3.11.14

Het Mysterie van Mons



Een nieuwe aflevering in een reeks artikels 
van Patrick Bernauw
over de gebeurtenissen in Mons 
tijdens de Groote Oorlog,
waarop zijn historische thriller 
Het Geslacht van de Engel 
gebaseerd is.





Om in een mirakel te geloven, volstaat het niet er een gezien te hebben, want men kan zich ook vergissen.

Voltaire



Er zijn in de diepten van de menselijke geest onuitputtelijke bronnen van goedgelovigheid en bijgeloof aanwezig.

De gebroeders Grimm



De patiënt en ik keren ons gezamenlijk naar de grijsaard van twee miljoen jaar, die in ons allen leeft. Uiteindelijk hangt het grootste gedeelte van onze moeilijkheden af van het feit dat wij het contact met onze instincten, met de oeroude en onvergeten wijsheid die in ieder van ons opgeslagen is, verloren hebben.

Carl Gustav Jung, dieptepsycholoog en verlichte geest, in Psychologische Considersaties.




Geen enkele onderzoeker is er tot nu toe in geslaagd te bewijzen dat er niets wezenlijks gebeurd is in Bergen, wat op zich geen bewijs is dat er ook niets wezenlijks is gebeurd. Maar het is ook zo dat geen enkele onderzoeker er tot nu toe in geslaagd is te bewijzen dat er iets wezenlijks gebeurd is in Bergen, wat op zich dan weer geen bewijs is dat er iets wezenlijks is gebeurd.
Harold Begbie en vele andere religieus geïnspireerde zielen geloven in een bovennatuurlijke ingreep, in een christelijke context, door reëele engelen. Als we aannemen dat verschijningen van heiligen als St. George en van spookachtige boogschutters uitsluitend geïnspireerd zijn door het verhaal van Machen, dan zijn er voor de rest alleen maar rapporten over engelen bekend, van wie zowel de gedaante als de functie nogal eens durfde te variëren. Deze engelenverhalen zijn duidelijk onderscheiden van de mythe over de krijgshaftige heilige en zijn spookachtige soldaten, ze ontstonden wellicht eerder (begin september 1914) en ze gingen ook veel langer mee. Het verdient dus aanbeveling de notie ‘engel’ even van dichterbij te bekijken.
In haar boek Engelen - Stralende beschermers, gevleugelde boodschappers (Rainbow Pocketboeken, 1992) merkt Paolo Giovetti op dat deze hemelbodes lang niet alleen binnen het christendom voorkomen, maar ook een belangrijke rol spelen in de hellenistische en islamitische tradities, in het jodendom, bij de volgelingen van Zoroaster en Boeddha en onder de Amerikaanse Indianen – in de meest uiteenlopende religies en culturen, kortom. In de geschriften en de kunstwerken die de Oude Egyptenaren hebben nagelaten, wordt de godin Isis meestal voorgesteld als een gevleugeld wezen. Sjamanen hadden al eens vleselijke gemeenschap met gevleugelden, die hen bezochten in de vorm van arenden of raven of geesten die we niet meteen associëren met de christelijke iconografie.
Er hebben altijd entiteiten bestaan die spirituele sferen bewonen en in staat zijn om heen en weer te reizen tussen de materiële en de immateriële wereld. Engelen worden meestal beschouwd als de boodschappers van een godheid; het zijn machtige en wijze wezens die de mensen helpen en beschermen, soms ook een bemiddelende rol spelen tussen de Onsterfelijken en gewone stervelingen als u en ik. Etymologisch is het woord ‘engel’ trouwens een afgeleide van het Griekse woord ‘angelos’, dat ‘boodschapper’ betekent. Het Hebreeuwse woord voor ‘engel’ is ‘malak’, wat zoveel betekent als ‘schaduwzijde van God’, ‘emanatie van Jahweh’ en alweer: ‘boodschapper’.
Engelen hebben nog enkele andere belangrijke functies. Zij dienen het vertrouwen in de godheid en de hoop te bevorderen en zij worden geacht het geloof in een hogere macht dan de menselijke te versterken. Op die manier leveren zij tegelijk het bewijs van het bestaan van hogere sferen. Sommige bronnen spreken ook over een bemiddelende rol in het realiseren van een ‘universele broederschap, op aarde zowel als in de hemel’ – wat dat ook moge betekenen. Zij moeten een verandering in het leven van een individu of de mensheid in haar geheel mogelijk maken en dit individu of deze mensheid  leren daarmee te leven. En ten slotte zullen zij er de mens ook van bewust maken dat zijn macht beperkt is, maar dat die van God alles mogelijk maakt. 
Onder meer spiritisten geloven dat wij de engelen – net als de elfjes bewoners van spirituele sferen – niet in hun werkelijke vorm kunnen zien. Wat we zien is een soort ‘persoonlijke vertaling’ die we maken - van de spirituele naar de fysieke sfeer – van het beeld dat de entiteit ons aanbiedt, en die ons in staat stelt het te begrijpen. Engelen hebben op die manier ook geen bepaald geslacht: ze kunnen er zowel mannelijk als vrouwelijk uitzien; het hangt er alleen maar vanaf in welke context zij verschijnen en wat de strekking van hun boodschap moet zijn.
Engelen zijn archetypen, krachtige symbolen, oerbeelden die spreken tot mensen van alle tijden en in alle culturen. De Westeuropese cultuur is in grote mate gekleurd door het christendom, zodat we ons voor een referentiekader waarin we de engelen van Bergen kunnen situeren vooral tot de Bijbel moeten wenden. Engelen zijn alomtegenwoordig in de Bijbel. Een greep uit het overvloedige aanbod: twee engelen waarschuwden Abraham op weg naar Sodom en Gomorrha; engelen leidden en beschermden het volk Israël tijdens de exodus; Ezekiël had visioenen van engelen; een engel redde David van de leeuwen; de engel Gabriël bezocht Maria; een engel bevrijdde Petrus uit zijn kerker en engelen lieten Johannes de toekomst zien in een symbolische vorm. De meerderheid van deze bijbelse engelen nemen de vorm aan van een man en zijn ongevleugeld; enige uitzonderingen op de regel zijn de cherubijnen en serafijnen en de vermelding van één enkele vrouwelijke en gevleugelde engel in het Oude Testament.
Marc Chagall (1887-1985) heeft in zijn werk altijd een grote plaats ingeruimd voor metafysische en symbolische elementen. De engelen en de fantastische dieren in hun wonderlijke kleuren, die zo vaak zijn hemelen bevolken, zouden geïnspireerd zijn door een droom waarin een gevleugeld wezen ‘vol schittering’ in zijn kamer neerdaalde en die vulde met vlagen welriekende geuren. Chagall kon de engel niet goed zien – het licht dat hij uitstraalde, verblindde zijn ogen -, maar hij zweefde naar iedere hoek van de kamer, steeg dan weer op, verdween door het plafond en nam ‘al het licht en het blauw van de hemel met zich mee’.
Zowel de gedichten als de schilderijen van William Blake (1757-1827) hebben een duidelijk mystiek-visionair karakter. Blake had visioenen van engelen, die hem schilderlessen gaven. Jezus Christus dicteerde hem ook al eens wat hij op moest schrijven. ‘Ik ben slechts de secretaris,’ schreef hij in het epische gedicht Jeruzalem. ‘De auteurs zijn in het onzichtbare leven.’ Net zo noemde hij zijn schilderijen en tekeningen alleen maar kopieën van beelden die aan hem verschenen.
 ‘Hij leefde altijd tussen twee werelden,’ merkt Paola Giovetti op, ‘overtuigd van de realiteit van allebei. Hij was in staat deze twee realiteiten in zijn werk en in zijn uitzonderlijke persoonlijkheid te laten versmelten. Voor Blake waren intuïtie en verbeeldingskracht de meest betrouwbare middelen die tot kennisverwerving leidden. Hemel en hel waren voor hem volmaakte realiteiten die net zo te beschrijven en uit te beelden waren als de dingen en de schepselen van deze wereld. Van zijn vele beschrijvingen citeer ik er maar een: “De oeroude traditie dat de wereld na zesduizend jaar door het vuur verteerd zal worden, komt, naar wat ik in de hel gehoord heb, overeen met de waarheid. Zodra de Cherubijn met het vlammende zwaard opdracht zal krijgen de wacht bij de levensboom te staken, zal terstond de hele schepping in vlammen opgaan om daarna oneindig en heilig te voorschijn te komen, terwijl ze nu niet anders dan eindig en corrupt lijkt te zijn.”’
Volgens de exegeten verschijnen er ook in deze moderne tijden nog regelmatig engelen. Een sprekend voorbeeld is dat van de engel die in Valley Forge aan George Washington verscheen en hem inspireerde tot het stichten van een nieuwe natie, de Verenigde Staten van Amerika. De Amerikaanse Grondwet en de Verklaring van Onafhankelijkheid zouden eveneens tot stand gekomen zijn met de hulp van enige engelen. Charles Lindbergh, naar eigen zeggen, vergezeld door een goddelijke entiteit tijdens zijn fameuze oversteek van de Atlantische Oceaan en Russische kosmonauten getuigden ‘drie grote gouden en gevleugelde engelen’ waargenomen te hebben tijdens een ruimtevlucht.
Beroemd zijn ook de Portugese verschijningen van de Maagd Maria in Fatima (1917) aan drie kinderen, die voorafgegaan werd door enkele verschijningen van een engel. De lichtgevende bollen, de bliksemflitsen en de wolkjes waarmee een en ander gepaard ging, hebben ten zeerste tot de verbeelding van de ufologen gesproken, maar uiteindelijk hadden zowel de boodschappen van de engelen en die van de Maagd Maria toch vooral betrekking tot de Grote Oorlog: Christus was ten zeerste beledigd door de ‘ondankbare mensen’ en de schade die hun misdaden hadden aangericht, en Rusland moest bekeerd worden, zoniet zou er geen vrede heersen.
‘Findhorn is een klein vissersdorp in het noorden van Schotland, een koud gebied dat geteisterd wordt door winden. Toch ontstond juist hier een van de mooiste en weelderigste tuinen die men zich kan voorstellen. Het ontstaan van dit wonder wordt aan de engelen toegeschreven,’ schrijft Paola Giovetti over gebeurtenissen die zich voordeden in 1962, precies een halve eeuw nadat de beroemde Oostenrijkse filosoof en letterkundige Rudolf Steiner (1861-1925) een al even beroemde lezingencyclus wijdde aan De spirituele entiteiten in de hemellichamen en in het rijk van de natuur. De grondlegger van de antroposofie identificeerde de engelen als een soort natuurgeesten; voor de nog steeds talrijke volgelingen van Steiner (denken we maar aan de Steinerscholen) werd zijn theorie door de bevindingen in Findhorn bevestigd: engelen waakten over de aarde.
In 1983 publiceerde de Nederlandse arts H.C. Moolenburgh zijn geruchtmakende boek Engelen als beschermers en als helpers der mensheid (Ankh-Hermes) gevolgd door Een engel op je pad (Ankh-Hermes, 1991). Hij stelde aan 400 van zijn patiënten de vraag: ‘Hebt u ooit in uw leven een engel gezien?’. Zestien procent van de ondervraagden ging daar serieus over nadenken, wat Moolenburgh al een verbazingwekkende reactie vond. Elf procent barstte in lachen uit. Negen procent reageerde gewoon verbaasd en nog eens elf procent leek in zijn vraag een onverwachte bevestiging te zien ‘van iets wat hij altijd al gedacht had’. Slechts negentien personen werden kwaad of ontstemd en negen anderen beweerden dat ze al met een engel samenleefden (hun echtgenoot of echtgenote). Vijf procent van de ondervraagden – twintig personen dus – antwoordden dat ze nog nooit een engel hadden gezien… maar vertelden dan een verhaal ‘dat met een bovennatuurlijke mysterieuze ervaring te maken had’.
Moolenburgh concludeerde hieruit dat ‘de westerse mens niet zo materialistisch is als men vaak denkt. Hij moet in een wereld leven waarin alles op een logische en rationele manier is georganiseerd. Als men echter een beetje aan dit vernisje van rationaliteit krabt, blijkt dat ook de mens in onze eeuw nog diep verbonden is met de wereld van het mysterie.’
Moolenburgh vertelt in zijn boek ook één bepaald engelenverhaal dat niets met zijn enquête te maken heeft, maar alles met zijn jeugd en dat te mooi is om in deze context te laten liggen. In 1939 werd het kleine Finland aangevallen door het machtige Rusland en niemand twijfelde eraan dat het Finse legertje totaal vernietigd zou worden – maar het liep anders af: de Finnen slaagden er op een bijna miraculeuze wijze in aan de tangbeweging van de Russen te ontsnappen. Waar hebben we dit eerder gehoord? Dit ongelooflijke verhaal wekte verbazing en opwinding over de gehele wereld, niemand begreep het, zelfs sir Winston Churchill niet: het Finse leger leek onzichtbaar geworden te zijn. Later hoorde dokter Moolenburgh een mooie verklaring voor dit wonder: de Finnen hadden in hun uur van hoge nood om hulp gebeden – nog een parallel met ons verhaal – en midden in de nacht werd er een reusachtige engel waargenomen, die zijn vleugels had uitgestrekt over het Finse leger. Op die manier hadden de Russen de omsingelde Finnen niet kunnen vinden.
Het magazine Time publiceerde in de jaren negentig nog een enquête waaruit bleek dat 69% van de Amerikaanse bevolking in engelen geloofde en 49% in beschermengelen. Deze engelen verschijnen aan de Amerikaan op heel diverse manieren: soms in een menselijke gedaante, soms als niet meer dan een licht of een zwevende gouden halo. Ze dalen neer om de Amerikanen te behoeden (vvoor het kwaad of voor de hel), om ze een andere wending aan hun leven te geven, om ze te helpen als ze fysieke of emotionele pijn lijden, of om ze de winnende loterijcombinatie aan te wijzen.
In werken waarin aandacht wordt besteed aan het optreden van engelen in deze moderne tijden, ontbreekt het mysterie van Mons alleen maar bij wijze van hoge uitzondering op het appèl. De engelen over wie onder meer de soldaten van generaal John Charteris het lijken gehad te hebben, kunnen overigens geïdentificeerd worden als cherubijnen. In veel culturen is namelijk sprake van een vrij ingewikkelde ‘hiërarchie’ van engelen, waarop we hier niet dieper zullen ingaan, maar waartoe ook deze cherubijnen behoren. Tot de onmisbare attributen van de ‘cherubijn’ behoort ‘een vlammend zwaard’ – en nogal wat engelen van Bergen waren in het bezit van een dergelijk wapen.
Zijn er reële engelen – cherubijnen of andere – in die augustusmaand van het jaar 1914 neergestreken in de buurt van Bergen? Men kan deze vraag alleen maar positief of negatief beantwoorden op grond van argumenten die alles te maken hebben met het geloof in hun bestaan. Door godsdienstige mensen wordt een  gelukkig toeval misschien al te gauw beschouwd als een goddelijke interventie, een mysterieuze menselijke held als een door God gezonden engel. Hebben zekere soldaten dan bepaalde visioenen gehad van engelen, tijdens die augustusmaand, in Bergen? Dat is zeer wel mogelijk.
Volgens Paolo Giovetti lijken sommige moderne getuigenissen het oude geloof in engelen te staven. Ze verwijst hierbij naar visioenen van de mensen die bijna-dood-ervaringen hebben gehad, zij die ‘in dat niemandsland tussen het hiernamaals en wat er aan vooraf gaat iets gehoord of gezien hebben dat zich onuitwisbaar in hun geheugen heeft gegrift.’ Er werden zo al duizenden ervaringen van over de gehele wereld opgetekend, die wel van elkaar verschillen omdat ze kaderen in een andere socio-culturele context en beïnvloed zijn door een ander religieus verwachtingspatroon, maar hun opvallende overeenkomsten doen ‘vermoeden dat het hier om meer gaat dan alleen dromen en fantasieën’. Wanneer het wakend bewustzijn uitdooft, blijkt de persoon die een bijna-dood-ervaring heeft nog zeer goed in staat te zijn ‘te denken, zich iets te herinneren, te zien en te horen.’ Tegelijkertijd neemt hij contact op met een ‘hogere en andere dimensie’ die als ‘bovenaards’ wordt gedefinieerd:  ‘Zij zien prachtige landschappen, horen prachtige muziek en zijn bovenal omgeven door een buitengewoon licht; dingen die door iedereen eensgezind, als niet in menselijke bewoordingen uit te drukken verschijnselen worden gedefinieerd. Het woord dat het beste bij deze nieuwe dimensie en bij dit door hen heen stromende licht past is “liefde”.
De psychologe dr. Elizabeth Kübler-Ross, die de gangmaakster is geweest voor de studies over bijna-dood-ervaringen, merkt in haar boek Over het dood en het leven daarna (Ambo, 1985) het volgende op: ‘Wat de kerk aan kleine kinderen vertelt over hun beschermengel berust op feiten, want het is bewezen dat ieder mens van de geboorte tot aan de dood begeleid wordt door geestelijke wezens. (…) Kinderen noemen deze begeleiders “speelkameraadjes” en zijn zich heel goed van hun aanwezigheid bewust. Als zij echter naar school gaan zorgen de volwassenen ervoor dat zij deze vriend vergeten tot zij op hun sterfbed liggen. Een oudere mevrouw heeft mij bijvoorbeeld gezegd: “Daar is die weer!” Ik vroeg haar toen wat zij zag en het antwoord was: “Toen ik een klein meisje was, was hij altijd bij mij. Daarna heb ik zijn bestaan vergeten.” Een dag later stierf deze vrouw gelukkig omdat iemand wiens onbegrensde liefde zij goed kende haar opwachtte.’
Dokter Raymond A. Moody schrijft in Life after life: the investigation of a phenomenon, survival of bodily death (Bantam, 1976): ‘Het meest ongeloofwaardige aan de door mij bestudeerde gevallen is het feit dat de confrontatie met een heel schitterend licht dat is wat de diepste indruk achterlaat bij de mensen. (…) Ondanks de ongewone verschijningsvorm van het licht heeft niemand ooit betwijfeld dat het om een wezen gaat, een wezen van licht. (…) Het is interessant op te merken dat, hoewel de beschrijving van het wezen van licht van persoon tot persoon niet verschilt, de identificatie van persoon tot persoon wel verschilt en voornamelijk lijkt samen te hangen met de religieuze achtergrond, de opvoeding en het geloof van de betreffende persoon.’
In het Palazzo Ducale te Venetië hangt een beroemd doek van Hiëronymus Bosch (ca. 1450-1516) die zich in zijn kunst door folkloristische, magische, occulte en religieuze motieven liet inspireren. Dit doek stelt het ‘omhoogstijgen naar het empyreum’ voor en is een trouwe en tegelijk indrukwekkende voorstelling van wat stervenden die op een of maniere manier aan de dood zijn ontsnapt beweren gezien te hebben: een donkere tunnel die naar een schitterend licht leidt en zielen die, begeleid door engelen, daar doorheen zweven.
Het lijdt geen twijfel dat er aan het front nogal wat bijna-dood-ervaringen zijn geweest, waarvan de overlevenden verslag uitbrachten aan hun makkers, aan hun verpleegsters, aan vrienden en familieleden op het thuisfront. De legende van Bergen wemelt van getuigenissen waarin een licht centraal staat, dat ook in deze bijna-dood-ervaringen wordt beschreven; het is in dit licht dat ook de engelen verschijnen, die vaak als ‘schitterende wezens’ worden getypeerd. Berust de mythe van Mons op het verslag van een aantal bijna-dood-ervaringen, dat een eigen leven ging leiden en in een vervormde versie werd gereproduceerd? In dat geval rijst de vraag waarom de engelen zich dan voornamelijk in Bergen vertoond hebben, en wel in augustus 1914. Later tijdens die Grote Oorlog en in andere oorlogen die voordien en nadien zijn gevoerd, zullen er wellicht nog meer bijna-dood-ervaringen zijn geweest, en engelen zijn in geen ander militair treffen zo prominent aanwezig als in de Slag bij Bergen. Een visioen als gevolg van een bijna-dood-ervaring kan bijgevolg alleen maar als een gedeeltelijk verklaring voor de mythe van Mons naar voor geschoven worden. 

Nogal wat ufologen bieden ons een andere benadering van het probleem. Volgens hen is de archetypische engel uit de grote mythen en godsdiensten van de mensheid, maar ook uit de moderne berichten niets of niemand anders dan een Extra Terrestrial, een superieur buitenaards wezen dat de bevolking van deze planeet beschermt, op weg zet naar een betere toekomst, een rol speelt in de evolutie van het menselijk ras, enzovoort. 
Een mooi voorbeeld van deze stelling levert ons de cherubijn met het vlammende zwaard die door de soldaten van generaal Charteris werd waargenomen bij Bergen. In het Oude Testament werden cherubijnen gewoonlijk voorgesteld als wezens met vier vleugels en vier gezichten – dat van een mens, dat van een leeuw, dat van een stier en dat van een arend. Vreemd genoeg werden ze in later tijden vooral gezien als kleine kinderen. Hoe dan ook, God voorzag ze van een vlammend zwaard om Adam en ook anderen de toegang tot de Tuin van Eden te ontzeggen.
God moet in de optiek van deze ufologen beschouwd worden als de commandant van de ruimtewezens; de engelen zijn dan zijn soldaten en de geleerden die hij meegebracht heeft om in het laboratorium dat de Tuin van Eden is een nieuwe mensensoort te creëeren. God was daar blijkbaar ook niet alleen met zijn creaties: anders zouden dergelijke voorzorgsmaatregelen onnodig zijn. Waarschijnlijk was Hij dus bang voor sabotage door concurrenten; misschien moet het incident met de slang zelfs geïnterpreteerd worden als een poging om Zijn plannen te dwarsbomen.
Wat nu meer specifiek dat vlammende zwaard betreft, recente bewijzen lijken – nog steeds volgens deze ufologen - aan te tonen dat het hier niet om een of ander gesofisticeerd wapen zou gaan, maar veeleer om een ongeïdentificeerd vliegend object, een UFO met andere woorden. De ‘bewijslast’ blijkt dan, bijvoorbeeld, de ervaring van een jong koppel in Somerset te zijn, dat in 1990 aan het uitspansel een omgekeerd kruis in een abnormaal licht zag verschijnen. De UFO splitste zich in twee delen die een fantastische luchtacrobatie uitvoerden, waarna ze er gewoon vandoor gingen. Het koppeltje rapporteerde hun ervaring bij een plaatselijke UFO-groep, die hen wist mee te delen dat wat zij gezien hadden allerminst ongewoon mocht worden genoemd. Hetzelfde UFO-fenomeen werd in die streek regelmatig waargenomen. Nu mogen een vlammend zwaard en een omgekeerd kruis op het eerste gezicht twee verschillende dingen lijken, maar dat zijn ze niet: in bijbelse tijden zag een zwaard er nu eenmaal uit als een omgekeerd kruis.
Het schitterende licht, de lumineuze wolken en de lichtgevende schijven én wezens van Bergen hebben ook altijd sterk tot de verbeelding gesproken van minder doortastende strekkingen binnen de ufologie. Men kan er inderdaad niet omheen dat er frappante gelijkenissen bestaan tussen de fenomenen die in Bergen zouden zijn waargenomen en meer recente rapporteringen van de ufologie – een ‘wetenschap’ die, laten we dat niet vergeten, pas dateert uit de jaren vijftig van de twintigste eeuw.
The Natural Philosophy of Flying Saucers is de titel van een lezing die R.V. Jones gaf voor de Newcastle Astronomical Society en maakt deel uit van een appendix bij het zogenaamde Condon Report – zowat de bijbel van de ufologie. De term ‘vliegende schotel’, merkt R.V. Jones in zijn lezing op, werd pas gelanceerd op 24 juni 1947 ‘maar het lijkt erop dat de fenomenen die hiermee worden aangeduid zich ook al lang voordien hebben voorgedaan. (…) In zijn geschiedenis van de Engelse Kerk en het Engelse volk, beschreef Bede (735) een evenement dat nu hoogstwaarschijnlijk zou worden beschouwd als zijnde veroorzaakt door een vliegende schotel. En ik herinner me hoe ik verslagen uit de elfde of twaalfde eeuw las, waarin een object in de hemel “multum terrorem” veroorzaakte bij de broeders in het klooster. Maar voor misschien een al even lange tijd wordt de neiging van de mensen om zichzelf en hun medemensen schrik aan te jagen, geëxploiteerd door grappenmakers. Ik heb ooit eens ergens gelezen dat Newton, als een jongen van twaalf, een grote paniek veroorzaakte in zijn dorpje in Lincolnshire door bij nacht met een lantaarn te zwaaien.’ Jones verwijst in dezelfde context nog naar de ‘wielen’ die de profeet Ezekiel al of niet in de hemel zag, naar de ‘hemelse tekenen’ die zo belangrijk waren voor de Romeinen, en… naar de engelen van Bergen.
Ufologen die oog hebben voor historische UFO-fenomenen, vonden in Bergen een hele kluif. Een ander berucht slagveld van de Grote Oorlog heeft eveneens de hun speciale aandacht getrokken, vanwege twee incidenten met een hoog UFO-gehalte, die zowel frappante gelijkenissen als verschillen vertonen met de gebeurtenissen bij Bergen.
Ik citeer uit Mysterie 14/18 van Richard Heijster:

Voor de geallieerden werd het bloedbad op (het Turkse schiereiland) Gallipoli een totale militaire mislukking. Volgens de overlevering stapelden de Turken op sommige plaatsen de lijken van hun tegenstanders op elkaar om zich erachter te verschansen…
Op 21 augustus 1915 vond op Gallipoli een bijzonder gebeurtenis plaats die na de oorlog nog eens door ooggetuigen werd bevestigd. Honderden Britse militairen marcheerden op die dag in de buurt van de Baai van Suvla een vreemd soort grijsachtige, massieve wolk binnen die laag boven de grond leek te hangen. De lengte van de wolk werd geschat op ruim 240 meter met een hoogte en breedte van ongeveer 60 meter. Geen van de soldaten verliet de wolk en na ongeveer een uur steeg de ‘wolk’ op tot zo’n kilometer hoogte. Daar kwam de wolk samen met zes tot acht soortgelijke wolken om vervolgens in de richting van Bulgarije te verdwijnen.
Na de capitulatie van Turkije in 1918 eiste Groot-Brittannië dat de mannen van het verdwenen regiment zouden worden vrijgelaten. Het antwoord van Turkije was dat ze van het bestaan van het regiment niet wisten en dat ze er nooit mee in gevecht waren geweest, laat staan dat ze de Britten krijgsgevangen hadden gemaakt.
Op dezelfde dag als de verdwijning, 21 augustus 1915, wordt melding gemaakt van het verdwalen van een aantal bataljons in dezelfde sector. Hun kompassen hadden de verkeerde richting aangegeven doordat ze te veel van het noorden afweken…

Uiteraard zijn de wolken van Gallipoli – die ons herinnert aan de wolken van Bergen - evenzovele ruimteschepen waardoor de kompassen van de soldaten in de war raakten en wer het verdwenen regiment ontvoerd door de aliens. Een mens vraagt zich af waarom in ‘s hemelsnaam, maar dat is nu eenmaal één van die vragen waarop alleen ufologen een antwoord weten te verzinnen. Deze legende van Gallipoli werd overigens pas voor het eerst ernstig opgetekend en onderzocht in 1965, en hoewel populaire pseudo-wetenschappelijke naslagwerken over het bovenaardse en het buitenaardse ze nog steeds trouw blijven vermelden, werd ze bij die gelegenheid al deskundig ontmaskerd als zijnde louter een mythe. Het verdwenen regiment waarvan sprake kan wel verdwenen zijn in een mysterieuze wolk, maar het werd daarna tot de laatste man afgeslacht door Turkse troepen die geen krijgsgevangenen konden of wilden maken. De Britten zouden zich nochtans overgegeven hebben; dit druiste dan ook in tegen alle regels terzake. Maar vanzelfsprekend konden de Turkse autoriteiten dit naderhand niet zomaar toegeven…
Merkwaardig is wel dat de mysterieuze wolk waarvan sprake ook figureert in een ander en tamelijk onverdacht rapport van een Australisch soldaat, dat vreemd genoeg een stuk minder gekend is. Ion L. Idriess hield een dagboek bij dat hij na de oorlog publiceerde (The Desert Column). Hij was één van de eerste soldaten die landden in Gallipoli, in mei 1915, werd gewond en geëvacueerd, keerde terug naar zijn eenheid en vocht in de Palestijnse campagnes van 1915, 1916 en 1917. Hij werd opnieuw gewond en keerde nu voorgoed terug naar Australië. In december 1916 nam zijn eenheid deel aan een offensief in het Midden Oosten tegen de Turken. Op Kerstdag noteerde hij in zijn dagboek het volgende:

De Turkse verliezen waren onmetelijk veel groter dan de onze, hoewel onze jongens vanuit de open woestijn aanvielen en de Turken in diepe loopgraven verscholen zaten en gesteund werden door machinegeweervuur. Het hele garnizoen viel met al hun Krupps in onze handen. Onze gewonden werden verzameld in het donkere; kleine vuurtjes werden naast hen aangestoken zodat brancardiers die door de woestijn dwaalden ze zouden vinden en oppikken. Daarna volgde die verschrikkelijk mars terug, want kolonnes Turkse versterkingen haastten zich van Shellal naar Maghdaba. De gewonden maakten een afschuwelijke tijd door.
Later. Er doet een merkwaardig verhaal de ronde door de hele Woestijnkolonne. Het lijkt erop dat de troepen, toen ze die dertig mijlen van Maghdaba terugreden, als het ware verpakt werden in een verblindende stofwolk. Zowat de hele kolonne leek te slaapwandelen; niemand had gedurende de afgelopen vier nachten geslapen en ze hadden negentig mijlen gereden. Honderden mannen hadden toen de meest eigenaardige visioenen -  soldaten die er bijzonder vreemd uitzagen reden naast hen, velen gezeten op onbekende dieren. Mannen wandelen recht door de paarden, zonder het minste geluid te maken. De kolonne reed door steden waar licht stroomde uit gesloten ramen van zonderlinge gebouwen. Op het land waaiden groene velden in de wind, en er waren bomen en bloementuinen. Heel veel mannen spreken daarover op een zeer merkwaardige manier. Er waren grote stenen tempels met zuilen van marmer en wiegende olielampen – onze jongens konden de brandstof ruiken – en witte moskeeën met statige minaretten…

Het lijkt op een hallucinatie, veroorzaakt door extreme vermoeidheid – maar het is toch wel interessant op te merken dat het ook nu weer ‘een wolk’ is die een vreemde wereld lijkt te herbergen.

Zogenaamde paranormale of bovennatuurlijke fenomenen, die zich ook in Bergen zouden hebben voorgedaan, kunnen verklaard worden als een bovenaardse of buitenaardse goddelijke of demonische interventie – maar alleen door hen die in goden en duivels, in engelen en ufonauten geloven.
Sommige paranormaal vorsers houden ons voor dat dit complexe universum van ons dat wij nog maar nauwelijks verkend hebben, geregeerd wordt door al even complexe ritmen en patronen.  Ze wijzen in dat verband op de ley lines (ook weer vooral een Britse aangelegenheid) – onzichtbare lijnen die een verandering in het magnetische veld van de aarde markeren. Vogels, vissen en de dieren van het veld zouden instinctief deze lijnen volgen, waarlangs zich ook allerlei fenomenen zouden voordoen die wij bij gebrek aan een betere term ‘paranormaal’ plegen te noemen. T. Williamson schreef in maart 1987 een artikel voor The New Scientist waarin hij aantonde dat duiven, walvissen en bijen ‘navigeren’ door gebruik te maken van het magnetische veld van de aarde. Zij worden hiertoe in staat gesteld door een fysiologische substantie, ‘magnetiet’ genoemd. Deze stof werd ook aangetroffen in menselijk hersenweefsel.
Een gebrek aan licht kan, net als een gebrek aan slaap, een invloed hebben op het brein. En mensen hebben altijd geloofd dat de maanstanden niet alleen de getijden beïnvloeden, maar ook het menselijk gedrag. We kunnen waarnemingen van verschijnselen van paranormale aard ook verklaren aan de hand van autosuggestie – denken we maar aan het ‘placebo effect’. Een op het eerste gezicht ‘paranormaal fenomeen’ als het gevoel van deja vu dat we allemaal kennen – ‘ik ben hier eerder geweest! – kan toegeschreven worden aan het feit dat ons brein twee helften bezit, waarvan de ene helft een bepaalde input een fractie van een seconde eerder verwerkt dan de andere. We hebben het al over bijna-dood-ervaringen gehad, waarvan de beelden en gewaarwordingen volgens de wetenschapslui worden veroorzaakt door ‘biochemische stormen’ die ook optreden in momenten van grote spanning, pijn, vreugde of opwinding. Maar al deze fenomenen – van magnetische velden tot biochemische stormen – kunnen het mysterie van Mons niet afdoende verklaren.
Bepaalde gebeurtenissen worden geëvalueerd als ‘paranormale feiten’ omdat de rapportage niet accuraat genoeg was – lees: overdreven. Als een theorie om een of andere reden aantrekkelijk genoeg is, hebben we de neiging slordig om te springen met de feiten. Dan verkrijgen we een stof waarvan niet alleen dromen gemaakt zijn, maar waaruit ook urban legends worden geboren – de mythen van deze moderne tijden. Het mysterie van Mons heeft alle allures van de typische urban legend – maar is daarom nog niet geheel en al gebaseerd op verzinsels, zoals ze ook niet geheel en al kan verklaard worden aan de hand van bijna-dood-ervaringen.
Voor wie helemaal niets of vrij weinig voelt voor een of meerdere van de hier opgesomde verklaringsmodellen, bestaat er nog een laatste mogelijkheid: het mysterie van Bergen is het resultaat van een geslaagde mystificatie. Goochelaars doen voorwerpen verdwijnen voor onze ogen – David Copperfield liet zelfs het hele Vrijheidsstandbeeld van de Amerikanen voor hun verbaasde ogen verdwijnen. Het leek alleen mogelijk met behulp van een bovennatuurlijke, maar het was niets anders dan een truc, gezichtsbedrog, een fata morgana, een illusie van werkelijkheid.
Kunnen we er in dat geval van uitgaan dat de truc van Bergen een – gelukkig – schot in het donker is geweest van een eenzaam opererende en experimenterende illusionist, of moeten we ons veeleer een groep goochelaars voorstellen, die met opzet en met een welbepaald doel voor ogen zeer planmatig te werk zijn gegaan? Ik heb er geen idee van, maar ik heb wel het gevoel dat wij alle andere mogelijke verklaringsmodellen tegen het licht hebben gehouden, en dat zij stuk voor stuk niet geheel bevredigend kunnen genoemd worden – tenzij we wensen te geloven in een hemelse tussenkomst. Ik heb bovendien de indruk dat, indien wij voor de mystificatie gaan die werd opgezet door één enkel individu of door een groep van personen, wij vroeg of laat bij de figuur van Arthur Machen op ons pad zullen vinden.
Eerst wil ik u evenwel nog confronteren met een andere eenzame illusionist, die op zijn beurt misschien niets anders was dan een illusie van weer een andere illusionist. Ik heb het hier nu over kolonel Friedrich Herzenwirth, van wie ik de klinkende naam op deze pagina’s met opzet nog niet laten vallen heb. Ik ben er mij terdege van bewust dat ik uw geduld wel heel hard op de proef stel, maar Machen moeten we echt nog even in de kast laten zitten…

Geen opmerkingen:

Podcast Mystiek Actie Front MAF!

Luisterboeken Podcast