28.8.10

Essay van J.-K. Huysmans (1894): Mysteries van de Merovingen

Dit is een deel van een hoofdstuk uit een boek-in-wording, De Paus van Satan, in samenwerking met Philip Coppens, waarvan ik deze week - oef! - de eerste versie heb voltooid:





Fragment uit een essay van J.-K. Huysmans:
‘Mysteries van de Merovingen’ (1894)



(...)

De Kerk had behoorlijk wat macht verworven, maar was nog lang niet machtig genoeg om het tot een frontale confrontatie te laten komen met de Merovingische priester-koning Clovis. En de Merovingen moesten van de aardbodem verdwijnen, niet alleen vanwege hun legendarische half-goddelijke afstamming, maar ook omdat ze zich erop beriepen uit het Huis van David te stammen, en tot het nageslacht van Jezus Christus en Maria Magdalena te behoren. Het druiste regelrecht in tegen de leer van de Kerk van Rome – maar anderzijds wisten de kerkvaders goed genoeg dat zij het waren die de geschiedenis schreven, en zo niet alleen het verleden, maar ook de toekomst bepaalden. En als men Clovis, via zijn vrouw Clothilde – die een christen was – tot een bekering en dus ook een bondgenootschap kon verleiden, loste het probleem zich wellicht vanzelf op. Waarom Clovis dus niet tot de Constantijn van het Westen maken? Met hoeveel goden van Keltische, Romeinse of andere origine had Clovis zich trouwens al niet ingelaten?

Clovis besloot zijn hoofdstad in Lutetia te vestigen, om daar een heiligdom te bouwen bovenop een berg, die de Jupiterberg werd genoemd – Montjove, en later Montjoie. Jove, de verchristelijkte Jupiter… Clovis bracht de Zonnegod van zijn voorouders mee naar een berg in Parijs, zoals de goden van het oosten zich ooit op de berg Mérou tot de mensen hadden gericht, en tegelijk liet hij zich bekeren tot het christendom.






Jove, ook bekend als Deus Sol Invictus, de Onoverwinnelijke Zonnegod. Het feest dat bij de Verjaardag van de Onoverwinnelijke Zon hoorde, heette Dies Natalis Solis Invicti, en werd gevierd tijdens de Winterzonnewende, bij de Wedergeboorte van de Zon, kort na het lengen van de dagen, op 25 december. In 270 na Christus introduceerde de Romeinse keizer Aurelianus de cultus van Sol Invictus als officiële staatsreligie van het Romeinse Rijk, waarbij de keizer ook een zonnekroon ging dragen. Het christendom nam niet alleen de Dies Natalis Solis Invicti over – en noemde het Kerstmis –, maar leende ook andere gebruiken van de cultus. In de vroege christelijke iconografie ziet men Christus bijvoorbeeld nogal eens afgebeeld met een zonnekroon op het hoofd. Hij kreeg ook de titel Zon van Gerechtigheid toebedeeld.

De kristallen bol die in het graf van Childerik I werd aangetroffen, diende dan ook niet om de toekomst te voorspellen. Hij werd gebruikt tijdens de eredienst van Sol Invictus, om in de tempel het heilig vuur aan te steken. Vanuit het graf zou Childerik I zo voor eeuwig het heilig vuur brandende kunnen houden. Ook de gouden bijen en het zonnehoofd waren belangrijke emblemen van de cultus, en de gouden stieren kop hield verband met de Perzische god Mithras, wiens priesters eveneens een glazen bol gebruikten om het heilig vuur te ontsteken. Hierdoor komt ook de fascinatie van Louis XIV in een ander licht te staan: de Zonnekoning was een aanhanger van Sol Invictus.

De heilige berg waarop Clovis de tempel van Sol Invictus liet bouwen, keek uit over een vallei met het klooster waar Clothilde zich teruggetrokken had. Dit gescheiden huwelijksleven was een traditie die de Merovingen hadden geërfd van hun Hebreeuwse voorouders, waar in bepaalde stammen geslachtsgemeenschap alleen was toegestaan onder de supervisie van een hogepriester en een ‘Geest’. Deze nam al eens de gedaante aan van een gevleugelde engel, de witte duif van de Heer.



In ruil voor zijn bekering had Rome aan Clovis beloofd dat hij de Soeverein van het Westen mocht worden, maar werd zijn wettige erfgenaam uit de weg geruimd, dan zou er ook een einde komen aan de soevereiniteit van de Merovingen. Daarom besloot de bisschop van Reims in 656, toen Sigisbert III overleed, de piepjonge prins Dagobert II te vermoorden. Hofmeier Grimoald kreeg de opdracht om het amper vijf jaar oude prinsje om te brengen. De jongen werd ’s nachts uit het paleis van zijn ouders ontvoerd, maar blijkbaar kon Grimoald het niet over zijn hart krijgen een afstammeling van Jezus Christus te doden. Hij liet het kind naar de bisschop van Tours brengen en vroeg hem de klus in zijn plaats te klaren. Ook deze bisschop wilde echter niet het risico lopen een afschuwelijke, welhaast kosmische misdaad te begaan. Hij gaf bevel een kind van ongeveer dezelfde leeftijd als de prins ter dood te brengen en het lijkje zodanig verminken, dat het zelfs voor de moeder onherkenbaar zou zijn. Dagobert zelf zette hij op een boot die hij naar het Ierse eiland Iona stuurde, naar het klooster van Columba. Hier raakte Wilfred, de bisschop van York, zo gecharmeerd door de vriendelijkheid en de intelligentie van de prins, dat hij Dagobert meenam naar York om hem een Roomse opvoeding te geven. Hij bezorgde Dagobert zelfs een echtgenote, in de persoon van de Saksische prinses Mathilde, die evenwel stierf bij de geboorte van een derde kind.

Als weduwnaar, en gezegend met drie dochters, wilde Dagobert zijn erfgoed terug in handen krijgen en een dynastie stichten. Hij keerde terug naar zijn land en zwierf daar een tijdje rond onder een valse naam. Daarna trok Dagobert naar Aquitanië, waar hij – nog steeds slechts een vroege twintiger – verliefd werd op Gisèle de Razès. Om met haar te kunnen trouwen, liet hij zich onderrichten in haar religie, die veel gelijkenissen vertoonde met de godsdienst die hij zich uit zijn kindertijd herinnerde. De Jezus uit die verhalen, was een heel andere en veel menselijker persoon dan de Zoon van God die vereerd werd door de Kerk van Rome.

Bij zijn huwelijk met Gisèle kreeg Dagobert van haar oom een prachtig geschenk: La Joyeuse, een magisch zwaard, zo genoemd naar het kasteel dat hij bewoonde. Het was gestaald in gewijd water en in het lemmet had de wapensmid een meteoriet verwerkt, een steen die brandend uit de hemel was gevallen, lapsit exillis – door Wolfram von Eschenbach zou een dergelijke steen enkele eeuwen later geïdentificeerd worden als de Graal. Het zwaard werd ‘onoverwinnelijk’ genoemd, zolang het gebruikt zou worden in dienst van het ware geloof. Met La Joyeuse in de hand en gesteund door zijn schoonfamilie trok Dagobert II erop uit om zijn koninkrijk in het noorden te heroveren. Hij slaagde er bijzonder vlot in Aquitanië en Austrasië te verenigen, blijkbaar ook zonder veel wapengekletter – wellicht was zijn stamboom daar niet vreemd aan.

Met Gisèle kreeg Dagobert een jongen, die hij naar zijn vader noemde: Sigisbert. Ze lieten hun prinsje uitermate streng bewaken, en met reden, want de paus was in alle staten. Tijdens de Winterzonnewende van 679 – de kleine Sigisbert was nauwelijks een paar jaar oud – verbleef Dagobert met zijn gevolg in een stad die nu Stenay wordt genoemd, in de Franse Ardennen, op twintig kilometer van Orval. Toen heette de plaats Sathanacum – de voorouders van Dagobert hadden er namelijk een heiligdom opgericht ter ere van Saturnus – en van de tiende tot de veertiende eeuw vinden we namen terug als Satenaium, Sataniacum, Satanacum, Satinnacum, Setunia, Septiniacum, Setenae, Settenai, Satanay, Sathanai. Uiteindelijk, vanaf 1643, zou de plaats Stenay genoemd worden.

Op 23 december ging Dagobert jagen op everzwijnen in het woud van Wepria, nu Woëvre geheten. Hij was onder meer in het gezelschap van zijn petekind, Jehan de Fries. Rond het middaguur rustte hij uit onder een grote eik bij een bron die toen de Arphays werd genoemd en nu bekend staat als ‘de bron van de heilige Dagobert’. Jehan de Fries had zich net bekeerd tot het christendom zoals dat gepredikt werd door de Kerk van Rome en wellicht meende hij niet meer dan zijn christelijke plicht te doen, toen hij – daartoe opgehitst door de bisschop van Reims, en die van Rome – de koning vermoordde. Hierbij kwam overigens ook zijn heidense achtergrond aan het licht: Jehan stak hem op rituele wijze, als een slechte koning, een dolk door het linkeroog.



Ik heb de plek bezocht waar Dagobert II de dood vond; het is sinds de negende eeuw een pelgrimsoord . Ik dacht er na over kwatrijn 27 van de eerste Centurie, waarin ook een eik voorkomt – Nostradamus preciseerde zelfs dat er maretak in groeide, en dat hij door de bliksem was getroffen. Voorts viel er in dit kwatrijn te lezen dat een man moest sterven, het oog doorboord met een spiraal of een springveer, nadat de schat was gevonden die gedurende vele eeuwen werd verzameld, en niet ver daar vandaan was verborgen, meer bepaald onder die eik. En wat te denken van kwatrijn 57 van de eerste centurie, dat nogal eens werd geïnterpreteerd als een voorspelling van het droeve lot van Louis XVI en Marie Antoinette, maar dat even goed kon toegepast worden op Dagobert II? ‘De jachthoorn doet de aarde beven,’ werd hier gezegd. ‘Wanneer het akkoord is verbroken, wordt het ooit met melk en honing gezalfde gelaat naar de hemel gericht, badend in het bloed en met een bloedige mond, om dan op de grond te vallen.’ En ik vroeg me af of ook kwatrijn 13 van de tweede centurie niet verwees naar de persoon van Dagobert II. Het was een vers dat doorgaans in verband werd gebracht met de Grote Monarch en het zei letterlijk dat wanneer het zielloze lichaam niet langer meer geofferd kon worden, de dag van de dood voor de geboortedag zou worden geplaatst. De dag waarop Dagobert II de dood vond, was 23 december – toen nog de dag waarop de geboorte van Christus werd gevierd, een datum die later naar 25 december verplaatst zou worden.

Intrigerend is dat Nostradamus’ carrière als toekomstvoorspeller pas echt van start ging toen het linkeroog van Henri II, koning van Frankrijk, tijdens een toernooi ‘per ongeluk’ doorboord werd door een lans van de kapitein van zijn Schotse garde, Montgomery. Nostradamus zou dit immers voorzien hebben, in een kwatrijn waarin een oude leeuw door een jonge wordt overwonnen wanneer hij het strijdperk betreedt en in één enkel duel: zijn oog, ‘in een gouden kooi’, zal doorboord worden. In het oude wapenschild van Stenay, geïnspireerd door Godfried van Bouillon, vinden we overigens ook een gouden leeuw terug. Sinds 1860, en met de publicatie door ene Jeantin van een Manuel de la Meuse, ziet men in het wapenschild evenwel liever de grimas van een gehoornde duivelsfiguur – Stenay wordt hier nu zonder omwegen de stad van de Hebreeuwse Sathan genoemd.

Enkele dagen na de moord verhing Jehan zich net als Judas, uit wroeging voor zijn verraad – al deed hij dit wel aan een boom in het bos van Woëvre. Het levenloze lichaam van Dagobert II was toen al naar de koninklijke villa gebracht, die later bekend kwam te staan als het kasteel van Haut Charmois. Alle hoofwaardigheidsbekleders kwamen er rouwen om de dode koning. Voor het oog van de wereld maakten de bisschop van Reims en die van Rome groot misbaar en noemden ze Jehan de Fries een moordenaar, maar in werkelijkheid wreven ze zich in de handen. Ze verspreidden het gerucht als zou Dagobert tijdens de jacht per ongeluk door een speer getroffen zijn en ze lieten hem begraven in de basiliek van de heilige Remi, in Sathanacum, gebouwd boven op de tempel van Saturnus. Hun ware aard mag blijken uit een tekst die bewaard is gebleven in de staatsarchieven, en waarin te lezen staat dat de botten van Dagobert II moesten gebroken en over alle abdijen verspreid worden, opdat hij op de Dag des Oordeels heel erg lang zou moeten zoeken om ze weer allemaal te verzamelen. Merkwaardig toch als men weet dat het hier gaat om een man die niet eens een christen was, maar die op het eind van de negende eeuw door Rome wel voor het oog van de wereld heilig verklaard werd en toegevoegd aan de lijst van martelaren voor het geloof. En zo veranderde de zonneschijf van Sol Invictus in het aureool van de heilige…

Geen opmerkingen: