21.6.06

De Mythe van de Rechtvaardige Rechters 3 (Het Dendermondse spoor van William Luck)





HOOFDSTUK 1

SHERLOCK HOLMES WERKT OP DE BRT



We kunnen ons afvragen waarom het mysterie van de Rechtvaardige Rechters is uitgegroeid tot een Vlaamse versie van het Monster van Loch Ness. Het antwoord ligt voor de hand: omdat het dossier van de Rechters alle ingrediënten bevat van een klassieke story met mythische allures.
In de eerste plaats is het een nog steeds onopgeloste misdaadgeschiedenis. In de tweede plaats is het een schatverhaal dat qua dramatische wendingen en kleurrijke personages niet moet onderdoen voor R. L. Stevenson's beroemde Schateiland, en waarin het grote publiek bovendien ook nog een rol kan spelen als schattenjager. Zowel de misdaadgeschiedenis als het schatverhaal zijn literaire archetypes. Zij spreken zodanig tot de verbeelding dat ze uitgegroeid zijn tot zelfstandige literaire genres. Wanneer dergelijke verhalen zich niet beperken tot een fictionele context, maar zich in de werkelijkheid afspelen, vlak bij de deur, dan krijg je bijna logischerwijze een Nessie-effect.
Het mysterie van de verdwenen Rechters spreekt alle lagen van de bevolking aan, zowel mannen als vrouwen, zowel grijsaards die het allemaal nog meegemaakt hebben als pubermeisjes die zich laten verleiden door het romantische aureool van de geniale gentleman-gangster Arsène Goedertier/Arsène Lupin. Dit is trouwens ook een archetype, een wat archaïscher variante van geheim agent 007, James Bond. Het is bovendien, hoe contradictorisch dit op het eerste gezicht ook mag klinken, nauw verwant aan zijn archetypische opponent: de geniale speurder, hij weze een amateur-detective als Miss Marple of Sherlock Holmes, een privé-detective als Mannix of een professioneel detective als Maigret.
Het is dan ook helemaal niet zo verbazend dat het spoor van de geniale gentleman-gangster in het dossier van de spoorloze Rechters niet alleen gevolgd werd door pendelende pastoors en andere helderzienden, herbergiers, kunsthistorici, journalisten en mystery-schrijvers van de Engelse school, maar ook door serieuze amateur-detectives als Hilde Leynen of professionele detectives als commissaris Mortier. Wie haar artikels heeft gelezen of de KRO-televisiedocumentaire Het mysterie van het Lam Gods heeft gezien, zal met mij beamen dat Hilde Leynen méér dan een paar trekjes bezit van Agatha Christie's onsterfelijke Miss Marple. En wie commissaris Mortier ooit heeft aan het werk gezien of aan het woord gehoord, zal toegeven dat hij een regelrechte én maar al te reële incarnatie is van Simenons fictieve evergreen, commissaris Maigret.
U moet maar eens een foto van de man bekijken, in het weekblad De Post bijvoorbeeld, uit 1968. De onafscheidelijke sigaret, de schrijfmachine, maar vooral de ogen die zich alert hebben gefixeerd op een punt buiten beeld... en dan het onderschrift: 'Weet deze man méér?' De menselijke aanpak ook, de melancholieke toon, het psychologisch doorzicht, die rustige en onverstoorbare gedrevenheid, dat soms ondeugende of een tikje kwajongensachtige laten rondslingeren van clou's en cliff hangers, de provocerende mysterieuze hints... Nee, Simenon had deze commissaris Mortier nauwelijks béter kunnen verzinnen.
De kleurrijke figuren uit het dossier van de Rechters hebben àndere ietwat zonderlinge personages aangetrokken, die zich elk met hun eigen motieven en mogelijkheden in dat dossier hebben vastgebeten en voor wie het enigma van het verdwenen kunstwerk een levenslange obsessie is geworden. Eén onder hen zal ik mij wellicht - en om nog even in de sfeer van onze dramatische geschiedenis te vertoeven - tot op mijn sterfbed blijven herinneren, en dan heb ik het over William Luck en diens alter ego Sherlock Holmes.
Nog voor Mysteries van het Lam Gods was uitgegeven, had ik samen met mijn vriend en collega Guy Didelez het plan opgevat een vierdelige televisieserie te schrijven over het onderwerp. Zo trokken wij in de zomer van 1991 met een synopsis in de hand naar de Reyerslaan, voor een gesprek met BRT-dramaturge Marga Neirynck.
Wat we hadden kunnen verwachten, gebeurde ook: na een vijftal minuten gekeuveld te hebben over koetjes en lammetjes trok mevrouw Neirynck een lade open, waarin reeds een synopsis voor een feuilleton over de Rechters bewaard werd. Het project waarbij o.a. Fernand Auwera en Libera Carlier betrokken waren, was tot op dat ogenblik evenwel nog niet écht van de grond geraakt. Guy en ik konden eventueel voor een nieuwe frisse wind zorgen en bijgevolg werd het project opnieuw opgestart.
De research voor de fictie-serie was tot dusver in handen geweest van een BRT-medewerker, van wie ik de naam hier niet zal noemen, omdat hij verkoos zijn onderzoek met betrekking tot de Rechters te publiceren onder het pseudoniem William Luck. Terwijl Guy werd ingedeeld bij de pool van de scenaristen, zou ik de research-ploeg versterken. Ik werkte dan ook een tijdje nauw samen met de man die ik voor het gemak maar William Luck zal blijven noemen, tot het fictionele Rechters-project opnieuw in de koelkast belandde, vanwege te duur.
Het merkwaardige aan William Luck was dat hij in zijn werk, in de omgang en voor zover ik dat kon beoordelen ook in zijn privé-leven een perfecte Meneer Doorsnee was: vriendelijk, correct, evenwichtig en met een behoorlijk ontwikkeld gevoel voor humor, maar voor de rest zonder specifieke eigenaardigheden. Wanneer William Luck zich echter actief op het detectivepad begaf - en dat deed hij uitsluitend in functie van de Zaak Goedertier -, dan voltrok er zich in de man een gedaanteverwisseling à la doctor Jekyll and mister Hyde. In dat geval voorzag hij zich van de attributen van Sherlock Holmes - het klepje, de geruite cape, het vergrootglas en de pijp - en dan wérd hij ook de archetypische creatie van sir Arthur Conan Doyle. Hij had zelfs een vriend die hem bij zijn speurwerk een helpende hand verleende en in wie de onthutste waarnemer met enige goeie wil zelfs doctor Watson kon herkennen.
Dit alles zou niet méér opgeleverd hebben dan een leuke anecdote, indien William Luck alias Sherlock Holmes in de huid en het pak van mister Holmes niet alle intellectuele capaciteiten had behouden die hij reeds bezat als William Luck. De scherpzinnigheid van de man werd er geenszins door teniet gedaan, zoals ik tijdens een paar van onze werksessies mocht ondervinden. Sherlock Holmes stelde mij bovendien een groot aantal fotokopies ter hand van een reeks artikelen, ondertekend door William Luck en gepubliceerd in het weekblad De Voorpost, dat verscheen in de regio Aalst-Dendermonde, in de periode 1963-1967. In deze reportages volgde William Luck 'het Dendermondse spoor'.
William Luck was afkomstig uit de streek waar de hele geschiedenis zich had afgespeeld en hij had diverse mensen die met de roof of met Goedertier te maken hadden gehad, nog persoonlijk aan de tand gevoeld. Voor vele speurders die later kwamen, was dit niet meer mogelijk geweest, omdat alle getuigen toen al overleden waren. Tevens had hij inzage gekregen in het gerechtelijk dossier, een claim die bevestigt wordt door de publicatiedata van zijn onthullingen en die van Jos Cels enerzijds en Mortier & Kerckhaert anderzijds.
Het eerste boek over de verdwenen Rechters dateert van 1963 en is van de hand van journalist Jos Cels. Voor het eerst verschenen belangrijke gegevens uit het gerechtelijk dossier in boekvorm, gegevens die op dat ogenblik nog niet bekend waren voor het grote publiek. Dit werk werd pas in 1966 gevolgd door De diefstal van het Lam Gods, de eerste criminologische studie van het duo Mortier & Kerckhaert, waarin heel wat foute of onnauwkeurige elementen uit het boek van Cels werden gecorrigeerd, andere sporen werden uitgediept en belangrijke nieuwe onthullingen werden gedaan. In 1968 vormde De diefstal van het Lam Gods de basis voor een tweede, nog verder uitgewerkte en gecorrigeerde versie onder de titel De Rechtvaardige Rechters gestolen. Als we de reportages van William Luck nu even van naderbij bekijken, dan merken we dat deze in feite kunnen onderverdeeld worden in twee reeksen: een eerste die gepubliceerd werd in 1963, en een tweede in 1967. Het onderzoek van William Luck verliep dus parallel in de tijd met dat van Jos Cels en het duo Mortier & Kerckhaert. Waar andere speurders zich in grote mate hebben gebaseerd op de publicaties van Cels of van Mortier & Kerckhaert, was dit voor William Luck voor een groot stuk onmogelijk. De waarde van zijn speurwerk zit hem dan ook vooral in het feit dat dit bij mijn weten het enige grootscheepse na-oorlogse onderzoek is geweest dat zich min of meer onafhankelijk van de bevindingen van Cels of Mortier & Kerckhaert heeft ontwikkeld.
De onthullingen van William Luck hebben nooit de weerklank gevonden van de publicaties van Cels of van Mortier & Kerckhaert, omdat ze verschenen in een regionaal weekblad. Dat is één reden waarom ik er in dit boek dieper op wens in te gaan. De andere reden zit hem precies in het tamelijk onafhankelijke en globale karakter van het onderzoek, dat zich niet alleen bezig houdt met de bergplaats van de Rechters, maar ook met een reconstructie van de roof, de motieven voor de misdaad en de figuur van Goedertier. Naast het officiële gerechtelijk onderzoek en de officieuze bemoeienissen van Georges De Vos & Co. in de jaren dertig en het Duitse speurwerk van Oberleutnant Koehn in de jaren veertig, kent het werk van William Luck bovendien alleen maar een vooroorlogse gelijke in het staaltje investigative journalism avant la lettre van John Flanders.
Heel wat elementen, aangedragen door William Luck, figureerden daarna ook in de criminologische studie van Mortier & Kerckhaert; sommige vragen die William Luck stelt werden door hen beantwoord en bepaalde van zijn stellingen werden door hen tegengesproken. Niettemin blijft het boeiend om het speurwerk van deze twintigste eeuwse Vlaamse Sherlock Holmes op de voet te volgen, zoals het zich nu alweer dertig jaar geleden heeft ontwikkeld.

LEES HIER ALLES OVER IN:





Geen opmerkingen: