27.7.10

Scharpenelle 32 - Het Plakboek van Aquarelle Scharpenelle



PLAKBOEK

Ik heb hem gezocht in de wasmanden van de Hellevuur Hoek. Ik wist heel zeker dat ik hem zou herkennen op het moment dat ik hem zag, al was hij dan een halve man zonder gezicht.
Want ook ik was niet volledig zonder hem. Ook ik had geen naam.
Hij was de helft die ik miste zoals ik de helft was die hij missen moest.

‘Hij is stervende,’ zei de directeur. ‘Het is een levende dode.’
‘Hoe heet hij werkelijk?’ vroeg ik.
‘Dat weet hij al lang niet meer. En wij weten het evenmin. Niemand weet wat hij denkt en of hij nog denkt. Sinds hij in deze geheime vleugel werd opgenomen, heeft hij geen gebenedijd woord meer gesproken. Daarom noemen we hem Sansparole.’
‘Hij is het,’ zei ik. ‘Sansparole. Hij is mijn Onbekende Soldaat. Hij spreekt niet meer omdat hij geen woorden meer heeft om de gruwel te beschrijven. De woorden zijn op. Maar hij spreekt nog zonder woorden in mijn hoofd en in mijn hart. Ik kan hem horen. Alleen ik kan hem nog horen, omdat ik Isabel Scharpenel ben. Hij zingt nog steeds zijn liedjes voor mij en hij schrijft zijn gedichten met mijn handen in dit schrift. Kijk maar, ik heb het meegebracht. Al zijn liedjes staan erin, al zijn gedichten, al zijn wrede sprookjes. Ik heb ze allemaal opgeschreven. Ziet u? Ik heb alles in mijn plakboek geplakt.’




SCHARPENELLE AQUARELLEN

Hij toonde mij zijn Scharpenelle Aquarellen. Stuk voor stuk had hij ze ondertekend als ‘Sansparole’, de halve levende dode die geen gebenedijd woord meer had gesproken sinds de helft van zijn gezicht werd weggeschoten.

Maar nu sprak hij, Sansparole. Voor het eerst in al die jaren.

Of beter:

Er kwamen klanken uit zijn vervormde mond,
waarvan ik woorden maakte.


20.7.10

Scharpenelle 31 - Ah Keizer Willem die in Duitsland zijt!




HET LICHT DOET PIJN…

Zij schuwen het licht,
want het licht doet pijn aan de ogen
van wie ogen heeft.

Zij die lippen hebben,
prevelen de naam van een liefje,
een vrouw, een engeltje,
een bengeltje,

en eten nog, en drinken,
en gaan door
met adem halen.

Want wat is het leven anders dan doorgaan
met adem
halen?


… IN HET NIEMANDSLAND

Hij kan het nog, mijn Onbekende Soldaat.

Het lukt hem nog en dus gaat hij door
in dit Niemandsland, tussen de linies
van de levenden en het rijk
van de doden.

Zijn bed heeft de vorm van een wasmand.
Dat maakt het adem
halen een beetje
lichter.


SOMS ZINGT HIJ, SANSPAROLE…

Als niemand hem kan horen en alleen in mijn hoofd.
Soms zingt hij, piepend en fluitend
– een spotliedje over de Duitse Keizer.

Een van zijn makkers
is steke-
blind van het gas
& zot van het yperiet.

Soms zingt hij met hem mee:






VERMALEDIJD!

Ah keizer Willem die in Duitsland zijt,
gij zijt vermaledijd, gij zijt vermaledijd.
Uw wil geschiede noch hier en noch elders,
kruip van schrik maar in uw kelders!

Uw rijk verdelen wij in veertig vette brokken
en dan stelen we uw klokken, stelen we uw klokken.
Vergeeft gij maar aan ons, kleine piotten,
dat wij met Uwe Hoogheid spotten!

Want dan leiden wij u al in de slavernij,
wij slaan u neer als David met een kei.
Wij verlossen ons van al het kwade
en gij krijgt geen genade!

6.7.10

Scharpenelle 30 - In Vlaamse Velden


1936

In het jaar negentien zesendertig knipte ik een artikel uit de krant over de geheime slachtoffers van de Grote Oorlog, die werden weggestopt in de Franz Jozefkliniek in Wenen.
En ik plakte het in dit plakboek van mij.

Wat in Wenen bestaat, bestaat hier misschien ook, dacht ik.
En opnieuw ging ik op zoek naar mezelf, naar mijn Onbekende Soldaat, mijn geheime speelkameraad.

Drie jaar lang heb ik onverdroten gezocht en uiteindelijk, met de hulp van mijn stiefvader, vond ik dit ziekenhuis met zijn geheime vleugel.

De Hellfire Corner is verboden terrein voor onbevoegden – maar ik ben bevoegd, mijn stiefvader is dokter.




IN VLAAMSE VELDEN 

In Vlaamse velden bloeien papavers
tussen tombes, rij aan rij.
Zij bloeien voor ons, de kadavers –
want hier rusten wij.

‘God is met ons, trek nu ten strijde!’
Dat is wat koningen en keizers zeiden.
En God was met ons en Verdun nog zo ver.
Wij werden geleid door een stalen ster.

De leeuweriken in de blauwe lucht,
hoog boven de kanonnen beneden,
sloegen met z’n allen op de vlucht –
nog niet zo lang geleden.

En de schemering wacht op de nacht
en een kind in een kelder lacht.
Het lacht, het speelt zo zacht
soldaat die wordt geslacht.





IN DE HELLEVUUR HOEK

Ik heb daar nog… één twee drie vier vijf zes zeven acht… levende doden gevonden. Mannen van wie de wereld geloofde dat ze gevallen waren op het veld van eer. Hun namen kwamen voor op de dodenlijsten en zo werd het ook gemeld aan hun familie: Gevallen op het veld van eer! Waar berouw ettert als een zweer!

‘Waarom? Waarom mogen zij het licht niet zien?’ vroeg ik aan de directeur van de Hellevuur Hoek.
‘Vanwege hun afgrijselijke verminkingen, juffrouw,’ zei hij, ‘toegebracht door bommen & granaten, dumdum kogels & shrapnel, bajonetten & gifgas. Daarom.’

Ze misten ledematen. Of ze waren verlamd.
Ze waren blind, doof of stom.

De meesten waren dat alles tegelijk.




SLECHTE PROPAGANDA

Ik zag hun verschrikkelijke dagdromen, ik luisterde naar hun afschuwelijke nachtmerries.

‘Ze zijn de oorlog moe, juffrouw,’ sprak de directeur van de Hellevuur Hoek. ‘Ze zouden een kwaaie invloed hebben op het moreel van de bevolking. Gesteld dat zij aan het licht zouden komen, natuurlijk.’

Maar zij kwamen niet aan het licht.

‘Want dat zou slechte propaganda zijn. Nietwaar?’






IN VLAAMSE VELDEN (REPRISE) 

Wij kenden nog dauw en dageraad,
wij hadden lief, lijf en leden.
Toen werd het plots voor alles te laat,
nog niet zo lang geleden.

Weg met de liefde, leve de dood,
het wit in onze ogen werd rood.
’t Was wakker toen, dat donker beest,
’t was veel te lang gekooid geweest.

Wij zijn gevallen onder ’t geweld
van kogels en van bajonetten.
In Vlaanderen, in een veld
liggen wij nu – de marionetten.

‘God is met ons, trek nu ten strijde!’
Dat is wat koningen en keizers zeiden.
En God was met ons en Verdun nog zo ver.
Wij werden geleid door een stalen ster.


2.7.10

Verzamelde Gedichten Erik Heyman (1960-2010)


Erik Heyman (1960-2010) was een gedreven leraar en dichter die met steeds groter wordende intervallen vier weldoordacht gecomponeerde bundels met uitgepuurde, gepolijste, poëzie publiceerde: Neergeschreven (Poëziestichting Vers, 1981), Ijstijd (Wel, 1984), Dagmaat (De Arbeiderspers, 1994) en Mantis (PoëzieCentrum Gent, 2006).

In 2009 werd bij Erik een hersentumor vastgesteld die hem een jaar later fataal werd. "Geen vragen, opmerkingen, interessante consideraties of wijsgerige bespiegelingen meer…"

Zijn literaire nalatenschap telt, naast de vier poëziebundels, een aantal gepubliceerde gedichten en een hoeveelheid ongepubliceerd werk.

Aangezien Eriks vroege poëzie nauwelijks meer verkrijgbaar is, en het nagelaten werk kwalitatief hoogstaand blijkt te zijn, zullen naar aanleiding van de 50ste verjaardag van de dichter (28 september 2010) bij Uitgeverij De Contrabas in Utrecht zijn Verzamelde Gedichten verschijnen, met kaftontwerp van Michel Janssens en nawoord door dichter en criticus Paul Demets (ong. 240 blz., hardcover, met leeslint, € 29,95).
 
U kunt de bundel bestellen via http://www.erikheyman.be/
Wie vóór 01/08/2010 bestelt én betaalt, wordt met naam, voornaam en woonplaats opgenomen in het boek. 
 
De Verzamelde Gedichten van Erik Heyman zullen officieel gepresenteerd op vrijdag 8 oktober 2010 om 20 uur (uur onder voorbehoud) in GC De Warande in Liedekerke. Tijdens die avond zal een aantal collega-dichters en vrienden poëzie van Erik voorlezen. Meer info volgt.