8.3.14

Voorstelling nieuw boek Het Geslacht van de Engel, in een Literaire Maeltydt, Aalst 15 maart


Het boek Het Geslacht van de Engel wordt een eerste keer voorgesteld op zaterdag 15 maart om 17 uur, in het kader van het evenement Een Literaire Maeltydt in Aalst, georganiseerd door vzw de Scriptomanen. Graag een berichtje als u er bij wil zijn. Dat kan via info@inter-actief.be of op de Facebook-pagina Een Literaire MaeltydtHet boek kost 18,95 euro, maar wie vooraf intekent, kan het op zaterdag 15 maart ophalen aan 18 euro, gesigneerd door de auteur, samen met een uniek 'black-out poetry object' (= een stiftgedicht in een cassette of cd-houder) of een dito poster (A4).




Nawoord 
Het Geslacht van de Engel



Deze roman is het verslag van een speurtocht die mij al sinds mijn zestiende in de ban heeft gehouden. Op die leeftijd las ik De zwanen van Stonehenge van Hubert Lampo, een boek over ‘magisch-realisme en fantastische literatuur’, waarin Lampo een heel hoofdstuk wijdt aan Arthur Machen en het in dat kader ook over ‘de engelen van Mons’ heeft: ‘Ziedaar een waar gebeurd fantastisch verhaal,’ dacht ik, ‘dat je zelf niet beter had kunnen verzinnen!’
Machen schaarde zich met zijn exploot in een respectabele rij literaire illusionisten. Edgar Allan Poe bedacht een verhaal over de oversteek van de Atlantische Oceaan per vliegmachine en goot het – ja, ook hij! – in de vorm van een nieuwsbericht. En men zei het voort, en men kwam het zien.
Dezelfde techniek werd een eeuw later trouwens met evenveel succes toegepast door Orson Welles in zijn radiodrama, gebaseerd op de sciencefiction roman van H.G. Wells, over de moordende Martianen die op aarde geland waren… en veroorzaakte daarmee aardig wat paniek.
Howard Phillips Lovecraft refereerde in zowat al zijn verhalen aan de godslasterlijke Necronomicon – een verboden toverboek dat alle andere middeleeuwse grimoires ver achter zich liet – zodat tal van lezers in bibliotheken, boekhandels en antiquariaten op zoek gingen naar het demonisch meesterwerk.
En Arthur Conan Doyle speelde niet alleen een vooraanstaande rol in de geschiedenis van de elfjes van Cottingley, maar was ook een van de verdachten van de frauduleuze schedel van Piltdown, waardoor – voilà! – de missing link tussen mens en aap zou zijn gevonden (en hij was betrokken bij een dubieuze spiritistische toestand op Barbados, waar doodskisten voortdurend van plaats verwisselden).
Het is inderdaad een geliefd geintje van voornamelijk schrijvers in het fantastische genre, om met een zo wild mogelijke fictie keiharde feiten te creëren. Ze maken hun leugens waar en transformeren hun fictie tot feiten, op een manier die vaak zelfs hun stoutste dromen overtreft. Het vreemde daarbij is, dat hun fictie niet ontspoort en ongeloofwaardig wordt bevonden, als ze aan de werkelijkheid wordt getoetst. Vaak gebeurt het net andersom, en zijn het de feiten die ontsporen. Maar misschien scoren precies deze schrijvers van het fantastische dergelijke ongelooflijke effecten, omdat hun sterke verhalen vooral op een onbewust, archetypisch niveau werkzaam zijn. Zij begeven zich immers in het slecht gemarkeerde grensgebied van waarheid en bedrog, waarin het steeds moeilijker wordt droom van realiteit te scheiden.
Jarenlang heb ik het verhaal van de Engelen van Mons met mij meegezeuld. Vroeg of laat zou ik er een boek over schrijven, dat stond vast. Maar ik slaagde er niet in de hand te leggen op het soort informatie dat het schrijven van dat boek mogelijk moest maken. Ik vond en verslond enkele korte romans en verhalen van Arthur Machen, waaronder The Great God Pan en The Terror, een stuk of wat biografische notities, enkele korte vermeldingen van het mysterie van Mons in naslagwerken over het panormale – en dat was het. Tot een vriend van me in de lente van 2000 terugkeerde van een trip naar Londen met een boek, samengesteld uit het knipselarchief van een Britse zonderling: Man Bites Man. De zonderling, George Ives, was blijkbaar ook gefascineerd door de Engelen van Mons, want in zijn archief bevonden zich een paar artikels over de raadselachtige Friedrich Herzenwirth.
De kolonel sprak danig tot mijn verbeelding en de drang om iets te gaan doen met de Engelen werd nu wel heel groot. Toevallig – of net niet – stuitte ik in dezelfde periode ook op een paar boeken die Richard Heijster publiceerde over de Eerste Wereldoorlog. Een ervan, Mysterie 14/18, bevatte nogal wat informatie over de Engelen, maar ook over aanverwante fenomenen als de Witte Cavalerie en de Witte Kameraad. Toen liet ik de onvolprezen zoekmachine Google los op de termen ‘Angel’ en ‘Mons’ en zie: op het wereldwijde web viel zowaar een schat aan informatie te rapen met betrekking tot Arthur Machen en de Engelen. Een paar sites combineerden de zoektermen zelfs tot ‘Mons Angelorum’.
In de winter van 2000-2001 knutselde ik een eigen theorie in elkaar, vooral gebaseerd op gegevens die ik op het internet had aangetroffen. Kevin McClure publiceerde een bijzonder interessante chronologie en analyse van het mysterie van Mons (Visions of Bowmen and Angels; Angels to the Rescue verscheen in Fortean Times, nr. 68); Alan Coulson en Michael Hanlon gingen in The Case of the Elusive Angel of Mons de mythe te lijf zoals Sherlock Holmes dat zou hebben gedaan. The Friends of Arthur Machen hadden en hebben een site die mij bijzonder goed van pas is gekomen, en ik las en herlas ook een artikel van ene ‘Nessie’, waarin het hele fenomeen werd herleid tot een uit de hand gelopen experiment met magie (de Gouden Dageraad!) en psychologische oorlogsvoering, geconcipieerd door de Britse geheime dienst. Uiteindelijk schreef ik een essay van meer dan tweehonderd bladzijden, waarin ik mijn theorie omstandig uit de doeken deed, maar die geen mens zou willen lezen, laat staan geloven. Want, zoals Arthur Machen al schreef: ‘Je kunt niet geloven wat je niet kunt zien.’ – En ik zag door de bomen het bos niet meer.
Kwam daarbij, als het écht goed moest zijn, zou ik mijn theorie ook moeten laten zien aan de lezer… en zo het ongeloof opschorten, zoals Edgar Allan Poe, Howard Phillips Lovecraft, Orson Welles, Arthur Conan Doyle en natuurlijk ook Machen zelf het mij hadden voorgedaan. En daarvoor is een roman nu eenmaal beter geschikt dan een essay. Dus bracht ik in het voorjaar van 2001 een paar dagen door in Mons, om de sfeer op te snuiven, en kwam ik prompt ook in de ban van dit kleine charmante stadje. Ik bezocht het soldatenkerkhof van Saint-Symphorien en ging op een bank zitten onder een oude kastanjeboom, in de schaduw van het belfort. Daar kwam ik op het idee om mijn roman op te hangen aan het verslag van mijn eigen queeste naar het wezen van de Engel, maar tegelijk het verhaal van Machens leven en werk te brengen, verteld vanuit vanuit het perspectief van zijn zoon Hilary. Dat boek, De Engel van Mons, verscheen in 2002 als eerste uitgave van de nieuwe uitgeverij Afijn – een uitgeverij voor jeugdliteratuur, maar voor deze ‘roman voor adolescenten’ maakte dat naar mijn gevoel niet veel uit.
Uiteindelijk liet ik in mijn roman een magisch-realistische vaagheid bestaan rond de vraag wat daar nu precies aan de hand was geweest in Mons, en waarom Arthur Machen als kampioen van het bovennatuurlijke zo hardnekkig bleef ontkennen dat het mysterie van Mons ook een mystiek kantje had. Het Woord was vlees geworden, oké. En het was geen kwestie van ‘of/of’, maar van ‘en/en’ – zo ongeveer wat ik Eustache Cerbère laat zeggen over het fenomeen, net voor hij het hoofdstuk Project Blue Beam aansnijdt. Met de groei van het internet en de verhalen die daarop terug te vinden zijn, en omdat ik dankzij het web ook over hoe langer hoe meer boeken van Arthur Machen beschikte, vond ik mijn eigen, wat wazige ‘en/en’ verklaring evenwel steeds ontoereikender worden. De boeken van David Clarke (The Angel of Mons, Phantom Soldiers and Ghostly Guardians) en James Hayward (Myths & Legends of the First World War) verschaften nieuwe verhelderende inzichten, vooral met betrekking tot thema’s als black propaganda, Psy Ops en – hoewel de naam niet valt in hun werk – Project Blue Beam. Uiteindelijk kon ik niet anders dan een poging doen om De Engel van Mons 2.0 te schrijven.
Christopher Knowles maakt op zijn blog The Secret Sun (http://secretsun.blogspot.be/2010/11/project-blue-beam-exposed.html) brandhout van het hele Blue Beam concept van Serge Monast. Net voordat Monast het conspiracy circuit van nieuwe, verbijsterende munitie voorzag, publiceerde de man achter Star Trek, Gene Roddenberry, een boek met een thema waar de hard core fans al ten zeerste mee vertrouwd waren, omdat het in de jaren zeventig al verwerkt werd in een synopsis voor een Star Trek speelfilm: ‘Zijn voorstel vertelde het verhaal van een vliegende schotel, die boven de aarde hing, en geprogrammeerd was om mensen naar beneden te sturen die op profeten leken, onder wie ook Jezus Christus.’ En hoe zullen de aardlingen de beelden van deze goden ontvangen? Wel, op telepathische wijze natuurlijk.
Het kost Christopher Knowles niet de minste moeite te bewijzen dat Monast de krachtlijnen van zijn Blue Beam verhaal aan een script voor een sciencefiction film heeft ontleend. Of hoe een fictie opnieuw aanleiding geeft tot feiten… Anderzijds kan er geen twijfel aan bestaan dat er een dikke klare lijn loopt tussen het concept van de Engelen van Mons tijdens de Grote Oorlog, de Sky Projector waarmee Harry Grindell-Matthews vooral in de jaren twintig in de weer is geweest, de verklaringen van kolonel Herzenwirth uit 1930, het A-Force Team van illusionist Jasper Maskelyne dat ingeschakeld werd in de Tweede Wereldoorlog, en de maar al te reële experimenten die daarna werden uitgevoerd door de Amerikaanse en Canadese geheime diensten, maar vooral door de CIA. Te midden van al de hysterische en soms ronduit nonsensicale fictie van Monast duikt hier en daar ook een onomstootbaar feit op. In de jaren zeventig vonden er nu eenmaal hoorzittingen plaats rond MK-Ultra; zie in dat verband:

Het kan niet ontkend worden dat Artur Machen met zijn verhaal over de spookachtige boogschutters van Mons aan de basis heeft gelegen van een serie gelijkaardige Psy Ops Projecten, die een periode van honderd jaar overspant. Vanuit dit perspectief bekeken, zouden we zelfs kunnen stellen dat – uiteindelijk – Monast de mosterd bij Machen heeft gehaald. Het aanwenden van Psy Ops technieken na de Grote Oorlog, of het experimenteren met toepassingen van wat Machen inmiddels als de Ware Zonde beschouwde, kan dan zeer goed verantwoordelijk zijn geweest voor zijn ontkenning dat er in augustus 1914, in Mons, zo tussen hemel en aarde, zo ongeveer gaande was wat hij in zijn stoutere dromen al eens pleegde te dromen.



Geen opmerkingen: