9.1.10

Scharpenelle 12 - Er was eens...






… op een afgelegen deel van de terreinen van een groot ziekenhuis:
een klein gebouw.

Vreemdelingen mochten het niet naderen.
Oud verpleegden die het geheim kenden,
bleven vrijwillig uit de buurt.

De enigen aan wie de toegang niet geweigerd werd,
waren een zestal met zorg uitgekozen doktoren
en een twintigtal verpleegsters.

In dit gebouw leefden tachtig dode mannen,
geheime slachtoffers van de Grote Oorlog.

De wereld geloofde dat zij dood waren.
Zelfs hun familieleden was officieel meegedeeld 
dat zij gevallen waren.
Op de officiële dodenlijsten droegen zij de namen
van zij die gesneuveld waren op het veld van eer.

Maar zij leefden nog steeds.

Waarom? Daarom.


De reden voor hun geheime afzondering?
Hun afgrijselijk uiterlijk.

Verminkt waren zij, door bommen en granaten,
gifgassen en shrapnell.

Ieder van deze tachtig wrakken die eens mannen waren,
was nu geheel en al verlamd,
blind, doof
en stom.

Het enige dat zij volgens hun verzorgers nog konden doen,
was ademhalen
en eten.


Niemand wist en niemand zou ooit weten wat zij dachten –
indien zij althans nog in staat waren om te denken –
en welke folteringen zij doorstonden.
Want geen klank ontsnapte ooit aan hun lippen.

Zij lagen in bedden die de vorm hadden van wasmanden.
Op die manier konden zij makkelijker verpleegd worden.

Sommigen waren nog jongens
toen de oorlog uitbrak die hen misvormde
tot wezens, hulpelozer dan een dier.

Een staf speciaal opgeleide doktoren waakte over hen
en stelde alles in het werk om hun folteringen te verzachten.

Vele, vele jaren lagen zij daar zo in hun wasmanden
als stomme getuigen van de Grote Oorlog.

En leefden zij nog lang en ongelukkig tot het

Einde.







Geen opmerkingen: