9.2.11

Geschrapt uit "De Paus van Satan", historische thriller van Patrick Bernauw & Filip Coppens



Onder het motto "Kill your darlings" werd ook dit hoofdstuk geschrapt uit De Paus van Satan, de historische thriller die ik schreef in samenwerking met Filip Coppens, en die verschijnt in april 2011...  Het gewraakte hoofdstuk vormde een soort inleiding van het boek, met een "samenvattende koortsdroom"  van de decadente romancier Joris-Karl Huysmans, gesitueerd in zijn laatste dagen...







Spiegels. Doorgangen naar de ziel. Je kunt de doden daar zien komen en gaan. Door de poorten naar de andere wereld.

Kijk in de spiegel en zie het portret van een zondaar, geschilderd door een Vlaams Primitief in het duister decor van zijn slaapkamer, omringd door de symbolen van zijn lijden: een reproductie van de Kruisiging van Grünewald, een foto van Katherina Emmerich met haar gestigmatiseerde handen.

Pijn. Het lijden van Christus – of beter: van Kristus. Hij leed voor de mensheid. Net als Kristus en ondanks zijn offer moet ik lijden. Hij nam de pijn niet weg. Hoe moet ik dat interpreteren?

De lelijke maar krachtige en zeer evocatieve fysiognomy van deze man met de geperforeerde keel, bleek als een spook met holle kaken, wasemt acute angst en spirituele chaos uit. De illusie is puur als een visioen dat de materie transformeert en ons toelaat te vluchten uit de zintuiglijke wereld.

Ik kan nog steeds zien, weet je. De tumor heeft slechts een oog gesloten. Het linker. Ik mag dan stervende zijn, ik leef nog. Net.

Ik kan nog steeds zien door dit oog van Horus, door de rook van de sigaretten die ik mijn hele leven heb gerookt, in bordelen en in kloosters, en die ik nu koppig blijf rollen tussen de bijna bloedeloze botten waartoe mijn vingers zijn verworden. Ik kan nog steeds de dokters zien die mijn leven verlengden tot een langgerekte doodsstrijd met operaties aan mijn oog en aan mijn hals, wanstaltig gezwollen van de kanker. Ze verbeterden mijn gezichtsvermogen maar stilden de pijn niet, terwijl mijn verkankerde kaak eten tot een ondraaglijke opgave maakte.

Ik kan nog steeds de dokters zien. Ze trokken de meeste van mijn nog resterende tanden op een uitzonderlijk pijnlijke wijze, omdat de verdoving uitgewerkte raakte nog voor de operatie ten einde was. Sommigen onder hen probeerden het groeien en bloeien van de tumoren een halt toe te roepen door mij te behandelen met de nieuwe technologie van de X-stralen. Uiteindelijk veroordeelden ze mij eensgezind tot dit doodsbed, waar ik nu snel zwakker word terwijl ik met mijn secretaris werk aan een boek over Lourdes dat de rituelen van de grot beschrijft en de gruwelijke aandoeningen van de arme lui die hun lot in de handen van God hebben gelegd. Hoor ze bidden opdat Hij hun aards verblijf nog een pietsie zou verlengen. Ah, wat een uitstorting van slechte smaak!

Ik heb daar geen genezingen gezien. Een groot geloof, ja. Maar geen mirakels.

Ik geloof ook in mirakels, al kan ik er geen enkel een certificaat van authenticiteit verlenen. Op dit moment zou ik een mirakel anders wel goed kunnen gebruiken. Stel je voor dat het eerste mirakel waaraan ik zo’n getuigschrift zou kunnen geven het mijne was.

O ja, ik kan nog altijd zien. Ik zie ze hier in mijn slaapkamer staan, de geesten van heden en verleden, de personen die ik heb verwerkt tot personages in mijn romans. Ik herinner mij hoe het naturalisme mij overviel als een revelatie en hoe ik daarna ziek werd van al de dwaasheden die het fin de siècle met zich meebracht. Ik weet nog hoe ik eindelijk vond wat ik zo lang had gezocht, daar beneden , in Duitsland, voor de Kruisiging van Grünewald.

Laat me opnieuw schudden en beven op dit doodsbed van mij, Jean.

Laat mij mijn ene goede oog sluiten om mij met de buitengewone luciditeit van een stervende het beeld nogmaals in te beelden.

Dank u.



Mijn vrienden noemen me J.K. – J staat voor Joris en K voor Karl. Maar je kunt ook zeggen dat J staat voor Jezus en K voor Kristus in het Nederlands dat de taal van mijn vader was.

En daar rijst Jezus Kristus al op voor Joris Karl, op zijn ruw kruis, met armen als takken, buigend als bogen onder het gewicht van zijn lichaam, het lijdende vlees vastgespijkerd en de ledematen ontwricht, de benige vingers wijdopen en verkrampt in een gebaar dat tegelijk smeekbede is, verwijt, zegen.

En daar ben ik, met mijn dunne dijen, bevend en zwetend, met mijn ribben als de tralies van een kooi, mijn vlees blauw en groen en gezwollen, etterend, verterend, rottend. Bloed druipt dik als het gestolde sap van de moerbei uit mijn open wonden, samen met een melkachtig pus, vaag roodachtig, met de kleur van grijze Moezelwijn.

Hier ben ik. Boven het kadaver hangt een kop, levenloos, het gezicht gegroefd, een oog half open en de wangen rillend van cancereuze contracties.

Hier ben ik. Nog steeds grijnzend. Horribel.

Mijn tortuur was verschrikkelijk, mijn doodsstrijd angstaanjagend. Ik joeg zelfs literaire kritikasters als de giftige, haatdragende Leon Bloy weg uit deze appartementen aan de rue Saint-Placide. Hij nam enige eminent demente leden van de clerus met zich mee die nog steeds de spot dreven met mijn bekering.

Hier ben ik. Vol vertrouwen in Onze Lieve Vrouwe die mij zal meenemen naar de plek waar ik thuishoor. Ik zie haar al op het canvas, Maria Magdalena aan haar voeten, biddend voor de man die aan het kruis bengelt. Aan mijn doodsbed is nog niemand verschenen – geen van de vrouwen in mijn leven die ik Magdalena zou kunnen noemen, hoewel ik mij vaak heb overgeleverd aan vrouwen van wie de Kerk geloofde dat zij tot haar soort behoorden.

Ik wacht op Madame la Mort – zij schuilt daar ergens in de schaduwen, ik weet het wel. Zie je haar al? Of zou zij nog daar beneden zijn, bij de verdoemden? Nee, zij is hier al. Ongetwijfeld verbergt ze zich in het donkerblauw van de nacht. Zie je haar al? Nee? Ik zie haar nu. Denk ik. Misschien kun je haar alleen zien als je nog enkel dat ene oog hebt om te zien.

Kijk, ze staat naast Berthe die de eerste was om mij mee te nemen naar beneden en mij daarna weer optilde en het licht liet zien in de ogen van abbé Mugnier, de laatste van mijn spirituele gidsen. En daar is ook die andere vriend van het eerst uur: arme te vroeg gestorven dode en verdoemde dichter Dubus. Ze waken bij mijn doodsbed, Berthe en Dubus. Berthe is doodsbleek, haar gezicht gezwollen van het vele wenen. Berthe, mijn eigen lieve kleine Maria Magdalena – waarom heb ik het nooit gezien? En verdoemde Dubus, dode dichter Dubus… hij is helemaal van de andere kant gekomen om me door de verschrikkingen van de Hel te loodsen. Hij heeft zijn arm door die van Madame la Mort gehaakt… en, mijn God! Nu zie ik ze ook: abbé Van Haecke en abbé Saunière, de handen gevouwen in gebed, plotseling en als uit het niets opgedoken voor mijn bijna-lijk, terwijl ze met hun rokerige rode ogen kijken naar mijn frenetiek zwelgende en slikkende keel, luisterend naar mijn verstikte kreten: ‘Kijk naar mij! Kijk! Ik ben niet langer de Adonis van Golgotha, die de Kerk al sinds de Renaissance van mij heeft gemaakt! Ik ben niet langer de decadente dandy met het porseleinen poppengezicht, de knappe jongeman met de krullende haren en verzorgde baard! Ik ben een Vlaams Primitief, mijnheer! Ik ben de J.K. van Sint Basilius, mevrouw! En Jezus Kristus, vulgair dat ik ben! En lelijk! Ik draag dan ook de last van ùw zonden, dames en heren! In alle nederigheid schamel gekleed of zelfs vernederend naakt, kijk! Kijk me aan! Want ik ben de Jezus Kristus van de armen, van de zieken, van de bedelaars, van de kreupele en van de hulpelozen, verstoten door zijn Vader en krijsend om een Moeder met de stem van een kind zoals ieder man krijst wanneer hij gemarteld wordt.’

Hoezeer ik mijn moeder heb gemist… en nu weer.

Kijk naar me. Ik ben bereid de Passie te beleven en al het lijden dat een mens kan verdragen. Denkend aan Lydwine, het zalige meisje uit het heerlijke land van mijn voorvaderen, ben ik bereid te gehoorzamen aan een onbegrijpelijke verordening. Lydwine beloofde altijd maagd te blijven. Achtervolgd door mannen die vochten om haar hand bood zij iedere verleiding het hoofd. Om verdere moeilijkheden te vermijden, bad zij tot God dat Hij haar lelijk zou maken. En zie… Onze Lieve Heer stond haar allerlei afschuwelijke aandoeningen en vieze ziekten toe, en Hij gaf haar de kracht om wonderen te doen.

Een heilige moet lijden. De doctrine van de substitutie wil het zo. En bijgevolg zal ik lijden als een heilige en sterven als een dief in de nacht, in de diepst denkbare afgrond. Alleen en smerig, nog bij leven wegrottend in algehele duisternis. Omdat ik boete moet doen voor de ziel van de man die ik Satans Paus heb genoemd. De doctrine van de substitutie wil het zo. Omdat ik hem veroordeeld heb in Là-bas. Ten onrechte. Omdat ik het onrecht niet recht heb getrokken. Nooit de moed gehad.

Nooit eerder is het naturalisme boven zichzelf uitgestegen, en later deed het dat ook nooit meer. Het ontbeerde dit subliem concept, deze unieke uitvoering. Van alle realisten sloot Grünewald de minste compromissen. Zijn Verlosser van het Lijkenhuis, zijn Godheid van de Riolen gaf de toeschouwer ogen waarmee hij een waarlijk transcendent realisme kon zien. Zie je het? Jij die bij mijn doodsbed staat, verscholen in het clair obscur, zie je het goddelijke licht dansen rond mijn zwerende kop? Zie je hoe mijn fermenterende vel oplicht van een bovenmenselijke uitstraling? Zie je dat gekruisigde epileptische lijf van een God zonder aureool en zonder de gebruikelijke attributen, behalve dan de bloedige doornenkroon?

Zo is het dat J.K. verschijnt in zijn hemelse essentie, tussen een door verdriet verscheurde Berthe en een verdoemde dichter met dode ogen. Kijk naar hun gezicht, van nature vulgair, maar hoe schitterend van uitdrukking! Dief, armoezaaier, boer… in de nabijheid van hun God lossen ze op in de lucht, worden ze niet minder dan bovennatuurlijke schepselen. Nooit heeft een artiest een dergelijke staat van magnifieke exaltatie bereikt, nooit een zo ijle spirituele top bereikt. Zijn kunst gehoorzaamde de onweerstaanbare drang om het onzichtbare zichtbaar te maken: de ten hemel schreiende onzuiverheid van het vlees, het grenzeloos sublieme van de ziel. Ja, men moet lijden voor zijn kunst!

Of misschien ook niet.

Maar ik deed het. Ik doe het.

En er is geen literair equivalent. Een paar pagina’s van Emmerich betreffende de Passie kunnen dit bovennatuurlijk realisme misschien benaderen, enkele fragmenten van Ruysbroeck. Maar een ideaal heeft canvas nodig, weet je.



De Kerk. Satan. Kristus.

Ik heb vaak op de drempel van het katholicisme gestaan en telkens heb ik besloten dat ik het ware geloof ontbeerde. God deed geen moeite om mijn ziel tot zich te roepen en ik heb nooit de kracht gehad mij vol vertrouwen en zonder voorbehoud over te leveren aan de beschermende schemering van onveranderlijke dogma’s. Sommige boeken droegen bij tot mijn afkeer van het alledaagse leven en deden me verlangen naar de monotone gezangen van een klooster, waar ik kon slaapwandelen in mystieke dromen en een van wierook verzadigde atmosfeer. Maar alleen simpele zielen kunnen een dergelijke staat van onthechting en zelfverloochening bereiken. Mijn eigen ziel werd te zeer belaagd door Onze Lieve Vrouwe van Lust en allerlei laag bij de grondse conflicten. Mijn wens om me terug te trekken in een tijdloos reservaat werd geboren uit een te grote hoeveelheid oneerbare motieven – van vervelende discussies met de ober of de huisbaas tot de noodzakelijke, maar altijd weer ziek makende zoektochten naar geld.

Er waren momenten waarop ik mijn pen door het venster gooide en het bestaan vervloekte dat ik voor mezelf had gecreëerd. Keek ik naar de toekomst, dan was daar niets dan verbittering te zien. Alleen de religie kon me genezen, of op zijn minst een asiel verstrekken. Religie was bodemloos en kende geen grenzen; ze maakte een ontsnapping van deze aarde mogelijk, en een vlucht in duizelingwekkende, nog niet geëxploreerde hoogten. Maar omdat de godsdienst ook vereiste dat men het gezond verstand op de meest volstrekte wijze het zwijgen oplegde, wierp ik wanhopig mijn handen in de lucht.

Ik was geen gelovig man. En toch geloofde ik in het bovennatuurlijke en werd ik aangetrokken door de Kerk en haar extatische kunst, de luister van haar legenden, de stralende naïviteit van haar heiligenlevens. Het was niet wat ik echt wilde, maar het kwam het dichtste bij.

Jullie, geesten van de toekomst die nu mijn woorden lezen… Ontkennen jullie dat wij omgeven worden door mysteriën – in onze huizen, in de straten, overal waar we komen? Ontkennen jullie het onvoorziene? Het onverklaarbare?

Ik denk van niet.

Wel?



Kom en zit neer en luister naar me, Jean. Ben jij dat? Jean de Caldain, mijn trouwe secretaris? Nu het einde nadert, moet je ze allemaal verbranden – God zal de zijnen herkennen! Het is mijn laatste wil en ik belast jou hierbij met de uitvoering van mijn testament: al wat ik de jongste jaren heb geschreven, de vele brieven en manuscripten, La comédie humaine en Notre-Dame de La Salette, en boven alles mijn notitieboekjes betreffende de sinistere kapelaan van de Kapel van het Heilig Bloed in Brugge – gooi het allemaal op de brandstapel!

Maar voordat je het Grote Werk aanvat, Jean, lees het me voor… Het zit in de map met de persknipsels. Lees het me voor! Het artikel over het sacrament der stervenden dat mij zou zijn toegediend! Lees het me voor! Want het is een leugen… en toch ook waar, nietwaar?

Ik voer nu mijn laatste doodsstrijd, Jean. Lees het me voor en gooi het dan in het vuur samen met al mijn andere papieren, want ik moet dringend voorbereidingen treffen. Ik wil in mijn monastiek habijt begraven worden, hoor je? Met mijn scapulier. Maar eerst en vooral, en voor het te laat is, moet je al mijn papieren verbranden en dan… Dan zal ik je mijn testament dicteren, mijn laatste woord over de Satanische Kapelaan van het Heilig Bloed…

Help me, Jean… Help me de tafel te dekken voor de Heilige Communie. Steek de kaarsen in hun koperen kandelaars aan, en leg mijn antieke kruisbeeld en het reliekschrijn met de relikwie van de Zalige Lydwine op het kleed…

Dank je, Jean.

En luister nu naar me.

Luister… Ik moet je iets vertellen.

Geen opmerkingen: