16.2.11

De Blauwe Tavernier



Dit hoofdstuk werd geschrapt uit Nostradamus in Orval:


Lisa zag hoe hij van zijn hart een steen maakte, en dat dit het eerste teken was. Zij die geschiedenis schreven, hadden zijn geschiedenis herleid tot een bescheiden voetnoot in hun boeken, maar wat wisten zij van zijn wàre leven? Wat wisten zij van zijn tweede, van zijn laatste reis naar Indië, op de verdoemde leeftijd van vierentachtig? Wat wisten zij van de eerste steen? Lisa zag het allemaal in een schaal met water en met de ogen van een groot ziener, die heel goed wist dat zij geen oog hadden voor de oogmerken van de man die Tavernier heette, dat zij het geheime leven van deze man uit het oog verloren. Alleen de zoon van de man die Tavernier werd genoemd, alleen hij wist dat de vader vertrok om wederom het fortuin te vergaren dat de zoon had verkwanseld in de bordelen van Parijs.

Zelfs over zijn eerste expeditie naar Indië deden zij die de geschiedenis schrijven er meestal het zwijgen toe. In zijn dromen staarden ze hem aan, misleid als ze werden, met verdwaasde gezichten. Stenig hen! In zijn dromen staarden zij en ze zwegen over de spectaculaire inhoud van de hutkoffer waarmee hij terugkeerde van zijn eerste reis. Staar mij niet aan! Waag het niet mij aan te staren!

Een safierblauwe diamant… en wat weten zij van diamant? Beseften zij dat hij de adellijke steen bij zijn terugkeer uit Indië prompt had verkocht aan een Zonnekoning en dat zijn zoon vervolgens hard zijn best begon te doen om de naam van zijn vader tot een scheldwoord te maken en zijn zuur verdiende goud te verkwisten in de armen van de hoeren van Parijs? Hadden zij oog voor het causale verband tussen zijn transactie en de beschamende handelingen van zijn eigen vlees & bloed?

Hij slaagde aardig in zijn opzet, de zoon, zodat de vader zich in de verdoemde, in de driewerf vervloekte ouderdom van vierentachtig jaren nog genoodzaakt zag met de moed der wanhoop een hopeloze poging te ondernemen om zichzelf en zijn nazaten te redden van de bedelstaf.

Zij die de geschiedenis schrijven, zij gingen er vanuit dat het doel van zijn tweede tocht naar Indië de haven van Pondichéry was en sommigen meenden zelfs te weten dat de ouwe Tavernier daar nooit een voet aan wal had gezet. Hoe hij wist wat zij meenden te weten? Hij had in de steen gekeken, dames en heren, zoals de grote ziener in een schaal met water – naar boven en naar beneden, naar de toekomst en naar het verleden. Hij had het tweede gezicht gekregen. Hij had de schimmen & schaduwen van toekomstige tijden gezien en hij had geluisterd naar wat zacht werd gefluisterd, lispelend als de wind door de kruinen van de bomen op een warme dag in juni. Maar wat wisten zij van het geheime geheugen van de stenen? Wat wisten zij van zijn herinneringen aan de toekomst? Van het grauwe, van het blauwe? En staar mij niet aan! Wààg het niet mij aan te staren!

Zij die de geschiedenis schreven… sommigen onder hen meenden te weten dat hij onderweg ernstig ziek was geworden en het graf van een zeeman had gekregen in de eindeloze wateren van een azuren zee, in de grauwe blauwe en ondoorgrondelijke diepte van de Indische Oceaan. Sommigen onder hen zeiden dat zijn dood alles te maken had met de adellijke steen waarvan zij meenden te weten dat hij hem jaren voordien uit de beroemde mijnen van Golconda naar Frankrijk had gebracht. Daar viel wat voor te zeggen. Al was er niks van aan. Want hij had ‘m niet uit de beroemde mijnen van Golconda; hij had ‘m van een hindoe, of een muzelman, of een boeddhistische monnik – wat deed het er nog toe? hij had nooit veel op met godgeleerdheid en de goden hadden nooit veel op met hem. Hij – en om het eenvoudig te houden, laten we zeggen: de hindoe – deed hem een voorstel dat hij niet kon weigeren. Hij zei dat hij jaarlijks een maagd leverde aan de tempel van Rama & Sita, een maagd die op de feestdag van de godheid voor zijn versteende beeltenis danste en daarna op een altaar van steen werd geslachtofferd door de hogepriesters van een geloof dat toen nog lang niet het zijne was. Hij – de hindoe dus – zei dat hij zonder enig probleem de plaats kon innemen van de tempeldanseres; zij was gesluierd. Hij – de ouwe Tavernier dus – vroeg hem waarom hij dat zou doen. ‘Omdat de ogen van de goden Rama & Sita al eeuwenlang bestaan uit schitterende stenen,’ zei de hindoe, en de ouwe Tavernier zei dat hij het begreep en dat hij over het voorstel van de hindoe zou nadenken, op voorwaarde dat de kans om de tempel levend te verlaten, met de steen, groter was dan de kans geslachtofferd te worden door de bewakers van een tempel gewijd aan een godheid die nog lang niet de zijne was.

‘Als u de ogen uit het hoofd van de goden hebt gehakt, zou u de twee bewakers van de offerzaal kunnen neerschieten met een pistool dat u onder uw sluiers mee naar binnen hebt gesmokkeld,’ zei de hindoe. ‘En wat de overige bewakers van de tempel betreft… Een paar van uw mannen, opgesteld op de juiste plaatsen, kunnen wonderen verrichten. Ik zal hen die plaatsen aanwijzen.’

En toen, op dat verdoemde en tot in de zevende generatie vervloekte ogenblik nam de ouwe Tavernier het besluit dat hem jaren later het leven zou kosten zoals een mens van vlees & bloed zich dat voorstelt & dat zelfs niet vreemd is aan zij die onze geschiedenis schrijven & die ons bestaan menen te doorgronden & die onze donkerste drijfveren denken te kennen. De ouwe Tavernier noemde het bedrag dat de medewerking van de hindoe hem waard was en de hindoe verdubbelde dit bedrag en de ouwe Tavernier knikte. De roof verliep min of meer zoals het was voorzien, met dit verschil dat ouwe Tavernier een scheepsmaatje – een slank en baardloos wezen – de plaats liet innemen van de tempeldanseres en dat het scheepsmaatje er het leven bij inschoot zoals een mens van vlees & bloed zich dat voorstelt. Het maatje werd gestenigd en ouwe Tavernier verloor voor immer zijn gemoedsrust in de haven van Pondichéry; hij had van zijn hart een steen gemaakt en dat was het eerste teken.

Natuurlijk, natùùrlijk had hij al gehoord van de godin van wie hij de ogen had gestolen, maar de ouwe Tavernier vroeg het aan al die luisteren wilde: ‘Hoe zou ik ooit haar geheime leven hebben doorgrond? Hoe zou ik haar goddelijke machten waarvoor ik – toen – nog geen oog had en waaraan ik – toen – nog geen geloof kon schenken op hun werkelijke waarde hebben kunnen schatten!? Ik, die nog geloofde in het vlees dat warm is en het bloed dat ons door de aderen stroomt!’ In die dagen was nog alleen zijn hart van steen en droomde ouwe Tavernier van diamant en niet van goddelijke helden. Hij droomde van de weelde die een diamant zijn meester verschafte, van de bijna koninklijke status die een adellijke steen zijn eigenaar verleende. In vele opzichten was hij zijn tijd ver vooruit. Hij mocht nauwelijks bijgelovig genoemd worden en werd door hen die zijn geschiedenis schreven zelfs ronduit ongelovig geheten. Hij was een voortijdig geboren Kind van de Verlichting; in zijn beeld van de wereld was geen ruimte voor het bovennatuurlijke. Hij wist wel – met zijn nog niet versteende verstand – dat edelstenen van oudsher gebruikt werden als amuletten om het kwaad te bezweren of door zogenaamde kristalkijkers bij het voorspellen van de toekomst, maar hij wist het niet met zijn stenen hart. Hij deelde nog lang niet het wijdverbreide geloof in de geneeskrachtige kwaliteiten van diamant. En waarom staart u mij zo aan? Wilt u dan ook gestenigd worden?

Ouwe Tavernier kende de bezweringen die de Oude Egyptenaren aanbrachten op lapis lazuli en hij wist dat de Soemeriërs en de Perzen daarvoor bij voorkeur amethist, jade of onyx gebruikten. Hij had al gehoord van de bewering als zou diamant een uitstekend middel zijn om vergiften te neutraliseren, en dat agaath de werking van een vergift zou versterken. Saffier was heilzaam wanneer men te lijden had van zweren, steenpuisten of aandoeningen van de ogen – grauwe staar, hij zei maar wat – en topaz hielp in gevallen van maanziekte; emerald onderdrukte de lusten en amethist kon zelfs aangewend worden als een regelrechte verzekering voor een kuis bestaan. Maar ouwe Tavernier gebruikte deze occulte wetenschap – waarover ernstige geschiedschrijvers nooit schrijven omdat zij het daglicht schuwt en alleen bij nacht wordt bedreven – uitsluitend om zijn verzameling edelgesteenten uit te breiden. Als hij in een dik en duister boek las dat Cleopatra parels dronk om haar hartstocht op te wekken, ter meerdere eer en glorie van haar geliefde Antonius die zij begeerde met al de lusten in haar lijf van vlees & bloed, dan vroeg hij zich in eerste instantie af bij wie zij de parels had betrokken en waar ze waren gebleven. Lagen zij nog opgeslagen in haar ingewanden, gedroogd in het stof van eeuwen, of werden zij uitgespuwd in de ondoorgrondelijke diepten van de azuren zee?

Astrologen waren ervan overtuigd dat zekere edelstenen hun trotse drager, afhankelijk van het uur van zijn geboorte, heil of onheil brachten. In de mythen der antieken stonden door draken bewaakte juwelen symbool voor verborgen schatten, maar ook voor de begeerte en de hebzucht die van alle tijden zijn en voor de weelde die wij allen kennen en die vergankelijk is als ons vlees & bloed. Maar voor symbolen had Jean-Baptiste Tavernier nooit enig oog gehad. Hij had de Indische epiek bestudeerd – de Mahabharatha, om maar iets te zeggen –, niet om zijn ziel te zalven met het verhaal over het juweel dat gestolen werd van de slangenkoning Vasuka en dat aan de held Arjuna nieuw leven schonk, maar omdat hij hoopte dat de 90.000 stanza’s van het langste gedicht ter wereld hem meer zouden vertellen over de vindplaatsen van beroemde edelgesteenten waarvan diamant de machtigste was, in staat tot het afroepen van onvoorstelbare zegeningen over het hoofd van de trotse bezitter, maar ook tot het dragen van onnoembare vervloekingen als daar zijn: steenpuisten en de pestilentie die de zwarte dood tot gevolg heeft, of grauwe blauwe staar veroorzaakt door het boze oog. De grote koningin Elizabeth van Engeland droeg er één om haar ter beschermen tegen infecties en het leven van de Spaanse Isabella werd ooit gered door een diamant die zij op haar kleed had gespeld en waarop het mes van een huurmoordenaar afschampte. Men moest hem deze verhalen niet leren kennen, want hij kende ze – al zwegen de geschiedschrijvers er in alle beschaafde talen over en was hun boodschap tot zijn scha & schande nooit eerder tot hem doorgedrongen dan in dit verdoemde, in dit zeven maal zeven maal vervloekte uur. En staart u mij alstublieft niet zo aan of ik stenig u!

Voor de ouwe Tavernier – zo zag Lisa het in een schaal met water door de ogen van de grote ziener Nostradamus – was Rama niet meer of minder dan een personage uit een historisch epos dat omstreeks het jaar 500 voor Christus, nog na de Mahabharatha, het licht had gezien. Voor Jean-Baptiste Tavernier was de Ramayana niet meer dan het verzinsel van een dichter die het daglicht schuwde en werkte bij nacht en ontij; Valmiki was zijn naam. De held Rama, als opvolger van een koning van Kosala, trouwde met prinses Sita, maar zijn stiefmoeder wilde zo graag haar eigen zoon op de troon en daarom liet zij Rama en Sita en een jongere broer van Rama voor twee maal zeven jaar verbannen. En in de wouden waar de drie bannelingen leefden als kluizenaars werd Sita ontvoerd door de demonenkoning Ravana van het zuidelijke eiland Lana. En om zijn geliefde te bevrijden, bracht Rama een leger op de been, waarbij hij geholpen werd door Hanuman, de koning van de apen. En na een hevige strijd overwonnen Rama en Hanuman en werd Sita gered en ouwe Tavernier kénde die verhalen wel, maar hij had er nooit écht oog voor gehad. Wat moest een mens van vlees & bloed er ook mee aanvangen? Wat moest Jean-Baptiste Tavernier beginnen met de wetenschap dat een zwakke koninklijke naamgenoot van Rama, haast een millenium later, na een nederlaag zijn vrouw beloofde aan een barbaars tiran?

(De jongere broer van Rama nam, verkleed als vrouw, de plaats in van de koningin en zodra hij zich in de harem van de vijand bevond, doodde hij de barbaarse tiran. Bij zijn terugkeer vermoordde hij zijn broer Rama en trouwde met de door zijn toedoen weduwe geworden jonge vrouw die hij had gered uit de klauwen van het beest. En dit alles geschiedde in het jaar 375 na Christus, als men tenminste de Chinese boeddhistische monnik Fa Xian mocht geloven, die de geschiedenis had opgeschreven. Soms scheen het hem toe of de historie uit de Ramayana zich herhaalde in de werkelijkheid van zijn dagen, omdat de loop van de geschiedenis nu eenmaal een wiel was dat door de eeuwen rolde, een liggende acht, een rad van fortuin dat volmaakte cirkels beschreef en telkens stilhield bij dezelfde vergezichten en dezelfde mogelijkheden openbaarde. Maar Jean-Baptiste Tavernier was er nog de man niet naar om oog te hebben voor dit soort toevalligheden, waarvan hij meende te weten dat zij onmogelijk met elkaar konden zijn verbonden door de principes van de causaliteit.)

Een godheid werd geacht overal & altijd aanwezig te zijn en niets of niemand uit het oog te verliezen, en indien er zoiets bestond als een godheid die luisterde naar de naam Sita, dan zou die wel in een verschrikkelijke toorn zijn ontstoken omdat haar ogen op een dergelijk laffe en verraderlijke wijze waren gestolen, met de hulp van haar eigen dienaren bovendien. Maar Jean-Baptiste Tavernier had toen nog geen oog voor de mogelijke gramschap van oude goden; hij had nog uitsluitend oog voor Zonnekoningen die een fortuin veil hadden om in het bezit te komen van goddelijke ogen met welhaast magische medicinale kwaliteiten. En op de keper beschouwd had niet hij, maar een scheepsmaatje de ogen uit het hoofd van Sita gehakt. En dit slank en baardloos wezen van vlees & bloed was daarvoor gestenigd geworden en had er dus zijn vlees & bloed bij ingeboet. Dus waag het niet mij aan te staren!

Voor de rest was niet de ouwe Tavernier, maar de Zonnekoning nu de trotse bezitter geworden van de diamanten die hij – starend in het stralende hart van de steen, in zijn kristallijne diepten van kobalt – de Mata Sita had gedoopt. Jean-Baptiste Tavernier kende wel een mondje Maleis en hij wist best dat in die taal ‘mata’ stond voor ‘oog’. Het was, vanwege dat Maleis, geen juiste naam voor de diamant, maar het was wel een goede naam: het Oog van Sita – dat klonk mystiek & mysterieus, en Zonnekoningen zijn altijd verzot geweest op dat soort idiote details.

De ware ellende begon pas nadat ouwe Tavernier de Ogen van Sita had verzilverd. Misschien had hij precies daarom nooit een causaal verband gelegd tussen de roof, de verhoopte transactie, de onverwacht enorme berg schulden van zijn zoon en het trieste feit dat hij langzaam maar zeker blind begon te worden aan het rechteroog. ‘Cataract,’ zei de chirurgijn. ‘Grauwe blauwe staar waardoor u minder gaat zien en langzaam maar zeker lichtschuw zult worden. Meestal worden beide ogen aangetast, maar in verschillende mate. De aandoening kan niet worden gestuit.’

Cataract. Er kwam een vliesje over het oog te liggen, een vliesje dat zich verhardde tot een hoornlaagje en waardoor de wereld alleen nog kon worden waargenomen in een grauw & blauwachtig waas, als door een holle lens of een slecht geslepen kijkglas. Zijn rechteroog leek als het ware te verstenen; het zonlicht sloeg koude blauwe vonken uit dit dode oog van glas en sneed mensen van vlees & bloed met schichten van azuur in fonkelende stukken, vlijmscherp als het mes dat hij ooit in de gordel van de hindoe had gezien en waarmee een slank en baardloos wezen een paar ogen uit het hoofd van Sita had gehakt & gekerfd.

Na verloop van tijd zag hij zich genoodzaakt een ooglapje te dragen. Gelukkig bleef zijn linkeroog voorlopig gespaard en misschien verwierp hij hierom het denkbeeld dat zijn kwaal werd veroorzaakt door de godin die hij het gezicht had ontstolen.

Met de wanhoop van een vierentachtigjarige zette hij een tweede maal koers naar de grauwe & blauwe wateren van de Indische Oceaan. Jean-Baptiste Tavernier was er de man niet naar om bij de pakken te blijven zitten en er waren – zo dacht hij – nog talloos vele goden van wie hij de medicinale stenen kon stelen. Zelfs toen hij zag – zo-even nog – dat de grauwe staar ook zijn ene overgebleven oog begon aan te tasten, weigerde hij nog te geloven in de straf of de wraak van Sita. Maar nu… Nu wist hij wel beter.

Nu de kwaal zich verspreidde vanuit zijn hard geworden ogen van azuur, vanuit zijn stenen hart, door zijn gebeente en over zijn huid die schilferend open spleet en splinterde. Nu zijn lever & longen al waren versteend en zijn poriën kleine blokjes steen uitzweetten en zijn mond de smaak had van eeuwenoude mineralen. Nu zijn vlees steen was geworden en zijn blauwe bloed niet langer stroomde, maar gestold was tot een ijzige, tot een rotsachtige substantie. En staar mij niet aan – gij die zo grauw & grijs geworden zijt, laat uw oog niet op mij rusten, wend u af of gij zult ook gestenigd worden! wend af! wend af! wend af!



En hier zat hij nu.

Alsof een beeldhouwer hem had gehakt uit de ruwe rotsen van de tijd en hem rechtop had gezet op een stenen brits in een stenen boot op een oceaan van blauwe leisteen in een lucht van licht & schaduw.

Alsof hij alleen maar bestond in de vorm van lijnen & kleren op een doek dat een schilder ooit zou schilderen (en de schilder heette Magritte) – een afbeelding van een levend wezen, niet meer dan een nabootsing.

Alsof hij alleen maar een personage was in een geschiedenis die bijna was geschreven, bedacht door een geschiedschrijver die het daglicht schuwde en werkte bij nacht & ontij op het platte dak van zijn woning, in het licht van de volle maan, turend in een schaal met water & wachtend op de visioenen die zouden komen (en de schrijver heette Nostradamus).

Heel in de verte, zag Lisa, in de dichte mist van azuur, onder de blauwe wolken, op golven van gestolde lava, dobberde een driemaster. ‘Het vak van de geschiedschrijver is geen sinecure,’ prevelde zij met de lippen van Nostradamus. ‘Eén verstrooide pennetrek en de hele verdomde geschiedenis ziet er weer heel anders uit.’

Gebeurden de dingen dan werkelijk omdat hij het zo had opgeschreven?

Lisa zag in een visioen wat de grote ziener had gezien & opgeschreven – en daarom was het ook zo gebeurd & niet anders: nu raakte zelfs de buitenwereld van de ouwe Tavernier aangetast en alles wat hij ooit had aangeraakt, alles waarop hij ooit zijn oog liet rusten: de tafel in de kajuit, de planken vloer en de zoldering, de hoed van zijn eerste stuurman, de appel op de tafel, het laken van zijn brits, de meeuwen in de haven van Pondichéry en de haven van Pondichéry, de fles en het glas en de wijn in het glas en de fles en het vlammetje dat versteend danste op de kaars die reeds was versteend…

En de ouwe Tavernier, hij fluisterde: ‘Sita, Mata Sita… Wend af dat Oog! Staar mij niet aan want gij hebt het Boze Oog! Wend af uw grauwe blauwe staar & staar mij niet aan met uw Ogen van Steen, staar mij niet na met uw Tweede Gezicht en stenig mij niet, ik smeek het u!...’

En Nostradamus schreef het op: ‘Met het mes zal ik snijden, zal ik hakken, zal ik kerven! Met het mes, o Grote Boze Mata Sita! Mijn ene goede oog zal ik uit de oogkas snijden, zal ik hakken, zal ik kerven – o Grote Boze! En ik zal het naar u dragen, ik zal het u opdragen! ’

En Lisa prevelde, terwijl zij het zag gebeuren: ‘Op mijn handen van steen zal ik mijn ene oog dragen, o Grote Boze Mata Sita. En naar de reling zal ik lopen met een stenen bol in mijn stenen handpalm. En ik zal springen in uw azuren zee van tijd, in uw eindeloze golven van blauwe grauwe lava, o Grote Boze!’

En zo zonk ouwe Tavernier ten slotte als een steen in Oostindische wateren…



Geen opmerkingen: