken wie de vrouw was. Na weken zoeken vond ze een naam: Anna O., verdwenen in 1928 en nooit teruggevonden. Volgens de kranten had ze haar woning verlaten voor een avondwandeling, daarna verloor elk spoor zich in het niets. Het laatste bekende portret van Anna bleek precies deze foto te zijn.

De studente stopte haar onderzoek. Niet omdat ze bang was geworden. Tenminste, zo vertelde ze het toch. Maar een maand later stuurde ze een brief naar het archief, waarin slechts één enkele zin stond: ‘Gelieve de schaduw niet verder te vergroten.’

Meer uitleg gaf ze niet en niemand hoorde ooit nog iets van haar. Vandaag zit de foto nog steeds in een doos tussen honderden andere vergeten beelden. Soms, wanneer een nieuwe medewerker ze opent, gebeurt er iets eigenaardigs. Die draait dan de foto om, kijkt nog eens… en krijgt plots het onverklaarbare gevoel dat de vrouw niet het onderwerp van de afbeelding is. Dat de fotograaf, zonder het zelf te beseffen, iets anders heeft vastgelegd. 

Iets dat geduldig wacht. In de schaduw. Achter haar.

En misschien nu ook achter jou.

Alle blackouts zullen op termijn te vinden zijn via deze link. Hier vind je ook alle info over het boek Groetjes uit de vierde dimensie, dat eveneens samengesteld is uit microfictie en illustraties (postkaarten) geïnspireerd door blackout poetry, en andere produkten van het Mystiek Actie Front MAF.

Van alle blackouts is ook een luisterverhaal gemaakt, terug te vinden op de podcast Luisterboeken.

15.6.26

101 Familiefoto's - 001: Cola & Chips

 



De mensen op de foto hebben eigenlijk niets te maken met de reden waarom mijn herinnering aan Coca Cola - de echte, niet het suikerwater van Kolibri - en chips van Samo er telkens overheen schuift. Je ziet zo goed als niets van café Het Dobbelken; dat is eigenlijk alleen herkenbaar door de weerspiegeling in het raam van een stuk dak aan de overkant van de straat. Het is de Eerste Keer, denk ik, die zo'n indruk heeft gemaakt.




Het overlijden van 'ons moe' op 13 mei maakte dat tal van familiefoto's de revue passeerden. Sommige herinnerde ik mij nog min of meer uit een foto-album, andere waren nieuw voor me. In dit zeer officieuze familie-archief kwamen ook de foto's terecht die haar ouders hadden bijgehouden, en de ouders van 'ons va'. Als je 86 geworden bent en zowat de Laatste der Mohikanen, zijnde de gecombineerde families Onverwagt & Bernauw, dan zitten daar ook nog foto's tussen van inmiddels al zo goed als vergeten verdere familieleden. Vaak ben ik nu nog de enige die ze nog kent en herinneringen aan hen heeft, realiseerde ik me. En dat geldt evenzeer voor de familieverhalen, al dan niet verbonden aan deze foto's, waardoor ik overspoeld werd. 

Misschien moest ik die kleine geschiedenissen maar eens vastleggen, dacht ik, voordat ze samen met mij voorgoed en definitief zouden verdwijnen. En zo rijpte het idee om 101 foto's een deur te laten openen naar herinneringen, familiegeheimen, bijna verdwenen werelden. Al bij de eerste stukjes merkte ik hoe - zoals dat te verwachten viel van een magisch realist - feiten en fictie, herinnering en verbeelding bijna naadloos in elkaar overvloeiden. Hoe één enkele foto ook het hele continent Atlantis kon oproepen.
 

Ik weet niet of ik 101 afleveringen zal halen, we zien wel. Of beter: we horen het wel - want de podcast, het luisterverhaal, leek mij het meest geschikte medium om deze onderneming vorm te geven. Later kan er dan nog altijd, wie weet, een boek van komen.

De foto vormt telkens de cover van de podcast aflevering. Ik liet die 'opschonen' door AI en inkleuren. Merkwaardig om zien hoe het dan nog steeds dezelfde foto blijft, maar alle personen op de foto tegelijk... nu ja, personages geworden zijn. In één moeite door ook een beetje mooier gemaakt. Symmetrischer. Harmonischer. Net zoals veel van onze herinneringen, jawel. 

Het is bijna een spelletje Zoek de 7 verschillen.

Podcast Luisterboeken