Posts tonen met het label essay. Alle posts tonen
Posts tonen met het label essay. Alle posts tonen

4.8.26

Groetjes uit Brocéliande - verhalend essay in Fantastische Vertellingen



In het nawoord van mijn boek Groetjes uit de Vierde Dimensie vertelt Ginette Pas-Tourette hoe ik in augustus 2025 op vakantie ging naar Rennes, de hoofdstad van Bretagne, vlak bij de betoverde wouden van Brocéliande, waar de beroemde magiër Merlijn nog springlevend is. Het is inderdaad zo dat ik specifiek naar Rennes trok om over Brocéliande en Merlijn te schrijven, dat hij op de eerste ochtend van mijn verblijf al meteen gewoon buiten op de stoep bleek te zitten, tegenover mijn hotel. Het leverde voor de bundel bovenstaande postkaart op, gebaseerd op onderstaande échte foto, én op het ultrakorte verhaal Merlijn in Rennes.

 


Merlijn in Rennes

Men zegt dat Merlijn nooit echt gestorven is in het woud van Brocéliande. De tovenaar die ooit koning Arthur adviseerde, die de tijd boog en met draken sprak, werd moe van paleizen, gedoe met feeën en oorlogen. Hij verdween in de anonimiteit en liet legendes ontstaan ​​ terwijl hij verder zwierf, van eeuw tot eeuw.

In Rennes fluisteren sommigen dat hij een nieuwe gedaante heeft aangenomen — dat hij niet langer gehuld is in pracht en praal, maar in vodden en zeilen, gezeten op de koude straatstenen. Zijn baard is nog steeds lang, zijn blik nog steeds diep van wijsheid. Weinigen herkennen hem. Ze lopen hem voorbij, terwijl de tekens toch duidelijke taal spreken: hij vertoeft op de grens van de Elyzeese Velden, vlakbij bakker Augustinus, die als kerkvader een indrukwekkende autobiografie schreef, de Confessiones. Naast hem ligt zijn trouwe metgezel — geen magisch hert, maar een straathond.

Voor de meesten onder ons lijkt hij op elke andere verloren ziel van de stad. Maar soms, wanneer het vroege ochtendlicht op zijn gezicht valt, zeggen mensen dat ze iets anders zien: een gloed, een zwaartekracht, een fluistering van oude macht.

De waarheid is dat Merlijn wacht in Rennes, dicht bij het betoverde bos waar zijn verhaal begon. Op een reden om weer op te staan? Op de fee Viviane, die in hem de magiër van weleer zal herkennen, en haar minnaar? Tot die tijd schrijft hij zijn autobiografie op gevonden vellen papier, mompelt hij vergeten profetieën en gaat zijn magie vermomd als waanzin uit een vierde dimensie.




Het essay, of het reisverhaal, of de lijvige fantastische vertelling die ik eraan overhield, verscheen nu in het onvolprezen blad Fantastische Vertellingen, uitgegeven door de stichting waar ook zopas dat andere lijvige essay over Malpertuis van Jean Ray verscheen, in de Rare Boekjes Reeks. 

Fantastische Vertellingen is aan zijn 47e jaargang nummer 79 toe. Het nummer kan besteld worden aan €8,95 via de webshop en ik kan ook van harte een abonnement aanbevelen op dit unieke tijdschrift voor fantastiek, horror, sciencefiction & aanverwante literatuur.

Hieronder enkele impressies van mijn trip, waarover veel meer - zoniet alles - te lezen valt in de essayistische fantastische vertelling Groetjes uit Brocéliande.



De menukaart bestuderen van Le Gorille Bleu, op de hoek van de Rue du Griffon.



In deze feeërieke winkelstraat van Rennes hing Merlijn ook rond,
met zijn hele hebben en houden in een winkelkarretje.




De rue de l'Enchanteur Merlin in Paimpont kent nogal wat geboden en verboden...

Een betoverd meer (of een dito grote vijver) in Paimpont.


De Tombe van Merlijn, met offerandes...

Felix Bellamy populariseerde de legenden
en vond er de plekken bij waar ze zich afspeelden.

De Bron van de Eeuwige Jeugd trekt nog steeds veel toeristen...



Eindpunt van de ontdekkingstocht was het kerkje van abbé Gillard
in Tréhorenteuc, de Kerk van de Graal
met het vreemd mystieke opschrift boven de deur:
"La Porte Est Dedans!"


Christelijke en Keltische mythen en Graalsymboliek zijn hier verenigd.

Haalden de promotoren van Rennes-le-Château
en de abbé Saunière hier in Tréhorenteuc bij abbé Gillard
hun mosterd vandaan?

Dàt en nog veel meer kom je te weten in...
Groetjes uit Brocéliande!

1.7.26

Een zoektocht naar het vervloekte Malpertuis van Jean Ray in Gent


 


Zoals in tal van romans en verhalen van Jean Ray is Gent alomtegenwoordig in zijn meesterwerk Malpertuis. Ondanks de vrij precieze situering van dit naargeestige huis in de Sint-Jacobswijk, blijft het onvindbaar voor de onderzoeker die zich verdiept in het oude Gent met zijn nog niet gedempte waterlopen en vergeten en verbeelde straten, stegen en pleintjes. Bestaat het echt of is dit imposante en onheilspellende gebouw, opgetrokken uit de herinneringen van de auteur, geput uit tal van boeken en prenten, en enkel te vinden in de vervaarlijke vierde dimensie die raakpunten heeft met onze realiteit?

Jean Ray verwittigde Henri Vernes, schrijver van de Bob Morane-verhalen: 'Zoek maar verder naar Malpertuis… het zij zo… maar vergeet niet dat, zo ge dat verdoemde duivelshuis niet vindt, het u misschien zal vinden… en dan…

Ik heb het onderzoek van Vernes voortgezet, en de uitdaging van Jean Ray aangenomen, in een driedelige podcast reeks van Mysterieus België naar het essay Malpertuis dat zopas verscheen in de Rare Boekjes Reeks van Fantastische Vertellingen en dat hier kan besteld worden aan 7,95 euro.

Wie over het boekje beschikt en graag de reclamevrije luisterboek versie gratis & voor niets in zijn mailbox wil ontvangen, kan een mailtje sturen naar info@inter-actief.be

Wie het boek gesigneerd via de post wil ontvangen, samen met 4 magisch-realistische postkaarten en de reclamevrije luisterboekversie, stuurt een mailtje naar hetzelfde adres en schrijft 20€ over op rekeningnummer IBAN BE 43 0016 9362 0101 – BIC GEBABEBB van vzw de Scriptomanen met vermelding "Malpertuis".







Een Gentse schrijver, het geheim van het vervloekte Malpertuis, ongeloof over het beweerde verscheiden van John Flanders, te rusten gelegd naast Virginie Bal. De werkelijkheid zoals wij die kennen staat op losse schroeven en uiteengezet wordt op grond waarvan.

Het magisch realisme spat er vanaf.

Malpertuis; literair essay; Patrick Bernauw; 

omslag- en binnenillustraties Gert-Jan van den Bemd; 

Rare Boekjes-reeks 73; ISBN 978-90-78499-74-9; 72 blz.; 1e druk 2026; 

uitg. Stichting Fantastische Vertellingen; 

omslagontwerp Ingrid Heit; biografie van auteur en omslagillustrator; 

Penguin-formaat pocketboek.

7,95€


Rare Boekjes-reeks
Via de Rare Boekjes-reeks biedt de Stichting Fantastische Vertellingen een springplank voor nieuw of miskend oorspronkelijk Nederlandstalig talent op het gebied van fantastische literatuur en kunst. De publicaties in deze reeks beogen de creativiteit te stimuleren en de geesten maximaal te verruimen.

24.6.26

De blinde vlek in het Mysterie van Albert I (Johan Op de Beeck)


Uit Kroniek van de 20ste eeuw, Elsevier 1985:
koning Albert valt dieper dan de rots hoog is.


Laat er geen twijfel over bestaan: ik ben (en blijf) een groot liefhebber van de non-fictie van Johan Op de Beeck. Ik heb bijzonder genoten van zijn boeken - en podcasts - over de Zonnekoning, Versailles, de Franse Revolutie, Napoleon, Leopold II. Af en toe ergerde ik me wel aan het soms niet al te zuivere Nederlands, aan hele passages zelfs waarbij de redacteur duidelijk was ingedommeld, of aan zijn stiefmoederlijke behandeling van de alinea. Maar Op de Beeck is nu eenmaal een rasechte verteller met oog voor sprekende details en dito anekdotiek, en dan kijk je al eens wat door de vingers. Zo staan het sanitaire imbroglio van Versailles mij nog levendig voor de geest, de lichamelijke ongemakken waarmee de Zonnekoning af te rekenen kreeg (met de behandeling door zijn 'tandarts' als pijnlijk hoogtepunt) of de geur die de laarzen van de jonge Napoleon met zich meebrachten in de Parijse salons. Zij kunnen zich meten met de etymologie van het woord copain uit De Bourgondiërs van die andere meesterverteller, Bart Van Loo, die daarenboven een briljant stilist is. Dat laatste kan jammer genoeg niet van Op de Beeck gezegd worden - maar hij is dan weer een fan van Bruce Springsteen, en die kunnen bij mij altijd op extra krediet rekenen, meer zelfs dan de fans van het Franse chanson. 

Van de historische thrillers van Johan Op de Beeck ben ik nooit wild geweest, om het voorzichtig uit te drukken. Aan Het complot van Laken en zijn opvolger De staatsvijand heb ik nog enig plezier beleefd, al moest ik even een blik werpen op de achterflap om mij te herinneren waar ze ook weer over gingen. De stijl waarin een boek is geschreven, staat wat mij betreft garant voor een groot - zoniet het grootste - deel van mijn leesplezier. En zekere minpunten die in zijn non-fictie nog ondergeschoffeld worden, dringen zich in fictie genadeloos op de voorgrond. De aanslag op Napoleon heb ik na een vijftigtal bladzijden weggelegd, wegens te taai en - sorry - te slecht geschreven. De personages komen niet tot leven, de lezer dient zich door ettelijke pagina's niet echt terzake doende uitweidingen te ploegen, zinnen draaien regelmatig in een grammaticale knoop en de taal is stroef, de verwoording bijwijlen tegelijk omslachtig en onhandig.

Het was dus met enige reserve dat ik aan Het Mysterie van Albert I begon - maar een historische thriller over het onderwerp waar ik tussen 1993 en 2008 drie boeken aan wijdde, kon ik toch niet laten liggen? In Het Nieuwsblad verscheen een juichende recensie, Op de Beeck dook her en der op in de media, en het boek bleek al een bestseller te zijn nog voor het in de rekken lag. Gelukkig is deze thriller niet zo saai als De aanslag op Napoleon en zit hij weer zo ongeveer op het niveau van Het complot van Laken. Wild word ik er niet van, maar het kon erger. Misschien ben ik ook te zeer in de watten gelegd door auteurs als Robert Harris of Stephen King, die hun inhoud 'in stijl' weten te brengen en voor wie de geloofwaardigheid van het personage primeert. 

Het stoort me enorm dat grote uitgevers voor hun bestsellers-bij-voorbaat blijkbaar niet meer de moeite doen om een redacteur op een tekst te zetten die zijn stiel kent, en stijlbloempjes aanpakt als 'Het mens laat van ontstentenis haar poetslap op de stoep vallen' of 'In het salon grijpt de ontstentenis om zich heen als een bosbrand'. Die een contaminatie van het slag dat je vroeger al in de basisschool afgeleerd kreeg - 'onmeedogenloos' - onmeedogend corrigeert in meedogenloos, of vice versa. Die taalfouten opspoort van het genre 'Ik speur mensen op'. In mijn klassen creatief schrijven aan de Academie vlogen die er al bij een eerste lezing uit; dat je ze nog uit een boek moet plukken waarvan geheid enkele duizenden exemplaren verkocht worden, verdient onverbiddeloos de karwats. Ook zou ik er in die klassen op gewezen hebben dat je moet opletten met 'expositie' en een Sprechhund als sergeant Kimpe, als daar compleet ongeloofwaardige dialogen van komen waarin twee personages aan elkaar uitleggen wat ze eigenlijk allebei al weten, om de broodnodige informatie bij de lezer te brengen. En dat het kundig gebruik van de alinea een stijlmiddel is en niet een overbodig tierlantijntje: lees er Over leven en schrijven van de al eerder genoemde Stephen King op na, of om het even welke cursus creatief schrijven voor beginners.

'Waar maak jij je toch druk over?' hoor ik mijn critici al zeggen. 'Zijn boeken gaan als zoete broodjes over de toonbank, hoor!'

Och ja, het zal wel. Maar het lucht op het eens te kunnen zeggen als de thermometer over de 30° gaat.




En ik zou het vooral over de inhoud hebben. In de media klinkt het alsof Johan Op de Beeck zich als eerste waagt aan dit heikel onderwerp. De piste die hij bewandelt, wordt heel erg serieus genomen, want hij heeft nu eenmaal een indrukwekkende pedigree in het genre van de historische fictie en non-fictie. In 1993, toen ik samen met Guy Didelez de young adult historische thriller De moord op Albert I op de wereld losliet, lagen de kaarten heel anders. Het was 'maar' een jeugdroman, ik was ook die schrijver van Vlaamse Filmpjes, en historici zowel als royalty watchers buitelden over elkaar heen om een moord op de Koning-Ridder weg te zetten als een hardnekkige legende en/of een perfect voorbeeld van complotdenken. Toen we met de uitvinding van het internet nog meer informatie vonden die onze hypothese van 1993 bekrachtigde en het boek herschreven tot Het  februaricomplot (1999) was dat niet anders. 

In 2004 verscheen De val van Albert I, een sterk staaltje true crime van de Waalse journalist Jacques Noterman. Hij was de eerste die het gerechtelijk dossier over de dood van koning Albert kon inkijken en kwam tot een onomstotelijke conclusie: de officiële versie van de feiten - een tragisch maar klassiek ongeval 'van het alpinisme' - is niet houdbaar. Onder meer dankzij dit boek (en verdere research die ik ondertussen had gedaan) schreef ik in 2008 mijn laatste woord over de kwestie in de historische faction thriller voor volwassenen, Het Illuminati Complot. Ik beweer niet dat ik de waarheid in pacht heb, en dat het zo en niet anders gebeurd moet zijn als ik in dit boek vertel. Maar ik ben het eens met Noterman - en Op de Beeck - dat de officiële versie van de feiten een sprookje is, en ik geloof nog steeds dat mijn piste niets sprookjesachtigs heeft, omdat ik vertrek van drie premisses waaraan niet te tornen valt. Nog tot in 2016 bleven 'serieuze' onderzoekers evenwel zeer weinig serieuze pogingen ondernemen om de these van een moord in Marche-les-Dames onderuit te halen. Op de Beeck verwijst er ook naar, ik heb mij er destijds enigszins over opgewonden op deze blog, in de post De Frivole Fratsen van VTM-Royalty Reporter Reinout Goddyn en het DNA van Albert I uit Marche-les-Dames

Wat zijn dan die drie premisses?
  
Patrick Bernauw
Het Illuminati Complot
Werd de Belgische koning Albert I het slachtoffer van een passioneel drama of van een politiek complot? En wat heeft een voorspelling van de zieneres van Onkerzele, Leonie Van den Dijck, met dit alles te maken?
€27,50 Paperback
  

Nog voor 1993 en De moord op Albert I merkte ik al hoe slordig er verslag werd uitgebracht over de dood van de koning. Exemplarisch daarvoor is De kroniek van de 20ste eeuw, een prestigieus historisch naslagwerk uitgegeven door Elsevier en samengesteld door een enorme redactie, waarin de koning zowaar een val van 80 meter heeft gemaakt (zie foto bovenaan deze post). Gesteld dat hij van de top gevallen is, zou hij bijgevolg eerst een dertigtal meter omhoog gesprongen zijn. In het broertje van deze klepper, Kroniek van België (Standaard Uitgeverij) is er dan weer sprake van een val van 12 meter. Die discrepantie vond ik vreemd. Ik vroeg mij toen al af: waar halen zij hun cijfers vandaan?

Maar goed - de drie premisses dus, die eigenlijk in elk artikel over de dood van de koning vermeld horen te worden: 

Eén: als je een val doet, zelfs maar van 12 meter, van een rots zoals Le Vieux Bon Dieu in Marche-les-Dames, dan zul je daar blauwe plekken en schrammen en builen en gebroken armen en benen aan overhouden - dat kan niet anders. Koning Albert had één gapend gat in zijn schedel, en verder niks. Alsof hij dus 30 meter omhoog was gesprongen en daarna loodrecht neergevallen, op zijn hoofd. Dat is onmogelijk en sluit de stelling van een ongeval of van zelfmoord uit. Ja, zo duizelingwekkend eenvoudig en eenduidig kan één simpel feit zijn.

Twee: het is onmogelijk dat de groep boeren en rijkswachters uit de streek, opgetrommeld door de kamerheer die de koning vergezelde, de locatie waar Albert zijn beklimming aanvatte grondig uitkamde en er niks niemendal aantrof... als het lijk en enige rekwisieten van de Klimmer-Koning precies daar enkele uren later wél worden gevonden, vlakbij de openbare weg trouwens, door een zoekploeg onder leiding van enkele lui die in allerijl uit Brussel zijn overgekomen. De enige conclusie die je uit deze feiten kunt trekken, is dat het lijk en de rekwisieten er eerst niet waren, en daarna wel.

En nu wordt het interessant. Want als we iets zinnigs willen vertellen over de fabelachtige officiële versie van de feiten, dan moeten we ons in eerste instantie de vraag stellen wie hiervoor verantwoordelijk is geweest. Eén man treedt in dat geval nadrukkelijk voor het voetlicht: graaf Xavier de Grunne, ooit klimmaatje van Albert, secretaris-generaal van de Belgische alpinistenclub, die een landgoed bezat in de buurt van Marche-les-Dames en tot de Brusselse zoekploeg behoorde. Hij slaagde er niet alleen in het lichaam van de koning op miraculeuze wijze terug te vinden en te 'bergen', in de letterlijke betekenis van het woord (het lijk werd in de wagen gelegd en samen met alle daar ook aangetroffen spullen van de koning tegen alle geplogenheden in naar Laken gevoerd), maar belangrijker nog: hij dicteerde aan het parket van Namen hoe het allemaal precies was gebeurd. Het parket, dat pas op de crime scene verscheen nadat hij het lijk en alle mogelijke bewijs had laten verdwijnen.  

Johan Op de Beeck is volledig mee wat premisse één en twee betreft, maar blijft merkwaardig blind voor premisse drie: de uiterst verdachte machinaties van graaf Xavier de Grunne. Nochtans bestaat mijn korte samenvatting van hierboven alweer uit louter feiten.  De rol van Xavier de Grunne in de cover-up - hoe wil je het anders noemen? - minimaliseert hij, de man wordt zelfs nauwelijks vernoemd. Over de motivatie van Xavier de Grunne om te doen wat hij gedaan heeft - door zijn vasthouden aan 'het ongeval' bleek ook een lijkschouwing overbodig - kunnen de meningen uiteenlopen. Hij kan gehandeld hebben uit eerbied voor de vorst, om het imago van de koning clean te houden, weet ik veel... Maar hoe dan ook smeekt zijn modus operandi om een nauwgezet onderzoek van zijn persoon. Johan Op de Beeck zwijgt op een oorverdovende wijze over dit cruciale gegeven,  omdat hij de aandacht van de lezer wil afleiden van de mogelijkheid van een politieke aanslag door Duitsland, naar eentje in opdracht van de Franse geheime dienst. Hij kan niet anders dan toegeven dat er meteen na de dood van Albert in de hoogste kringen gedacht werd aan een Duitse aanslag, maar veegt dit element in het dossier zonder veel argumenten van tafel om - ook weer zonder veel argumenten - de Franse piste te volgen. 

Dit verhaal is er bijgevolg één met een opzichtige dode hoek. Komt daarbij dat ik het een regelrecht zwaktebod vind voor deze historische thriller wanneer blijkt dat de auteur zijn toevlucht zoekt tot een volslagen fictieve barones als bewoonster van het kasteel van Boninne - gelegen bij de crime scene - terwijl er een zeer non-fictieve barones voorhanden is, Alice de Zualart, over wie geruchten de ronde deden dat zij een minnares van de koning was geweest. Ook dit gegeven zet Op de Beeck weg in zijn dode hoek, met één enkel zinnetje in zijn nawoord: 'Daar is natuurlijk geen bewijs van.' Dat er daar zelfs ooit een pad naar de koning is vernoemd dat als mogelijke sluiproute kon dienen - nee, geen bewijs. Dat Albert al veel langer dan februari '34 naar Marche-les-Dames kwam 'om te klimmen', met een kamerheer als alibi - nog steeds geen bewijs. Maar anderzijds vindt hij het kasteel van Boninne en haar fictieve bewoonster wel sterk genoeg om mee te spelen in een eveneens puur fictieve context, die - laten we wel wezen - redelijk van de pot gerukt is en vooral dient om nog een extra portie seks binnen te smokkelen, via haar verschijning in pornografische publicaties. 

Ik heb ook veel moeite met het opvoeren van het historische personage van ingenieur Van Steenberghe, die een erg kritisch rapport schreef over de dood van de koning, dat door justitie destijds werd bestempeld als 'een complottheorie'. Hij wordt in het verhaal van Op de Beeck vermoord 'omdat hij te veel wist'. Wat de auteur zogenaamd wil vermijden met Alice de Zualart - een historisch personage een rol toedichten waar geen hard bewijs voor bestaat -, is plotseling geen probleem meer voor een ander historisch personage dat hij zelfs laat vermoorden, terwijl dat in werkelijkheid niet is gebeurd. Op de Beeck vermeldt het allemaal wel netjes in zijn nawoord en je mag me best een azijnpissende purist noemen, maar ik hou nu eenmaal niet zo van dit soort 'geschiedvervalsing' in thrillers met historische ambities. Stick to the facts, was altijd mijn devies - of je krijgt het lastig met the suspension of disbelief van de min of meer geïnformeerde lezer en je haalt je het commentaar van kritische kwieten als ondergetekende op de hals. 




De Franse piste die Johan Op de Beeck ontvouwt, trekt de spanningen tussen Albert en zijn Franse (en Engelse) bondgenoten tijdens de Groote Oorlog zonder meer door naar het jaar 1934. Albert wilde het bevel over zijn leger behouden en niet nodeloos jonge Belgische levens opofferen. Hij voerde zelfs in het grootste geheim 'gesprekken' met Duitsland. Dat laatste is voor Op de Beeck een argument om te stellen dat Albert eigenlijk best wel op goede voet stond met de Duitsers, zodat hun geheime diensten niet in aanmerking komen om een moordaanslag op de koning te beramen. Dat de spanningen en het wantrouwen van 14-18 voor de Fransen nog zo zouden doorwegen dat zij meenden de koning uit de weg te moeten ruimen, lijkt mij echter op zijn minst een paar bruggen te ver. Johan Op de Beeck lijkt te vergeten dat Hitler in 1933 aan de macht gekomen is en dat zijn nazi-Duitsland een heel andere, totaal nieuwe situatie geschapen heeft die niet meer te vergelijken valt met die van de oorlogsjaren, of van de Weimar republiek waar hij een eind aan maakte.

Wat Johan Op de Beeck zo nadrukkelijk buiten beeld laat, is een scenario dat vertrekt vanuit de historische figuur van graaf Xavier de Grunne, de verantwoordelijke voor de volstrekt fictieve officiële versie van de feiten die de geschiedenisboeken heeft gehaald en nog al te vaak klakkeloos nagepapegaaid wordt. Omdat, wie zich in de persoon van de Grunne verdiept, onvermijdelijk een uiterst recht(s)e lijn moet trekken naar... jawel, nazi-Duitsland. Het Illuminati Complot is gebouwd op de vaststelling dat de kas van de fascistische politieke partij Rex in de jaren dertig regelmatig gespekt werd met grote sommen geld die Führer Léon Degrelle in Duitsland en Italië wist los te weken. 'Xavier de Grunne, toen nog een vooraanstaand senator van Rex, heeft verklaard dat zijn partij van 1933 tot 1936 ruim 19 miljoen Belgische frank kreeg van Italië alleen al. De eerste fondsen werden door koeriers van Mussolini overhandigd in zijn kasteel van Oppem. In 1936 richtte Degrelle zich tot de Duitse gezant in Brussel en slaagde hij er eindelijk in een ontmoeting te regelen met zijn grote idool Adolf Hitler. Dat leverde Rex niet minder dan 100.000 rijksmark op, waarvan beweerd werd dat ze bestemd waren voor pers- en propagandadoeleinden, maar in werkelijkheid wilde men daarmee een staatsgreep plegen.'

Die poging tot staatsgreep is er in dat jaar ook gekomen. Ze bezorgde Degrelle & Co. (onder wie de Vlaamse schrijver Paul De Mont, Führer van de Vlaamse vleugel van Rex) een kater van formaat, want toen het erop aankwam verkozen de militairen eerste minister Van Zeeland boven een grillige amokmaker. Nu viel de Rex-beweging van Léon Degrelle, Paul De Mont, rijkswachtkolonel Vigneron en alpinist Xavier de Grunne lang niet zo goed te rijmen met de figuur van Albert I als met deze van Leopold III die zij tot het autoritaire staatshoofd van België wilden kronen. De Grunne brak later met Degrelle en ging tijdens de Tweede Wereldoorlog in het verzet, maar dat heeft geen belang voor zijn positie in die vroege jaren dertig. 




Had de Rexist, ooit de rechterhand van Degrelle, een motief voor een cover-up? Als Rex de financiering door Hitler veilig wilde stellen, of gewoon goede maatjes wilde blijven met hun Germaanse geestesgenoten... denk ik van wel. Had Hitler dan een motief om koning Albert uit de weg te ruimen? Vies van een politieke moordaanslag in het buitenland waren de nazi's allerminst: zo zouden zij in juli 1934 de dictator van Oostenrijk neerleggen, Engelbert Dollfuss. En in oktober 1933 - een half jaar na zijn machtsovername - eiste Hitler al 'gelijkberechtiging' wat de bewapening betrof, en trok hij Duitsland terug uit de Ontwapeningsconferentie en de Volkerenbond. Albert I volgde deze gevaarlijke bocht en de breuk met de naoorlogse veiligheidsorde met argusogen. Hij was bang voor zowel een nieuw Duits militair overwicht én een nieuwe algemene wapenwedloop. Kort na zijn dood, op 6 maart 1934, hield eerste minister Charles de Broqueville een toespraak die wellicht ook de visie van Albert weerspiegelde: tegenover de razendsnelle Duitse herbewapening moest men kiezen tussen preventieve oorlog of een algemene beperking van bewapening. Het was beter te onderhandelen dan zich te laten meeslepen in een nieuwe wapenwedloop. 

De positie van België in dit alles was voor nazi-Duitsland van het allergrootste belang. Met de stem van Albert werd toen nog rekening gehouden op het politieke toneel. Voor Albert mocht neutraliteit geen papieren illusie zijn, België moest zich kunnen verdedigen. Voor zijn zoon, de latere Leopold III, betekende dit dat België zich moest losmaken uit te nauwe Frans-Britse of Frans-Belgische militaire afhankelijkheden en een strikt zelfstandige positie moest innemen. Die politiek werd in het jaar van de mislukte staatsgreep, op 14 oktober 1936, door Leopold tegenover zijn ministers verdedigd. Het moet Duitsland als muziek in de oren geklonken hebben: na 1936 leidde deze houding onder meer tot het stopzetten van officiële stafcontacten met Frankrijk. Albert I wantrouwde de herbewapening van Duitsland; voor Leopold was dat een reden om Belgische zelfstandigheid te verkiezen boven de zekerheid van een bondgenootschap. Dat lijkt me toch wel een fundamenteel verschil.
 
Is dit een bewijs? Nee, dat is het niet. Mijn hypothese houdt wel met àlle bekende factoren rekening, zonder de geschiedenis in de pure feiten geweld aan te doen, en laat niet met opzet cruciale elementen buiten beeld omdat ze niet in mijn kraam passen. Johan Op de Beeck maakt, zeer terecht, het onderscheid tussen 'een complottheorie' en 'complotdenken'. Het eerste is rationeel onderbouwd, het tweede hoeft dat niet te zijn. Maar dan moet je dit onderscheid ook toepassen op je eigen werk en in je historische fictie geen aanslag plegen op de ratio en op de feiten, om een (com)plot op te zetten dat, bij nader onderzoek, zelfs voor hardhorigen heel hard gaat rammelen.

  

Ware Misdaad: Hoe Dolly Oesterreich haar minnaar jarenlang verborg op zolder

 


MYSTERIES VAN ROODE

Er bestaan misdaadverhalen die zo onwaarschijnlijk zijn dat zelfs de meest ervaren romanschrijver ervoor terugschrikt om ze te vertellen, omdat ze zo ongeloofwaardig klinken. Toch zijn het vaak precies deze verhalen die werkelijk gebeurd zijn. De geschiedenis van de misdaad zit vol moorden, verdwijningen, oplichterijen, obsessies en complotten die de wildste verbeelding tarten. Een aantal ervan zijn zo vreemd dat ze alleen konden plaatsvinden in uw en mijn werkelijkheid...



Met Mysteries van Roode bevind ik mij opnieuw op het terrein waar ik al een heel schrijversleven vertoef: op de dunne grens tussen feit en fictie. Elke aflevering in deze reeks vertrekt vanuit een waargebeurde misdaadzaak, maar eenmaal aangekomen in Roode ondergaat die werkelijkheid een merkwaardige transformatie. Roode zul je vruchteloos zoeken op een kaart, toch is de kans groot dat je - als bewoner van de Lage Landen - het provinciestadje herkent. Want het is opgebouwd uit herinneringen, anekdotes, lokale legenden, vergeten krantenberichten en de schaduwen van tientallen echte gemeenten. Het ligt ergens tussen (ook) jouw werkelijkheid en mijn verbeelding in. Wie er eenmaal arriveert, ontdekt dat achter elke gevel een geheim schuilgaat...

Deze ingreep is niet gebeurd om de waarheid te verbergen, maar om haar zichtbaar te maken. Fictie laat ons soms scherper kijken naar de realiteit dan een letterlijk verslag ooit zou kunnen. Door afstand te creëren ontstaat ruimte voor verbeelding, ironie, tragiek en menselijkheid. Zo werd deze Mona Lisa van Roode geïnspireerd door de beruchte Amerikaanse zaak van Walburga Oesterreich, de vrouw die jarenlang haar minnaar verborgen hield op de zolder van haar woning, terwijl haar echtgenoot niets vermoedde...



Walburga Oesterreich behoort tot die zeldzame figuren uit de misdaadgeschiedenis die zo onwaarschijnlijk lijken dat men denkt: dit moet wel een romanpersonage zijn. Toch is dit verhaal van a tot z waargebeurd. Het speelde het zich af, tussen de Amerikaanse industriestad Milwaukee en het snel groeiende Los Angeles van het begin van de twintigste eeuw. Walburga – bijnaam ‘Dolly’ – was het stralende middelpunt van een geschiedenis van obsessie, seksuele afhankelijkheid, bedrog, een verborgen leven op een zolder en uiteindelijk een moord die jarenlang onopgelost bleef omdat de waarheid te ongeloofwaardig leek om waar te kunnen zijn.

Walburga Korschel werd in 1880 geboren en trouwde op jonge leeftijd met Fred Oesterreich, een welgestelde fabrikant van schorten en andere textielproducten. Hun huwelijk leek voor de buitenwereld best wel succesvol. Fred bezat een bloeiende onderneming en het echtpaar genoot een comfortabele levensstijl. Achter de gesloten deuren van hun woning ging het er echter minder harmonieus aan toe. Verschillende bronnen beschrijven Fred als een dominante, moeilijke man, terwijl Walburga bekendstond als sociaal, aantrekkelijk en niet bepaald een fan van huwelijkstrouw. Reeds vóór haar ontmoeting met Otto Sanhuber deden geruchten de ronde over buitenechtelijke affaires.

Otto verscheen ten tonele in 1913. Hij was zeventien jaar oud en werkte als hersteller van naaimachines in het bedrijf van Fred Oesterreich. Walburga was drieëndertig. Wat begon als een huisbezoek om een defecte naaimachine te herstellen, mondde uit in een seksuele relatie die de volgende zeventien jaar hun beider levens volledig zou beheersen. Volgens latere getuigenissen ontwikkelde zich tussen Otto en Walburga een intense afhankelijkheidsrelatie. Otto zou zichzelf later zelfs omschrijven als haar ‘seksslaaf’, een woord dat wellicht evenveel zegt over zijn fascinatie voor haar als over haar controle over hem.

De verhouding bracht een praktisch probleem met zich mee. Hoe kon men een minnaar verborgen houden in een tijd waarin buren elk bezoek opmerkten en een echtgenoot onverwacht kon thuiskomen? Walburga vond een oplossing die even eenvoudig als krankzinnig was. Otto verhuisde naar de zolder van het huis. Via een verborgen toegang bij de slaapkamer kon hij zich verplaatsen zonder ontdekt te worden. Jarenlang leefde hij daar als een soort vrijwillige kluizenaar. Hij beschikte over een bed, een lamp, boeken en schrijfmateriaal. Overdag hielp hij soms in het huishouden; 's nachts las en schreef hij sciencefiction verhalen. Walburga bracht hem eten en verzorgde zijn contacten met de buitenwereld. Voor de buren was hij zogenaamd een rondtrekkende halfbroer die af en toe opdook. Voor Fred bestond hij eenvoudigweg niet.

Het meest verbijsterende aspect van de zaak is wellicht niet dat Otto zich jarenlang verborg, maar dat hij dat bleef doen terwijl het echtpaar verschillende keren verhuisde. Toen de Oesterreichs in 1918 naar Los Angeles trokken, stelde Walburga zelfs als voorwaarde dat hun nieuwe woning een zolder moest hebben. Dat was in Zuid-Californië eerder uitzonderlijk. Otto reisde vooruit en installeerde zich reeds in de nieuwe woning voordat Fred en Walburga arriveerden. Zo verhuisde niet alleen het echtpaar naar een andere staat, maar ook de verstekeling, ‘de gevangene der liefde’, die officieel niet bestond.

Intussen verslechterde het huwelijk tussen Fred en Walburga verder. Op 22 augustus 1922 bereikte de spanning een hoogtepunt. Het echtpaar kwam ruziënd thuis. Op de zolder hoorde Otto de verhitte woordenwisseling. Wat er vervolgens precies gebeurde, is nooit volledig duidelijk geworden. Volgens latere verklaringen dacht Otto dat Fred zijn geliefde aanviel. Hij greep twee pistolen en kwam van de zolder naar beneden. Er ontstond een worsteling waarbij Fred werd neergeschoten. Hij stierf ter plaatse.

De twee geliefden beseften onmiddellijk dat hun levens op het spel stonden. Daarom besloten zij de scène te manipuleren. Het moest lijken alsof onbekende inbrekers het huis waren binnengedrongen. Otto nam geld en een kostbaar horloge mee om de schijn van roof te versterken. Vervolgens sloot hij Walburga op in een kast en gooide de sleutel weg. Toen de politie arriveerde, trof zij een kersverse weduwe aan die opgesloten zat en beweerde het slachtoffer te zijn geworden van een gewelddadige overval. De rechercheurs vertrouwden haar verhaal niet echt, maar slaagden er niet in een bevredigende oplossing te vinden voor het raadsel. Want hoe had een vrouw haar echtgenoot kunnen vermoorden terwijl zij zelf opgesloten zat in een kast? Zolang zij niets afwisten van Otto's aanwezigheid ontbrak de ontbrekende schakel in de puzzel.

De zaak bleef jarenlang hangen tussen verdenkingen en gebrek aan bewijs. Nog ongelooflijker is dat Otto na de moord niet vluchtte. Hij keerde gewoon terug naar de zolder en bleef daar nog acht jaar wonen. Zijn leven – men ging hem later Bat Man noemen – werd zo mogelijk nog absurder dan het al geweest was. Nu Fred dood was, hoefde Otto niet langer doodstil te zijn en kreeg hij zelfs toestemming een schrijfmachine te gebruiken. Terwijl de politie vruchteloos op zoek bleef naar de moordenaar, zat die letterlijk boven hun hoofd terwijl zij Walburga ondervroegen.

Uiteindelijk kwam de waarheid niet aan het licht door speurwerk, maar door menselijke zwakheid. Dolly maakte het te dol, zij kreeg nieuwe minnaars en één daarvan was haar advocaat Herman Shapiro. Toen deze relatie verslechterde, begonnen oude geheimen naar boven te komen. Tegelijk ontdekten onderzoekers dat Walburga jaren eerder verdachte vuurwapens had laten verdwijnen. Een pistool werd teruggevonden in de beroemde teerputten van La Brea, een ander onder een rozenstruik. De druk nam toe, Dolly werd opgesloten en vroeg haar advocaat om eens naar haar mysterieuze ‘halfbroer’ te gaan kijken, die bij haar op zolder woonde. Daar trof hij de bleke, magere Otto Sanhuber aan, die uiteindelijk zijn rol in het drama bekende.

De pers smulde van het verhaal over Dolly en haar Zolderspook. Het publiek kon nauwelijks geloven dat iemand bijna twee decennia verborgen had geleefd in de woning van zijn geliefde en het proces groeide uit tot een nationaal mediaspektakel. Toch leidde alle sensatie niet tot een duidelijke juridische overwinning. Otto werd weliswaar schuldig bevonden aan doodslag, maar omdat de verjaringstermijn inmiddels verstreken was, verliet hij de rechtszaal als een vrij man. Walburga's eigen proces eindigde met een verdeelde jury. Uiteindelijk werden de aanklachten tegen haar in 1936 definitief ingetrokken. Geen van beiden bracht ooit een dag door in de gevangenis voor de dood van Fred Oesterreich.

Wat deze zaak zo fascinerend maakt, is dat zij veel meer is dan een moordverhaal. Het is een studie van macht, afhankelijkheid en vrijwillige gevangenschap. Otto leefde jarenlang opgesloten in een ruimte die nauwelijks groter was dan een cel, maar hij bleef daar uit vrije wil. Walburga creëerde een verborgen parallel universum boven het hoofd van haar echtgenoot, die al die jaren onder hetzelfde dak leefde als zijn rivaal, zonder het te beseffen. En de politie zocht jarenlang naar een moordenaar die de crime scene nooit had verlaten…

Toen Walburga Oesterreich in 1961 stierf, liet zij een aanzienlijk vermogen na. Otto Sanhuber verdween grotendeels uit het publieke zicht. Hij had ondertussen een andere naam aangenomen en probeerde een gewoon leven op te bouwen. Maar zijn plaats in de misdaadgeschiedenis was verzekerd. Er zijn moordzaken die beroemd worden door hun geweld, andere door hun juridische gevolgen. De zaak-Oesterreich leeft voort omdat zij iets veel zeldzamers bezit: een werkelijkheid die vreemder is dan fictie…



20.4.26

Over de wie, wat, waar en wanneer van het spannende, plotgerichte verhaal



WIE IS DE PROTAGONIST? WAT IS ZIJN DRAMATISCH DOEL?

In dit artikel probeer ik de eigen inzichten rond de meer technische aspecten van het schrijversambacht mee te geven, gebaseerd op wat ik beschouw als de fundamenten van een sterke plot: ‘de 4 W’s’. Kun je een antwoord geven op vier eenvoudige vragen – ‘Wie? Wat? Waar? Wanneer?’ – dan ben je al een heel eind op weg om een spannend verhaal te schrijven. 

Wie is de Protagonist?

Wie draagt, wie drijft dit verhaal? Zonder wie zou dit verhaal niet verteld kunnen worden? Het is de allereerste vraag die je jezelf moet stellen als je een spannend verhaal wil vertellen. Het personage over wie ik het heb, is niet noodzakelijk hij of zij die het verhaal vertelt, of die het meest aan het woord of in beeld komt, en dat we doorgaans het ‘hoofdpersonage’ noemen. In de verhalen rond Sherlock Holmes, is zijn vriend en assistent dokter Watson de verteller, en is hij voortdurend aan het woord. Maar het personage zonder wie je geen verhaal zou hebben, is Sherlock Holmes. En hij is dan ook ‘de protagonist’. Want zonder Holmes, heeft Watson niets te vertellen.

De Sprechhund

Sherlock is de motor van het verhaal; de dramatische functie van dokter Watson beperkt zich meestal tot wat men in filmtermen aanduidt als ‘de Sprechhund’. Het is een personage waar de protagonist tegenaan kan praten zonder dat hij of zij verder een substantiële rol in het verhaal hoeft te krijgen. Soms kun je bepaalde informatie nu eenmaal niet kwijt vanuit een bepaald personage, en als je anderzijds ook niet wil werken vanuit het voorbijgestreefde standpunt van ‘de Alwetende Verteller’, dan ben je aangewezen op een Sprechhund om deze informatie bij de lezer te krijgen.

Sherlock Holmes is een geniale detective. Het verhaal vertellen vanuit het perspectief van Sherlock Holmes, is om diverse redenen geen goed idee: wij lezers, gezegend met een modale intelligentie, beschikken nu eenmaal niet over zijn fenomenale kennis van de meest uiteenlopende onderwerpen, noch zijn wij in staat zijn bespiegelingen en deducties te volgen. Schrijver Arthur Conan Doyle heeft zeer goed begrepen dat hij, om dit soort verhalen te vertellen, een tussenpersoon nodig had die op hetzelfde niveau staat als de lezer, en dus een trapje lager dan Sherlock Holmes. Alleen op die manier kon de auteur ervoor zorgen dat schijnbaar onoplosbare mysteries toch opgelost zouden worden, en dat dit al niet op de eerste pagina’s van het verhaal zou gebeuren, maar op de laatste – voor de stomverbaasde ogen van dokter Watson, het klankbord van Sherlock Holmes… en dus ook voor de al even verbijsterde ogen van de lezer.

Wat is het Dramatisch Doel?

Wat wil de protagonist nu bereiken? Dat is de tweede W. Wat is het ‘dramatisch doel’ van de protagonist? Ook dit is een bijzonder belangrijke vraag, die zowel gesteld kan worden op het niveau van een scène of een hoofdstuk (die elk een eigen protagonist kunnen hebben), als op het niveau van het hele verhaal of de volledige roman. Zonder een duidelijk antwoord op de vraag wat de protagonist wil bereiken, kun je geen sterk verhaal bedenken. Het is de oorsprong van de wereld die jij als auteur nu gaat scheppen.

In de verhalen waarin Sherlock Holmes de protagonist is, heeft hij steeds hetzelfde, zeer duidelijke dramatisch doel: hij wil het mysterie ontsluieren. Helemaal op het eind van het verhaal komen we te weten of hij daarin geslaagd is. Als je Sherlock Holmes heet, slaag je daar natuurlijk altijd in, maar wat zijn verhalen zo boeiend maakt – en wat op het eind ook voor de verrassende wending of een ‘Aha Erlebnis’ zorgt – is de manier waarop hij er nu weer in geslaagd is. Hoe heeft Sherlock Holmes deze keer afgerekend met het Probleem?

Het conflict met Antagonist of Antagonisme

Een protagonist is geen protagonist zonder antagonist of antagonisme, met wie hij of zij af te rekenen krijgt: iets of iemand met een tegengesteld dramatisch doel. De antagonist of het antagonisme zal alles in het werk stellen om te verhinderen dat de protagonist zijn of haar dramatisch doel bereikt. Hij/zij/het zal obstakels en problemen creëren en die op het pad van de protagonist leggen, dat leidt naar het dramatisch doel. Wij als lezer willen vervolgens meemaken hoe de protagonist hiermee afrekent, hoe de problemen worden opgelost.

Zonder antagonist geen conflict, en zonder conflict geen verhaal… want anders zou de protagonist recht op zijn dramatisch doel afgaan en komen we binnen de kortste keren te weten of hij/zij wint of verliest. En dat is niet interessant.

De antagonist kan een personage zijn (bij Sherlock Holmes is het de misdadiger), maar bijzonder interessant kan ook een antagonisme zijn dat in de protagonist zelf zit. Zo zou de verslaving van Sherlock Holmes aan morfine of cocaïne het hem wel eens extra lastig kunnen maken om zijn doel te bereiken. En de film Vertigo (1958) van Alfred Hitchcock, gebaseerd op de roman D’entre les morts van Pierre Boileau en Thomas Narcejac, is voor een groot deel gebouwd op een interne spanning en dito conflict. De protagonist heeft namelijk hoogtevrees, en zonder dit ‘intiem’ antagonisme dat de film ook zijn titel heeft gegeven, zou het verhaal nooit een klassieker geworden zijn.

ZEG ME: WAAR & WANNEER?

‘Waar’ en ‘Wanneer’ hoeven niet altijd een grote rol te spelen in je verhaal, maar kunnen even goed allesbepalend zijn. En voordat je begint te schrijven, kan het nooit kwaad jezelf de vraag ‘Waar en Wanneer?’ te stellen. Integendeel.

Waar speelt het verhaal zich af?

De vraag waar het verhaal of een scène in dat verhaal zich afspeelt, heeft een grote invloed op wat je kan vertellen, en hoe je dat moet doen. Je dient de lezer immers mee te nemen naar een interessante plek, en die lezer moet goed beseffen waar hij zich bevindt. In de wondere wereld der film- en televisiescenaristen spreekt men in dat verband over ‘de arena’. Dat kan een plaats zijn, een stad of een land – maar ook bijvoorbeeld ‘het milieu’ waarin het verhaal zich afspeelt, een familie, een vriendengroep. Een scène in een scenario begint niet voor niets altijd met het nummer van die scène, gevolgd door de aanduiding ‘INT’ (van ‘interieur’ – de scène speelt zich binnen af) of ‘EXT’ (van ‘exterieur’ – de scène speelt zich buiten af), gevolgd door de plaats van de handeling.

Soms kan het antwoord op de vraag klinken als: ‘In het hoofd van de protagonist.’ In zijn of haar verbeelding, met andere woorden. Dit vertelperspectief zal de scène niet alleen op het gebied van de inhoud, maar ook qua vorm en stijl heel sterk kleuren. We spreken dan over een ‘innerlijke monoloog’, een monologue intérieur of een stream of consciousness.

Ieder hoofdstuk en zelfs iedere scène kan uiteraard een andere arena hebben, zoals je hele roman ook een arena kan hebben, die heel erg bepalend is voor je verhaal. Je zult maar jood zijn in het Duitsland van de jaren dertig of veertig. Romeo en Julia van William Shakespeare speelt zich af in een geografische arena (de stad Verona), maar belangrijker dan dat is het milieu waarin de protagonisten zijn geboren en opgegroeid: de families Montague en Capulet, die het niet met elkaar kunnen vinden. Zonder dit ‘Waar?’ zou er geen verhaal geweest zijn, want zonder rivaliserende clans was er geen conflict geweest, en zouden beide protagonisten hun dramatisch doel – met elkaar in het huwelijksbootje stappen – binnen de kortste keren gerealiseerd hebben. De W van Waar levert hier het antagonisme op, waarmee de protagonisten af te rekenen krijgen. Je kunt de geografische Waar makkelijk veranderen, zolang je er maar voor zorgt dat de protagonisten in rivaliserende milieus blijven evolueren. Dat is ook precies wat de makers van West Side Story gedaan hebben, en wat Shakespeare zelf voortdurend deed.

Wanneer speelt het verhaal zich af?

‘Je zult maar jood zijn in het Duitsland van de jaren dertig of veertig.’ Soms heb je geen verhaal meer als de historische periode verandert, waarmee de W van Wanneer wordt ingevuld. In het Duitsland van de jaren vijftig heb je als jood geen levensbedreigend probleem meer, en als schrijver geen verhaal – tenzij je het over de verwerking van het conflict wil hebben. Een mooi voorbeeld hiervan is Sophie’s Choice, het boek van William Styron, grandioos verfilmd met een superbe Meryl Streep.

De W van Wanneer heeft, net als de W van Waar, een grote invloed op het vertelperspectief. Het verhaal dat verteld wordt in Sophie’s Choice speelt zich af kort na de Tweede Wereldoorlog, en dus ook kort nadat de gebeurtenissen zich hebben voltrokken die heel haar leven hebben veranderd, en die de titel verklaren. Sophie draagt een gruwelijk geheim met zich mee, en het dramatisch doel van protagonist Stingo – de ik-verteller, een jonge schrijver – zal zijn: dit geheim te ontsluieren. Zijn doel wordt ook het doel van de lezer, want wij willen allemaal te weten komen wat Sophie zo heeft getekend.

Maar de W van Wanneer krijgt nog een andere, en zelfs belangrijker invulling, omdat jij als auteur het beste moment moet kiezen waarop je het verhaal begint te vertellen. Sophie’s Choice zou – dramatisch – nooit zo sterk geweest zijn als William Styron ervoor had gekozen het verhaal te vertellen tijdens de Tweede Wereldoorlog, terwijl de ‘dramatische’ gebeurtenissen zich voltrokken. De verhaalstof blijft dezelfde, maar het perspectief in de tijd verandert. Het zijn dit soort op het eerste gezicht kleine ingrepen die een ‘echte schrijver’ onderscheiden van ‘iemand die toch wel een ongelooflijk en waar gebeurd verhaal te vertellen heeft waar je een heel boek mee kunt vullen’. Een schrijver ‘arrangeert’ de verhaalstof met het oog op een maximaal effect, zowel in ruimte als in tijd.

Kruip je bij de Wie en de Wat als een acteur in het hoofd, in het hart en in de huid van je personages, dan ga je met de Waar en Wanneer de te beschrijven scènes ook echt ensceneren en regisseren – als een heuse regisseur, jawel. Voordat een auteur zich aan het schrijven zet, dient hij of zij zich niet alleen af te vragen of hij zijn verhaal best in de tegenwoordige, dan wel in de verleden tijd zal vertellen, maar ook of hij zijn verhaal zou vertellen terwijl de gebeurtenissen zich voltrekken, of achteraf – als alles al achter de rug is. Vertellen is vaak in de eerste plaats een kwestie van ‘perceptie’ creëren, van perspectief – van het doseren van informatie, van ‘belichting’, van dingen zo lang mogelijk achterhouden, van vragen oproepen en de antwoorden uitstellen (= wat Hitchcock ‘suspense’ noemde).

Wat is er voor je personages allemaal voorafgegaan aan het moment waarop je het verhaal begint te vertellen? Wat hebben ze al meegemaakt? Televisie- en filmscenaristen gebruiken in dit verband de term backstory – en schrijven zelfs het hele verleden van hun personages gedetailleerd uit. Het zal de acteurs helpen in hun huid te kruipen; het kan jou als schrijver helpen om personages van vlees en bloed te creëren.




DE  REGEL VAN DRIE: VERHALEN MET EEN BEGIN, EEN MIDDEN EN EEN SLOT 

Van erg groot belang voor een goed gestructureerd, plotgericht verhaal is de Regel van Drie. Een goed verhaal heeft een begin, een midden en een slot. Dat lijkt nogal wiedes… en dat is het ook. Maar toch zondigen we hier vaak tegen.

In het begin van je verhaal, zo snel mogelijk eigenlijk, moet je duidelijk maken wie je hoofdpersonage is, wat zijn/haar doel is, waar het verhaal zich afspeelt en wanneer het zich afspeelt. Dit noemen we ‘het opzet’. Vergeet je één van de 4 WS’s duidelijk te maken in het eerste deel van je verhaal, dan is de kans groot dat je later in de problemen komt.

Het einde van Akt I (Opzet) en het begin van Akt II (Ontwikkeling) worden gemarkeerd door wat Aristoteles een ‘motorisch moment’ noemt, of een 'beginincident'. Er gebeurt iets, of de protagonist onderneemt iets, dat de hele story in beweging zet. De 4 W’s dienen op dat moment ‘opgezet’ te zijn.

Wat je ‘opgezet’ hebt in het eerste deel van je verhaal, ga je in het middendeel ‘ontwikkelen’. Je kunt nu tonen met welke problemen en obstakels de protagonist te maken krijgt op zijn weg naar het doel. Ben je iets vergeten op te zetten dat met de vier W’s te maken heeft, en moet je het hier nog snel-snel vermelden, dan maak je een zware vertelfout. Men noemt dat een ‘deus ex machina’, ‘een god uit de machine’. Als de toneelschrijvers uit de oudheid zich zodanig in de knoei hadden gewerkt dat ze er echt niet meer uit raakten, voerden zij een god ten tonele die het allemaal in een handomdraai oploste, net voor het einde van het stuk. Die god kwam vaak met een heus klank- en lichtspel en enige rookontwikkeling tevoorschijn uit een heuse machine, vandaar: ‘de god uit de machine’.

De Ontwikkeling (Akt II) eindigt met een dramatisch hoogtepunt, het ergste wat de protagonist kan overkomen. Hij of zij staat met de rug tegen de muur, alles lijkt verloren. Je strafste conflictsituatie bewaar je dus voor het eind, en laat je niet al in het midden van je verhaal los op de lezer.

Al wat je opgezet hebt in het begin en al wat je ontwikkeld hebt in het middendeel moet je in het slot nu alleen nog ‘afwikkelen’ (Akt III). Wie wint er, wie verliest er? Hoe loopt het af? Vergeet je iets te ontwikkelen dat je wel opgezet hebt, of vergeet je iets af te wikkelen dat je eerder ontwikkeld hebt, dan gaat je publiek opmerken dat je allerlei losse draadjes hebt laten slingeren… en dat vindt men doorgaans niet zo leuk.

Als je een eerste versie van je verhaal rond hebt – of beter nog: als je een schema maakt van je roman – kan het nooit kwaad te checken of je in het opzet wel degelijk alles opgezet hebt wat je wil ontwikkelen, en of je in het slot alles afwikkelt wat je hebt ontwikkeld.




In elke goede synopsis - en welke uitgever vraagt er geen? - worden de 4 W's en de 3 Akten verwerkt in een vlot lezende, verhalende tekst. Het zijn de onmisbare bouwstenen van je verhaal, die zich even goed laten toepassen op non-fictie: want wie ben jij en wat wil jij duidelijk maken in een essay, waarin je eerst het probleem ontvouwt, vervolgens je argumentatie ontwikkelt, en ten slotte tot een conclusie komt? Een keigoeie synopsis of een dito concept is ook belangrijk als jij de Prozaïsche Scriptomaan van 2027 wil worden.  

Podcast Luisterboeken