Op 6 maart 2012, en op vraag van de erven Boon, werden de clips uit de reeks "Proficiat, Louis! 100 virtuele verjaardagswensen voor Louis Paul Boon", waarin een foto van Louis Paul Boon werd verwerkt, op non-actief gezet. Op 24 maart 2012 werd de reeks videoclips definitief stopgezet.

21.6.06

De Mythe van de Rechtvaardige Rechters 3 (Het Dendermondse spoor van William Luck)






HOOFDSTUK 1

SHERLOCK HOLMES WERKT OP DE BRT



We kunnen ons afvragen waarom het mysterie van de Rechtvaardige Rechters is uitgegroeid tot een Vlaamse versie van het Monster van Loch Ness. Het antwoord ligt voor de hand: omdat het dossier van de Rechters alle ingrediënten bevat van een klassieke story met mythische allures.
In de eerste plaats is het een nog steeds onopgeloste misdaadgeschiedenis. In de tweede plaats is het een schatverhaal dat qua dramatische wendingen en kleurrijke personages niet moet onderdoen voor R. L. Stevenson's beroemde Schateiland, en waarin het grote publiek bovendien ook nog een rol kan spelen als schattenjager. Zowel de misdaadgeschiedenis als het schatverhaal zijn literaire archetypes. Zij spreken zodanig tot de verbeelding dat ze uitgegroeid zijn tot zelfstandige literaire genres. Wanneer dergelijke verhalen zich niet beperken tot een fictionele context, maar zich in de werkelijkheid afspelen, vlak bij de deur, dan krijg je bijna logischerwijze een Nessie-effect.
Het mysterie van de verdwenen Rechters spreekt alle lagen van de bevolking aan, zowel mannen als vrouwen, zowel grijsaards die het allemaal nog meegemaakt hebben als pubermeisjes die zich laten verleiden door het romantische aureool van de geniale gentleman-gangster Arsène Goedertier/Arsène Lupin. Dit is trouwens ook een archetype, een wat archaïscher variante van geheim agent 007, James Bond. Het is bovendien, hoe contradictorisch dit op het eerste gezicht ook mag klinken, nauw verwant aan zijn archetypische opponent: de geniale speurder, hij weze een amateur-detective als Miss Marple of Sherlock Holmes, een privé-detective als Mannix of een professioneel detective als Maigret.
Het is dan ook helemaal niet zo verbazend dat het spoor van de geniale gentleman-gangster in het dossier van de spoorloze Rechters niet alleen gevolgd werd door pendelende pastoors en andere helderzienden, herbergiers, kunsthistorici, journalisten en mystery-schrijvers van de Engelse school, maar ook door serieuze amateur-detectives als Hilde Leynen of professionele detectives als commissaris Mortier. Wie haar artikels heeft gelezen of de KRO-televisiedocumentaire Het mysterie van het Lam Gods heeft gezien, zal met mij beamen dat Hilde Leynen méér dan een paar trekjes bezit van Agatha Christie's onsterfelijke Miss Marple. En wie commissaris Mortier ooit heeft aan het werk gezien of aan het woord gehoord, zal toegeven dat hij een regelrechte én maar al te reële incarnatie is van Simenons fictieve evergreen, commissaris Maigret.
U moet maar eens een foto van de man bekijken, in het weekblad De Post bijvoorbeeld, uit 1968. De onafscheidelijke sigaret, de schrijfmachine, maar vooral de ogen die zich alert hebben gefixeerd op een punt buiten beeld... en dan het onderschrift: 'Weet deze man méér?' De menselijke aanpak ook, de melancholieke toon, het psychologisch doorzicht, die rustige en onverstoorbare gedrevenheid, dat soms ondeugende of een tikje kwajongensachtige laten rondslingeren van clou's en cliff hangers, de provocerende mysterieuze hints... Nee, Simenon had deze commissaris Mortier nauwelijks béter kunnen verzinnen.
De kleurrijke figuren uit het dossier van de Rechters hebben àndere ietwat zonderlinge personages aangetrokken, die zich elk met hun eigen motieven en mogelijkheden in dat dossier hebben vastgebeten en voor wie het enigma van het verdwenen kunstwerk een levenslange obsessie is geworden. Eén onder hen zal ik mij wellicht - en om nog even in de sfeer van onze dramatische geschiedenis te vertoeven - tot op mijn sterfbed blijven herinneren, en dan heb ik het over William Luck en diens alter ego Sherlock Holmes.
Nog voor Mysteries van het Lam Gods was uitgegeven, had ik samen met mijn vriend en collega Guy Didelez het plan opgevat een vierdelige televisieserie te schrijven over het onderwerp. Zo trokken wij in de zomer van 1991 met een synopsis in de hand naar de Reyerslaan, voor een gesprek met BRT-dramaturge Marga Neirynck.
Wat we hadden kunnen verwachten, gebeurde ook: na een vijftal minuten gekeuveld te hebben over koetjes en lammetjes trok mevrouw Neirynck een lade open, waarin reeds een synopsis voor een feuilleton over de Rechters bewaard werd. Het project waarbij o.a. Fernand Auwera en Libera Carlier betrokken waren, was tot op dat ogenblik evenwel nog niet écht van de grond geraakt. Guy en ik konden eventueel voor een nieuwe frisse wind zorgen en bijgevolg werd het project opnieuw opgestart.
De research voor de fictie-serie was tot dusver in handen geweest van een BRT-medewerker, van wie ik de naam hier niet zal noemen, omdat hij verkoos zijn onderzoek met betrekking tot de Rechters te publiceren onder het pseudoniem William Luck. Terwijl Guy werd ingedeeld bij de pool van de scenaristen, zou ik de research-ploeg versterken. Ik werkte dan ook een tijdje nauw samen met de man die ik voor het gemak maar William Luck zal blijven noemen, tot het fictionele Rechters-project opnieuw in de koelkast belandde, vanwege te duur.
Het merkwaardige aan William Luck was dat hij in zijn werk, in de omgang en voor zover ik dat kon beoordelen ook in zijn privé-leven een perfecte Meneer Doorsnee was: vriendelijk, correct, evenwichtig en met een behoorlijk ontwikkeld gevoel voor humor, maar voor de rest zonder specifieke eigenaardigheden. Wanneer William Luck zich echter actief op het detectivepad begaf - en dat deed hij uitsluitend in functie van de Zaak Goedertier -, dan voltrok er zich in de man een gedaanteverwisseling à la doctor Jekyll and mister Hyde. In dat geval voorzag hij zich van de attributen van Sherlock Holmes - het klepje, de geruite cape, het vergrootglas en de pijp - en dan wérd hij ook de archetypische creatie van sir Arthur Conan Doyle. Hij had zelfs een vriend die hem bij zijn speurwerk een helpende hand verleende en in wie de onthutste waarnemer met enige goeie wil zelfs doctor Watson kon herkennen.
Dit alles zou niet méér opgeleverd hebben dan een leuke anecdote, indien William Luck alias Sherlock Holmes in de huid en het pak van mister Holmes niet alle intellectuele capaciteiten had behouden die hij reeds bezat als William Luck. De scherpzinnigheid van de man werd er geenszins door teniet gedaan, zoals ik tijdens een paar van onze werksessies mocht ondervinden. Sherlock Holmes stelde mij bovendien een groot aantal fotokopies ter hand van een reeks artikelen, ondertekend door William Luck en gepubliceerd in het weekblad De Voorpost, dat verscheen in de regio Aalst-Dendermonde, in de periode 1963-1967. In deze reportages volgde William Luck 'het Dendermondse spoor'.
William Luck was afkomstig uit de streek waar de hele geschiedenis zich had afgespeeld en hij had diverse mensen die met de roof of met Goedertier te maken hadden gehad, nog persoonlijk aan de tand gevoeld. Voor vele speurders die later kwamen, was dit niet meer mogelijk geweest, omdat alle getuigen toen al overleden waren. Tevens had hij inzage gekregen in het gerechtelijk dossier, een claim die bevestigt wordt door de publicatiedata van zijn onthullingen en die van Jos Cels enerzijds en Mortier & Kerckhaert anderzijds.
Het eerste boek over de verdwenen Rechters dateert van 1963 en is van de hand van journalist Jos Cels. Voor het eerst verschenen belangrijke gegevens uit het gerechtelijk dossier in boekvorm, gegevens die op dat ogenblik nog niet bekend waren voor het grote publiek. Dit werk werd pas in 1966 gevolgd door De diefstal van het Lam Gods, de eerste criminologische studie van het duo Mortier & Kerckhaert, waarin heel wat foute of onnauwkeurige elementen uit het boek van Cels werden gecorrigeerd, andere sporen werden uitgediept en belangrijke nieuwe onthullingen werden gedaan. In 1968 vormde De diefstal van het Lam Gods de basis voor een tweede, nog verder uitgewerkte en gecorrigeerde versie onder de titel De Rechtvaardige Rechters gestolen. Als we de reportages van William Luck nu even van naderbij bekijken, dan merken we dat deze in feite kunnen onderverdeeld worden in twee reeksen: een eerste die gepubliceerd werd in 1963, en een tweede in 1967. Het onderzoek van William Luck verliep dus parallel in de tijd met dat van Jos Cels en het duo Mortier & Kerckhaert. Waar andere speurders zich in grote mate hebben gebaseerd op de publicaties van Cels of van Mortier & Kerckhaert, was dit voor William Luck voor een groot stuk onmogelijk. De waarde van zijn speurwerk zit hem dan ook vooral in het feit dat dit bij mijn weten het enige grootscheepse na-oorlogse onderzoek is geweest dat zich min of meer onafhankelijk van de bevindingen van Cels of Mortier & Kerckhaert heeft ontwikkeld.
De onthullingen van William Luck hebben nooit de weerklank gevonden van de publicaties van Cels of van Mortier & Kerckhaert, omdat ze verschenen in een regionaal weekblad. Dat is één reden waarom ik er in dit boek dieper op wens in te gaan. De andere reden zit hem precies in het tamelijk onafhankelijke en globale karakter van het onderzoek, dat zich niet alleen bezig houdt met de bergplaats van de Rechters, maar ook met een reconstructie van de roof, de motieven voor de misdaad en de figuur van Goedertier. Naast het officiële gerechtelijk onderzoek en de officieuze bemoeienissen van Georges De Vos & Co. in de jaren dertig en het Duitse speurwerk van Oberleutnant Koehn in de jaren veertig, kent het werk van William Luck bovendien alleen maar een vooroorlogse gelijke in het staaltje investigative journalism avant la lettre van John Flanders.
Heel wat elementen, aangedragen door William Luck, figureerden daarna ook in de criminologische studie van Mortier & Kerckhaert; sommige vragen die William Luck stelt werden door hen beantwoord en bepaalde van zijn stellingen werden door hen tegengesproken. Niettemin blijft het boeiend om het speurwerk van deze twintigste eeuwse Vlaamse Sherlock Holmes op de voet te volgen, zoals het zich nu alweer dertig jaar geleden heeft ontwikkeld.




HOOFDSTUK 2

DE VERMOORDE ONSCHULD?



William Luck opent zijn reeks reportages onder de titel 'Eindigt het spoor van het gestolen Lam Godspaneel in 't Dendermondse?' met drie stukken waarin hij achtereenvolgens een historiek geeft van het gestolen paneel, de roof en de correspondentie tussen de afperser en het bisdom beschrijft, en de teruggave van Johannes de Doper behandelt. Kortom, dezelfde feiten als de lezer van dit boek zal terugvinden onder het hoofdstuk 'De feiten'.
De vierde bijdrage evenwel, opent met een soort waarschuwing aan de lezer, gedrukt in kapitalen: 'Vooraleer de belangrijkste fase van de gebeurtenissen rond het gestolen paneel aan te vatten, weze het ons toegelaten een paar punten nader toe te lichten. Allereerst zult u hebben opgemaakt dat we steeds het woord dader tussen aanhalingstekens hebben geplaatst of laten voorafgaan hebben door het adjectief "vermoedelijk"; dit is gebeurd met opzet. Van in den beginne was het ons opgevallen dat de argumenten, feiten en bewijsstukken die voor een bepaald persoon, waarover u dadelijk meer verneemt, zeer bezwarend waren en die hem lieten doorgaan voor de dief van het paneel, te duidelijk, te logisch en te bezwarend waren. Daarom namen we geen genoegen met deze basis voor een beschuldiging; er waren trouwens een aantal tegenstrijdigheden die het vertrouwen in die "bewijzen" ondermijnden. De "dader" die ons door de ganse pers uit de jaren 1934-35 en door het gerecht werd aangeduid, is volgens ons niet de dader van de diefstal. We zullen onze mening staven. Hierdoor kwam het ons ongepast voor, steeds te gewagen van de dader, net of er voor ons geen twijfel bestond omtrent de waarde van de beschuldigingen.'
Hierbij dient opgemerkt te worden dat zo lang een verdacht persoon niet veroordeeld is geworden, men strikt juridisch alleen maar mag spreken van een 'vermoedelijke dader'. Dit mocht ook ondergetekende tot zijn scha en schande ondervinden, toen het woord 'dader' hem in het praatprogramma Luc ontglipte, en hij daarna een anoniem telefoontje ontving waarin gedreigd werd met een proces wegens smaad en eerroof, indien hij het nogmaals zou aandurven het woord 'dader' te gebruiken in relatie tot Arsène Goedertier.
De vierde bijdrage van William Luck is gewijd aan het overlijden van Arsène Goedertier ten huize van zijn schoonbroer, de juwelier Ernest Van Den Durpel, aan de Vlasmarkt te Dendermonde. Volgens de officiële versie van de feiten was Goedertier eerder in de voormiddag, tijdens een politieke bijeenkomst van de Katholieke Unie in de grote zaal van het college te Dendermonde, onwel geworden en daarna overgebracht naar het huis van zijn schoonbroer, waar hij omstreeks 12.30 uur overleed, nadat hij zijn boezemvriend en partijgenoot, de advocaat Georges De Vos, zijn fameuze laatste woorden had ingefluisterd.
Toen Goedertier bij zijn schoonbroer werd binnengebracht, bevonden zich in zijn nabijheid ook dokter De Cock die hem de eerste zorgen had toegediend, een paar vrienden die meegekomen waren, Ernest Van den Durpel zelf en een paar familieleden onder wie de broer van Arsène, Valère. In het gerechtelijk dossier bevindt zich slechts één proces-verbaal dat betrekking heeft op dit overlijden, in de vorm van een verhoor van Ernest Van Den Durpel, afgenomen vijftien jaar nà de feiten! De enige andere getuigenverklaringen over deze gebeurtenis werden eveneens jaren na de feiten opgetekend door Oberleutnant Koehn en openbaar gemaakt door Mortier & Kerckhaert.
'Omwille van het uiterst belangrijk aspect van deze gebeurtenis melden we hier dat een zeer betrouwbaar persoon uit Wetteren (de heer Goedertier woonde te Wetteren) pas enkele weken geleden nog verklaarde dat men Arseen Goedertier 's avonds naar Wetteren overbracht en dat hij daar overleed,' schrijft William Luck. 'Ofwel vergist de persoon zich, ofwel betreft het hier een wel zeer omvangrijke tegenstrijdigheid met wat tot nog toe steeds als de onaanvechtbare waarheid werd aanzien. Komt daarbij nog de getuigenis van de gewezen dienstmeid van de heer Goedertier, Mejuffer Helene Christiaens uit Uitbergen, die ons persoonlijk mededeelde: 's middags had ik Mijnheer nog zijn eten voorgezet en hij is niet meer weergekomen.'
Helena Christiaens werd zowel door commisaris Luysterborgh als dertig jaar later door commissaris Mortier verscheidene malen ondervraagd. Zij was op het ogenblik van de feiten twintig jaar oud en werd door de beide politiemannen beschouwd als een pientere en zeer betrouwbare getuige. Geen van beiden schijnt haar echter gevraagd te hebben naar de omstandigheden rond de dood van Arsène Goedertier, en indien commissaris Mortier dat toch heeft gedaan, dan heeft hij er wellicht niet veel aandacht aan geschonken, want in Dossier Lam Gods - zijn meest uitgebreide en meest recente werk - vinden we geen spoor terug van de verklaring die de meid van de familie Goedertier aan William Luck deed. Nochtans werpt haar verklaring een twijfelachtig licht op het 'officiële tijdstip' en de omstandigheden van het overlijden van haar werkgever.
In zijn vijfde bijdrage gaat William Luck verder in op het privé opsporingswerk van de heren De Vos en Van Ginderachter, en zet hij een aantal tegenstrijdigheden op een rijtje: 'Vooreerst bestaat er dus twijfel omtrent het juiste ogenblik van Goedertiers overlijden. Volgens de verklaringen van advocaat De Vos overleed de Heer Goedertier ongeveer een kwartier nadat hij werd binnengebracht in het huis van Ernest Van den Durpel, Vlasmarkt, Dendermonde. Volgens een getuige in Wetteren werd hij 's avonds laat naar Wetteren overgebracht en stierf hij daar. Volgens de verklaringen in 1935 is de heer Goedertier alleen geweest met zijn vriend advocaat De Vos... een paar weken geleden nu verklaarde een lid van de familie Van den Durpel dat het zich nog nauwkeurig herinnerde hoe op het ogenblik van overlijden van Arseen Goedertier minstens vier personen zich in de kamer bevonden.'
Dat Goedertier vermoord zou zijn wordt noch door Cels noch door Mortier waarschijnlijk geacht. William Luck lijkt echter zo goed als overtuigd te zijn van deze stelling: 'De overlijdensakte werd opgesteld door een zekere dokter De Cock. In Dendermonde heeft nooit een dokter met die naam een praktijk gehad. Wel kende men een dokter De Cock in Wetteren. Is het nu uitgemaakt hoe die dokter net op het ogenblik van Goedertiers beroerte in de nabijheid was? Nooit heeft iemand zich dat afgevraagd. Nu is het wel mogelijk dat deze dokter met de heer Goedertier mee was gekomen naar Dendermonde om er eveneens de politieke vergadering bij te wonen... wat echter volkomen onwaarschijnlijk is, zijn de verklaringen van deze dokter. De heer Goedertier zou overleden zijn ten gevolge van hartuitzetting. Nu zullen alle dokters het met ons eens zijn over het feit dat een hartuizetting nooit plotseling gebeurt, maar dat het een kwaal is die geleidelijk in omvang en in gevolgen toeneemt. De heer Goedertier heeft volgens formele verklaringen van nu nog levende mensen nooit last gehad van beklemming, kortademigheid, duizeligheid of loomheid ten gevolge van een abnormale bloedsomloop... Dit zijn immers de symptomen bij personen die lijden aan uitzetting van de hartspier, als dat gebeurt ten gevolge van een kwaal en niet van lichamelijke oefening en doorgevoerde training zoals bij atleten veel voorkomt. De heer Goedertier was volgens mensen uit zijn naaste omgeving altijd kerngezond en niemand herinnert zich dat hij ooit ziek is geweest.'
In de jaren zestig slaagde commissaris Mortier erin de hand te leggen op het Duitse Dossier Koehn uit de jaren veertig, waarin de dokter De Cock waarvan sprake werd geïdentificeerd als Romain De Cock. In 1941 werd hij door de Duitse officier verhoord in zijn huis aan het Stationsplein te Aalst. In 1934 woonde hij nog bij zijn ouders in Wetteren, in de Wegvoeringstraat zelfs, vlak bij het huis van Goedertier. Beiden kenden elkaar goed en het was niet uitgesloten dat zij op die zondag, de vijfentwintigste november 1934, samen, in de auto van Goedertier, naar Dendermonde reden.
In geen van zijn publikaties gaat commissaris Mortier dieper in op de doodsoorzaak van Goedertier, die door dokter Romain de Cock werd opgegeven: 'dilatation aiguë - asystholie'. Vermoedelijk heeft Mortier hier geen aandacht aan geschonken, omdat hij niet gelooft in een verdacht overlijden. Hoewel ondertussen ook elementen bekend zijn die erop wijzen dat Goedertier toch niet zo kerngezond was als William Luck schijnt aan te nemen, blijft de kern van zijn stelling nog altijd overeind. De doodsoorzaak van Goedertier was hoe dan ook méér aandacht waard dan ze tot dusver heeft gekregen.
Vanaf het ogenblik van Goedertiers overlijden, stelt William Luck vast, begint het gerecht zo mogelijk nog slordiger te werk te gaan dan het al deed met de naspeuringen naar de verdwenen Rechters. 'En hier noemen we dan in de eerste plaats het vinden van de dokumenten in Goedertiers schrijflade zelf. De gerechtelijke diensten namen ze in ontvangst, vergeleken de dubbels met de originelen (we hopen dat het nauwkeurig werd gedaan) en bouwden onmiddellijk de thesis van schuld rond de persoon van Arseen Goedertier. Heeft iemand zich ooit afgevraagd welke waarde deze bewijzen hadden, vier maanden na de dood van de betrokkene? Stelde men zich ooit de vraag hoe die dokumenten bij de heer Goedertier terecht kwamen? Wat werd er met deze brieven aangevangen, de vergelijking met de oorspronkelijke teksten daargelaten? Niet veel blijkbaar...'
Langzaam maar zeker legt William Luck, ook in de zesde aflevering van zijn serie, de fundamenten voor zijn thesis. Hij wijst erop dat bepaalde artikelen die verschenen in 1934 en gewijd waren aan de Rechtvaardige Rechters niet uitsluitend dreven op fantasie en sensatiezucht. Uit bepaalde artikels bleek zelfs dat de auteurs goed bekend waren met de middens waarin de gebeurtenissen zich hadden afgespeeld. Zo leek bijvoorbeeld Jan Boon, gewezen hoofdredacteur van de krant De Standaard en Direkteur-Generaal van de BRT, heel wat meer te weten dan het gerecht. Zo sijpelden in de pers ook regelmatig uitlatingen door over geheimzinnige machten in het Dendermondse die het gerechtelijk onderzoek dwarsboomden, over de onwil van bepaalde kringen om mee te werken aan een oplossing, over het eigenbelang van een grote katholieke familie die garant stond voor een deskundige sabotage.
'Dit alles moet onder ogen gekomen zijn van de heer Jan Boon, die zich als de kunstminnaar en de goede katholiek die hij was, hevig voor de zaak interesseerde,' gaat William Luck verder. 'Wel, diezelfde Jan Boon liet zich na de dood van de heer Goedertier en na het ontdekken van de "bezwarende dokumenten" in de huiskring ontvallen dat er eerst nog een paar mensen zouden moeten sterven vooraleer het gestolen paneel zou uitkomen. Dit voorvalletje werd mij verteld door de heer Edward Boon, zoon van de overleden auteur, kunstminnaar, strijdende Vlaming en groot katholiek. Edward Boon wist er zelfs nog bij te zeggen dat deze uitlating hem als kleine jongen had getroffen, temeer daar er op het ogenblik van het voorvalletje weinig of niets in verband met het verdere onderzoek aan het publiek werd medegedeeld. Dat de heer Jan Boon veel van de zaak afwist, wordt trouwens duidelijk geïllustreerd door het feit dat hij onder de Duitse bezetting herhaalde malen door de autoriteiten werd lastig gevallen. Ze schenen te weten dat de heer Boon een omvangrijk dossier over de zaak bezat en ze vermoedden dat hij tevens heel nuttige inlichtingen kon verschaffen. Ook de Duitsers wilden het paneel in hun bezit...'
Dan zet William Luck de volgende stap: een drietal weken voor het overlijden van Arseen Goedertier, werd ene Achiel De Swaef ziek en moest te bed blijven. De Swaef woonde te Hofstade bij Aalst en had een kamertje in Gent; daar was hij in de loop van november 1934 ook plotseling onwel geworden. Hij deed nogal eens boodschappen voor Goedertier. Op 25 of 26 november werd hem meegedeeld dat Goedertier schielijk overleden was te Dendermonde. De Swaef wilde de begrafenis bijwonen, maar dat werd hem door zijn dokter ontraden. Eén of twee dagen later kreeg hij opnieuw een beroerte. Hij overleed op 29 november 1934, de datum van Goedertiers begrafenis.
Wat William Luck blijkbaar nog niet wist, was dat de dokter een natuurlijke dood vaststelde, ten gevolge van een 'apoplexie cérébrale'. 'Verbazend is dat het overlijdensattest, aanwezig in het gerechtelijk dossier, ondertekend werd door een dokter Goedertier,' schrijven Mortier & Kerckhaert in hun Dossier Lam Gods. 'Blijkbaar hadden de gerechtelijke diensten dat niet opgemerkt of er tenminste geen aandacht aan geschonken of belang aan gehecht. Gelukkig maar dat dit detail niet bekend raakte, want dan was de fantasie ongetwijfeld volledig op hol geslagen.'
Het is een stelling die ik nooit goed heb begrepen. De Swaef droeg een puntbaardje en de bediende van Brussel Noord, Alex Puissant, die het paneel Johannes de Doper voor bewaring in ontvangst had genomen, herkende hem op een foto als 'de man die mij een plank overhandigde'. Commissaris Mortier zet enige vraagtekens bij deze identificatie, en dat zouden wij ook doen als het niet ging om een man die niet alleen een goede bekende was van Goedertier, maar ook een optrekje bezat in Gent én in Hofstade bij Aalst, op een spreekwoordelijke boogscheut van Wetteren en Dendermonde. Sterker nog: Achiel De Swaef was net als Goedertier afkomstig uit Lede, een dorpje in dezelfde streek van nog geen voorschoot groot, en was zelfs familie van Goedertier!
Ten slotte zijn daar dan ook nog die twee schijnbare toevalligheden, die op het eerste gezicht te ongerijmd zijn om géén betekenis te kunnen hebben, al zou ik ook niet meteen kunnen zeggen wàt dan de betekenis ervan moet zijn. Er is ten eerste die raadselachtige dokter Goedertier - Arsène hàd een dokter Goedertier in de familie! -, die het overlijdensattest van De Swaef ondertekent. En er is ten tweede de datum van overlijden: precies op de dag van Goedertiers begrafenis. En toch acht commissaris Mortier zich gelukkig dat niemand, hijzelf incluis, ooit belang heeft gehecht aan deze dokter Goedertier, omdat 'de fantasie' dan 'volledig op hol' zou geslagen zijn... Fantasie? Wélke fantasie!?
Jos Cels neemt de wederwaardigheden van Achiel De Swaef en de man over wie we het zo dadelijk nog moeten hebben op in zijn boek, maar schenkt er verder ook niet veel aandacht aan. William Luck zet de naam van Achiel De Swaef echter in gedachten al op de tweede plaats van een zwarte lijst, waarop Arsène Goedertier als eerste prijkt. De derde naam op de dodenlijst wordt die van Oscar Lievens.
In Wetteren, in de wijk Jabeke, in een villa bijgenaamd 'het Zottekot', gelegen op het einde van een lange dreef die van de hoofdweg het land inloopt, wordt op 2 maart 1935 het lijk gevonden van Oscar Lievens. Hij is gescheiden van zijn eerste vrouw Julia De Swaef, de zuster van Achiel, en gaat daarna samenwonen met Gabrielle Lebbe in het Waalse Watou. Maar ook aan die verhouding is ondertussen een einde gekomen.
'Van Oscar Lievens werd door een getuige formeel bevestigd dat hij Goedertier goed heeft gekend,' schrijft William Luck, wat geen verwondering hoeft te wekken, aangezien Achiel De Swaef - familie van Goedertier - zijn schoonbroer was geweest, 'en dat hij zelfs van deze laatste een bezoek ontving in het begin van de maand november 1934, dus een paar weken vóór Goedertiers dood. Deze getuige heet Florent De Pauw; hij woonde te Wetteren en kende Goedertier persoonlijk, omdat hij nog zaken had gedaan met de makelaar.'
Het lijk van Oscar Lievens werd gevonden in een kamer die hij als bureau gebruikte, aan de voorkant van de eenzame villa. De man lag languit op zijn rug en hield de hoorn van de telefoon in de hand. 'In de kamer heerste grote wanorde - een tafeltje was omvergeworpen en de stoelen lagen kriskras door mekaar. Volgens een nu onmogelijk nog te controleren verklaring zou Oscar Lievens in de linkerhand een ei gehouden hebben, wat er kan op wijzen dat hij werd opgeroepen aan de telefoon.' (Je gaat immers niet zélf iemand opbellen met een ei in de hand.) 'Een ander, wel bevestigd feit, is de officieel opgegeven doodsoorzaak: Lievens zou gestorven zijn ten gevolge van een maagbloeding, veroorzaakt door een maagzweer. Op de muur achter Lievens waren inderdaad donkere vlekken te bespeuren.'
Vervolgens poogt William Luck over te gaan tot een reconstructie van de gebeurtenissen die zich zouden afgespeeld hebben ten huize van Oscar Lievens, iets wat noch de autoriteiten bij de ontdekking van het lijk, noch commissaris Luysterborgh toen de volksmond het verband legde met Goedertier, noch latere speurders als Jos Cels of commissaris Mortier hebben gedaan.
'We ondervroegen een dertigtal personen die met maagbloeding ten gevolge van een maagzweer hebben te kampen gehad. Alle verklaringen van deze mensen, zonder uitzondering, bewijzen dat én de houding én het voorkomen én de gedragingen van Lievens vlak voor zijn overlijden, zoals ze konden wedersamengesteld worden na zijn dood, absoluut niet overeenkomen met de houding, het voorkomen en de gedragingen van iemand die plotseling door een maagbloeding overvallen wordt. Als we daarbij nog de verklaring horen van iemand, bekend met de gerechtskringen die zich in die tijd met het onderzoek in de zaak R.R. bezighielden, kunnen we slechts tot één slotsom komen: Oscar Lievens werd vermoord. Volgens de hogervermelde verklaring zouden de gerechtsdienaren bij het betreden van de kamer waarin Lievens' lijk werd gevonden, onmiddellijk hebben gezegd dat ze hier voor het resultaat van een moord stonden, en toch werd de dood van Oscar Lievens toegeschreven aan maagbloeding, zonder dat zelfs een wetsgeneesheer met een lijkschouwing werd belast of zonder dat hij zelfs bij de eerste vaststellingen aanwezig was.'
De zogenaamd natuurlijke dood van Oscar Lievens heeft volgens Willam Luck nog een ongerijmd kantje. Hij werd immers gevonden met de hoorn van de telefoon nog in de hand, een tiental dagen na zijn dood, door de postbode. In dat geval zijn er drie mogelijkheden.
Primo: Lievens werd door iemand opgebeld en zijn correspondent moet het toch eigenaardig gevonden hebben dat het gesprek plotseling werd afgebroken of dat de hoorn wel werd afgenomen, maar dat er niemand meer antwoordde. Indien het gesprek net ten einde was toen Lievens zijn maagbloeding kreeg, dan had zijn correspondent de verbinding kunnen verbreken zonder te weten wat er aan de andere kant van de lijn gebeurde, maar dan zou het toestel van Lievens ook dagen lang 'open' hebben gelegen. Dat had in een tijd toen in Wetteren nog geen automatische verbindingen bestonden toch argwaan moeten wekken bij de telefooncentrale die de wijk Jabeke bediende?
Secundo: Lievens riep zélf iemand op, maar dan wel met een ei in de hand. In dit geval is het mogelijk dat hij eerst zijn correspondent aan de lijn kreeg en pas in de loop van het gesprek de geest gaf - waarom sloeg zijn correspondent dan geen alarm? Stierf Lievens na de aanvraag van het nummer, maar vóór hij zijn correpondent aan de lijn kreeg, dan zou deze zeker aan de telefonist(e) uitleg gevraagd hebben. Kreeg Oscar Lievens de tijd niet meer om een nummer aan te vragen en viel hij op het ogenblik dat hij de hoorn afnam, dan zou zijn toestel ook dagenlang 'bezet bellen', wat na een tijdje toch moest opgemerkt worden door de centrale.
Tertio: Lievens is voor een paar dagen van huis geweest. Deze hypothese lijkt aannemelijk als we de massa brieven en dagbladen in rekening brengen die zich in zijn brievenbus bevonden en waarvan het vroegste stuk gedateerd was tien dagen voor zijn dood. Hij wordt verrast door een onbekende - heeft nog een ei in de hand -, tracht nog te bellen - om hulp te vragen? - maar krijgt de tijd niet meer om een gesprek te voeren, want dat wordt hem door de onbekende belet.
Dat zijn maagbloeding hem dit belet zou hebben, acht William Luck onmogelijk: 'Alle ondervraagde personen verklaarden dat een maagbloeding wel plotseling optreedt, maar niet van die aard is om na een paar ogenblikken reeds alle activiteiten zodanig te verlammen dat niet de kleinste beweging meer mogelijk is. In geen van de dertigtal gevallen die we onderzochten, had de maagbloeding bewusteloosheid als gevolg, zodat ook deze mogelijkheid tot het onwaarschijnlijke gaat behoren. Was het nu ondanks alles toch een maagbloedig die Lievens velde, vanwaar dan die wanorde in zijn bureau, vanwaar het feit dat geen klacht van de telefooncentrale werd genoteerd over het lange openliggen van het telefoontoestel, vanwaar de abnormale houding van het lichaam van Lievens... en vanwaar ten slotte de officiële verklaring volgens dewelke Lievens tien dagen vroeger overleed dan men zijn lijk vond, hoewel alles erop wijst dat hij stierf de dag zelf van de ontdekking, of hoogstens de dag ervoor?'
Voor William Luck staat het vast: zowel Arsène Goedertier als zijn companen Achiel De Swaef en Oscar Lievens werden het slachtoffer van een moordaanslag. Het motief voor deze drie moorden heeft hoogstwaarschijnlijk iets te maken met de Rechtvaardige Rechters, al is het niet meteen duidelijk wàt precies. Dan rest nog de vraag: wie was de vierde man? De zevende bijdrage van William Luck draagt dan ook de veelzeggende titel: 'Goedertier, De Swaef en Lievens... gecompromiteerd drietal, maar wie was de vierde?'
Eén ding lijkt voor Luck bij dit alles als een paal boven water te staan: de veelvuldig gehoorde stelling als zouden financiële problemen Arsène Goedertier hebben aangezet tot het roven van de Rechtvaardige Rechters, mag naar het rijk der fabelen worden verwezen. Ook commissaris Mortier heeft, onder meer in Dossier Lam Gods, duidelijk aangetoond dat die financiële problemen hoegenaamd niet zo groot waren als ze in het verleden vaak werden voorgesteld.
Als geldnood niet aan de basis lag voor de roof van de Rechters, wat was dan wél de drijfveer van de dief, of beter gezegd: van de dieven - want ondertussen is iedereen het er ook over eens geworden dat er minimum twéé dieven aan het werk moeten geweest zijn. Dit blijkt uit getuigenverklaringen en uit de simpele vaststelling dat een man alleen de Rechters nooit uit hun lijst had kunnen lichten. Vreemd genoeg werden deze simpele feiten door de vroegste onderzoekers telkens over het hoofd gezien, en had men het voortdurend over één dader, met name Arsène Goedertier.
Kan het het wérkelijke motief voor de diefstal misschien ook enig licht werpen op het motief voor de moorden? vraagt William Luck zich af. Waarna hij aanstipt dat in het huis van Goedertier hoe dan ook de dubbels van de afpersingsbrieven aan het bisdom werden gevonden.
'Hier rijst nu een vreselijke vraag,' besluit hij. 'Waarom werden deze brieven niet vernietigd? Dat zou een misdaad geweest zijn, inderdaad, maar... De familie Goedertier, de familie Van den Durpel, de vrienden van Arsène Goedertier, advocaat De Vos, rechter Van Ginderachter en nog anderen spannen zich tot het uiterste in om de naam van Goedertier zuiver te houden; ze doen zélf een klein onderzoek om het paneel terug te vinden, om het desnoods anoniem terug te kunnen geven (wat ook strijdig was met de opvattingen over gerechtigheid). De doodsoorzaak en het tijdstip zelfs van overlijden worden zo geheim mogelijk gehouden en toch worden na een paar maanden de uiterst bezwarende dokumenten kenbaar gemaakt. Als we in de pers van toen lezen dat advocaat De Vos het niet met zijn geweten in overeenstemming kon brengen de hele zaak voor het gerecht te verzwijgen, denken we onmiddellijk aan de woorden van de stervende Goedertier: "Op eeuwig zwijgen vertrouw ik u toe..." Kon advocaat De Vos dat met zijn geweten in overeenstemming brengen? Als voorzitter Van Ginderachter zo gesteld was op en zuiver gerechtelijk onderzoek zonder onderscheid van persoon of familie, vond hij het dan normaal dat eerst een privé-speurtocht werd gehouden, die aan de gerechtelijke diensten alle kans ontnam om onmiddellijk in te grijpen met een goede kans op ontsluiering van het geheim? (...)'
'Al deze inspanningen hadden slechts één doel: de naam van Arsène Goedertier buiten de zaak van de Rechtvaardige Rechters te houden; waarom werd dan toch het besluit genomen alles (brieven, dokumenten, enz...) bekend te maken, wanneer ze heel gemakkelijk konden verdwijnen zonder dat het onderzoek er veel meer dan nu zou onder geleden hebben? (...) Wat zou het gevolg geweest zijn, als de brieven bijvoorbeeld verbrand waren geweest nog vóór ze in het dossier van de zaak R.R. terecht konden komen? De naam Goedertier zou nooit in dat verband ter sprake zijn gekomen en dan kon het onderzoek naar het gestolen paneel nog voortgaan. Want veronderstellen we een ogenblik dat de heren De Vos en Van Ginderachter wél in hun privé-onderzoek geslaagd waren en het paneel hadden teruggevonden; het kunstwerk zou aan het bisdom zijn teruggegeven, anoniem, zoals ze zelf toegaven, en de naam Goedertier zou ook niet in verband worden gebracht met de diefstal.'
Dit alles leidt William Luck tot één onverbiddelijke conclusie: iemand heeft geëist dat de naam Goedertier wél bekend zou gemaakt worden. Het nageslacht moést en zou hem kennen als de 'dader' van de 'kunstroof van de eeuw'. Hij stelt zich zelfs de vraag of 'het hele geval niet werd geënsceneerd - heel goed geënsceneerd'.
En wie had er belang bij dat Goedertier als de dief van de Rechtvaardige Rechters werd beschouwd?
De wàre dief natuurlijk...




HOOFDSTUK 3

MANNEN MET BAARDEN



In aflevering acht van zijn serie over wat we maar het Dendermondse spoor zullen noemen, waagt William Luck zich met bovenstaande gegevens aan een curieuze Luckiaanse wedersamenstelling.
Zijn scenario ziet er, heel in het kort, als volgt uit:
De mysterieuze 'vierde man' wil om één of andere reden in het bezit komen van een paneel behorend tot het Lam Gods. Hij komt in contact met Oscar Lievens, die tijdens de Eerste Wereldoorlog in Nederland verbleef en daar zelfs spionage-opdrachten zou hebben uitgevoerd. Oscar Lievens kent wel iemand die de hartewens van de vierde man in vervulling kan laten gaan: Arsène Goedertier. Samen met Achiel De Swaef zet hij Goedertier onder druk om een plan te ontwerpen dat moet leiden tot de verdwijning van de Rechtvaardige Rechters.
Goedertier is ervoor verantwoordelijk dat zowel De Swaef als Lievens aanzienlijke financiële verliezen hebben geleden, zodat het tweetal hem gemakkelijk onder druk kan zetten om mee te doen. Zoniet zouden zij het wel eens aan de grote klok kunnen hangen dat men zijn spaargeld beter niet aan Goedertier toevertrouwt, met alle gevolgen vandien voor zijn professionele en ook voor de verhoopte politieke carrière.
Omtrent de precieze taakverdeling durft William Luck zich niet uitspreken, maar hij meent Goedertier moet hebben ingestaan voor het plannen van de diefstal en de 'administratieve kant' van zaak. Dit weerspiegelt ook op een treffende wijze de teneur van de afspersingsbrieven, waarvan de schrijver zich voorstelt als een 'bemiddelaar' tussen de dieven en de eigenaars van het gestolen paneel.
En dan is er iets mis gegaan: heeft Goedertier een stap te ver gezet? Heeft hij geprobeerd dubbel spel te spelen, met of zonder medeweten van De Swaef en van Lievens? Heeft de vierde man ingegrepen? Of vormen de laatste woorden van Goedertier, zijn - natuurlijke - dood en het daaruit resulterende speurwerk van De Vos & Van Ginderachter het sein voor de vierde man om tot de actie over te gaan, Goedertier met alle zonden van Israël te beladen en de twee overige mannen die eventueel nog hun mond voorbij konden praten voor eeuwig de mond te snoeren?
Het lijkt William Luck een valabel scenario. Maar waar zijn de Rechtvaardige Rechters dan gebleven? Volgens Lucky Luke leiden alle wegen naar Dendermonde. Maar het zal nog vier jaar duren vooraleer hij die intuïtie hard maakt in een nieuwe - kortere - serie artikels, in hetzelfde blad De Voorpost.
Katalysator van deze publikaties - en van een eindeloze stroom andere artikels, tips, hypothesen en getuigenissen - was de premie van een half miljoen frank die door een op dat ogenblik nog onbekende Brusselse mecenas werd uitgeloofd voor de persoon die inlichtingen kon verstrekken, die ertoe zouden leiden het nog steeds spoorloze kunstwerk te ontdekken. De premie werd uitgeloofd naar aanleiding van het verschijning van het boek van Jos Cels en zorgde enkele jaren voor een ware, landelijke Judges Fever, die alleen nog zou geëvenaard worden door de festiviteiten rond de vijftigste verjaardag van de verdwijning van de Rechtvaardige Rechters, in 1984.
De tweede serie artikels van William Luck knoopt aan bij de eerste serie, maar is veel verwarrender en vager gesteld. Ik zal de belangrijkste elementen hier voor u op een rijtje pogen te zetten.
In 1959 legde een conservator van het Louvre te Parijs een sensationele verklaring af. 'Ik heb niet lang geleden het paneel de Rechtvaardige Rechters geëxpertiseerd,' zei hij. 'Het is ongeschonden en het bevindt zich in uitstekende staat.'
Toen de man gevraagd werd wie hem het paneel ter expertise had aangeboden, beriep hij zich op het beroepsgeheim. Onze conservator is overigens een Belg, de heer Huyghe, die diverse kennissen heeft in... Dendermonde, waar Arsène Goedertier de geest zou hebben gegeven en waar de voorzitter van de rechtbank van eerst aanleg, de heer Van Ginderachter, meteen na Goedertiers dood een privé-onderzoek opzet.
Diametraal tegenover de woorden van de heer Huyghe staat de stellige verklaring van monseigneur Coppieters, bisschop van Gent, die rechtstreeks bij het onderzoek en de opsporingen betrokken was, en die kort voor zijn overlijden in familiekring zou hebben gezegd: 'Het is spijtig, maar het paneel is vernietigd.' William Luck noteerde deze verklaringen uit de mond van de betrokken familieleden... uit Overmere, vlak bij Dendermonde.
Een bekend Frans pendelaar wees de Onze Lieve Vrouwkerk van Dendermonde, en meer bepaald het hoogkoor aan als bergplaats voor de Rechters. Toen de oude zaal van de Mariakring afgebroken werd, in de onmiddellijke nabijheid van de Onze Lieve Vrouwkerk, ging men overigens ook daar over tot een minutieus onderzoek van de zolder, om na te speuren of het paneel er niet werd verstopt.
Zowel Lievens als De Swaef, die als mogelijke medeplichtigen van Goedertier moeten beschouwd worden, droegen (een snor en) een puntbaardje. Er bestaan trouwens ook foto's van meneer Arseen zelf, waarop hij een gelijkaardig zwierig puntbaardje draagt.
Nu werd eind 1943 een winkelierster uit Lebbeke bij Dendermonde uitgenodigd door een dame om bij haar thuis eens te komen kijken naar iets 'dat toch wel de moeite waard was'. De winkelierster en haar dochter gingen op de uitnodiging in en de dame toonde hen 'een paar prachtige doeken met bekende meesterwerken' en 'een paneel met mannen op prachtige paarden en met schitterende mantels aan'. Jammer genoeg heeft 'men' William Luck uitdrukkelijk verzocht in dit verband geen namen te noemen.
In dezelfde periode werd, nog steeds volgens dezelfde bron, het verdwenen paneel te koop aangeboden te Ukkel, door een man met een baardje. Dit deed William Luck niet alleen denken aan Goedertier, Lievens of De Swaef, maar ook aan een artikeltje uit een Gentse krant, verschenen op 19 april 1935, waarin de schijver zijn best deed om de politie ter hulp te snellen bij het oplossen van de kunstroof van de eeuw, door het signaleren van een verdachte persoon :
Ten einde het gerecht niet vooruit te lopen hebben we een nieuws verzwegen over een persoon, die bij een haarkapper dichtbij onze burelen is geweest. Hij kwam er zaterdagmorgen omstreeks 10.30 uur binnen en vroeg aan de kapper hem te scheren, zijn snor af te snijden en vervolgens de wenkbrauwen en zijn haar te verven in het zwart. De man die Frans sprak, arm gekleed was, doch veel geld op zak had, droeg een lidteken onder de linkerkaak, veroorzaakt door een kogel. Op de hand was een anker getatoeëerd. Hij beloofde maandag te zullen terugkomen doch hij kwam niet af. 't Was de eerste maal dat de kapper dien zonderlingen klant kreeg. De persoon in kwestie zegde bij St. Pietersstation gehuisvest te zijn.

'Niet alleen in dat artikel was er sprake van de geheimzinnige figuur met het baardje,' schrijft Luck, 'maar nog andere bronnen vermeldden de bijzonderheden dat er eerst gedacht werd aan een Duitser, aan de tongval van de man te horen, en vervolgens aan een Nederlander.'
De man die volgens de bron van William Luck het gestolen schilderij in Ukkel te koop zou hebben aangeboden, leek niet alleen als twee druppels water op de man uit het signalement van hierboven, maar wàs ook dezelfde man. Hij was een kunstkenner - een aantal familieleden van hem maakten zich trouwens ook erg verdienstelijk op artistiek gebied - en bekleedde tijdens de Tweede Wereldoorlog, als Belg, een hoge functie in het Duitse leger.
'Op het ogenblik dat de diefstal in St. Baafs werd gepleegd, was deze man 23 jaar... en herinneren we ons niet dat een getuige onder eed heeft verklaard een briefje van 50 frank te hebben ontvangen van twee heren nabij de kathedraal, de nacht dat de diefstal werd gepleegd? En dat de ene heer sprekend geleek op Arsène Goedertier, terwijl de andere veel jonger was? Beide heren hadden pech met een wagen die niet wilde starten en die wagen werd later geïdentificeerd als de auto van Arsène Goedertier. Het tijdstip waarop het gestolen paneel te Ukkel zou te koop zijn aangeboden, stemt wonderwel overeen met het ogenblik waarop een paar mensen in Lebbeke een dergelijk paneel te zien kregen. En de dame die het paneel en nog andere kunstwerken aan die mensen toonde, blijkt nu de echtgenote te zijn van de man die ons werd aangewezen door onze toevallige correspondent.'
Bij de bevrijding werd de man met het baardje wegens zijn activiteiten tijdens de oorlog aangehouden, maar een tijdje later op vrije voeten gesteld. 'Met die vrijlating moet iets niet in de haak geweest zijn,' meent William Luck, 'want er werd een nieuw aanhoudingsmandaat uitgevaardigd. Of deze maatregel gerechtvaardigd was of niet, kunnen wij hier niet nagaan - het is trouwens genoegzaam bekend welke treurige misverstanden er in die periode tot even betreurenswaardige maatregelen hebben geleid. Kortom, de man moest opnieuw in verzekerde bewaring worden gesteld, doch hij was ondertussen spoorloos. Het opsporen van oorlogsmisdadigers gebeurde toen door samenwerking van de bestaande gerechterlijke diensten en een speciale brigade die met dat doel werd opgericht.
Op een bepaald ogenblik vernam één van de leden van die opsporingsbrigade door de loslippigheid van een familielid van de opgespoorde, dat deze regelmatig zijn echtgenote ontmoette te Zele. Het was toen voor de speurders een koud kunstje om de man bij één van die ontmoetingen in te rekenen. Er werd ook een huiszoeking gehouden in het huis van de schoonouders van de persoon. Die huiszoeking gebeurde met het oog op het vinden van eventuele dokumenten met betrekking tot de oorlogsactiviteiten van de gearresteerde en tevens om nog andere collaborateurs te ontdekken. Waar natuurlijk niemand aan dacht, was het verdwenen paneel uit het Lam Gods veelluik. Eén van de speurders herinnert zich echter zeer duidelijk dat er in het huis waar de opzoekingen werden verricht, heel wat waardevolle kunstvoorwerpen in een gang of kelder onder de grond zaten verstopt.'
Pas na het lezen van zekere artikels over de opzoekingen naar het verdwenen paneel begon de anonieme bron van William Luck één en ander aan elkaar te knopen, waaruit meteen duidelijk wordt dat de contactpersoon van Luck één van de gerechtsdienaars moet geweest zijn die deelnamen aan de huiszoeking. Op dat ogenblik kwam de politieman ook een verslag voor de geest, waarin vermeld stond dat het luik tijdens de oorlog in Ukkel te koop werd aangeboden door een man met een baardje.
'Dat deze gehele "samenloop van omstandigheden" té toevallig blijkt te zijn, wordt duidelijk aangetoond door het feit dat er al dadelijk door gerechtelijke diensten tot de nodige ondervragingen en opsporingen zou zijn overgegaan. Het spreekt voor zichzelf dat een verslag van deze activiteiten pas zal kunnen gepubliceerd worden na afloop van dit nieuwe onderzoek.' Bij mijn weten, is dat echter nooit gebeurd.
Aan heel deze geschiedenis knoopt William Luck een paar interessante bedenkingen vast. Tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft de Duitse overheid, zoals bekend, het Lam Gods geschaakt en ondergebracht in de zoutmijnen van Alt Aussee in Oostenrijk, samen met andere geroofde kunstschatten. Algemeen wordt aangenomen dat het altaarstuk bedoeld was als een speciaal geschenkje voor de Führer. Tevens is het zo, dat de Duitsers lang voordien de zijpanelen, waaronder ook de Rechtvaardige Rechters, op een wettige wijze hadden verworven - ze hadden ze gewoon gekocht - en dat ze na de Eerste Wereldoorlog gedwongen werden de kunstwerken terug te geven, in het kader van de herstelbetalingen. De Duitse overheid heeft zich daar nooit echt bij neergelegd en beschouwde de zijpanelen van het Lam Gods nog altijd als hun rechtmatig bezit.
Dit verklaart waarom meteen na de diefstal hardop verdenkingen werden geuit richting Duitsland, en dat ook in ons land verblijvende Duitsers een tijdje verdacht werden. Het verklaart tegelijk voor een stuk de hardnekkigheid waarmee de Duitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog niet alleen het Lam Gods in hun bezit wilden krijgen, maar ook het dit keer bijzonder grondig officieel nieuw onderzoek dat ze naar de inmiddels spoorloze Rechters hebben opgezet. Oberleutnant Koehn werd met de opdracht belast het paneel terug te vinden, ondervroeg een heleboel getuigen en onderzocht een heleboel plaatsen waar de Rechters mogelijk verborgen konden zijn.
William Luck vraagt zich af hoe het mogelijk is dat dit erg degelijke onderzoek, zo kort na de feiten, geen concreet resultaat heeft opgeleverd. Uit het Dossier Koehn dat door commissaris Mortier werd opgespit, blijkt overigens dat de Oberleutnant op zeker ogenblik zeer dicht bij een oplossing van het raadsel heeft gestaan, maar dat hij op het laatste nippertje de Rechters als het ware aan zijn neus voorbij zag gaan.
Was het paneel soms in het bezit van iemand die door de Duitsers niet verdacht werd of kón worden? vraagt William Luck zich af. Verkeerde het paneel met andere woorden in het bezit van een man met een baardje, een hooggeplaatst Belgisch collaborateur?
Het is een vraag waarop nooit meer een antwoord zal komen, omdat er - wat dit deel van het Dossier Luck betreft - nu eenmaal geen énkele naam wordt genoemd. Anderzijds is het wel zo, dat het nazi-spoor nadrukkelijk aanwezig is in deze zaak en sterk leeft in de streek van Aalst en Dendermonde. In Mysteries van het Lam Gods heb ik zelf één en ander op een rijtje gezet, wat de betrokkenheid van de nazi's bij het Lam Gods en de Rechters betreft. Naar aanleiding van dit boek kreeg ik het bezoek van een leraar die mij een sterk verhaal opdiste, dat ik ook al in een paar andere varianten had horen vertellen.
Een leerling van de man zou nu al een hele tijd geleden in zijn klas een spreekbeurt houden over het Lam Gods en de roof van de Rechtvaardige Rechters. Toen puntje bij paaltje kwam, durfde de leerling daar echter niet meer over te beginnen, omdat hij 'niet mocht van zijn ouders'. Geïntrigeerd door de toch wel vreemde houding van de jongen en de uitleg die hij gaf voor zijn weigering om over de zaak te spreken, nam de leraar contact op met de ouders. Het bleken 'zwarten' te zijn, die - alweer tijdens de oorlog! - een blik hadden mogen werpen op de Rechters. Het paneel was toen in het bezit van niemand minder dan Leon Degrelle, de leider van de extreem-rechtse politieke formatie Rex!
De naam van Degrelle valt trouwens wel meer in verband met de zaak van het gestolen paneel, ook in het Dossier Lam Gods van commissaris Mortier. Na een tip van die andere extreem-rechtse leider Jef Van de Wiele (van het Vlaamse DeVlag) nam Mortier begin 1967 contact op met Degrelle, die toen in Spanje verbleef. 'Kort daarop liet hij ons weten dat hij in die zaak, die hem bekend was, drie Vlaamse namen zou meedelen. Twee weken later antwoordde hij, spontaan, zich niet verder met die kwestie te willen inlaten.'
De ouders van de leerling die een spreekbeurt over het Lam Gods zou houden, wilden zich - begrijpelijkerwijze - evenmin nog 'met die kwestie' inlaten. Volgens hen werden de Rechters gestolen om een nieuwe politieke partij te financieren. Over de bergplaats lopen de meningen in het kader van dit soort getuigenissen uiteen: sommigen wijzen naar Lede - Goedertier en De Swaef waren afkomstig van Lede -, anderen houden het om een mij onbekende reden bij het graf van Achiel De Swaef op het kerkhof van Hofstade, waar hij overleed. Hier schijnen zelfs enige opzoekingen gedaan te zijn, hoewel een grafkelder - over het graf van Goedertier te Wetteren deden dezelfde geruchten de ronde - mij toch geen overtuigende mogelijke bergplaats lijkt voor een gestolen schilderij.
Nu valt het nog moeilijk uit te maken of deze en andere, soortgelijke geruchten een gevolg of de oorzaak waren van de sensationele verklaringen van de dominicaan en parapsycholoog Jan de Brabander. In de jaren zeventig was hij erg actief als parapsychologisch vorser, o.a. in de zaak van de poltergeist van Wilsele bij Leuven, waar het stenen regende en andere spookachtige fenomenen werden waargenomen, vooral wanneer de pater even langs was geweest. En in 1973 beweerde hij over het formele bewijs te beschikken dat de Rechters van schuilplaats waren veranderd, omdat de huidige bezitters nu in paniek verkeerden. Of hij deze informatie op een paragnostische wijze had verkregen, vertelde hij er niet bij.
Het valt overigens op hoeveel pendelaars, wichelroedelopers, helderzienden en andere paranormale vorsers van zich hebben laten horen in de zaak van de Rechters, en hoe vaak zij ook door serieuze speurders, al of niet met de nodige reserve, onder de arm werden genomen. Mortier & Kerckhaert vermelden in elk van hun boeken een respectabele lijst boodschappen uit de vierde dimensie; Koehn en Winders lieten zich assisteren door een radiesthesist; pastoor Van Bortel ging het raadsel te lijf met pendel en wichelroede, en ook Gust Vervloet vertrouwde op zijn helderziende gaven.
Hoe dan ook, volgens pater de Brabander werd het paneel geroofd door Arsène Goedertier om met het losgeld de Vlaamse vleugel van de Rex-beweging van Leon Degrelle meer armslag te geven. De voormalige - en waarschijnlijk eerste - schuilplaats van de Rechters situeerde hij binnen de topografische driehoek Gent-Dendermonde-Zele, om redenen die alleen bekend zijn aan personen die over het tweede gezicht beschikken.
Meer bepaald werden de Rechters oorspronkelijk verstopt op het voormalige domein van wijlen notaris Joseph de Vis te Aalst, om precies te zijn in de achterwand van de paardenstallen. Er werd vastgesteld dat de notaris inderdaad een overtuigd rexist was en dat hij met Arsène Goedertier zakelijke relaties onderhield, maar van de Rechters werd verder geen spoor gevonden. Voor de rest moet het mij van het hart dat over dit domein en over de familie de Vis zoveel folkloristische verzinsels de ronde doen in het Land van Aalst, dat we hier vermoedelijk te maken hebben met een sage pur sang.
Nog een laatste woordje over pater De Brabander. Onder de reacties op de Panorama-documentaire Agnus Deï uit 1994 bevond zich het volgende epistel, waaruit ik graag een paar regeltjes citeer: 'Ik vond het jammer dat de Gentse pater Jan De Brabander (dominicaan en paragnost) niet aan het woord is gekomen, want reeds meer dan twintig jaar hoor ik hem beweren dat MEN weet waar het paneel zich nu bevindt.' De brief was ondertekend door ene... pater De Brabander.
Keren we nu maar terug naar William Luck. Ik schreef al dat hij rond de geschiedenis van de geheimzinnige man met het baardje een paar interessante bedenkingen maakte. De eerste hebt u al gehad.
De tweede heeft te maken met een vraag die ook andere vorsers uit hun slaap heeft gehouden, namelijk: waarom werden precies de Rechtvaardige Rechters gestolen, en niet één van de andere panelen uit het veelluik? Waarom het linkerbuitenpaneel en geen ander?
'Het rechterbuitenpaneel heeft precies dezelfde afmetingen, het zit precies op dezelfde manier bevestigd en het is minstens even beroemd als de Rechtvaardige Rechters,' stelt William Luck vast, en we kunnen hem geen ongelijk geven. 'Dat dit laatste helemaal tegen de afsluiting van de kapel geplaatst is als het veelluik openstaat, is helemaal geen reden om precies dat paneel te verkiezen, want om het te roven is de dief of zijn de dieven toch in de kapel moeten binnendringen.' (Wél een reden zou kunnen zijn dat het rechterbuitenpaneel door zijn plaatsing en de constructie van het geheel van het veelluik bij een eventuel diefstal moeilijker te manipuleren zou zijn.)
'De voor -en achterzijde van het paneel werden jaren tevoren gescheiden,' gaat William Luck verder, 'daar de eikenhouten plank waarop de Rechtvaardige Rechters en Johannes de Doper geschilderd waren, in de dikte werden doorgezaagd. Beide delen waren op het ogenblik van de roof dus ongeveer 4 mm. dik en wogen elk afzonderlijk zowat 2 kg. (rekening gehouden met de oppervlakte en het soortelijk gewicht van droog eikehout). Dit alles betekent naar ons gevoelen dat die twee panelen voor de diefstal werden uitgekozen om geheel andere dan technische redenen.'
Ook het rechterbuitenpaneel was in de dikte doormidden gezaagd, zodat dit paneel evenzeer in aanmerking kwam om gestolen te worden, indien het de bedoeling van de dieven was de achterzijde terug te geven om het bewijs te leveren dat de voorzijde in hun bezit was. Maar toch werden de Rechters en Johannes de Doper gekozen.
'Als er echter rekening gehouden wordt met de mogelijkheid dat de dief of dieven niet van plan waren (zelfs na ontvangst van het gevraagde "losgeld") de Rechtvaardige Rechters terug te geven, openen zich geheel andere perspectieven,' meent William Luck. 'De veiligste manier om een bekend kunstwerk in bezit te houden zonder dat iemand opmerkt dat het wel degelijk een bekend meesterwerk is, bestaat erin het kunstwerk te overschilderen. En hier is er wel merkelijk verschil tussen de mogelijkheden die de Rechtvaardige Rechters en de andere panelen boden. (...)
Wanneer we de twee buitenste panelen aandachtig bekijken, merken we op dat de Rechtvaardige Rechters op een paar hoeden en een deel van een mantel na geen rood vertonen. De Sint Christoffel die de pelgrims leidt op het rechterbuitenpaneel is echter gehuld in een zeer wijde prachtige rode mantel. Die rode vlek (...) vult nagenoeg één vierde van de beschilderde oppervlakte. (...) En is het niet zo dat bij een minutieus onderzoek van een kunstwerk waarvan men denkt dat het overschilderd is, een toevlucht genomen wordt tot een proef met röntgenapparaat of met ultravioletstralen? Een specialist terzake heeft ons verzekerd dat bij een dergelijk onderzoek rode olieverf het eerst ontdekt wordt onder andere verflagen. (..) En Arseen Goedertier wist wat wij hier hebben aangetoond.'
Of de Rechtvaardige Rechters werkelijk werden gestolen in opdracht en/of met medewerking van een man met een baardje, mogelijk zelfs in opdracht van Duitsland, en of deze geheimzinnige figuur vervolgens een aantal van zijn medeplichtigen voor eeuwig het zwijgen heeft opgelegd, zullen we wellicht nooit meer te weten komen. Evenmin is William Luck erin geslaagd een definitief antwoord te formuleren op de vraag of de Rechters, al dan niet overschilderd, in de wijde omtrek van Dendermonde dienen gezocht te worden, in plaats van in (de wijde omtrek van) de Sint Baafs. Maar het leek ons alleszins de moeite waard het denk -en speurwerk van deze onafhankelijke onderzoeker nog eens op te delven uit de stoffige archieven van een plaatselijk weekblad. Men weet immers nooit, nietwaar?
'Mag uiteindelijk de rede overwinnen zonder dat de bewering van wijlen de heer Jan Boon nog duidelijker in werkelijkheid wordt omgezet,' besluit William Luck zijn tweede reeks reportages. 'De heer Boon verklaarde immers: "Er zullen, alvorens dit mysterie is opgelost, eerst nog een paar mensen moeten sterven."'

0 reacties:

Populaire berichten

De Mythe van de Rechtvaardige Rechters

De Mythe van de Rechtvaardige Rechters

Scharpenelle

Scharpenelle
Klik op het portret voor het boek van Scharpenelle

Blog Archive