Posts tonen met het label Nostradamus in Orval. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Nostradamus in Orval. Alle posts tonen

22.5.25

Boeken in de reeks Mysterieus België

Op 21 juni 2025 verschijnt mijn 'verhaal van een schrijversleven'
Een magisch-realist in Mysterieus België,
het Boek der Synchroniciteiten.

Hierin spelen onderstaande verhalen,
gesitueerd in Mysterieus België,
een belangrijke rol. 


Over 'mijn' thema's uit Mysterieus België geef ik ook lezingen,
waarvoor korting kan aangevraagd worden via Auteurslezingen: 
Alle info op deze link.

Lena Christiaenssens beweert meer te weten over de diefstal
van het paneel de Rechtvaardige Rechters, uit het Lam Gods.
De sleutel van het mysterie berust bij het geheim genootschap rond
het Heilig Bloed van Brugge, de enige echte Graal...
Verkrijgbaar als paperback of ebook.

Kon kroonprins Lodewijk XVII de Franse Revolutie ontvluchten
en leeft zijn nageslacht in Vlaanderen?
Ligt er een schat verborgen in de abdij van Orval?
En welke geheimen staan er eigenlijk te lezen
in de voorspellingen van Nostradamus?
Verkrijgbaar als paperback en ebook.


Werd koning Albert I in 1934 in Marche-les-Dames
het slachtoffer van een passioneel drama of een politiek complot?
En wat heeft een voorspelling van de zieneres van Onkerzele,
Leonie Van den Dijck, met dit alles te maken?
Verkrijgbaar als paperback en ebook.


De 19de eeuwse Nederlands-Franse auteur Joris-Karl Huysmans
infiltreerde in het satanistische milieu van Parijs en kwam er op het spoor
van de Paus van Satan: niemand minder dan de kapelaan
van de Basiliek van het Heilig Bloed in Brugge... 
Verkrijgbaar als paperback en ebook.


Was Frans Rombaut, die in 1875 overleed in Wachtebeke,
inderdaad niemand minder dan Louis XVII?
Hebben zijn nakomelingen recht op een fabelachtig fortuin,
dat hun werd ontstolen door een samenzwering van valse en echte Bourbons,
het Vaticaan, de Rothschilds en Leopold II?
Verkrijgbaar als paperback en ebook.


In augustus 1914 stond het Britse leger bij het Belgische stadje Mons
op het punt geheel vernietigd te worden door de Duitsers,
die drie keer zo sterk waren. Tot een magisch schimmenleger
aan hun zijde verscheen… dat uit de pen gekropen kwam
van de magisch-realistische auteur Arthur Machen.
Verkrijgbaar als paperback en ebook.


"Enkele jaren geleden bracht ik bij wijze van paranormaal literair experiment 
de nacht door in een leegstaande, vervallen art nouveau woning. 
Ze was me aangewezen door een aantal urban explorers, 
die beweerden dat het er spookte. Misschien had dat te maken 
met de tot de verbeelding sprekende naam Malemort..."
Stiftgedichten, verkrijgbaar als paperback.

26.7.13

Herdruk "Nostradamus in Orval" van Patrick Bernauw bij Schrijverspunt

of via De Standaard Boekhandel  - of via info@inter-actief.be



Antiquair Karel Rombaut wil met zijn boek aantonen dat hij als nazaat van Lodewijk XVII (1785-1795?) een troonpretendent van Frankrijk is. Maar voor hij zijn levenswerk kan publiceren, wordt Rombaut vermoord door een mysterieuze man die hem "de Profetie van Orval" zou hebben getoond... van de hand van Nostradamus! Deze zogenaamde voorspelling zou de sleutel bevatten tot de bergplaats van het Franse koninklijke fortuin, dat tijdens de Revolutie spoorloos verdween in de abdij van Orval.

Kon kroonprins Lodewijk XVII de Franse Revolutie ontvluchten en leeft zijn nageslacht in Vlaanderen? Ligt er een schat verborgen in de abdij van Orval? En welke geheimen staan er eigenlijk te lezen in de "voorspellingen" van Nostradamus? 

Patrick Bernauw oogstte veel succes met zijn thrillerdebuut, Het Bloed van het Lam, waarin hoofdpersonage Maarten Dejonckheere het mysterie van de Rechtvaardige Rechters ontrafelde, het gestolen paneel van het Lam Gods. Nostradamus in Orval, oorspronkelijk verschenen in 2007 bij Manteau, vormt de tweede aflevering van de trilogie. De cover is van www.embee.be.

"Bernauw speelt een magistraal spel met heden, verleden, waarheid en verdichting," schreef Vrij Nederland over deze historische thriller, en bedacht het boek met vier sterren. Ook het derde deel, Het Illuminati Complot, verschijnt binnenkort als herdruk bij Schrijverspunt Clusteruitgeverij.




Wie samen met de auteur en met Nostradamus in Orval op schattenjacht wil gaan en het "fortuin van de Bourbons" opsporen, vindt eveneens alle nuttige informatie in dit boek, of via info@inter-actief.be 

Het boek Nostradamus in Orval is ondertussen alweer herdrukt, deze keer bij de Scriptomanen:





Patrick Bernauw
Nostradamus in Orval
Een antiquair probeert te bewijzen dat hij een nazaat is van Lodewijk XVII, maar wordt vermoord. Vanwege de Profetie van Orval, van de hand van Nostradamus? Of heeft de moord te maken met de legendarische schat van Orval?
€24,95 Paperback

7.7.13

Stop je koffers proppens-bol.com met enige vakantielectuur

Geniet in Orval met 

Nostradamus in Orval 

van een frisse Orval
of met een even frisse Affligem in de bossen

Van Galgenberg tot Duivelsput



(*) Is je koffer te klein? Probeer dan een ebook en zoek het hier 
of daar, met een SSW-Zomerkorting van 50%!




22.1.13

Nostradamus in Orval... nu ook als ebook!


Price: $9.99 USD


 

Buy this book in print:



Cover for 'Nostradamus in Orval'
By Patrick Bernauw
Published by De Scriptomanen

Words: 104,090 (approximate)
Language: Dutch
ISBN: 9781301497836





 

Antiquair Karel Rombaut wil met zijn boek aantonen dat hij als nazaat van Lodewijk XVII (1785-1795?) een troonpretendent van Frankrijk is. Maar voor hij zijn levenswerk kan publiceren, wordt Rombaut vermoord door een mysterieuze man die hem "de Profetie van Orval" zou hebben getoond... van de hand van Nostradamus! 


Antiquair Karel Rombaut wil met zijn boek aantonen dat hij als nazaat van Lodewijk XVII (1785-1795?) een troonpretendent van Frankrijk is. Maar voor hij zijn levenswerk kan publiceren, wordt Rombaut vermoord door een mysterieuze man die hem "de Profetie van Orval" zou hebben getoond... van de hand van Nostradamus! Deze zogenaamde voorspelling zou de sleutel bevatten tot de bergplaats van het Franse koninklijke fortuin, dat tijdens de Revolutie spoorloos verdween in de abdij van Orval.

Kon kroonprins Lodewijk XVII de Franse Revolutie ontvluchten en leeft zijn nageslacht in Vlaanderen? Ligt er een schat verborgen in de abdij van Orval? En welke geheimen staan er eigenlijk te lezen in de "voorspellingen" van Nostradamus? Patrick Bernauw oogstte veel succes met zijn thrillerdebuut, "Het bloed van het lam", waarin hoofdpersonage Maarten Dejonckheere het mysterie van de Rechtvaardige Rechters ontrafelde, het gestolen paneel van het Lam Gods. "Nostradamus in Orval", oorspronkelijk verschenen... (Read more) 


 

Available ebook reading formats

Single purchase gains access to all formats. How to download ebooks to e-reading devices and apps. 
FormatFull BookSample First 20%
Online Reading (HTML, good for sampling in web browser)BuyView sample
Kindle (.mobi for Kindle devices and Kindle apps)BuyDownload sample
Epub (Apple iPad/iBooks, Nook, Sony Reader, Kobo, and most e-reading apps including Stanza, Aldiko, Adobe Digital Editions, others)BuyDownload sample
PDF (good for reading on PC, or for home printing)BuyNo sample available
RTF (readable on most word processors)BuyNo sample available
LRF (Use only for older model Sony Readers that don't support .epub)BuyDownload sample
Palm Doc (PDB) (for Palm reading devices)BuyDownload sample
Plain Text (download) (flexible, but lacks much formatting)BuyNo sample available
Plain Text (view) (viewable as web page)BuyNo sample available

17.10.12

Joachim Stiller komt op Cultura

Met het "vorderen der jaren" ben ik in mijn boeken teruggekeerd naar de plek waar het voor mij, als schrijver, allemaal begon - dat moet Atlantis geweest zijn, het soort Atlantis dan dat beschreven werd in de roman Terugkeer naar Atlantis van Hubert Lampo. Ik bedoel dan dat ik in boeken als Het Bloed van het Lam, Nostradamus in Orval, Het Illuminati Complot, De Paus van Satan of De Zaak Louis XVII een zeer persoonlijke "historische thriller"-versie van een door Lampo bedreven en beschreven magisch-realisme ben gaan opzoeken. Ik noem het dan "faction", een versmelting van feiten en fictie, die - wat mij betreft - vaak ook de grenzen opzoekt van werkelijkheid en verbeelding. Zonder het werk van Lampo zou ik nu heel andere boeken schrijven, neem ik aan. Ik leerde van zijn romans dat je de thematiek van je verhalen ook dicht bij huis kunt zoeken, in mijn geval in "Mysterieus België", zodat de realiteitswaarde versterkt en een "opschorting van het ongeloof" (in het fantastische) mogelijk wordt. En ik leerde van hem ook hoe je, met eenzelfde doel voor ogen, een essay kunt schrijven als een roman, en essayistische passages in een roman kunt verwerken. Ik beschouw Hubert Lampo dan ook als één van mijn geestelijke vaders, samen met bijvoorbeeld Stephen King. 
 
Cultura24 (hét digitale themakanaal van de Publieke Omroep voor verdieping in kunst en cultuur) staat van 15 t/m 19 oktober in het teken van het magisch-realisme. Dé roman in dit genre is De komst van Joachim Stiller van Hubert Lampo, 35 jaar geleden verfilmd voor de televisie, en sindsdien niet meer te zien geweest. Maar nu dus op Cultura24, en wel op donderdag 18 oktober om 20.40 uur.

Hier volgt een kort artikel over de uitzending, geplukt van de website van Cultura 24:


Iconische roman

Galerie Mokum bestaat vijfentwintig jaar, noordelijke realist Diederik Kraaijpoel is recentelijk overleden en realistische dichter Jean Pierre Rawie brengt een nieuwe dichtbundel uit. Reden genoeg om aandacht te besteden aan het (magisch) realisme in de kunsten. Met als hoogtepunt na 35 jaar weer op de televisie te zien: De komst van Joachim Stiller.

De verfilming van de iconische roman van het magisch-realistische genre, geschreven door de Vlaamse auteur Hubert Lampo in 1960 verscheen ruim vijftien jaar later in 1976, geregisseerd door Harry Kümel, met hoofdrollen voor Hugo Metsers, Cox Habbema en Willeke van Ammelrooy. Voorafgaand aan de film vertelt schrijver Hubert Lampo over het ontstaan van het boek.

Onverklaarbare verschijnselen

In De komst van Joachim Stiller ziet een Antwerpse journalist zijn dagelijks, ordelijke leven in toenemende mate verstoord door onverklaarbare verschijnselen. Zo ontvangt hij een brief uit 1919 die een gebeurtenis van veel latere datum vermeldt. Omdat deze verstoringen steeds met de naam ‘Joachim Stiller' zijn verbonden, raakt de journalist erdoor geobsedeerd. De ontknoping, die veel te maken heeft met zijn traumatische ervaringen uit de Tweede Wereldoorlog vindt plaats bij een psychiater– en later ook bij een verlaten spoorwegstation in een Antwerpse buitenwijk. Hiermee verweven is het verhaal van een Antwerpse kunsthandelaar, die met een nieuw soort schilderkunst rijk denkt te worden. Hij gijzelt hiertoe een zwakbegaafde kunstenaar.

21.3.11

Vers van de pers: De paus van Satan - Hier is het Voorwoord:



Dit is het Voorwoord
bij De paus van Satan,
vers van de pers:




Philip Coppens is een Vlaming die al een tijdje wereldwijd ‘on the road’ is. Enkele jaren geleden was hij in Spanje voor een lezing rond een ‘alternatief historisch’ thema. Achteraf werd hij benaderd door een oudere heer die vlekkeloos (Noord-)Nederlands sprak, en er al meteen op aandrong dat hij – wat ook het gevolg van hun gesprek mocht zijn – onder alle omstandigheden anoniem wenste te blijven. De man liet Philip een aantal fotokopieën zien van een moeilijk leesbare, met de hand geschreven tekst, gesteld in een vooroorlogs Nederlands. Hij vertelde erbij dat het om ‘de laatste woorden’ ging van de ooit zo beroemde – en ook wel beruchte – schrijver Joris-Karl Huysmans. Het testament van J.-K. Huysmans was oorspronkelijk in het Frans geschreven geweest, maar het werd door een lid van de Nederlandse tak van de familie van de schrijver naar het Nederlands vertaald, en het was door een speling van het lot in de handen van Philips contactpersoon terechtgekomen.
Charles-Marie-Georges Huysmans, geboren in 1848 in Parijs en daar ook in 1907 gestorven, werd geboren uit een Nederlandse vader en een Franse moeder. Om zijn Nederlandse afkomst te benadrukken, publiceerde hij onder de naam Joris-Karl of J.-K. Huysmans. Zijn grootvader telde een aantal Vlaamse schilders onder zijn voorzaten en was tekenleraar aan de Militaire Academie van Breda. Huysmans debuteerde in 1874 met een in eigen beheer uitgegeven dichtbundel en raakte al snel nauw betrokken bij de naturalistische kring die zich verzameld had rond Emile Zola. In zijn vroege werk schetste hij bij voorkeur een banaal en alledaags bestaan, en gaf hij blijk van een diep pessimisme en zijn weerzin voor de moderne wereld. Zijn doorbraak kwam er pas nadat hij Zola in 1884 de rug toekeerde en de roman A Rebours publiceerde, die ‘de bijbel van het decadentisme’ werd genoemd en hem tot één van de iconen van het symbolisme maakte. Net als zijn hoofdpersonage Des Esseintes was Huysmans een estheet met een voorliefde voor het kunstmatige, die zich probeerde af te zonderen van de wereld en een leven lang leed aan tal van zenuwziekten.
Minder bekend is dat J.-K. Huysmans er naast zijn literaire carrière een loopbaan als ‘ambtenaar bij de Sûreté Générale’ op na hield. ‘Wat daar precies onder verstaan moest worden, maakt dit manuscript perfect duidelijk’, vertelde de oude heer aan Philip. Het beschreef intensief de periode die voorafging aan de publicatie van zijn satanische schandaalroman Là-bas in 1891 en zijn daarop volgende bekering tot het christelijk geloof, die boeken opleverde als La Cathédrale (1898) en hem een plaats in de canon van de Franse literatuur opleverde. Hoewel er tot het eind van zijn leven twijfel bleef bestaan aan de oprechtheid van zijn bekering, stierf Huysmans in de pij van een Benedictijner broeder aan de gevolgen van long- en botkanker.
Het zou ons te ver leiden hier te schetsen hoe deze oude heer er uiteindelijk in slaagde Philip te overtuigen van zijn goede trouw. We zouden er trouwens ook de door hem gewenste anonimiteit mee tenietdoen. Laat het volstaan op deze pagina’s te vermelden dat Philip een kort onderzoek instelde naar zijn contactpersoon, en dat deze inderdaad een ver familielid van J.-K. Huysmans bleek te zijn. Ook in zijn voordeel sprak dat hij juist in contact was getreden met Philip om erachter te komen of het manuscript wel degelijk authentiek mocht worden genoemd.
Philip kende mijn fascinatie voor de occulte geschiedenis van Vlaanderen, en hij wist dat ik gedurende de afgelopen twee decennia zowel fictie als non-fictie had geschreven rond thema’s die zich situeerden in Fantastisch Vlaanderen of Mysterieus België – van Brugge, over Gent, tot Orval. Hij wendde zich dan ook tot mij met de vraag het manuscript gezamenlijk te screenen, en een poging te doen om vast te stellen of we te maken hadden met een listige mystificatie.
Onze contactpersoon bezorgde ons in een Word-document een gemoderniseerde transcriptie van het volledige manuscript, met de vraag het aan een grondig onderzoek te onderwerpen en, indien mogelijk, te publiceren. Toen hij kort nadien overleed, leek het erop dat hij volslagen alleen in de wereld had gestaan. Zijn bezittingen liet hij na aan goede doelen, en van het originele manuscript hebben we daarna niets meer vernomen. Ikzelf heb het nooit gezien en Philip heeft alleen even de fotokopieën van bepaalde passages in zijn handen mogen houden. We zijn er ons terdege van bewust dat deze hele gang van zaken ideaal is – en kenmerkend – voor personen die een literaire mystificatie een schijn van authenticiteit willen geven. Omdat wij niet beschikken over het originele manuscript, kunnen we de authenticiteit van de tekst alleen maar beoordelen op basis van zijn inhoudelijke en literaire vormkenmerken. Het spreekt vanzelf dat het in die omstandigheden onmogelijk is zonder enig voorbehoud welke conclusie dan ook te formuleren.
Zelfs als we ervan uitgaan dat de tekst een getrouwe weergave is van een Frans manuscript dat tot stand kwam vóór 1907, dan moeten we ons nog de vraag stellen wie de werkelijke auteur is van dit literair en spiritueel testament: Joris-Karl Huysmans, of zijn secretaris Jean de Caldain. Huysmans zou deze bijzonder omvangrijke en gedetailleerde geschiedenis immers gedicteerd hebben aan Jean de Caldain, gedurende de laatste maanden, weken of zelfs dagen van zijn leven, vanaf zijn ziekbed, terwijl hij verging van de pijn, onder invloed van verdovende middelen, tussen hallucinaties en ijldromen door. In hoeverre heeft Jean de Caldain de aldus tot stand gekomen tekst ‘geredigeerd’, en wat is er – inhoudelijk en stilistisch – met het testament van Huysmans gebeurd toen het door een familielid werd vertaald naar een ‘vooroorlogs Nederlands’ (met welk doel, overigens?) en vervolgens omgezet in ‘modern Nederlands’ (door de contactpersoon van Philip?).
Welke weg het oorspronkelijke manuscript precies heeft gevolgd, om uiteindelijk bij de Nederlandse tak van de familie van J.-K. Huysmans te belanden, is ook lang niet duidelijk. Stel dat Jean de Caldain de pen van J.-K. Huysmans heeft vastgehouden of zelfs de ware auteur van het Franse manuscript is geweest, welke bedoelingen had hij dan met dit manuscript? Heeft hij geprobeerd de authenticiteit ervan te laten waarborgen door een vooraanstaand lid van de familie Huysmans? Heeft het manuscript vervolgens om een of andere reden tientallen jaren lang stof vergaard op een zolder, waar het uiteindelijk toevallig werd gevonden en door onze contactpersoon interessant genoeg werd geacht om te ‘hertalen’ en Philip Coppens aan te spreken?
Het heeft er de schijn van dat het manuscript voornamelijk gedurende 1907 tot stand is gekomen – het laatste levensjaar van J.-K. Huysmans. Houden we rekening met zijn mentale en fysieke conditie in die periode, dan moet het noodzakelijkerwijs bestaan uit een chaotische verzameling van artikels, documenten, brieven en notities, met elkaar verbonden door de al even chaotische herinneringen van de stervende schrijver. Aangezien de secretaris die hem op het eind van zijn leven bijstond, Jean de Caldain, de gebeurtenissen niet had meegemaakt waarover J.-K. Huysmans vertelde, kon hij ook geen idee hebben gehad waar en hoe bepaalde documenten precies pasten in het geheel. Het resultaat zou bijgevolg een zo mogelijk nog chaotischer geheel moeten vormen, a-chronologisch, met een overvloed aan losse verhaaldraden, passages die nergens toe leiden en fragmenten die volstrekt duister zijn voor wie niet in de geest van Huysmans kan kijken. De tekst die wij onder ogen kregen, is evenwel strak chronologisch opgebouwd en ook vrij sterk gestructureerd, wat doet vermoeden dat ofwel J.-K. Huysmans eerder al aan de slag is geweest met zijn testament, ofwel Jean de Caldain veel meer was dan zijn secretaris, misschien zelfs meer dan louter zijn ghostwriter.
Vormelijk en stilistisch draagt de tekst alleszins het stempel van J.-K. Huysmans. Zoals ook in zijn ‘laatste woorden’ ter sprake komt, was hij een van de eersten om op ‘naturalistische’ wijze allerhande documentair materiaal in een roman te verwerken. Bij leven en welzijn schreef Huysmans al ‘faction’, en onder die noemer valt ook deze tekst getiteld De paus van Satan. Zijn vaak sardonische stijl, de hyperbolen en opsommingen, zijn plotse uitbarstingen in pure lyriek, de horror… dit alles is vintage Huysmans. Bij sommige passages dachten we - Là bas te lezen: de beschrijving van zijn relatie met Henriette Maillat, haar brieven die hij niet alleen in Là-bas maar ook in De paus van Satan gebruikt zou hebben, de zwarte mis, Saint-Sulpice … Maar Là-bas is nu eenmaal, en zelfs in de eerste plaats, een autobiografische roman. Het boek vormde bovendien een scharnierpunt in het leven en werk van de schrijver. Misschien zou het omgekeerde ons pas echt moeten verbazen, namelijk: dat De paus van Satan geen raakpunten bezat met Là-bas, waarvan het de wordingsgeschiedenis beschrijft en waarmee het de thematiek deelt.
Inhoudelijk hebben we de schrijver van De paus van Satan nergens op grove ‘fouten’ kunnen betrappen. Het leven van Joris-Karl Huysmans is vrij goed gedocumenteerd, door hemzelf – in zijn autobiografische romans en in tal van andere geschriften – en door Robert Baldick, de auteur van de magistrale biografie The Life of J.-K. Huysmans (1955). Aan de hand van dit boek hebben we De paus van Satan aan een grondige controle onderworpen. Hierbij hebben we kunnen vaststellen dat de schrijver van De paus van Satan al eens beweert op een andere plaats geweest te zijn dan uit bepaalde documenten mag blijken, maar dat hij daar dan ook een steekhoudende verklaring voor geeft. En als zijn chronologie al eens lichtjes afwijkt van die in het boek van Baldick, dan zou het omgekeerde ons ook – alweer – verbazen.
Het meest in het oog springende verschil tussen de ‘officiële’ biografie van Baldick en wat we zoal in De paus van Satan terugvinden, heeft te maken met het werk dat Huysmans zou hebben gedaan bij de Sûreté Générale. Maar ook deze discrepantie is perfect verklaarbaar: Huysmans zelf kon er bezwaarlijk mee te koop lopen, en het per definitie geheime of op zijn minst discrete karakter van zijn job zorgde ervoor dat dit belangrijke aspect van zijn leven ook later weinig aan bod kon komen in artikels of boeken gewijd aan Joris-Karl Huysmans.
Een ander referentiewerk dat van onschatbare waarde bleek te zijn, werd geschreven door een onderzoeksjournalist avant la lettre, die zich als een pitbull in zijn onderwerp had vastgebeten: Herman Bossier, met zijn Geschiedenis van een romanfiguur, de ‘chanoine Docre’ uit Là-bas van J.-K. Huysmans. Deze studie over de kapelaan van de Heilig Bloedkapel te Brugge, Louis Van Haecke, die niemand minder dan ‘de paus van Satan’ zou geweest zijn, werd oorspronkelijk gepubliceerd in 1942, en in 1965 herdrukt in de reeks Vlaamse Wetenschappelijke Pockets van uitgeverij Heideland, te Hasselt. Dit boek verschafte ons heel wat informatie die akelig parallel bleek te lopen met wat we ook al in het testament van Huysmans konden lezen.
Bérenger Saunière is sinds de late jaren zestig zowat een cultfiguur geworden, het zwaartepunt van eindeloze speculaties en honderden publicaties over ‘de schat van Rennes-le-Château ’. Er deden geruchten de ronde over bezoeken van Saunière aan Parijs, maar tot nu toe konden die niet hard gemaakt worden. Zijn naam terug te vinden in geschriften van Huysmans, die dateren van de late negentiende en de vroege twintigste eeuw, valt op zijn minst opmerkelijk te noemen. Toen we de informatie met betrekking tot Saunière gingen checken, zagen we hoe eenzelfde patroon zich aftekende als we eerder al opgemerkt hadden toen we de controle uitvoerden aan de hand van de biografie van Baldick of de studie van Bossier: hier en daar, vooral in de details, wijkt De paus van Satan af van wat we elders konden lezen, maar de grote lijnen liepen wel degelijk parallel. En hetzelfde patroon zagen we ook opduiken als we bepaalde passages uit het literair en spiritueel testament van Joris-Karl Huysmans controleerden aan de hand van het beschikbare archiefmateriaal.
Dit alles in acht genomen, zijn Philip Coppens en ikzelf reeds omstreeks 2005 tot de conclusie gekomen dat we geneigd zijn De paus van Satan als authentiek te beschouwen. Om een onbevooroordeeld publiek debat uit te lokken, zonder dat we meteen al onze kaarten op tafel hoefden te gooien, publiceerde ik een deel van het materiaal uit De paus van Satan in Het Bloed van het Lam (2006) en Nostradamus in Orval (2007). Het is inderdaad zo dat De paus van Satan mij ertoe gebracht heeft na een lange stilte opnieuw historische faction te gaan schrijven voor volwassenen. Vervolgens zijn we gestart met het mondjesmaat vrijgeven van artikels of bepaalde passages uit het boek in het Engels, en op het web – nog steeds met de bedoeling reacties los te weken. De nieuwe inzichten die wij op die manier hebben verworven, werden eveneens in voetnoten aangebracht in de tekst van De paus van Satan die wij hierbij presenteren.
Wij pretenderen hiermee niet al de raadsels opgelost te hebben die door De paus van Satan worden opgeworpen. Het werk Le Précieux Sang à Bruges, geschreven door de kapelaan van het Heilig Bloed Louis Van Haecke, is bijvoorbeeld ontegensprekelijk een gecodeerd boek, zoals La Vraie Langue Celtique van Henri Boudet er een is, de confrater en buur van Bérenger Saunière. Het is duidelijk dat Huysmans met betrekking tot de decodering van Le Précieux Sang à Bruges allerminst het achterste van zijn tong heeft laten zien. Het is dan ook onze bedoeling dit boek vroeg of laat in facsimile uit te geven, zodat specialisten ter zake zich over de materie kunnen buigen.
En zo laat De paus van Satan nog wel meer vragen onbeantwoord. Wie is de Grote Monarch die de Schriften van de Profeet Nostradamus in vervulling zal laten gaan? Wanneer zal dat gebeuren? En waar is het Heilig Graf te vinden dat de Grote Monarch zal legitimeren? In dat verband heeft Orval nog lang niet al zijn mysteries prijsgegeven… Wat moeten we er bijvoorbeeld van denken dat de Duitse Keizer Wilhelm, in volle Eerste Wereldoorlog, terwijl enkele kilometers verderop in Verdun hele legers worden afgeslacht, op expeditie trekt om de Schat van Orval te vinden, terwijl de Kronprinz voortdurend in Stenay rondhangt, enkele kilometers verderop, bij de plek waar de Merovingische koning Dagobert II werd vermoord? Dit zijn feiten, er bestaan foto’s van – en ze verdienen ongetwijfeld een nader onderzoek...

Patrick Bernauw & Philip Coppens, augustus 2010

16.2.11

De Blauwe Tavernier



Dit hoofdstuk werd geschrapt uit Nostradamus in Orval:


Lisa zag hoe hij van zijn hart een steen maakte, en dat dit het eerste teken was. Zij die geschiedenis schreven, hadden zijn geschiedenis herleid tot een bescheiden voetnoot in hun boeken, maar wat wisten zij van zijn wàre leven? Wat wisten zij van zijn tweede, van zijn laatste reis naar Indië, op de verdoemde leeftijd van vierentachtig? Wat wisten zij van de eerste steen? Lisa zag het allemaal in een schaal met water en met de ogen van een groot ziener, die heel goed wist dat zij geen oog hadden voor de oogmerken van de man die Tavernier heette, dat zij het geheime leven van deze man uit het oog verloren. Alleen de zoon van de man die Tavernier werd genoemd, alleen hij wist dat de vader vertrok om wederom het fortuin te vergaren dat de zoon had verkwanseld in de bordelen van Parijs.

Zelfs over zijn eerste expeditie naar Indië deden zij die de geschiedenis schrijven er meestal het zwijgen toe. In zijn dromen staarden ze hem aan, misleid als ze werden, met verdwaasde gezichten. Stenig hen! In zijn dromen staarden zij en ze zwegen over de spectaculaire inhoud van de hutkoffer waarmee hij terugkeerde van zijn eerste reis. Staar mij niet aan! Waag het niet mij aan te staren!

Een safierblauwe diamant… en wat weten zij van diamant? Beseften zij dat hij de adellijke steen bij zijn terugkeer uit Indië prompt had verkocht aan een Zonnekoning en dat zijn zoon vervolgens hard zijn best begon te doen om de naam van zijn vader tot een scheldwoord te maken en zijn zuur verdiende goud te verkwisten in de armen van de hoeren van Parijs? Hadden zij oog voor het causale verband tussen zijn transactie en de beschamende handelingen van zijn eigen vlees & bloed?

Hij slaagde aardig in zijn opzet, de zoon, zodat de vader zich in de verdoemde, in de driewerf vervloekte ouderdom van vierentachtig jaren nog genoodzaakt zag met de moed der wanhoop een hopeloze poging te ondernemen om zichzelf en zijn nazaten te redden van de bedelstaf.

Zij die de geschiedenis schrijven, zij gingen er vanuit dat het doel van zijn tweede tocht naar Indië de haven van Pondichéry was en sommigen meenden zelfs te weten dat de ouwe Tavernier daar nooit een voet aan wal had gezet. Hoe hij wist wat zij meenden te weten? Hij had in de steen gekeken, dames en heren, zoals de grote ziener in een schaal met water – naar boven en naar beneden, naar de toekomst en naar het verleden. Hij had het tweede gezicht gekregen. Hij had de schimmen & schaduwen van toekomstige tijden gezien en hij had geluisterd naar wat zacht werd gefluisterd, lispelend als de wind door de kruinen van de bomen op een warme dag in juni. Maar wat wisten zij van het geheime geheugen van de stenen? Wat wisten zij van zijn herinneringen aan de toekomst? Van het grauwe, van het blauwe? En staar mij niet aan! Wààg het niet mij aan te staren!

Zij die de geschiedenis schreven… sommigen onder hen meenden te weten dat hij onderweg ernstig ziek was geworden en het graf van een zeeman had gekregen in de eindeloze wateren van een azuren zee, in de grauwe blauwe en ondoorgrondelijke diepte van de Indische Oceaan. Sommigen onder hen zeiden dat zijn dood alles te maken had met de adellijke steen waarvan zij meenden te weten dat hij hem jaren voordien uit de beroemde mijnen van Golconda naar Frankrijk had gebracht. Daar viel wat voor te zeggen. Al was er niks van aan. Want hij had ‘m niet uit de beroemde mijnen van Golconda; hij had ‘m van een hindoe, of een muzelman, of een boeddhistische monnik – wat deed het er nog toe? hij had nooit veel op met godgeleerdheid en de goden hadden nooit veel op met hem. Hij – en om het eenvoudig te houden, laten we zeggen: de hindoe – deed hem een voorstel dat hij niet kon weigeren. Hij zei dat hij jaarlijks een maagd leverde aan de tempel van Rama & Sita, een maagd die op de feestdag van de godheid voor zijn versteende beeltenis danste en daarna op een altaar van steen werd geslachtofferd door de hogepriesters van een geloof dat toen nog lang niet het zijne was. Hij – de hindoe dus – zei dat hij zonder enig probleem de plaats kon innemen van de tempeldanseres; zij was gesluierd. Hij – de ouwe Tavernier dus – vroeg hem waarom hij dat zou doen. ‘Omdat de ogen van de goden Rama & Sita al eeuwenlang bestaan uit schitterende stenen,’ zei de hindoe, en de ouwe Tavernier zei dat hij het begreep en dat hij over het voorstel van de hindoe zou nadenken, op voorwaarde dat de kans om de tempel levend te verlaten, met de steen, groter was dan de kans geslachtofferd te worden door de bewakers van een tempel gewijd aan een godheid die nog lang niet de zijne was.

‘Als u de ogen uit het hoofd van de goden hebt gehakt, zou u de twee bewakers van de offerzaal kunnen neerschieten met een pistool dat u onder uw sluiers mee naar binnen hebt gesmokkeld,’ zei de hindoe. ‘En wat de overige bewakers van de tempel betreft… Een paar van uw mannen, opgesteld op de juiste plaatsen, kunnen wonderen verrichten. Ik zal hen die plaatsen aanwijzen.’

En toen, op dat verdoemde en tot in de zevende generatie vervloekte ogenblik nam de ouwe Tavernier het besluit dat hem jaren later het leven zou kosten zoals een mens van vlees & bloed zich dat voorstelt & dat zelfs niet vreemd is aan zij die onze geschiedenis schrijven & die ons bestaan menen te doorgronden & die onze donkerste drijfveren denken te kennen. De ouwe Tavernier noemde het bedrag dat de medewerking van de hindoe hem waard was en de hindoe verdubbelde dit bedrag en de ouwe Tavernier knikte. De roof verliep min of meer zoals het was voorzien, met dit verschil dat ouwe Tavernier een scheepsmaatje – een slank en baardloos wezen – de plaats liet innemen van de tempeldanseres en dat het scheepsmaatje er het leven bij inschoot zoals een mens van vlees & bloed zich dat voorstelt. Het maatje werd gestenigd en ouwe Tavernier verloor voor immer zijn gemoedsrust in de haven van Pondichéry; hij had van zijn hart een steen gemaakt en dat was het eerste teken.

Natuurlijk, natùùrlijk had hij al gehoord van de godin van wie hij de ogen had gestolen, maar de ouwe Tavernier vroeg het aan al die luisteren wilde: ‘Hoe zou ik ooit haar geheime leven hebben doorgrond? Hoe zou ik haar goddelijke machten waarvoor ik – toen – nog geen oog had en waaraan ik – toen – nog geen geloof kon schenken op hun werkelijke waarde hebben kunnen schatten!? Ik, die nog geloofde in het vlees dat warm is en het bloed dat ons door de aderen stroomt!’ In die dagen was nog alleen zijn hart van steen en droomde ouwe Tavernier van diamant en niet van goddelijke helden. Hij droomde van de weelde die een diamant zijn meester verschafte, van de bijna koninklijke status die een adellijke steen zijn eigenaar verleende. In vele opzichten was hij zijn tijd ver vooruit. Hij mocht nauwelijks bijgelovig genoemd worden en werd door hen die zijn geschiedenis schreven zelfs ronduit ongelovig geheten. Hij was een voortijdig geboren Kind van de Verlichting; in zijn beeld van de wereld was geen ruimte voor het bovennatuurlijke. Hij wist wel – met zijn nog niet versteende verstand – dat edelstenen van oudsher gebruikt werden als amuletten om het kwaad te bezweren of door zogenaamde kristalkijkers bij het voorspellen van de toekomst, maar hij wist het niet met zijn stenen hart. Hij deelde nog lang niet het wijdverbreide geloof in de geneeskrachtige kwaliteiten van diamant. En waarom staart u mij zo aan? Wilt u dan ook gestenigd worden?

Ouwe Tavernier kende de bezweringen die de Oude Egyptenaren aanbrachten op lapis lazuli en hij wist dat de Soemeriërs en de Perzen daarvoor bij voorkeur amethist, jade of onyx gebruikten. Hij had al gehoord van de bewering als zou diamant een uitstekend middel zijn om vergiften te neutraliseren, en dat agaath de werking van een vergift zou versterken. Saffier was heilzaam wanneer men te lijden had van zweren, steenpuisten of aandoeningen van de ogen – grauwe staar, hij zei maar wat – en topaz hielp in gevallen van maanziekte; emerald onderdrukte de lusten en amethist kon zelfs aangewend worden als een regelrechte verzekering voor een kuis bestaan. Maar ouwe Tavernier gebruikte deze occulte wetenschap – waarover ernstige geschiedschrijvers nooit schrijven omdat zij het daglicht schuwt en alleen bij nacht wordt bedreven – uitsluitend om zijn verzameling edelgesteenten uit te breiden. Als hij in een dik en duister boek las dat Cleopatra parels dronk om haar hartstocht op te wekken, ter meerdere eer en glorie van haar geliefde Antonius die zij begeerde met al de lusten in haar lijf van vlees & bloed, dan vroeg hij zich in eerste instantie af bij wie zij de parels had betrokken en waar ze waren gebleven. Lagen zij nog opgeslagen in haar ingewanden, gedroogd in het stof van eeuwen, of werden zij uitgespuwd in de ondoorgrondelijke diepten van de azuren zee?

Astrologen waren ervan overtuigd dat zekere edelstenen hun trotse drager, afhankelijk van het uur van zijn geboorte, heil of onheil brachten. In de mythen der antieken stonden door draken bewaakte juwelen symbool voor verborgen schatten, maar ook voor de begeerte en de hebzucht die van alle tijden zijn en voor de weelde die wij allen kennen en die vergankelijk is als ons vlees & bloed. Maar voor symbolen had Jean-Baptiste Tavernier nooit enig oog gehad. Hij had de Indische epiek bestudeerd – de Mahabharatha, om maar iets te zeggen –, niet om zijn ziel te zalven met het verhaal over het juweel dat gestolen werd van de slangenkoning Vasuka en dat aan de held Arjuna nieuw leven schonk, maar omdat hij hoopte dat de 90.000 stanza’s van het langste gedicht ter wereld hem meer zouden vertellen over de vindplaatsen van beroemde edelgesteenten waarvan diamant de machtigste was, in staat tot het afroepen van onvoorstelbare zegeningen over het hoofd van de trotse bezitter, maar ook tot het dragen van onnoembare vervloekingen als daar zijn: steenpuisten en de pestilentie die de zwarte dood tot gevolg heeft, of grauwe blauwe staar veroorzaakt door het boze oog. De grote koningin Elizabeth van Engeland droeg er één om haar ter beschermen tegen infecties en het leven van de Spaanse Isabella werd ooit gered door een diamant die zij op haar kleed had gespeld en waarop het mes van een huurmoordenaar afschampte. Men moest hem deze verhalen niet leren kennen, want hij kende ze – al zwegen de geschiedschrijvers er in alle beschaafde talen over en was hun boodschap tot zijn scha & schande nooit eerder tot hem doorgedrongen dan in dit verdoemde, in dit zeven maal zeven maal vervloekte uur. En staart u mij alstublieft niet zo aan of ik stenig u!

Voor de ouwe Tavernier – zo zag Lisa het in een schaal met water door de ogen van de grote ziener Nostradamus – was Rama niet meer of minder dan een personage uit een historisch epos dat omstreeks het jaar 500 voor Christus, nog na de Mahabharatha, het licht had gezien. Voor Jean-Baptiste Tavernier was de Ramayana niet meer dan het verzinsel van een dichter die het daglicht schuwde en werkte bij nacht en ontij; Valmiki was zijn naam. De held Rama, als opvolger van een koning van Kosala, trouwde met prinses Sita, maar zijn stiefmoeder wilde zo graag haar eigen zoon op de troon en daarom liet zij Rama en Sita en een jongere broer van Rama voor twee maal zeven jaar verbannen. En in de wouden waar de drie bannelingen leefden als kluizenaars werd Sita ontvoerd door de demonenkoning Ravana van het zuidelijke eiland Lana. En om zijn geliefde te bevrijden, bracht Rama een leger op de been, waarbij hij geholpen werd door Hanuman, de koning van de apen. En na een hevige strijd overwonnen Rama en Hanuman en werd Sita gered en ouwe Tavernier kénde die verhalen wel, maar hij had er nooit écht oog voor gehad. Wat moest een mens van vlees & bloed er ook mee aanvangen? Wat moest Jean-Baptiste Tavernier beginnen met de wetenschap dat een zwakke koninklijke naamgenoot van Rama, haast een millenium later, na een nederlaag zijn vrouw beloofde aan een barbaars tiran?

(De jongere broer van Rama nam, verkleed als vrouw, de plaats in van de koningin en zodra hij zich in de harem van de vijand bevond, doodde hij de barbaarse tiran. Bij zijn terugkeer vermoordde hij zijn broer Rama en trouwde met de door zijn toedoen weduwe geworden jonge vrouw die hij had gered uit de klauwen van het beest. En dit alles geschiedde in het jaar 375 na Christus, als men tenminste de Chinese boeddhistische monnik Fa Xian mocht geloven, die de geschiedenis had opgeschreven. Soms scheen het hem toe of de historie uit de Ramayana zich herhaalde in de werkelijkheid van zijn dagen, omdat de loop van de geschiedenis nu eenmaal een wiel was dat door de eeuwen rolde, een liggende acht, een rad van fortuin dat volmaakte cirkels beschreef en telkens stilhield bij dezelfde vergezichten en dezelfde mogelijkheden openbaarde. Maar Jean-Baptiste Tavernier was er nog de man niet naar om oog te hebben voor dit soort toevalligheden, waarvan hij meende te weten dat zij onmogelijk met elkaar konden zijn verbonden door de principes van de causaliteit.)

Een godheid werd geacht overal & altijd aanwezig te zijn en niets of niemand uit het oog te verliezen, en indien er zoiets bestond als een godheid die luisterde naar de naam Sita, dan zou die wel in een verschrikkelijke toorn zijn ontstoken omdat haar ogen op een dergelijk laffe en verraderlijke wijze waren gestolen, met de hulp van haar eigen dienaren bovendien. Maar Jean-Baptiste Tavernier had toen nog geen oog voor de mogelijke gramschap van oude goden; hij had nog uitsluitend oog voor Zonnekoningen die een fortuin veil hadden om in het bezit te komen van goddelijke ogen met welhaast magische medicinale kwaliteiten. En op de keper beschouwd had niet hij, maar een scheepsmaatje de ogen uit het hoofd van Sita gehakt. En dit slank en baardloos wezen van vlees & bloed was daarvoor gestenigd geworden en had er dus zijn vlees & bloed bij ingeboet. Dus waag het niet mij aan te staren!

Voor de rest was niet de ouwe Tavernier, maar de Zonnekoning nu de trotse bezitter geworden van de diamanten die hij – starend in het stralende hart van de steen, in zijn kristallijne diepten van kobalt – de Mata Sita had gedoopt. Jean-Baptiste Tavernier kende wel een mondje Maleis en hij wist best dat in die taal ‘mata’ stond voor ‘oog’. Het was, vanwege dat Maleis, geen juiste naam voor de diamant, maar het was wel een goede naam: het Oog van Sita – dat klonk mystiek & mysterieus, en Zonnekoningen zijn altijd verzot geweest op dat soort idiote details.

De ware ellende begon pas nadat ouwe Tavernier de Ogen van Sita had verzilverd. Misschien had hij precies daarom nooit een causaal verband gelegd tussen de roof, de verhoopte transactie, de onverwacht enorme berg schulden van zijn zoon en het trieste feit dat hij langzaam maar zeker blind begon te worden aan het rechteroog. ‘Cataract,’ zei de chirurgijn. ‘Grauwe blauwe staar waardoor u minder gaat zien en langzaam maar zeker lichtschuw zult worden. Meestal worden beide ogen aangetast, maar in verschillende mate. De aandoening kan niet worden gestuit.’

Cataract. Er kwam een vliesje over het oog te liggen, een vliesje dat zich verhardde tot een hoornlaagje en waardoor de wereld alleen nog kon worden waargenomen in een grauw & blauwachtig waas, als door een holle lens of een slecht geslepen kijkglas. Zijn rechteroog leek als het ware te verstenen; het zonlicht sloeg koude blauwe vonken uit dit dode oog van glas en sneed mensen van vlees & bloed met schichten van azuur in fonkelende stukken, vlijmscherp als het mes dat hij ooit in de gordel van de hindoe had gezien en waarmee een slank en baardloos wezen een paar ogen uit het hoofd van Sita had gehakt & gekerfd.

Na verloop van tijd zag hij zich genoodzaakt een ooglapje te dragen. Gelukkig bleef zijn linkeroog voorlopig gespaard en misschien verwierp hij hierom het denkbeeld dat zijn kwaal werd veroorzaakt door de godin die hij het gezicht had ontstolen.

Met de wanhoop van een vierentachtigjarige zette hij een tweede maal koers naar de grauwe & blauwe wateren van de Indische Oceaan. Jean-Baptiste Tavernier was er de man niet naar om bij de pakken te blijven zitten en er waren – zo dacht hij – nog talloos vele goden van wie hij de medicinale stenen kon stelen. Zelfs toen hij zag – zo-even nog – dat de grauwe staar ook zijn ene overgebleven oog begon aan te tasten, weigerde hij nog te geloven in de straf of de wraak van Sita. Maar nu… Nu wist hij wel beter.

Nu de kwaal zich verspreidde vanuit zijn hard geworden ogen van azuur, vanuit zijn stenen hart, door zijn gebeente en over zijn huid die schilferend open spleet en splinterde. Nu zijn lever & longen al waren versteend en zijn poriën kleine blokjes steen uitzweetten en zijn mond de smaak had van eeuwenoude mineralen. Nu zijn vlees steen was geworden en zijn blauwe bloed niet langer stroomde, maar gestold was tot een ijzige, tot een rotsachtige substantie. En staar mij niet aan – gij die zo grauw & grijs geworden zijt, laat uw oog niet op mij rusten, wend u af of gij zult ook gestenigd worden! wend af! wend af! wend af!



En hier zat hij nu.

Alsof een beeldhouwer hem had gehakt uit de ruwe rotsen van de tijd en hem rechtop had gezet op een stenen brits in een stenen boot op een oceaan van blauwe leisteen in een lucht van licht & schaduw.

Alsof hij alleen maar bestond in de vorm van lijnen & kleren op een doek dat een schilder ooit zou schilderen (en de schilder heette Magritte) – een afbeelding van een levend wezen, niet meer dan een nabootsing.

Alsof hij alleen maar een personage was in een geschiedenis die bijna was geschreven, bedacht door een geschiedschrijver die het daglicht schuwde en werkte bij nacht & ontij op het platte dak van zijn woning, in het licht van de volle maan, turend in een schaal met water & wachtend op de visioenen die zouden komen (en de schrijver heette Nostradamus).

Heel in de verte, zag Lisa, in de dichte mist van azuur, onder de blauwe wolken, op golven van gestolde lava, dobberde een driemaster. ‘Het vak van de geschiedschrijver is geen sinecure,’ prevelde zij met de lippen van Nostradamus. ‘Eén verstrooide pennetrek en de hele verdomde geschiedenis ziet er weer heel anders uit.’

Gebeurden de dingen dan werkelijk omdat hij het zo had opgeschreven?

Lisa zag in een visioen wat de grote ziener had gezien & opgeschreven – en daarom was het ook zo gebeurd & niet anders: nu raakte zelfs de buitenwereld van de ouwe Tavernier aangetast en alles wat hij ooit had aangeraakt, alles waarop hij ooit zijn oog liet rusten: de tafel in de kajuit, de planken vloer en de zoldering, de hoed van zijn eerste stuurman, de appel op de tafel, het laken van zijn brits, de meeuwen in de haven van Pondichéry en de haven van Pondichéry, de fles en het glas en de wijn in het glas en de fles en het vlammetje dat versteend danste op de kaars die reeds was versteend…

En de ouwe Tavernier, hij fluisterde: ‘Sita, Mata Sita… Wend af dat Oog! Staar mij niet aan want gij hebt het Boze Oog! Wend af uw grauwe blauwe staar & staar mij niet aan met uw Ogen van Steen, staar mij niet na met uw Tweede Gezicht en stenig mij niet, ik smeek het u!...’

En Nostradamus schreef het op: ‘Met het mes zal ik snijden, zal ik hakken, zal ik kerven! Met het mes, o Grote Boze Mata Sita! Mijn ene goede oog zal ik uit de oogkas snijden, zal ik hakken, zal ik kerven – o Grote Boze! En ik zal het naar u dragen, ik zal het u opdragen! ’

En Lisa prevelde, terwijl zij het zag gebeuren: ‘Op mijn handen van steen zal ik mijn ene oog dragen, o Grote Boze Mata Sita. En naar de reling zal ik lopen met een stenen bol in mijn stenen handpalm. En ik zal springen in uw azuren zee van tijd, in uw eindeloze golven van blauwe grauwe lava, o Grote Boze!’

En zo zonk ouwe Tavernier ten slotte als een steen in Oostindische wateren…



Podcast Luisterboeken