21.6.06

De Mythe van de Rechtvaardige Rechters 4 (John Flanders/Jean Ray & Monsieur Arsène)





HOOFDSTUK 1

JOHN FLANDERS: EEN KORTE BIOGRAFIE



Raymond Jean-Marie De Kremer werd op 8 juli 1887 geboren te Gent, als de zoon van een spoorbeambte, werkzaam in de Gentse haven, en van een onderwijzeres. Zijn moeder was niemand minder dan Marie-Thérèse Anseele, de zuster van de beroemde socialistische voorman Edward Anseele. Het gezin betrok een herenhuis in de Ham, een lange donkere straat in de wijk Sint Jacob. De opvoeding van Raymond en zijn drie jaar oudere zus Elvire werd toevertrouwd aan het bijgelovige dienstmeisje Elodie, die de kwajongen allerlei spannende en fascinerende verhalen vertelde, over de Duivel, om maar iemand te noemen.
De belhamel Raymond wordt de schrik van alle leerkrachten, tot hij in de klas van Michel Thiery terechtkomt - zijn zoon zal later bekendheid verwerven als schrijver onder het pseudoniem Johan Daisne -, waar hij diep getroffen wordt door de zachtmoedigheid en eruditie van deze 'meester'. Via zijn onderwijzers leert de kleine Raymond de bibliotheek van het Willemsfonds kennen en de werken van Karl May en Hendrik Conscience. Na schooltijd zwerft hij met zijn kameraden door de donkere en sinistere stegen van de Ham, die door hun verbeelding bevolkt worden met heksen en watergeesten. Het speelterrein van de wilde bende strekt zich uit van de Vrijdagmarkt tot de dokken, waar ze naar de namen van aangemeerde schepen raden. Ze luisteren naar de spookverhalen die van mond tot mond gaan, bezoeken het marionettentheater van Tone Antroes of verslinden 'zantjeswale', de vroege voorlopers van de stripverhalen.
In 1901 wordt Raymond door zijn ouders naar de Rijksmiddelbare School in het Waalse Pecq gestuurd, om er zijn kennis van het Frans bij te spijkeren. Heimwee, eenzaamheid en verveling doen hem vluchten in zijn eigen verbeelding. Twee jaar later behaalt hij het getuigschrift voor het derde jaar middelbaar onderwijs en in 1903 volgt hij de lessen aan het Koninklijk Atheneum van de Ottogracht te Gent, waar hij een eerste prijs Nederlands en lichamelijke opvoeding behaalt. Op zeventienjarige leeftijd publiceert hij zijn eerste griezelverhalen in een Vlaams studententijdschrift, maar op aandringen van zijn omgeving geeft hij het studeren aan de Rijksnormaalschool voorrang op het schrijven. Daar zakt hij echter tot twee maal toe, zodat hij weer tijd krijgt om te schrijven. In de almanak van de Gentse vrijzinnige studentenvereniging 't Zal wel gaan publiceert hij gedichten en een verhaal. Als het grote succes uitblijft, besluit hij zijn geluk te beproeven in Parijs, maar ook de lichtstad zal hij ontgoocheld de rug toekeren.
Dan komt Raymond De Kremer in contact met het Gentse theatermilieu, begint hij liedjesteksten te schrijven en leert hij tijdens de première van een revue de Brusselse actrice Nini Balta kennen, alias Virginie Bal. Zij sterkt hem in de overtuiging dat een schrijver in hem woont, maar de familie Anseele - zijn oom Edward zetelt in de Gentse gemeenteraad - dringt hem een baan bij het stadsbestuur op. Telkens Raymond De Kremer een doktersattest aflevert op kantoor, mag je er donder op zeggen dat één van de revues van Jean Ray in première gaat, het pseudoniem van de jonge Gentenaar heeft gekozen.
In 1912 trouwt de vierentwintigjarige auteur met de vier jaar oudere revuester en gaan zij wonen aan de Zondernaamstraat te Gent. Jean Ray krijgt enkele vaste kronieken in een maandblad en wanneer Gent in 1913 internationale belangstelling geniet voor de organisatie van de wereldtentoonstelling en de daarmee gepaard gaande financiële kater, is dat een dankbaar onderwerp voor weer een nieuwe revue. In dat jaar krijgen Raymond en Virginie ook een dochtertje: Lucienne, die Lulu zal genoemd worden.
Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog wordt Raymond opgeroepen als korporaal bij de Burgerwacht en raakt hij gewond. Tijdens de bezetting wordt hij tewerkgesteld in het Expeditiebureau van de stad en bij de Dienst Opeisingen, waar hij logies moet zoeken voor Duitse officieren. Zijn vader sterft na een langdurige ziekte en wegens de oorlogsomstandigheden schrijft hij slechts twee revues, die allebei worden opgevoerd in de Minardschouwburg. Na de Wapenstilstand kent Pinnen af!, waarvoor Henri Van Daele de muziek schrijft, een enorm succes: verscheidene vertoningen in de Minard, meer dan 500 voorstellingen in de belangrijkste Belgische steden.
Het tweetal, soms bijgestaan door Nini Balta, gaat nog een tijdje op hetzelfde élan door, maar dan meent Raymond De Kremer - niet geheel ten onrechte - dat de nog jonge filmkunst het medium van de toekomst is en gaat hij een tweetalig filmtijdschrift uitgeven. Hij zegt zijn baan bij het Gentse stadsbestuur op, gebruikt de advertentieruimte van zijn filmblad om publiciteit te maken voor zijn theaterstukken en publiceert enige verhalen in zijn eigen Ciné en in een paar andere bladen. Na nauwelijks een half jaar wordt het filmtijdschrift echter opgedoekt, omdat de publieke belangstelling ondermaats blijkt.
De bekende Gentenaar Jean Ray gaat nu werken bij de Gentse wisselagent August Van den Bogaerde en wordt ook redacteur van het liberale dagblad Journal de Gand - Echo des Flandres, waarin hij benevens een theaterrubriek en een 'chronique fantaisiste' literatuurrecensies pleegt en zijn eigen verhalen publiceert. Wanneer de krant van de markt wordt gehaald, zal hij ongeveer hetzelfde doen in het tweemaandelijks tijdschrift van dezelfde eigenaar, L'Ami du Livre. In 1925 verschijnt zijn eerste verhalenbundel, Les Contes du Whisky, bij een Brusselse uitgeverij. Het boek wordt dadelijk enthousiast ontvangen.
Op literair en financieel gebied gaat het Raymond De Kremer voor de wind. Hij huurt regelmatig een automobiel met chauffeur, organiseert picknicks voor de familie Anseele en jachtpartijen voor de vrienden, verblijft tijdens de weekends bij voorkeur met zijn gezin aan het Noordzeestrand en haalt uit de stoere verhalen van de vissers die hij daar treft inspiratie voor steeds nieuwe verhalen. Maar drie jaar voor de beruchte crach van Wall Street en het begin van de economische recessie, komt er voor Jean Ray een einde aan het sprookje.
Samen met wisselagent Van den Bogaerde wordt hij aangehouden, op verdenking van misbruik van vertrouwen. Zij zouden grote geldsommen van cliënten achterover hebben gedrukt. Gedurende de hele maand maart van het jaar 1926 gonst het in Gent van de geruchten over de omvang van de fraude en de wijze waarop het geld zou zijn beseed. De kranten maken zelfs gewag van alcoholsmokkel, door Jean Ray georganiseerd, van Europa naar de Verenigde Staten, in het kader van de Drooglegging. Het gezin verhuist naar een kleine woning aan de Albertkaai en om de eindjes aan elkaar te knopen, moet de actrice Nini Balta gaan werken als naaister.
Op 10 januari 1927 komt het proces Van den Bogaerde versus Raymond De Kremer voor de correctionele rechtbank van Gent. Volgens de openbare aanklager is Jean Ray een sluwe zwendelaar die de naam van zijn oom, minister Anseele, heeft misbruikt om het vertrouwen te winnen van goedgelovige, welgestelde burgers, en hun spaarcenten - driekwart miljoen frank - te beleggen in frivole uitstapjes. Op 20 januari 1927 wordt Raymond De Kremer veroordeeld tot een effectieve gevangenisstraf van zes jaar en zes maanden en een boete van 1350 frank; zijn werkgever krijgt een straf van vijf jaar en een boete van 300 frank. De precieze toedracht van de feiten is nooit erg duidelijk geweest, maar één ding staat vast: Jean Ray is een gebroken man.
Zoals weleer in tijden van eenzaamheid, zoekt hij zijn toevlucht in de fantasie en de literatuur. In zijn cel schrijft hij enkele van zijn beste verhalen, die later voor het grootste deel zullen verschijnen in La Revue Belge, onder een ander pseudoniem evenwel, want de naam Jean Ray is voorlopig verbrand. Raymond De Kremer kiest voor John Flanders, naar de heldin Moll Flanders uit de gelijknamige roman van Daniel Defoe. Onder de schuilnaam John Flanders publiceert hij ook in het weekblad Ons Land, dat niet op de hoogte is van de ware identiteit van de auteur.
Op 1 februari 1929 wordt Raymond De Kremer vervroegd vrijgelaten. Zijn losse bijdragen voor beide bladen leveren niet genoeg geld op, zodat hij genoodzaakt wordt contact te zoeken met uitgeverijen die reeksen publiceren. Vanaf 1931 begint John Flanders mee te werken aan de jeugdreeks Vlaamsche Filmkens van de Goede Pers te Averbode; in totaal zal hij in deze serie 'van de paters' 150 verhalen publiceren. Tegelijk begint John Flanders voor een Amsterdamse uitgever de avonturen van Harry Dickson, de Amerikaanse Sherlock Holmes te vertalen in het Frans. Uiteindelijk zal hij de verhalen echter helemaal zelf gaan schrijven, aangezien hij de oorspronkelijke stukken niet zo best vindt. Voor de uitgever is dit in orde, als hij maar rekening houdt met de kaftillustraties van Alfred Raloff. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog wordt deze reeks na 178 nummers stopgezet.
Eind 1931 durft John Flanders het opnieuw aan onder zijn oorspronkelijke pseudoniem een verhalenbundel te publiceren: La Croisière des Ombres bevat enige van zijn beste verhalen, voor het grootste deel ontstaan tijdens zijn verblijf in de cel. Het nieuwe boek van Jean Ray wordt door de pers en het publiek echter straal genegeerd.
Vanaf 1933 begint Raymond De Kremer opnieuw te werken voor een paar kranten. In het Gentse katholieke dagblad Le Bien Public schrijft hij over het dagelijkse leven in de stad, over zijn jeugdherinneringen en over dramatische gebeurtenissen als de dood van koning Albert I, in februari 1934. In dat jaar kan hij ook aan de slag als reporter voor de regio Gent bij het 'onpartijdige morgenblad in woord en beeld', De Dag. Daarin schrijft hij niet alleen nostalgische artikels neer over het Gent van rond de eeuwwisseling, maar wordt hij de specialist van de sensationele berichtgeving, met onder meer zijn verslagen van enkele opzienbarende moordzaken... en zijn reeks reportages over de roof van de Rechtvaardige Rechters uit de Sint Baafs. John Flanders zal aan De Dag verbonden blijven tot 1943, wanneer het blad in een steeds duidelijker collaborerend vaarwater verzeild geraakt.
In de jaren dertig kent John Flanders successen in het buitenland met de publikatie van verhalen in Amerikaanse tijdschriften als Weird Tales en Terror Tales, maar voor het jeugdige publiek in België is hij stilaan een begrip geworden. Hij begint nu ook verhalen te leveren voor de Franstalige tegenhanger van de Vlaamsche Filmkens en publiceert een eerste avonturenroman voor de jeugd: de klassieker Spoken op de ruwe heide uit 1935. Zijn eerste Franstalige jeugdroman verschijnt het jaar nadien.
In 1936 staat hij aan de wieg van het Vlaamse jeugdtijdschrift Bravo!, dat naast Amerikaanse strips als Felix de kat of Stormer Gordon ook ontelbare bijdragen zal brengen van tientallen schuilnamen, waarachter steeds weer Raymond De Kremer verborgen gaat. Samen met de bekende Vlaamse expressionist Frits Van den Berghe verzorgt John Flanders een stipversie van Edmund Bell, de jonge detective. In die periode krijgt hij ook een aantal zware emotionele klappen te verwerken: de dood van zijn moeder, van zijn vriend Frits Van den Berghe en ten slotte ook van zijn zus Elvire, in 1939. Het enige lichtpunt in die dagen is de hereniging met zijn gezin, waarmee hij na zijn arrestatie nog slechts sporadisch contact heeft gehad.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog maakt John Flanders/Jean Ray deel uit van het Brusselse schrijverscollectief annex uitgeverij Les Auteurs Associés. Hij besluit opnieuw zijn oude pseudoniem te hanteren en publiceert bij het collectief de bundels Le Grand Nocturne, Les Cercles de l'épouvante en Les Derniers contes de Canterbury. Bij dezelfde uitgeverij verschijnt ook de roman La Cité de l'indicible peur en zijn meesterwerk, dat algemeen wordt beschouwd als een hoogtepunt in de internationale fantastische literatuur, de roman Malpertuis (1943). Op dat ogenblik blijft erkenning echter nog uit.
Na de oorlog introduceert Averbode de naam John Flanders in de kindertijdschriften Zonneland en Petits Belges, waarvoor hij korte verhalen, feuilletons en stripscenario's schrijft. Tegelijk publiceert hij bij deze uitgeverij enkele jeugdromans, waaronder de klassieker Geheimen van het noorden uit 1948. In die periode werkt John Flanders ook mee aan de jeugdbladen Kuifje (Tintin), Mickey Magazine, 't Kapoentje, Ons Volkske en Pat. De kranten Het Volk en De Nieuwe Gids zijn eveneens gretige afnemers van zijn verhalen en artikels.
Een eerste stap naar internationale erkenning voor zijn werk, wordt gezet door de Franse cineast Roland Stragliati, die na een mislukte poging om La Cité de l'indicible peur te verfilmen, het werk van Jean Ray onder de aandacht brengt van de Franse tijdschriften Mystère Magazine en Fiction. Op die manier belandt de roman Malpertuis ten slotte bij de Parijse uitgever Denoël, die een herdruk van dit meesterwerk brengt in 1955. Het literaire succes wordt overschaduwd door de dood van zijn echtgenote Virginie Bal, maar daarna staat er voor Jean Ray geen maat meer op de roem in Frankrijk.
Het blad Audace bekroont één van zijn verhalen als het beste van het jaar 1956, interviews op radio en televisie volgen elkaar op, in 1961 verschijnt Les 25 meilleures historires noires et fantastiques van Jean Ray bij de Franse uitgeverij Gérard, die onder meer ook Malpertuis opnieuw op de markt brengt. Met de hulp van Jean Ray krijgt zijn vriend, de toneelauteur Michel de Ghelderode, literair eerherstel. In 1963 wordt aan Jean Ray Le Prix des Bouquinistes toegekend te Parijs en enige tijd later verschijnt bij Robert Laffont het eerste deel van zijn Oeuvres complètes. In eigen land wordt Jean Ray nu ook gevierd door diverse verenigingen en door een opvoering van het Ballert van de Twintigste Eeuw, gebaseerd op een verhaal van Jean Ray, in de Koninklijke Muntschouwburg.
Op dat ogenblik is de auteur echter al ernstig ziek. Hij overlijdt op 17 september 1964 te Gent. Zijn omvangrijke werk onder diverse pseudoniemen wordt na zijn dood door verschillende uitgeverijen gepubliceerd, herdrukt en vertaald in het Spaans, Italiaans, Portugees, Duits en Engels. Striptekenaars creëren hun versie van Harry Dickson en Edmund Bell; filmregisseurs laten zich inspireren door zijn boeken: Jean-Pierre Mocky door La Cité de l'indicible peur en Harry Kümel door Malpertuis (1972)...




HOOFDSTUK 2

JOHN F. EN HET MYSTERIE VAN DE VERDWENEN RECHTERS



Ik ben zo diep op de biografie van John Flanders/Jean Ray ingegaan, omdat de auteur een belangrijke rol heeft gespeeld in de groei van de mythe die de Rechtvaardige Rechters geworden zijn. Dat kan bezwaarlijk anders wanneer een mythenmaker als John Flanders of Jean Ray, eminent kenner en beoefenaar van zowel het fantastische als het detective-genre, zich met een zo mysterieuze zaak als de Rechtvaardige Rechters gaat bemoeien.
Als u bovendien weet dat hij ook zijn eigen biografie een mythisch tintje durfde verlenen, hebt u meteen een tweede goeie reden bij de hand. Zo zou hij niet alleen aan de kost gekomen zijn als piraat en dranksmokkelaar tijdens de Drooglegging - zijn verblijf in de cel had in werkelijkheid een veel prozaïscher oorzaak -, maar ging hij ook regelmatig op wandel in 'de vierde dimensie' en beweerde hij in interviews dat zijn grootmoeder een Indiaanse was.
Zijn échte biografie zal voor een correcte interpretatie van wat volgt trouwens niet van belang verstoken zijn. Van mei tot september 1935 schreef een zekere John F. immers zijn visie op de roof van de Rechters neer in een reeks van negentien reportages, voor de krant De Dag. Waar ik mij voor wat zijn biografie betrof voornamelijk heb verlaten op de catalogus bij de tentoonstelling over leven en werk van John Flanders/Jean Ray, Leven in de vierde dimensie (1994), baseer ik mij voor de Dag-reportages van John F. voornamelijk op een serie van zes artikelen die journalist Rik Clément schreef over 'Reporter John F. en het Lam Gods', en die verschenen in de herfst van 1987 in de krant Het Volk.
'Arsène Goedertier... Koster, bankier, politieker, schilder en kerkdief...' vertelt John F. in zijn gekende stijl. 'Het was een geheimzinnige vogel. Hij was heel dikwijls 's nachts op de baan. Hoe meer ge de menschen uithoort, hoe meer dit personnage onder dit daglicht verschijnt: geldzuchtig, voor niets terugdeinzend als het hem maar geld opbracht. De ware God van dien kerkdienaar scheen het eeuwig gouden kalf te wezen. Hij kende de nalatigheden van kerkbedienden, hij wist dat er geen gemakkelijkere schuilplaats bestaat voor een dief dan een kerk, dat de kerkfabriek al het mogelijke zou doen om weer in 't bezit te komen van het kunstwerk, dat de kerkoverheid zwijgen kan als het moet...'
En verder:

Arsène Goedertier ofte Arsène Lupin, gentleman-detekDIEF, dat klinkt heel voornaam. En als men nu weet dat de fictieve Arsène talloze welgelukte boevenstreken op zijn kerfstok had, vooral een meester was in 't weggappen van vermaarde kunstschatten, dat hij nooit gesnapt werd... dan moest dat de ware Arsène zoo aangenaam als bemoedigend voorkomen. Want Maurice Leblanc's ingebeelde held ging ongeveer te werk als hij, toen hij in 't bezit van een gestolen kunstwerk er geld uit wilde slaan...
De suggestie van enkelen uitgaand, dat Goedertier een soort detektief zou geweest zijn, die voor eigen rekening op zoek ging naar het paneel, het ontdekte, of beter de dieven ontdekte, en alsdan hun afgezant werd, is tamelijk verleidelijk, maar tevens te fantastisch. De koster-bankier-detektief las graag detektief-romans, en we weten maar al te best dat de schrijvers dezer romans zelf dikwijls den bal missloegen als ze persoonlijk wilden optreden in de plaats hunner ingebeelde helden: zoo Conan Doyle, zoo Simenon. Hartstochtelijke lezers der huidige politie-verhalen, zijn nutteloze Don Quichots als ze als detektief fungeeren willen. En wat de romanmethode betreft, ze is onaanwendbaar voor de doorslaande reden dat zulke verhalen niet van A tot Z worden geschreven, maar van Z tot A: de auteur begint steeds met het einde ervan neer te pennen.
De sensatielektuur van den Wetterschen Arsène Lupin heeft wel geen detektief van hem kunnen maken, maar een tamelijk goed ingelicht mensch inzake van merkwaardige verhelingen. Het ware interessant de bibliotheek van Arsène eens goed te doorlopen. Het zou de eerste maal niet zijn dat de recherche de sleuter eener misdaad op de boekenplank heeft gevonden, want de politie-verhalen hebben nooit detektieven gevormd, maar wel misdadigers. Er zijn verscheidene dezer werken die, inzake kunstdiefstallen, ware aanduidingen geven...

In zijn reportages neemt de fantasie van reporter John F. nogal eens een loopje met de werkelijkheid, maar even vaak slaat hij nagels met koppen. John F. was de eerste die de thesis lanceerde dat dat Arseen Goedertier voor één en ander misschien inspiratie had gevonden in detective-romans, en hij bleef zeer uitdrukkelijk stilstaan bij de romans rond de geniale gentleman-gangster Arsène Lupin. De autoriteiten - en dan meer bepaald de Duitse bezetter, in de persoon van de intelligente en vasthoudende Oberleutnant Koehn - zouden pas tien jaar na de feiten op het idee komen de bibliotheek van Arseen Goedertier eens aan een nader onderzoek te onderwerpen. Toen bleek dat Goedertier, zoals John F. het al had gesuggereerd, wel degelijk een fervent lezer was van de romans van Maurice Leblanc. Volgens sommigen zou hij zelfs een bijzondere belangstelling gekoesterd hebben voor de roman L'aiguille creuse, oftewel 'de holle naald', in het Nederlands vertaald als Het geheim van Arsène Lupin (Het Spectrum).
John F., als schrijver én lezer van detective-story's, was ook één van de eersten om te stellen dat Goedertier onmogelijk alleen kon hebben gehandeld. Een hypothese die slechts schoorvoetend werd bijgetreden door commissaris Mortier, maar die nu algemeen aanvaard wordt. Naast deze onmiskenbaar belangwekkende opmerkingen, laat John F. zich echter ook regelmatig meeslepen door zijn verbeelding, bijvoorbeeld wanneer hij vertelt dat Goedertier zelfs bij slecht weer en bij het invallen van de nacht nog 'de doodenakkers doorwandelde'. En daar de gedachte aan verbindt dat 'het geheim van het gestolen paneel' wel eens 'het geheim van den grafkelder' zou kunnen worden.
Op 12 juni 1935 publiceert John F. een geruchtmakend artikel, waarin hij suggereert dat kanunnik Van den Gheyn, de man die verantwoordelijk was voor het onschatbare Lam Gods, op één of andere manier medeplichtig zou geweest zijn aan de diefstal. Kanunnik Van den Gheyn speelde inderdaad een vreemde rol in de hele affaire. Nadat men de deuren van de Sint Baafs 's ochtends al enkele malen geopend had gevonden, en nadat men een anonieme tip gekregen had dat er 'iets' beraamd werd met het Lam Gods, waren de dieven er toch maar mooi in geslaagd zonder noemenswaardige moeilijkheden de Rechtvaardige Rechters te ontvoeren. Bovendien legde Van den Gheyn dadelijk na de diefstal verklaringen af aan de pers, waaruit men eventueel kon opmaken dat hij meer wist over de hele affaire. Hij had het bijvoorbeeld al meteen over een 'chantage', terwijl op dat ogenblik nog geen afpersingsbrieven waren ontvangen.
Wat de opmerkingen van John F. betreft over de stokken die Van den Gheyn in de wielen van het gerecht zou hebben gestoken... die dienen we toch met een korreltje zout te nemen. Om een duistere reden had de arme kanunnik het nu eenmaal verkorven bij John F., en dat zou hij geweten hebben!

Een hooggeplaatst kerkelijk dienaar heeft zich maandenlang bij den neus laten leiden door den heiligschenner Goedertier. Hij heeft stokken in het wiel gestoken van het gerecht, uit louter schrik het paneel te verliezen, hij heeft de pers voor den aap gehouden. Alsdan heeft hij zich in wanhoop naar O.L. Vrouw van Lourdes gekeerd om, door een mirakel, de teruggave te bewerken van het gestolen luik. Het is pover en de vaardigheid onzer geestelijkheid staat op het spel. Maar met een greintje gezond verstand, gepaard met een beetje eerbied voor het gerecht der menschen, ware niet alleen het luik teruggevonden geworden, maar ware zelfs de dief zijn aardsche straf niet ontloopen.
Dit alles maakt dat de reporter zich de taak niet vergemakkelijkt ziet, als hij met hare Overheden (van de Kerk) te doen heeft. 't Liefst wordt daar gezwegen over de zaak van 't gestolen luik in 't algemeen en over de zaak Arsène Goedertier in 't bijzonder... Sinds enigen tijd schijnt het ons toe dat wij met ijle woordjes worden afgescheept. Is dat pure inbeelding of hangt er werkelijk iets in de lucht? De onthullingen in de zaak Goedertier zijn plots stopgezet geweest. De reporters zoeken in hun eentje, heel filosofisch bij zich zelven de oude spreuk herhalend 'wie zoekt vindt'.

Zijn artikel van 23 juni besluit John F. als volgt: 'Misschien staat ergens een doodgewoon meubel in een hoek, een meubel dat een fortuin waard is, voor wie 't goed onderzoekt...' Veel heeft hij op dat ogenblik blijkbaar niet te melden. Maar op 27 juli is het weer prijs. Dan beschrijft John F. hoe hij enkele dagen voordien een raadselachtige postkaart ontving met de tekst:

Den heer John F.
redakteur 'De Dag'
Clementinalaan 62
Gent

Het komiteit van De vrienden van het Museum, Mijnheer, bidt Donderdag 25 juli om 5 uur aanwezig te zijn in het Vlaamsch theater (St. Baafsplein) voor zeer belangrijke mededeelingen aangaande het Lam Gods. Al de Belgische kunstcritici worden dringend uitgenoodigd.

Hoogachtend.

De handtekening was onleesbaar.
John F. vertelde daarop niet zonder leedvermaak hoe al die journalisten voor gesloten deuren kwamen te staan. 'Of deze gemakkelijke klucht ontstond in een Dinsdagavond-clubje of in een gezellige taveerne der kuip onzer Vlaamsche stee, kan ons niet schelen,' schrijft hij. 'We lieten er onze pluimen niet bij.'
Ondertussen had een eigen onderzoek van de krant De Standaard aan het licht gebracht dat de Rechtvaardige Rechters best wel eens in een openbaar gebouw vlak bij de Sint Baafs konden verborgen zijn. Bedoeld werd het Geraard de Duivelsteen. Jan Boon, hoofdredacteur van De Standaard en later N.I.R.-directeur, zou hieromtrent nadien nog enkele malen aan de tand gevoeld worden door de autoriteiten en ook door Oberleutnant Koehn. Alle opzoekingen in het Geraard de Duivelsteen leidden echter tot niks. Toch stelde De Standaard, niet meteen een schandaalkrant, uitdrukkelijk dat het paneel terecht was. Dat de achtenswaardige Jan Boon uiteindelijk openlijk dreigde 'man en paard' te zullen noemen, wijst erop dat hij vermoedde dat men het terugvinden van het paneel geheim wilde houden. Jan Boon heeft zijn dreigement nooit uitgevoerd. Voortaan zou hij zwijgen als vermoord over de affaire, maar zijn verhaal over het teruggevonden luik heeft hij nooit ingetrokken.
John F. van zijn kant vroeg zich af of de postkaart die hij ontving en de geruchten over het Geraard de Duivelsteen niet met elkaar in verband konden staan.

In alle geval komt de mystificatie waarmee we allen hebben gelachen op een zeldzaam ogenblik. Moeten we een deel der 'lolle' ernstig opnemen? Heeft de spotzieke kaartenschrijver hier genoten van een doodgewoon samentreffen of weet hij werkelijk iets en heeft hij niet de persmannen, maar wel sommigen zijner kennissen, een paar onrustige uurtjes willen bezorgen? Zoo dat de werkelijkheid is, dat hij zich weer tot de reporters wende, die hij bijna heeft 'vast gehad'. Hij is hen dat wel verschuldigd: ook op hunne discretie zou hij mogen rekenen.
Daar hij aan mij persoonlijk als dagbladschrijver een kaart stuurde, heb ik het recht hem persoonlijk te antwoorden, en gewis deed ik het, moest ik zijn adres kennen. Ik ben dus genoopt het langs dezen openlijken weg te doen. Hij ontvange dit woordje: 'Waarde ongekende Heer! Ik verdenk u er van, slechts een "halve lollekensheer" te zijn, en stel u aldus eene ernstige vraag: Waarom werd uwe kaart geschreven weinigen tijd na eene zeer gewichtige samenkomst, waar werd gehandeld over het gestolen luik? Beteekent dat uur "vijf uur in de namiddag" iets heel ironieks aangaande betreffende samenkomst? Weet ge werkelijk iets? Zoo laat u kennen in vertrouwen, ook voor de dagbladschrijvers die ge voor den aap hebt willen houden misschien, telt het ambtsgeheim... Hoogachtend, John F.'

Op 14 augustus 1935 berichtte John F. dat het luik Sint Jan de Doper zijn oorspronkelijke plaats weer had ingenomen.

Toen het eerste deel van het luik zijn plaats weer in de Borluutkapel innam, en de Heer Kanunnik Vandergheyn ons bijna de deur uitgooien deed, kwam Zijne Eerwaarde Monseigneur Coppieters tusschen en sprak: 'Nu kunnen we u niets mededeelen, helpt ons het overige gedeelte van het meesterwerk terug te vinden, en dan, zullen we u veel te vertellen hebben.' Dat is tekstueel.
Er bestaan dus gewichtige, wetenswaardige dingen rond deze geheimzinnige zaak... Waarom deze terughouding? Wat wordt er verzwegen en waarom? Als de gerechtelijke overheid geen verklaring aflegt, dan zullen de raven het uitbrengen, en de raven in kwestie zouden wel de dagbladschrijvers kunnen zijn. We komen er weldra op terug.

John F. hield zijn belofte op 7 september 1935:
Sinds enkele maanden hoorden wij wauwelen over een kerkelijke ceremoniemeester, die in 't Bisdom hier thuis was, en vriendschappelijk met Goedertier den schilderijdief omging. De man, die eenigen tijd na Goedertier overleed, gaf zich aan den drank over, en na zijn dood, ontdekte men in zijn kamer van het Bisschoppelijk Paleis niet min dan 350 ledige wijnflesschen! Weldra ontstond omtrent den doode een legende: hij zou van Goedertier's euveldaad op de hoogte zijn geweest, en in zijne onmiddellijke nabijheid zou werkelijk het overblijvend luik ontdekt zijn. Maar in welken staat! Thans zou het berusten in een schildersatelier der middenstad, waar een befaamd kunstenaar, de heer B., het onder handen neemt...
En nu, kleine man? Zullen de kerkelijke en ook de rechterlijke overheid hun povere zwijgerspolitiek tegenover het publiek en de pers laten varen? Zal de heer kanunnik Van der Gheyn voort blijven verstoppertje spelen, in de Hoofdkerk, in het Bisschoppelijk Paleis, of in zijn eigen woning als de dagbladschrijvers komen aankloppen, vooral als het reporters zijn die men korporaalwijze geen motus kan opleggen? En nu is de vraag die we vlakaf stellen aan wie 't aangaat: ja of neen, is het gedeelte van het gestolen luik, de Rechtvaardige Rechters van 't Lam Gods gevonden?

Deze onthullingen, onder de sensationele kop 'Het gestolen luik van 't Lam Gods ontdekt!' heeft John F. te danken aan een schriftelijke tip van een zekere Lemice-Terrieux, een schuilnaam waaronder uiteraard 'Le Mystérieux' dient verstaan te worden. De brief van deze heer was gedateerd 'begin juli 1935', de maand waarin ook Jan Boon met zijn onthullingen uitpakte. John F. schrijft verder nog dat de inlichtingen die hij ingewonnen heeft de informatie van zijn tipgever bevestigen.
Nu nog kan men het bovenstaande verhaal in diverse varianten horen vertellen. Dat de Rechtvaardige Rechters zouden verdwenen zijn uit de Sint Baafs, al of niet met medeweten van de kerkelijke overheid, en dat ze er daarna weer zijn teruggekeerd (de kopie van Jozef Van der Veken is in bepaalde versies geen kopie maar het origineel!) is een steeds terugkerend thema in de mythe. Dat de kerkelijke overheid dit niet durft bekennen omdat ze er zélf te nauw bij betrokken is, of dat men het stil houdt vanwege al de gratis publiciteit die de spoorloze Rechters op die manier al jaren voor het Lam Gods hebben weten te werven, wordt er dan meestal in één adem bij verteld. Voor een groot stuk aan de basis van dit refrein lag ontegensprekelijk John F.
Nu nog kan men soms horen dat De Dag op een bepaald ogenblik de vinger op de wonde legde, maar na de publikatie van bovenstaand artikel - 'korporaalwijze', zoals John Flanders het schreef - het zwijgen werd opgelegd. Omdat reporter John F. de oplossing nabij was, of omdat men bij de hoofdredactie van De Dag vond dat hij het toch wat al te gortig had gemaakt?
Tegenover vrienden gaf John F. later toe dat hij 'zijn vingers niet aan deze zaak wilde verbranden'.


Geen opmerkingen: