19.6.06

De Profetie van Orval



'Goeie morgen, frater Nostradamus,' zei de man achter het loket.
Zoals iedere ochtend was de grijze monnik van het nieuwe klooster over het grintpad naar de winkel van de oude abdij gewandeld. Daar werden allerlei religieuze werken verkocht, maar ook prentbriefkaarten, bier en kaas. Aan het loket konden de toeristen bovendien een kaartje kopen om de uitgestrekte ruïnes van de oude abdij van Orval te bezichtigen.
De kleren van de monnik die door de man achter het loket 'frater Nostradamus' werd genoemd, zagen er niet bijzonder uit. Hij droeg dezelfde witte pij met bruine overgooier als de andere paters en had dezelfde lederen riem om zijn middel en dezelfde sandalen aan zijn blote voeten. Maar zijn rijzige, kaarsrechte gestalte en de waardige manier waarop hij iedere ochtend weer naar zijn vaste plekje wandelde... nee, schrééd... maakten hem tot een opvallende verschijning. Hij liep traag, bedachtzaam bijna, alsof hij bij iedere stap even moest nadenken. En zijn lange armen hield hij iets uitgestrekt, als om de lucht te betasten. Zijn lange witte haren en baard wapperden in de wind.
In een hoektorentje bleef frater Nostradamus even staan om door het raam met nietsziende ogen naar het nieuwe klooster te staren, dat niet voor het publiek toegankelijk was. Aan de gevel prijkte een reusachtig Mariabeeld. In het midden van het plein lag een vijvertje, dat verdacht sterk op een openluchtzwembad leek. Op zwoele zomerdagen als deze maakten de toeristen wel eens grapjes over de monniken van Orval die hun dikke pijen afwierpen om een frisse duik te nemen.
Zoals iedere ochtend wandelde frater Nostradamus de ruïnes in, om even te verpozen bij het helder en vrolijk klaterende water van de Mathildebron, dat al van oudsher gebruikt werd om het beroemde abdijbier te brouwen. Als je een muntstukje in het water wierp, mocht je ook een wens doen. Was je een meisje dat geen jongen te pakken kreeg, dan was je binnen het jaar getrouwd. Hoe groter het muntstuk, hoe sneller de zaken evolueerden.
Dergelijke frivoliteiten waren niet besteed aan frater Nostradamus. Nog steeds op zijn eigenaardige, tastende manier wandelde hij over het smalle pad tussen de grasperkjes, de afgebroken pilaren en de verweerde stukken muur en brokken steen waarop het onkruid welig tierde. Zijn blinde ogen bleven niet rusten op het bijzonder mooie roosvenster van de linker dwarsbeuk of op de eveneens nog bewaarde kapitelen van de pilaren.
Zoals hij dat iedere ochtend deed, liep frater Nostradamus op zijn ceremoniële, bijna rituele wijze door de opening die bekend stond als de Dodenpoort. In wat ooit het koor van de kerk was geweest en waar zich de graftombe bevond van een in 1343 overleden hertog van Luxemburg, draaide hij zich om en keerde op zijn passen terug. Alsof hij geen menselijk wezen was, maar een robot.
Uiteindelijk ging frater Nostradamus zitten op een houten bankje in de schaduw van een eeuwenoude eik, vlak bij het apotheekmuseum en de kruidentuin van de oude abdij. Daar zou hij ook de rest van de dag blijven zitten, als versteend. Zijn blinde ogen zagen de toeristen niet die, fototoestel om de hals, brochuurtje in de hand, achter hun gids aansjokten. Op geen enkele wijze reageerde hij op hun steelse blikken, hun gegniffel, hun opmerkingen. Als ze aan de gids vroegen wie daar zat, dan zei die dat het gewoon een ouwe en wat zonderlinge frater was, die daar zomer en winter van zijn laatste dagen op deze aarde kwam genieten.
Merkwaardig genoeg vertelde de gids aan zijn nieuwsgierige toeristen nooit het verhaal dat frater Nostradamus nochtans tot een beroemdheid had gemaakt in en om de abdij van Orval. Misschien verzweeg hij dit uit een vreemd soort eerbied voor de oude monnik. Of misschien wilde hij gewoon niet dat men hem zou lastig vallen met de domme vragen die toeristen gewoonlijk stellen. Het verhaal van frater Nostradamus zou hem overigens ook op z'n minst een heel kwartier gekost hebben en het zou de rest van zijn programma in de verdrukking gebracht hebben. Maar hij kende het verhaal van frater Nostradamus heel goed, zoals alle gidsen van Orval.
Zo wist hij bijvoorbeeld dat de blinde monnik daar in de Dodenpoort was gevonden, zeven jaar terug, in het soort kleren dat hij nu nog steeds droeg. Toen men hem vroeg hoe hij heette en waar hij vandaan kwam, werd het al gauw duidelijk dat de arme man daar geen flauw benul van had. Hoewel hij blijkbaar zijn geheugen en wellicht ook zijn verstand had verloren, kreeg hij een kamer in de nieuwe abdij en werd hij gastvrij opgenomen in de kloostergemeenschap.
Al die jaren had men de zonderling slechts één enkele zin horen uitspreken, in een Frans dat heel oud klonk: 'L'an mil neuf cent nonante neuf sept mois, du ciel viendra un grand roy d'effrayeur.' Vrij vertaald was dat zoiets als: 'In juli van het jaar 1999 zal een grote en verschrikkelijke koning uit de hemel komen.'
Niemand wist wat deze boodschap te betekenen had. Iedere ochtend, weer of geen weer, trok de zonderling als een slaapwandelaar naar zijn oude eik. Daar zat hij dan voor de rest van de dag, zomer én winter, met zijn nietsziende ogen voor zich uit te staren, om pas bij zonsondergang weer naar zijn kamer terug te keren. Als iemand hem wat vroeg, was het antwoord telkens hetzelfde: 'L'an mil neuf cent nonante neuf sept mois, du ciel viendra un grand roy d'effrayeur.'
Op een dag slaagde een schrander waarnemer erin de plek waar de monnik zich bij voorkeur ophield en zijn mysterieuze boodschap met elkaar te verbinden. In de zestiende eeuw werd Orval namelijk bezocht door de Nostradamus. De voorspellingen van deze ziener, in de vorm van geheimzinnige kwatrijnen gegoten, werden wereldberoemd. Zo voorspelde hij het uitbreken van de Franse Revolutie, die ook de abdij van Orval in puin zou leggen, de opkomst en ondergang van Napoleon, van Adolf Hitler, de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki, en nog veel meer rampen en onheil die de mensheid vanaf de zestiende eeuw zouden teisteren.
Nostradamus was echter in de eerste plaats een arts geweest, en toen hij zijn gezin verloor aan de pest, werd hij een rondreizend geneesheer. Aangetrokken door de geneeskrachtige kruiden in de beroemde kruidentuin van Orval, logeerde hij een tijdje in de abdij. Hij deed hier zelfs een paar minder beruchte voorspellingen, die bekend stonden als 'de Profetie van Orval', voornamelijk betrekking hadden op de Franse Revolutie en later in een 'herwerkte' versie opnieuw zouden opduiken in zijn visionaire kwartrijnen.
De zin die van tijd tot tijd ontsnapte aan de mond van de man zonder geheugen, was afkomstig uit één van de meest angstaanjagende kwatrijnen van de ziener. In de sensatiepers werd dit kwatrijn 72 van de tiende centurie - dat was een bundeling van honderd kwatrijnen - meestal beschouwd als een voorspelling beschouwd van het einde van de wereld:

L'an mil neuf cent nonante neuf sept mois,
Du ciel viendra un grand Roy d'effrayeur
Ressusciter le grand Roy d'Angoulmois,
Avant apres Mars regner par bonheur.

Nostradamus had zijn voorspellingen gedaan in een gewild duistere taal, doorspekt met allerlei woordspelingen en cryptische verwijzingen, omdat hij bang was dat er anders paniek zou uitbreken. Maar dit kwatrijn liet er geen twijfel over bestaan: in juli van het jaar 1999 zou een grote en verschrikkelijke koning uit de hemel komen, en daarvoor en daarna zou de oorlogsgod Mars gelukkig regeren. Wat het weer tot leven wekken van de grote koning van Angoulême daarmee te maken had, was niet zo duidelijk. Maar dat deed er niet meer toe in een boodschap die voor de rest geen dubbelzinnigheden bevatte.
'En waar gaat de man zonder geheugen altijd zitten?' voegde onze schrandere waarnemer van daarnet eraan toe. 'De man die alleen deze twee regels uit dat kwatrijn van Nostradamus kan uitspreken? Onder de eeuwenoude eik die... jawel!... in de eeuw van Nostradamus nog een jonge sterke eik was... En het was dààr, dames en heren, onder de schaduwrijke kruin van deze jonge eik dat de profeet bij voorkeur ging uitrusten, vlak bij de kruidentuin van Orval, die zo tot zijn verbeelding had gesproken!'
De blinde man zonder geheugen mocht nu wel een naam gekregen hebben, dat betekende nog altijd niet dat hij ook een identiteit gevonden had. Het mysterie dat zijn plotselinge opduiken onder de Dodenpoort vergezelde, werd hiermee niet opgelost. Integendeel, het raadsel werd nog een stuk intrigerender. Op zijn bekende, door zijn handicap veroorzaakte 'tastende' manier stapte de oude monnik voortaan door het leven als 'frater Nostradamus', maar dit betekende nog niet dat hij Nostradamus ook werkelijk wàs.
Er werd natuurlijk druk gespeculeerd over de band tussen 'de blinde vondeling van de Dodenpoort' en de beroemde ziener. Sommigen gingen zelfs zover te stellen dat de frater misschien de reïncarnatie was van de profeet, en dat de zestiende eeuwse Nostradamus in zijn twintigste eeuwse gedaante om één of andere reden naar Orval was teruggekeerd. De bijna rituele wandeling die de frater iedere ochtend maakte, het bankje onder de oude eik dat ooit het geliefkoosde plekje van Nostradamus was geweest, het ene zinnetje dat de frater nog kon formuleren en dat zo uit dat fameuze kwatrijn van Nostradamus was geplukt... Alles leek toch in die richting te wijzen?
Minder fantasierijke geesten stelden dat het wellicht allemaal veel eenvoudiger verklaard kon worden. Of de frater nu een échte frater was of niet, het stond vast dat hij op een kwade dag een slag van de molen moest hebben gekregen. De bliksem was bij hem ingeslagen en had op dat ene zinnetje na zijn geheugen uitgewist, zijn verleden, al wat hij aan kennis had verzameld, zijn volledige 'ik' kortom.
Welke ondoorgrondelijke kracht hem naar de Dodenpoort van Orval had gedreven en hem nu iedere dag weer tot steeds dezelfde wandeling dreef en daarna tot steeds dezelfde eenzame meditatie onder de oude eik? Dat was een vraag waarop zelfs de beste psychiater geen antwoord kon verzinnen. Iemand die het verstand had verloren, redeneerde immers niet meer. Enige logica hoefde men achter de handelingen van frater Nostradamus niet te zoeken, tenzij dan de logica van de waanzin, waarin het voor een gezonde geest nu eenmaal per definitie onmogelijk was door te dringen.
Een mysterie wordt pas een écht mysterie als het vast komt te staan dat het nooit meer op te lossen valt. Wat het mysterie van frater Nostradamus betrof, werd dit stadium bereikt op een zwoele dag in de zomer, terwijl hij onder zijn oude eik zat.
Getuigen verklaarden later dat er al een hele dag elektriciteit in de lucht had gehangen. Zwoegend en zwetend sjokten de toeristen in de drukkende warmte achter hun gids aan. De slimsten onder hen hadden de schaduw en de koelte van de Mathildebron opgezocht. Daar zaten ze niet over de pittoreske plekjes te keuvelen die ze op deze trip al hadden bezocht, maar over het broeikaseffect en of dat iets te maken kon hebben met het gat in de ozonlaag.
Het onweer kwam niet onverwacht, maar de kracht ervan had niemand kunnen voorzien. Plotseling werd alles donker en stak de wind op en begon het in de verte te rommelen. Het volgende ogenblik pletsten de eerste dikke druppels al neer. De toeristen zochten hun toevlucht in de ruïnes van de oude abdij, in de geheime gangen die open gesteld waren voor het publiek, in hun bussen op de parking of in de taverne L'Ange Gardien, op nauwelijks een paar honderden meters van de abdij.
Niemand heeft het écht zien gebeuren. De gidsen hadden de handen vol met hun toeristen, die geen aandacht schonken aan de zonderlinge frater onder zijn oude eik. En de andere paters en fraters zaten veilig in hun nieuwe klooster.
Toen het onweer al op volle kracht woedde, met oorverdovend knallende donderslagen, leek het alsof hemel en aarde tegelijk vergingen. De regen stroomde in beken neer, de wind speelde wild met de kruinen van de bomen en om de haverklap spleet de bliksem een inktzwart geworden lucht in grillige vormen. Maar nog steeds zat frater Nostradamus eenzaam en verlaten onder zijn oude eik.
Blijkbaar is hij op een zeker ogenblik, in het oog van de orkaan, onder zijn eik vandaan gekomen. Hij moet zich in de richting van de Dodenpoort hebben begeven. Waarom? Ook dàt zal wellicht voor altijd een vraag zonder antwoord blijven.
Frater Nostradamus heeft de Dodenpoort niet meer bereikt. Kort nadat het onweer naar andere oorden was getrokken, werden op enkele passen afstand van de eik zijn stoffelijk resten gevonden, in een zwartgeblakerde cirkel met een middellijn van anderhalve meter.
'Geen twijfel mogelijk,' zei de politie. 'De arme man werd getroffen door de bliksem. Hij moet op slag dood geweest zijn.'
De stelligheid van die uitspraak werd al meteen tegengesproken door het uiterst nauwgezette onderzoek dat daarop volgde, naar de precieze doodsoorzaak van frater Nostradamus. Maar aan de officiële verklaring werd geen woord veranderd.
Dood door blikseminslag... Néérgebliksemd...
Du ciel viendra un grand Roy d'effrayeur.
En dat op een onweerachtige dag in juli van het jaar 1999...

Geen opmerkingen: