22.4.14

Substituut-procureur Caroline Dewitte over Arsène Lupin en De Rechtvaardige Rechters


Wat mij bijzonder is opgevallen naar aanleiding van de tachtigste verjaardag van de stoutmoedige diefte der Rechtvaardige Rechteren, is dat de huidige generatie journalisten die verslag uitbrengen over de nieuwe verwikkelingen de elementaire kennis missen om dat op een professionele manier te doen. Artikels schrijven ze van elkaar over (of van Wikipedia) of kopiëren ze van oudere stukken op het internet of uit de archieven; kritische vragen mag je zelfs niet meer verwachten van de VRT-redactie, hoewel Siel Van der Donckt nog steeds heel streng en zorgelijk kijkt, en Martine Tanghe er zowaar in slaagt tegelijk ernstig te blijven én een opgewonden tremolo in de stem te onderdrukken. Even erg, en eigenlijk erger, is het blijkbaar gesteld met het gerecht - of alleszins met substituut-procureur Caroline Dewitte, die zich vrolijk maakt over de amateur-speurders en hun hypothesen van het Kuifje -of Da Vinci Code niveau, terwijl ze ondertussen zelf flagrant flatert.

Ik ben al een tijdje bezig met de redactie van het nieuwe boek van Chris Noppe, De Openbaring van Arsène Goedertier, een vuistdik werk, zeg maar een psychologisch-criminologische studie, die vertrekt vanuit de mythomane geest van Arsène Goedertier en een serieuze poging doet om op die manier een aantal mysteries in deze zaak te ontsluieren. Die professionele ernst - en de kennis opgebouwd gedurende 15 jaar verbeten research - vind ik niet meer terug bij de journalisten die zich over de kwestie buigen, en ook niet bij de substituut-procureur Caroline Dewitte. Neemt u zelf de proef op de som aan de hand van deze "integrale lezing" tijdens de Nacht van de Rechtvaardige Rechters op 10 april 2014 in het STAM in Gent, met Caroline Dewitte en de rechercheurs Jan De Kesel en Tony Vermeersch, over de stand van het onderzoek anno 2014:




Chris Noppe heeft enige precieze bewoordingen van de substituut-procureur als volgt genoteerd: "Het feit is dat Goedertier blijkbaar zelf ook fan was van detectiveromans. De legende of de mythe - ik weet ook niet of dat een vaststelling is - zegt dat er bij hem bij de huiszoeking een wasmand aan detectiveromans van Arsène Lupin zijn aangetroffen, en dat we dus zijn afpersingsbrieven - als ze al van zijn hand zijn, ook dat is eigenlijk niet zeker -, dat we dus die brieven in die context moeten lezen, dat er verborgen codes in zouden zitten. Nu, dat is zeker aanstekelijk voor speurders om dat aan te grijpen om verder onderzoek te doen."

Het gerechtelijk dossier beslaat slechts "drie vergeelde, verrafelde mappen", oogt "dunnetjes" en lag op haar bureau in het Gentse gerechtgebouw te pronken, als we De Morgen van 10 april mogen geloven. Nochtans - en hoewel zij verondersteld wordt een expert terzake te zijn - heeft Caroline Dewitte het blijkbaar niet (goed?) gelezen of in ieder geval nagelaten enkele andere - degelijker - bronnen te raadplegen.  Want uiteraard is het zo dat, wie iets wijzer wil worden over het mysterie, zich niet in de eerste plaats tot dit dossier moet wenden, maar bijvoorbeeld tot de criminologische studies van Karel Mortier, die allerminst dunnetjes ogen.

Chris Noppe: "Uit haar uitlatingen tijdens De Nacht van de Rechtvaardige Rechters  blijkt duidelijk hoe zij ervan uitgaat dat tijdens een huiszoeking bij Goedertier een wasmand met detectiveromans van Arsène Lupin zou zijn aangetroffen. Dat is flagrant onjuist. Het is de weduwe die in een verhoor verklaard heeft dat haar man sinds zijn jeugd "mandenvol detectiveromans" bezat. Later heeft men alle boeken van Goedertier meegenomen, zonder te melden dat zich daaronder ook detectiveromans van Arsène Lupin bevonden. De boeken zijn allemaal verloren gegaan."

Een niet echt geloofwaardige uitspraak dus, die er de substituut-procureur niet van weerhoudt een bloemlezing "DUA-verklaringen" te debiteren waarmee ze een aantal tipgevers belachelijk wil maken, die de feiten alleszins beter kennen dan zij. Overigens springen de parallellen tussen "het mysterie van het Lam Gods" en een boek over Arsène Lupin (meer bepaald L'Aiguille Creuse) zodanig in het oog, dat je stekeblind moet zijn om ze niet te zien. Of te willen zien. En gaat het volgens Mortier om "mandenvol afleveringen van De Avonturen van Nick Carter". In Dossier Lam Gods van Karel Mortier en Noël Kerckhaert lees ik trouwens verder nog op pagina 204: "Uit een briefwisseling van Koehn met van Ginderachter bleek ook dat er delen werden gevonden van de bekende Collection Le Masque, waarvan sommige zelfs aantekeningen van Goedertier bevatten. Een andere bron vermeldde dat Goedertier ook boeken over de gentleman-inbreker Arsène Lupin in zijn bezit had. Van Ginderachter dacht dat Goedertier uit die boeken misschien het plan van de diefstal en de bergplaats had geput en nam ze in beslag."

Legende? Mythe? En een substituut-procureur die "niet weet of dit een vaststelling is"? Kan de zaak, vanuit de Belgische gerechtelijke instanties, na tachtig jaar eindelijk ietwat professioneler aangepakt worden, alstublieft? 


12.4.14

Rudy Pieters over Albert I en de Rechtvaardige Rechters... gaat wel héél kort door de bocht!



In een artikel De zoektocht naar de Rechtvaardige Rechters gaat voort in P-Magazine  gaat Rudy Pieters wel zéér kort door de bocht met een niet met argumenten onderbouwde en dus redelijk ongefundeerde kritiek op het werk van Chris Noppe. Er zijn wel degelijk heel wat linken tussen Albert I en het Lam Gods, zoals zal blijken uit De Openbaring van Arsène Goedertier

De manier waarop Pieters brandhout maakt van de hypothese van Noppe herinnert heel erg aan de "specialisten" die een moord op koning Albert I weglachen en dus geloven dat je geen enkele verwonding overhoudt aan een val van 12, 50 of 80 meter (de schattingen lopen inderdaad zo ver uit elkaar) of dat 3 mensen binnen de kortste keren een lijk en allerlei spullen kunnen terugvinden op een plek waar 20 mensen eerder al vier uur lang hebben gezocht en niks gevonden. In Het Illuminati Complot verwijs ik uitgebreid naar de complete onzin en de tegenstrijdigheden rond de dood van koning Albert, zoals die zwart op wit gedrukt staan in "geloofwaardige" geschiedenisboeken als Kroniek van België en Kroniek van de 20ste eeuw.



Wat mij zowel in het mysterie rond de verdwenen Rechtvaardige Rechters als in de moordzaak op Albert I nog het meest intrigeert, is dat ernstig onderzoek wordt weggelachen zonder keiharde argumenten, en dat écht idiote pistes - zoals een amoureus motief in het geval van de moord op Albert I, of de opgewarmde kost van Paul De Ridder - alle aandacht van de media krijgen. Niemand die het "complete bollocks" noemt dat een gerespecteerd historicus op basis van een kleurenfoto durft te stellen dat hij de originele Rechtvaardige Rechters gezien heeft. Of heb ik dat gemist?


Kroniek van België: val van 12 meter


Kroniek van de 20ste eeuw: val van 80 meter


Ook redelijk "bollocks" is de manier deredactie.be de "complot-theoriën" denkt te kunnen ontkrachten door ze compleet uit de duim te zuigen, onvolledig of onjuist weer te geven, en zich daarbij niet te laten hinderen door enige elementaire kennis van én de complot-theorie in kwestie, én de geschiedenis. Zo probeert "journalist" Pieterjan Huygebaert de twee complotten die aan de orde zijn in Het Illuminati Complot onderuit te schoffelen door te verkondigen dat "de extreemrechtse partij Rex (...) de veel te linkse Albert van de rotsen - en op die manier van de troon - (zou) hebben geduwd". Ten eerste is de thesis dat Albert van de rotsen zou zijn geduwd even onhoudbaar als dat hij ervan "gevallen" zou zijn. Ten tweede was graaf Xavier de Grunne, die een sleutelrol speelde in de "ongevalsthesis", nu eenmaal de tweede in bevel van de beweging Rex, en zou hij samen met Degrelle senator worden toen Rex met geld uit Duitsland en Italië werd omgevormd tot een partij. Ten derde is het allerminst twijfelachtig te stellen dat "de autoritaire en rechtse regeerstijl van Leopold III al voorspelbaar was" in 1934, getuige hiervan de manier waarop Leopold werd aanbeden door de Rexisten, en de poging om de dood van Albert in 1935 gezamenlijk te "gedenken" in Marche-les-Dames. 

Wat Huygebaert vertelt onder "buitenlands complot" en een mogelijk motief van Hitler, slaat even goed nergens op. Hitler is in 1933 nu eenmaal aan de macht gekomen met een programma dat nadrukkelijk steunde op een herbewapening van Duitsland, en op verzuchtingen naar een "groot Duitsland". En Albert legde op dat moment nog veel gewicht in de diplomatieke schaal en kon de grootse nazi-plannen wel degelijk dwarsbomen.

8.4.14

De Slag om Mons (Bergen) - essay over De Engelen van Mons


Een hoofdstuk uit het essay over De Engelen van Mons dat aan de basis lag van mijn nieuwe boek Het Geslacht van de Engel. Het boek is uitsluitend verkrijgbaar via de online boekhandel, of te bestellen via info@inter-actief.be - op dit emailadres kunt u ook een stadswandeling of stadsspel boeken met Patrick Bernauw, in Mons (Bergen) - of een lezing over het boek.







Om vijf uur in de ochtend van de elfde zag ik de schaduw van een man en het glimmen van een bajonet die naderden langs de muur bij het Café des Princes. Dan volgde een andere schaduw, en een ander. Ze kropen over het plein, gebogen, en liepen naar het noorden, naar de Duitse linies.
Ik wist dat dit de bevrijding was. Toen, boven het brullen van de artillerie uit, hoorde ik muziek, wondermooie muziek. Het was alsof de Engelen van Bergen speelden. En toen herkende ik het lied en de muzikant. Het was onze beiaardier die bij kaarslicht O Canada speelde. Dit was het teken. De hele bevolking stormde naar het plein, zingend en dansend, hoewel nauwelijks een kilometer verderop nog steeds de geluiden van het gevecht weerklonken.
Om zes uur ’s ochtends ontmoette ik in het stadhuis enkele Canadezen en we dronken samen een fles champagne leeg. We wisten nog niet dat dit de laatste oorlogsdag zou worden.
In de dageraad zagen wij een vreemd beeld op het plein. Canadese soldaten, uitgeput van hun lange offensief, lagen slapend op de kasseien terwijl heel Bergen om ze heen danste.

Victor Maistrau, burgemeester van Bergen


Hoog boven het stadje Bergen, de hoofdplaats van de Belgische provincie Henegouwen, staat een oude kastanjeboom. Wanneer ik op de bank onder zijn kruin wat ga uitrusten, draagt hij al volop de stekelige vruchten van de late zomer waar kinderen zo gek op zijn. Het is een heldere, zonnige dag in augustus en vanop deze plaats heb ik een schitterend uitzicht over de stad en de streek rond Bergen. Kilometers ver kan ik kijken. Ik vraag me af wat deze oude kastanjeboom al niet gezien moet hebben zoals hij hier staat, roerloos en zwijgend als een stille getuige, een eenzame wachtpost op de grens tussen hemel en aarde.
Ik strek mijn benen uit en maak het blik bier en het lunchpakket open dat ik daar beneden heb gekocht in een supermarktje in de Rue de Nimy. De wandeling heuvelopwaarts onder de brandende zon van augustus eist zijn tol. Ik drink van het bier dat nog fris is gebleven en begin te eten.
Hoe rustig is het hier. Wat een contrast met de drukke kruispunten en de smalle verkeerseilandjes van de Rue de Nimy waar de motoren onophoudelijk brullen en je lijkt te stikken in de uitlaatgassen.
Ik geniet van de rust, het bier en het broodje en ik prijs me gelukkig met deze simpele geneugten die de soldaten van het Britse expeditieleger op die andere hete en wolkenloze augustusdag in 1914 moesten ontberen. De oude kastanjeboom heeft het ongetwijfeld nog meegemaakt, hoe ze daar beneden door de straten vluchtten, op 23 augustus 1914, achterna gezeten door een Duits leger dat drie maal zo sterk was. Hoe anders was alles toen. Ik stel mij het kraken van het massieve geweervuur voor, het donderen van de kanonnen, de geschreeuwde bevelen van de officieren, het hoge gillen van de gewonden, het reutelen van de stervenden. Toen werd de lucht daar beneden niet verpest door uitlaatgassen, maar door de bittere stank van kordiet en buskruit.
In deze stad die omsloten wordt door twee rivieren met toepasselijke namen als la Haine (de Haat) en la Trouille (de Angst), kwam het tijdens wat al gauw ‘de Grote Oorlog’ zou genoemd worden tot een eerste treffen tussen de Britten en de Duitsers. Links van mij liggen het Canal du Centre, de spoorweg en de bruggen die zo hopeloos verdedigd werden door de Royal Fusiliers en het Middlesex Regiment. De afvalhopen die destijds een ernstig probleem vormden voor het opstellen van de artillerie zijn nu overwoekerd door kreupelhout en struikgewas. Recht voor mij is het graan op de velden rijp geworden. Onder de schijnbaar eindeloze horizon bewegen de bomen van de bossen rechts van mij nauwelijks in het zachte briesje. De zon stuurt lange schichten van licht door de kruin van de kastanjeboom die naast mij in de aarde lijken te steken.
Dit is dan de fabelachtige stad van de Old Contemptibles. Mons, dat in het Nederlands ‘Bergen’ wordt genoemd, bekleedt een speciale plaats in de annalen van het Britse leger. De twee veldslagen die om dit stukje zuidoost België werden gevoerd vormen als het ware de proloog en de epiloog van de geweldige catastrofe die de Grote Oorlog was: de tragische aftocht gedurende de eerste weken van het conflict en de triomfantelijke terugkeer bij het einde ervan. Hier was het dat de eerste en de laatste Britse soldaat het leven verloor: soldaat J. Parr omstreeks acht uur in de ochtend van 23 augustus 1914 en soldaat G. Price een paar uur voordat de wapens zwegen op 11 november 1918. Beide mannen hebben een laatste rustplaats gevonden op het kerkhof van Saint Symphorien in de buitenwijken van Bergen.
Voor België – en ook voor Groot-Brittannië – begon de Grote Oorlog op 4 augustus, toen Duitse troepen de Belgische grens overstaken, met de bedoeling daarna ook Frankrijk binnen te vallen. Het British Expeditionary Force, onder het bevel van de populaire generaal John French, stond al klaar om aan Franse zijde te vechten. Groot-Brittannië had een beroepsleger; voor de verdediging van het vaderland vertrouwde men op de kracht van de marine. Al snel zou het echter duidelijk worden dat het land zijn status van grootmacht alleen kon behouden door op het Europese vasteland mee te vechten, waarna de Britten overgingen tot het op grote schaal werven van vrijwilligers.
In de loop van de maand augustus vielen achtereenvolgens de forten van Luik, de hoofdstad Brussel en de fortengordel van Namen in Duitse handen. Het Belgische leger trok zich terug naar het ‘verdedigingsbolwerk Antwerpen’  dat stand hield tot begin oktober, waarna de Belgen zich definitief terugplooiden achter de IJzer. De  opmars van de Duitsers werd evenwel aanzienlijk vertraagd, zodat de Duitse invasie van Frankrijk pas eind augustus een feit was.
De geallieerden -  Britten, Fransen, Belgen – voerden zware gevechten in Noord-Frankrijk, zuidelijk België, bij Dinant, Bergen en Charleroi. Daarbij vielen duizenden doden. Ze hadden de grootte van het Duitse leger zwaar onderschat. Zo stuurde Frankrijk een half miljoen soldaten met een rode pantalon – een excellentie schietschijf – in de vuurlinie om een vijand te bestrijden die niet alleen dubbel zoveel manschappen telde, maar ook nog eens een dubbel aantal kanonnen met een veel grotere reikwijdte.
De bittere gevechten bij Bergen waren niet voorzien in de strategie van de Duitse legertop – het beruchte Plan Schlieffen – en evenmin in het Franse offensieve equivalent Plan XVII, dat een monument was van stupide militaire arrogantie. Het Britse expeditieleger in België speelde in Plan XVII een belangrijke rol op de Franse westflank.
Op 22 augustus rukten de Britse divisies op naar Bergen, klaar om verder door België te trekken als een onderdeel van het geallieerde offensief. Ze bevonden zich precies op de weg van het eerste leger van von Kluck, die België was binnengevallen vanuit het noordoosten. Toen bleek dat de Fransen er niet in geslaagd waren de Duitsers te beletten over de Samber te trekken, begreep sir John French dat zijn expeditieleger in groot gevaar verkeerde. Niettemin stemde hij erin toe vierentwintig uur stand te houden in Bergen om de Franse linkerflank te dekken.
Bergen wordt nog steeds gedomineerd door twee kerken - Sint Waltrudis en Sint Elizabeth – en de stad dankt haar naam aan de hoge heuvel waarop ze werd gebouwd en vanwaar men een schitterend uitzicht heeft op het akkerland en de bossen in de omgeving. Het industriegebied van Bergen vormde in die tijd zowat het centrum van de Belgische mijnbouw. De Britse troepen namen stellingen in langs het kanaal van Bergen naar Condé, over een lengte van zowat dertig kilometer ten oosten en ten westen van Bergen, op een smalle strook van steenkoolmijnen, een vijftal kilometer breed. In de onmiddellijke nabijheid van het kanaal, aan de beide oevers, bevonden zich moerassen en een netwerk van grachten, bezet met wilgen. Ten zuiden van het kanaal en zijn moerassen lagen, wanordelijk verspreid tussen kolossale hopen steenkool en verlaten mijnschachten een aantal kleine mijnwerkersdorpjes met kasseistraten.
Het dorpje Nimy, met zijn drie bruggen over én zijn spoorwegbrug over het kanaal, moest een sleutelrol spelen in de verdediging van Bergen. De streek was daar heuvelachtig en er bevond zich ook een klein bos, het Bois la Haut. Bovendien konden het struikgewas en het kreupelhout op de oevers van het kanaal, bij de bruggen, de Britten ook de nodige beschutting bieden tegen de oprukkende Duitsers.
Het Britse expeditieleger van sir John French – op de linkerflank bijna vijftien kilometer gescheiden van de dichtstbijzijnde Franse eenheid - telde op dat moment 70.000 manschappen. Geen van hen wist dat niet minder dan 240.000 soldaten van het Eerste Duitse leger van generaal Alexander von Kluck recht op hen af kwamen – niet voor het grootste deel vanuit het noordoosten vanwaar ze verwacht werden, maar vanuit het noordwesten. Gelukkig voor hen was von Kluck evenmin op de hoogte van de precieze sterkte en locatie van zijn tegenstander. De Duitse generaal was zich zelfs totaal niet bewust van de aanwezigheid van Britten op zijn eigen aanvalslijn.
Toen de Duitsers op de ochtend van 23 augustus in het mijngebied langs het kanaal onverwachts en frontaal in botsing kwamen met de Britten, was het alsof ze hun hand in een wespennest staken. Daarna bleek dit wespennest echter een dodelijke val te zijn voor de Britse soldaten die probeerden eruit te ontsnappen.
Op iedere verhoging in het landschap zaten Britse officieren gespannen door hun verrekijkers te turen naar het noorden en naar het oosten, op zoek naar een teken van de vijand. Het waren echter de bereden troepen van de beide legers die tijdens verkenningsopdrachten als eersten slaags raakten met elkaar.
Nog voor negen uur die ochtend hadden de Duitsers al hun kanonnen in stelling gebracht en maakten de Britten uitgebreid kennis met de kracht en de nauwkeurigheid van de vijandelijke artillerie. Nauwelijks een uur later bestormde de Duitse infanterie het dorpje Ubourg en werd onthaald op het musketgeweervuur van de Middlesex Highlanders en het machinegeweervuur van de Royal Irish Highlanders.
Bij het dorpje Nimy en de bruggen over het kanaal kogelden de Royal Fusiliers steeds nieuwe Duitse aanvalsgolven neer. ‘De Duitsers kwamen in zwermen, als grijze wolken die over groene velden dreven,’ schreef een Brits veteraan later. Ze doken op uit de bossen, stormden naar de Britse loopgraven in middeleeuws aandoende, gesloten formaties en werden gedecimeerd door de beste schutters van Europa. De gemiddelde Britse soldaat van het expeditieleger was erop getraind vijftien gerichte schoten per minuut af te vuren en bepaalde scherpschutters dreven het tempo zelfs op tot twintig stuks. Dit verschijnsel werd ‘the mad minute’ genoemd.
Maar zelfs ‘de dolle minuut’ kon niet verhinderen dat de Britten langzaam maar zeker omsingeld werden door het numeriek veel sterkere Duitse Eerste Leger van von Kluck. Eerder op de dag had generaal French het bevel gegeven de bruggen over het kanaal te ondermijnen, maar slechts een paar bruggen werden daadwerkelijk opgeblazen. De Duitsers slaagden erin de overblijvende bruggen in te nemen en de Britten werden gedwongen zich terug te trekken. Ze bleven echter vechten voor elke meter. Tegen vijf uur in de namiddag bereikten de eerste Duitsers de straten van Bergen en deden de Britse soldaten vooral hun best om het vege lijf te redden. Alleen het Bois la Haut bleef nog tot de duisternis inviel stevig in Britse handen.
Bij het station van Obourg gaf een heldhaftige Britse soldaat – zijn naam is onbekend gebleven – zijn leven om de aftocht van zijn kameraden veilig te stellen. Hij bleef alleen achter te midden van de doden en de stervenden, klom op een dak en bleef schieten tot hij al zijn munitie had opgebruikt. Terwijl de Britse infanterie zich terugrok in de richting van de Grand Place van Bergen, dekking zoekend achter lantaarnpalen en schietend vanuit portalen, vielen de Duitsers de huizen langs de Rue de Nimy binnen en namen daar gijzelaars, die ze als menselijke schilden voor zich uit dreven. Ten slotte werd zelfs de burgemeester uit zijn stadhuis gehaald om het voortdurend groeiend aantal gijzelaars te vervoegen.
Op de avond van 23 augustus ontving generaal French een telegram van generaal Joffre, waarin deze hem meedeelde wat hij al een tijdje aan den lijve kon ondervinden: dat ze de Duitse troepenmacht zwaar hadden onderschat. Tot overmaat van ramp waren de Duitsers nu ook de Samber overgestoken, zodat de Franse troepen op de Britse rechtervleugel zich ijlings moesten terugtrekken. Het Britse expeditieleger stond er met andere woorden geheel alleen voor en werd aan zijn lot overgelaten.
Hier, en in deze omstandigheden, zou in de nacht van 23 op 24 augustus de legende van de Engelen van Bergen geboren zijn. Omstreeks middernacht zouden hemelse heerscharen zijn neergedaald te midden van de Britse troepen – sommigen beweren dat het om engelen ging, anderen dat het de geesten van Britse boogschutters betrof die gesneuveld waren in de slag bij Azincourt, in 1415 – om de Duitse opmars te stoppen. Onder hun hoge bescherming en geholpen door de duisternis, slaagde het Britse expeditieleger erin zich min of meer ordelijk terug te trekken en te ontkomen aan de algehele vernietiging.
De legende van de Engelen van Bergen schijnt in het leven geroepen te zijn door een kort verhaal van Arthur Machen, getiteld The Bowmen (De Boogschutters). Het werd gepubliceerd op 29 september 1914 in een Londense krant, The Evening News. Op die datum verscheen tegelijk en voor de allereerste keer een vermelding van ‘de engelen van Bergen’ in druk, maar heel wat mensen verklaarden naderhand dat ze reeds veel eerder engelen en heiligen – al of niet uitgedost als boogschutters – hadden waargenomen.
Het verhaal van Machen heeft de vorm van een artikel, een waarheidsgetrouw verslag van de aftocht van het expeditieleger. Een soldaat herinnert zich een oude aanroeping van Saint George: ‘Adsit Anglis Sanctus Georgius’ (‘Saint George, help de Engelsen!’) – en duizenden soldaten nemen zijn aanroeping over. Op een mircaleuze wijze verschijnen vervolgens de geesten van de Engelse boogschutters die de Britse troepen ter hulp snellen.
Kort na de publicatie van het verhaal werd Machen al de vraag gesteld of zijn verhaal soms gebaseerd was op ‘ware feiten’. ‘Nee,’ zei hij, ‘het is een fictie.’ De volgende maanden werd The Bowmen met de regelmaat van een klok herdrukt en telkens werd hem gevraagd naar zijn bronnen. Machen herhaalde en bleef herhalen dat The Bowmen een produkt van zijn verbeelding was. Men weigerde hem te geloven. Soldaten verklaarden dat zij de engelen met hun eigen ogen hadden gezien en familieleden van soldaten getuigden dat hun mannen de lijken van Duitsers gevonden hadden, gestorven door verwondingen die alleen maar door pijlen konden veroorzaakt zijn.
De legende van de engelen van Bergen deed wonderen voor het moreel van de Britten, zowel aan het front als op het thuisfront. Talloze varianten van deze sterk tot de verbeelding sprekende legende verdrongen de waarheid over wat er precies gebeurde in die late augustusdagen, in Bergen. In dit boek wil ik graag een poging ondernemen om die waarheid alsnog te achterhalen. Het is alvast niet zo dat de legende haar ontstaan uitsluitend te danken heeft aan het verhaal van Machen, zoals onder meer Machen zelf  bleef beweren. Evenmin geloof ik dat het verhaal over de wonderbaarlijke effecten van de aanroeping van Saint George de auteur ‘zomaar’ is overkomen, zoals die auteur ook altijd stelde. Arthur Machen had onmiskenbaar een zeer specifiek doel voor ogen toen hij dit verhaal schreef, en hij heeft dat doel ook bereikt.
Dat de Britse  soldaten hoe dan ook nog aan de wurgende greep van het Duitse leger konden ontkomen – geplaagd door honger, dorst, slapeloosheid en de pijn van hun verwondingen – mag op zich al een mirakel heten. In de vroege ochtend van 24 augustus bedroegen de Britse verliezen ongeveer vierduizend manschappen; de Duitsers hadden naar schatting zeven à tienduizend man verloren. Generaal French gaf zijn eerste legerkorps het bevel een offensief in de richting van Binche te forceren om de druk op zijn tweede korps enigszins te verlichten.
Bij het terugtrekken leden de Britten van het tweede legerkorps opnieuw grote verliezen, vooral in de streek van Frameries, een vijftal kilometer ten zuiden van Bergen. Ze namen posities in bij Ciply en Babai en verloren nogmaals verscheidende honderden mannen door hevig Duits machinegeweervuur. Uiteindelijk slaagden al de brigades van de derde divisie erin meer dan veertig kilometer naar het zuiden stellingen in te nemen ten westen van het stadje Le Cateau. Het was toen al 26 augustus geworden.
Een andere divisie van het tweede legerkorps was al in de avond van 23 augustus voor een deel teruggevallen op het plaatsje Dour en werd voor een ander deel zo hevig bestookt door de Duitsers, dat ze slechts op het laatste nippertje van de algehele vernietiging kon gered worden door een cavaleriebrigade. Het sein tot de aftocht bereikte het Eerste Cheshire Regiment niet, dat omsingeld raakte: slechts 193 van de 1007 soldaten overleefden het gevecht. Het Tweede West Riding Regiment verloor zijn commandant, kolonel Gibbs, en zowat al zijn officieren.
Het was de bedoeling van generaal French dat zijn beide terugtrekkende legerkorpsen op 26 augustus posities zouden innemen bij Le Cateau, maar tijdens de aftocht verloren de korpsen ieder contact en elke vorm van communicatie. Tussen beide korpsen in lag namelijk het vrij grote woud van Mormal. Op 26 augustus vocht het tweede legerkorps nog een achterhoedegevecht uit bij Le Cateau, waardoor de nodige tijd gewonnen werd om de restanten van het Britse expeditieleger toe te laten zich terug te trekken tot aan de rivier de Marne.
De Slag om Bergen was gestreden. In dit eerste Britse gevecht op het Westeuropese vasteland sinds Waterloo had het Britse expeditieleger zich goed van zijn taak gekweten. Het had von Kluck vierentwintig uur opgehouden.
De geallieerde én de Duitse soldaten hadden dagenlang meer dan dertig kilometer per dag gemarcheerd in de felle zon. Ze maakten dezelfde ontberingen mee – honger, dorst, blaren en bovenal vermoeidheid, angst, extreme spanning. Ze hadden bovendien dagenlang gevochten op leven en dood, zagen hun makkers vallen als vliegen, raakten zelf min of meer ernstig verwond, sneuvelden.
Het is in die context dat we de opmerking van kapitein Arthur Osbon van de  Dragoon Guards, een cavalerie-eenheid, moeten interpreteren. Terwijl hij Duitse cavaleristen probeerde te onderscheppen die uit de richting van Valenciennes kwamen, herinnerde de dreigende lucht hem aan ‘Miltons beschrijving van legioenen van duistere engelen die door Sint Michael naar de vlakten van de Hel werden gedreven’.
Het is ook in die context dat we het verhaal van ‘de Engelen van Bergen’ moeten interpreteren.








Populaire berichten