Posts tonen met het label Grote Oorlog. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Grote Oorlog. Alle posts tonen

15.8.14

De Boogschutters van Bergen: 100 jaar geleden stonden de Engelen klaar om te verschijnen bij Mons...

Een jaar of vijftien geleden schreef ik een lang essay over
 'de Engelen van Bergen (Mons)', 
dat uiteindelijk zou resulteren in de boeken 
De Engel van Mons en het recente Het Geslacht van de Engel.



Een andere versie die, geloof ik, nooit werd gedrukt, vertelde hoe op het slagveld dode Pruisen werden gevonden met pijlwonden in hun lichamen. Dit amuseerde mij nogal, omdat ik  – toen ik nog over het verhaal nadacht – mij wel eens een scene had ingebeeld waarin een Duitse generaal voor de Keizer moest verschijnen om uit te leggen hoe het mogelijk was dat de Engelsen niet door hem waren vernietigd.
‘Hoogheid,’ zou de generaal dan zeggen, ‘het is waar, ik kan het onmogelijk ontkennen. Deze mannen werden gedood door pijlen; toen wij ze wilden begraven, hebben we de punten gevonden in hun lichamen.’
Ik verwierp het idee als zijde overdreven, zelfs voor een loutere fantasie. En het amuseerde mij dus nogal toen ik ontdekte dat wat ik had verworpen als zijnde te fantastisch voor een fantasie in zekere occulte kringen werd aanvaard als een hard feit.

Arthur Machen, in The Bowmen, An Introduction




Op 29 september 1914 – nauwelijks een maand na de Slag om Bergen - publiceerde het Londense blad The Evening News op pagina drie een bijdrage van Arthur Machen, die het midden hield tussen een verhaal en een artikel. 
De bijdrage was getiteld The Bowmen (De Boogschutters) en al in de eerste regel verontschuldigt Machen zich ervoor dat hij – vanwege de censuur – niet explicieter kan zijn. Hij vermeldt dan ook nergens de stad Bergen, maar laat er anderzijds geen twijfel over bestaan dat zijn verslag wel betrekking heeft op de Slag om Bergen: ‘Het was gedurende de Aftocht van de Tachtig Duizend (…), op die afschuwelijkste dag van die afschuwelijke tijd, op die dag toen de catastrofe zo dichtbij kwam dat haar schaduw zelfs over het verre Londen viel; en, zonder enige zekerheid, verloren de mensen langzaam maar zeker de moed, alsof de dooddstrijd van het leger op het slagveld hun ziel aanraakte.’
‘Op die verschrikkelijke dag,’ vervolgt Machen, ‘toen driehonderdduizend gewapende mannen met hun artillerie als een zondvloed over dat kleine Engelse legertje heen gingen’ was er één punt in de verdediging dat blootstond aan de complete vernietiging. Met de permissie van de censuur en de militaire expert zou Machen dit punt durven omschrijven als een versterking die – indien ze op dat ogenblik werd doorbroken – het geheel van het Britse leger zou verpletteren. Een hele ochtend werd het duizendtal Britse soldaten dat deze versterking verdedigde, bestookt door de Duitse kanonnen. De mannen maakten grapjes over de granaten, bedachten ze met gekke namen, begroetten ze met flarden uit music-hall songs. Maar de obussen ontploften in hun midden en ‘verscheurden deze goede Engelsen’. 
In een storm op zee komt er een moment waarop de mensen tot elkaar zeggen: ‘Nu is het op zijn ergst, erger kan niet meer,’ – waarop de wind nog tien keer harder gaat blazen dan daarvoor. ‘Zo was het in deze Britse loopgraven,’ schrijft Machen. Dapperder mannen waren niet denkbaar, maar zij werden overweldigd door de ‘seven-times-heated hell’ van de Duitse kanonnade. Vijfhonderd mannen bleven nog over en nog steeds zagen zij vanuit hun loopgraven een enorme horde Duitse infanterie tegen hen oprukken, ‘een grijze wereld van mannen, tienduizend mannen zoals later zou blijken’.
Er was geen hoop meer. De Engelsen schudden elkaar de hand. Eén man improviseerde een nieuwe versie van het gekende strijdliedje, Good-bye, good-bye to Tipperary die eindigde met: ‘And we shan’t get there’. Ze bleven daarbij echter ononderbroken door vuren. Dode grijze lichamen vielen in hele compagnieën en bataljons, maar anderen namen hun plaatsen in.
Toen herinnerde één van de soldaten zich – later kon hij niet zeggen hoe of waarom – een vreemd vegetarisch restaurant in Londen, waar hij een paar maal een excentriek gerecht had gegeten, bestaande uit linzen en noten ‘die pretendeerden een steak te zijn’. Op alle borden in dat restaurant was een motief gedrukt dat St. George voorstelde, in het blauw, vergezeld van het motto Adsit Anglis Sanctus Georgius – Moge St. George de Engelsen helpen. De soldaat kende ‘enig Latijn en andere zinloze dingen’, en nu, terwijl hij vuurde op zijn man in de grijze oprukkende massa, nauwelijks een paar honderd meter verder op, mompelde hij dit vrome vegetarische motto.
De soldaat bleef maar schieten en een kameraad moest hem vriendelijk over zijn hoofd strijken om hem daarmee te doen ophouden; de munitie van de Koning kostte immers geld en was niet bedoeld om verspild te worden met het boren van gekke patronen in dode Duitsers. Want toen de soldaat die Latijn kende zijn invocatie mompelde, voelde hij iets door zijn lichaam gaan dat leek op een elektrische schok. Het rumoer van het gevecht doofde in zijn oren tot een zacht murmelen en – zo verklaarde hij – in plaats daarvan hoorde hij nu een zware stem roepen en schreeuwen, luider dan een donderslag: ‘In slagorde! In slagorde! In slagorde!’
Zijn hart werd heet als een brandende kool en koud als ijs tegelijk toen hij daarop meende uit duizenden kelen de schreeuw te horen: ‘St. George! St. George! St. George!’ – ‘Ha messire; ha! Sweet Saint, grant us good deliverance!’ – ‘St. George for merry England!’ – ‘Harrow! Harrow! Monseigneur St. George, succour us.’ – ‘Ha! St. George! Ha! St. George! A long bow and a strong bow!’ – ‘Heaven’s Knight, aid us!’
En terwijl deze soldaat die stemmen hoorde zag hij voor hem, aan de andere kant van de loopgracht, ‘een lange lijn van gedaanten met een schittering om hen heen. Het waren net boogschutters en met nog een andere schreeuw vloog hun wolk van pijlen zingend door de lucht naar de Duitse horden.’ En al die grijze uniformen gingen neer, in honderdtallen, in duizendtallen – een heel regiment verdween in een oogopslag. De Engelsen konden de bevelen van de Duitse officieren horen, het kraken van hun revolvers waarmee zij onwillige soldaten neerschoten, terwijl lijn na lijn bleef neergaan. En heel die tijd hoorde de soldaat die Latijn kende de kreet: ‘St. George, help ons! Ridder uit den Hoge, verdedig ons!’ De zingende pijlen vlogen zo vlug en zo dik dat ze de hemel verduisterden en de heidense horde smolt voor hen.
‘Inderdaad,’ besluit Machen zijn relaas in die typische stijl van hem – een curieuze mengeling van feitelijke, flegmatiek-journalistieke frazen en ronduit geëxalteerde, mystiek aandoende passages – ‘er bleven tienduizend dode Duitsers achter bij die versterking van het Engelse leger.’ In Duitsland – een natie geregeerd door wetenschappelijke principes – besliste de Generale Staf dat de ‘verachtelijke Engelsen’ granaten met een onbekend gifgas moesten gebruikt hebben, aangezien er geen wonden werden aangetroffen op de lijken van de Duitse soldaten. ‘Maar de man die wist hoe een noot smaakte die zichzelf een steak noemde, wist ook dat St. George zijn boogschutters van Azincourt had aangevoerd om de Engelsen te helpen.'
Als ervaren griezelauteur kende Arthur Machen het belang van een goede ‘punch-line’ om een stuk mee te besluiten, en deze uitsmijter mag er dan ook wezen. Opmerkelijk is ook dat Machen heel bewust het woord ‘contemptible’ gebruikt in zijn laatste alinea, wanneer hij het heeft over de reactie van de Duitse Generale Staf op de gebeurtenissen bij Bergen. De veteranen van het Britse expeditieleger zouden voortaan immers gekend worden als The Old Contemptibles – een bijnaam die hoger werd geschat en als eervoller werd beschouwd dan een decoratie, en die zij dan ook met gepaste trots droegen.

Arthur Machen heeft verscheidene malen gereageerd op al de heisa die zijn verhaal teweeg had gebracht. In 1915 verscheen The Bowmen voor het eerst in boekvorm onder de titel The Bowmen and Other Legends of the War en met als boventitel The Angels of Mons. Machen schreef voor deze collectie, op vraag van de uitgever, een uitgebreide inleiding bij The Bowmen – eigenlijk nogal tegen zijn zin, als we hem mogen geloven: ‘Die affaire met The Bowmen is zo vreemd geweest, van begin tot einde; er zijn zoveel eigenaardige complicaties opgetreden, zoveel stromen en tegenstromen van geruchten en speculaties, dat ik - eerlijk gezegd – niet zou weten waar te beginnen.’
Hij stelt dan maar voor dit probleem op te lossen door zich eerst en vooral uitgebreid te verontschuldigen, want introducties horen nu eenmaal bij meesterwerken, bij klassieken uit de wereldliteratuur, bij grote en oude en algemeen aanvaarde zaken - wat zou hij hier dus een kort verhaaltje van zichzelf gaan introduceren, dat zo’n tien maanden voordien verscheen in The Evening News? Qua captatio benevolentiae kan dit tellen, natuurlijk.
De auteur stelt vervolgens dat hij zich maar al te goed bewust is van de absurditeit en het grotekske zelfs van de situatie. Zijn excuus voor deze bladzijden moet dan ook de volgende zijn: ‘hoewel het verhaal op zichzelf niets voorstelt, heeft het zulke vreemde en onvoorziene gevolgen gehad en avonturen beleefd, dat hùn relaas wel van enige betekenis kan zijn’. Bovendien meent hij dat het relaas van de geruchten rond en discussies over zijn verhaal ook ‘een zekere psychologische moraal’ bezit.
‘Het was eind augustus,’ vertelt Machen dan. ‘Om meer precies te zijn, het was op de laatste zondag van augustus. Er stonden verschrikkelijke dingen te lezen op die hete zondagochtend tussen het ontbijt en de mis. Het was in The Weekly Dispatch dat ik een afschuwelijk verslag las over de aftocht uit Bergen. Ik kan mij de details niet meer herinneren, maar ik ben de indruk niet vergeten die het op mij maakte. I seemed to see a furnace of torment and death and agony and terror seven times heated, and in the midst of the burning was the British Army. In the midst of the flame, consumed by it and yet aureoled in it, scattered like ashes and yet triumphant, martyred and for ever glorious.’
Hij zag ‘onze jongens’ met een schittering om hen heen en hij nam deze gedachten met zich mee, naar de kerk, ‘and, I am sorry to say, was making up a story in my head while the deacon was singing the Gospel.’
U mag het mij niet kwalijk nemen dat ik Machen af en toe letterlijk en onvertaald citeer.  Ik zou u graag een zo precies mogelijk idee geven, niet alleen van wat deze auteur te vertellen heeft, maar vooral van de manier waarop hij dat vertelt: met die onvergelijkbare vermening van het hoge en het lage, het geëxalteerde en het grappige en soms ook met de tongue quite firmly in his cheeck. Bovendien is het ook zo dat ik zelfs na herhaalde pogingen nog altijd niet het gevoel had alle nuances van zijn tekst passend tot uitdrukking gebracht te hebben in mijn diverse vertalingen.
Nu goed, wat Machen daar in de kerk zat te bedenken, was niet het verhaal dat later bekend zou worden als The Bowmen. Het was als het ware een eerste vage glimp van wat later The Soldiers’ Rest zou worden, één van zijn andere oorlogsverhalen, gebundeld in The Bowmen and Other Legends of the War. Machen betreurt alleen dat hij niet in staat was dat verhaal te schrijven zoals het geconcipieerd werd. Wat uiteindelijk als The Soldiers’ Rest gepubliceerd werd, schat hij – literair gezien - een heel stuk hoger in dan The Bowmen, maar het verhaal dat zich aan hem opdrong as the blue incense floated above the Gospel Book on the desk between the tapers en waarin hij de doden door de vlammen en in de vlammen zag opdoemen en begroet worden in een Eeuwige Taverne met liedjes en melk en honing was nog een stuk beter, was ‘waarlijk een nobel verhaal; zoals alle verhalen die nooit geschreven raken.’
Uit dat moment van ‘goddelijke inspiratie’ – de uitdrukking komt van mij, niet van Machen – ontsproten twee verhalen: eentje dat levensvatbaar zou blijken en bekend zou worden als The Soldier’s Rest en een ‘waarlijk nobel verhaal’, dat nooit geschreven zou worden, maar waar hij later de toon, de sfeer, de essentie en de plot van The Bowmen op entte.
‘Nu werd er in alle soorten hoeken gefluisterd en gesuggereerd en geroddeld dat ik, voordat ik het verhaal schreef, iets gehoord zou hebben. De meest decoratieve van deze legenden is ook de meest precieze: “Ik weet dat het een feit is dat hem het hele ding in typoscript werd gegeven door een zwangere vrouw.” Dit was niet het geval.’
The Bowmen heeft meer dan één oorsprong, stelt Machen. ‘Eerst en vooral kennen alle landen en alle tijden de notie dat spirituele wezens de aardse legers ter hulp kunnen snellen, en dat goden en helden en heiligen vanuit hun hoge en onsterfelijke plaatsen zijn neergedaald om te vechten voor de mensen die hen aanbidden. Een verhaal van Kipling over een spookachtig regiment in India spookte door mijn hoofd en vermengde zich met de middeleeuwse dat daar altijd aanwezig is. Op die manier werd The Bowmen geschreven. Het stelde me ernstig teleur. Ik vond het – en ik vind het nog altijd – een middelmatig werkje. (…)
In de regel koestert een journalist evenwel niet het vooruitzicht roem te vergaren; en als hij een avondjournalist is, reiken zijn verzuchtingen van onsterfelijkheid niet verder dan middernacht; en het kan best zijn dat insecten die bij zonsopgang tot leven komen en bij zonsondergang al dood zijn zichzelf onsterfelijk wanen. Toen ik mijn verhaal had geschreven en erom had gegromd en geknord en het in druk had gezien, verwachtte ik niet er ooit nog enig woord over te horen. Mijn collega van The Londoner prees het, zoals zijn vriendelijke gewoonte is; en stelde – zeer terecht – een technisch euvel aan de orde, zoals de taal waarin de strijdkreten van de boogschutters. “Waarom zouden Engelse boogschutters Franse termen gebruiken?” zei hij. Ik repliceerde dat de enige reden was, dat een “Monseigneur” hier en daar mij wel pittoresk leek; ik bracht hem in herinnering dat, en dit is een historisch feit, de meeste boogschutters van Azincourt huurlingen waren van Gwent, mijn geboortestreek, die Mihangel zouden aangeroepen hebben en heiligen die niet gekend waren door de Saksen – Teilo, Iltyd, Dewi, Cadwaladyr, Vendigeid. En ik meende dat dit de eerste en de laatste discussie omtrent The Bowmen moest zijn.’
Maar een paar dagen na de publicatie schreef de uitgever van The Occult Review een brief naar Machen. Hij wilde weten of het verhaal was gebaseerd op feiten. Machen vertelde hem dat dit niet zo was. ‘Ik ben vergeten of ik eraan toevoegde dat het ook niet gebaseerd was op geruchten, maar ik denk dat ik dat niet heb gedaan, aangezien er – naar ik aannam – geen geruchten van hemelse tussenkomsten waren op dat ogenblik. In ieder geval had ik er geen gehoord.’
Kort daarop schreef de uitgever van Light aan Machen en stelde hem een gelijkaardige vraag, waarop Machen een gelijkaardig antwoord gaf. Een paar maanden later ontving hij plotseling verscheidene brieven van uitgevers van parochiebladen, met het verzoek of zij het verhaal mochten herdrukken. De uitgever van Machen verleende die toelating en weer een paar maanden later ontving hij een brief van de samensteller van zo’n parochieblad, waarin deze vertelde dat de editie met The Bowmen erin was uitverkocht. Er bestond nog steeds een grote vraag naar het verhaal. Of de schrijver zo goed wilde zijn hem de toestemming te verlenen het verhaal te herdrukken in de vorm van een pamflet, of hij dan meteen in een korte toelichting een exacte bronvermelding kon opnemen? Machen antwoordde dat hij wel zijn toestemming kon geven om het verhaal te herdrukken, maar dat hij geen bronvermelding in zijn toelichting kon opnemen, om de eenvoudige redenen dat er geen bronnen waren: ‘Het verhaal is een puur verzinsel.’
‘De priester schreef terug en suggereerde – tot mijn verwondering – dat ik mij moest vergissen, dat de belangrijkste “feiten” beschreven in The Bowmen echt hadden plaatsgevonden, dat mijn aandeel in de hele zaak moest teruggeschroefd worden tot het uitwerken en aankleden van een waargebeurde geschiedenis. Het leek erop dat mijn stukje fictie door de congregatie van deze bepaalde kerkgemeenschap was aanvaard als het meest solide feit; en het was toen dat het mij begon te dagen dat indien ik had gefaald in de kunst der letteren, ik was geslaagd – onopzettelijk – in de kust der misleiding. Dit gebeurde, geloof ik, ergens in april, en de sneeuwbal van geruchten die op dat moment begon te rollen is sindsdien blijven rollen, alsmaar groter en groter wordend, en heeft nu monsterachtige aangenomen.’
Volgens Machen was het ook ongeveer in die periode dat varianten van zijn verhaal begonnen op te duiken als authentieke geschiedenissen. Meestal figureerde in deze verhaal echter een vegetarisch restaurant of speelde St. George er een rol in,  zodat hun relatie tot het origineel zich al te gemakkelijk liet raden. ‘In één bepaald geval zei een officier – naam en adres onbekend – dat er een portret van St. George hing in een zeker Londons restaurant, en dat een gedaante die sterk leek op dat portret aan hem was verschenen op het slagveld, door hem geïnvoceerd, met het best mogelijke resultaat.’
In andere versies plaatste een wolk zich tussen de Duitse aanvallers en de Britse verdedigers. Sommigen beweerden dat deze wolk de Britten aan het oog van de oprukkende Duitsers onttrok, anderen dat uit de wolk allerlei ‘schitterende vormen’ te voorschijn kwamen die de paarden van de achtervolgende Duitse cavalarie aan het schrikken brachten. ‘St. George, zo hebt u wellicht opgemerkt, is verdwenen – hij bleef een tijdje langer rondhangen in zekere roomskatholieke varianten – en er is geen sprake meer van boogschutters of van pijlen. Maar tot zo ver is er ook nog geen sprake van engelen; niettemin staan zijn klaar om ten tonele te verschijnen, en ik geloof dat ik de machine ontdekt heb die ze in mijn verhaal heeft gekatapulteerd.’
Machen wijst er vervolgens op dat hij de fictieve soldaat in zijn al even fictieve verhaal  ‘een lange lijn van gedaanten met een schittering om hen heen’ liet zien. En ene A.P. Sinnet die in het meinummer van The Occult Review rapporteerde wat hij zoal had vernomen, verklaarde dat ‘zij die het konden zien, zeiden dat zij “een rij van schitterende wezens”  zagen tussen de twee legers’. Voor Machen is dit een duidelijke afgeleide van zijn verhaal en in het volksgeloof worden ‘schitterende en welwillende bovennatuurlijke wezens’ gewoonlijk ‘engelen’ genoemd. Op die manier, meent Machen, zijn de boogschutters uit zijn verhaal de engelen van Bergen geworden. ‘In die vorm verdienden zij respect en geloof, overal – of toch bijna overal.’
Volgens Machen ligt hier ook het antwoord op de vraag hoe deze ‘illusie’ zo veel ‘gelovers’ heeft gevonden. Engeland heeft al lang haar interesse voor heiligen verloren, schrijft hij. ‘In de recente revival van de cultus van St. George, is de figuur van de heilige weinig meer dan een patriottische mascotte.’ Het aanroepen van de heiligen is ook geen courante Engelse praktijk, het wordt door de meeste Engelsen als ‘te paaps’ ervaren. Maar engelen hebben in grote mate hun populariteit behouden, en zodra was vastgesteld dat het Engelse leger werd gered door engelen, lag de weg wijdopen voor een algemeen geloof in dit ‘feit’ en voor het onstuimige enthousiasme van het volksgeloof.
‘Zodra de legende bekend werd als “de Engelen van Bergen”, werd ze onvermijdelijk. Ze drong door in de pers, onmogelijk te negeren. Ze dook op in de meest ongewone hoeken – in Truth en Town Topics, The New Church Weekly (Swedenborgiaans) en John Bull. De uitgever van The Church Times legde een wijze reserve aan de dag: hij wacht op het bewijs dat tot dusver ontbreekt; maar in een bepaalde editie van zijn blad merkte ik dat het verhaal de inhoud van een preek stoffeerde, en het onderwerp van een ingezonden brief en een artikel was. De mensen sturen me knipsels uit provinciale bladen waarin heftig gedebatteerd wordt over de precieze aard van de verschijningen (…). The Daily Chronicle suggereert een aantal wetenschappelijke verklaringen voor de hallucinaties. (…) Dr. Horton predikte over “engelen” in Manchester: sir Joseph Compton Rickett (…) verklaarde dat soldaten aan het front visioenen gezien hadden en dromen droomden, en dat zij getuigenissen hadden afgelegd van krachten en entiteiten die voor of tegen hen vochten. Brieven bereiken de uitgever van The Evening News vanuit alle uithoeken van de wereld, brieven waarin theorieën ontvouwd worden, een geloof beleden, verklaringen gegeven, suggesties gedaan. Het is allemaal vrij wonderbaarlijk; men zou kunnen zeggen dat de hele zaak een psychologisch fenomeen van de eerste orde is, heel goed vergelijkbaar met de grote Russische illusie van augustus en september 1914.’
Uit zijn opmerkingen en uit de toon waarin die zijn gesteld, schrijft Machen, zou men kunnen opmaken dat hij niet gelooft in de mogelijkheid van een bovennatuurlijke interventie. Niet is minder waar. Het is niet zo dat hij ‘mirakels in Judea geloofwaardig maar mirakels in Frankrijk of Vlaanderen ongeloofwaardig acht’. Hij noemt dat zelfs absurd.
‘Maar ik beken, heel eerlijk, dat ik niet geloof in “de Engelen van Bergen”, voor een deel omdat ik merk – of meen te merken – dat zij een afgeleide zijn van mijn eigen kleine fictie, maar vooral omdat ik tot dusver geen spat bewijs heb gekregen dat mij zou aansporen erin te geloven. Het is ijdel en dwaas, inderdaad, te zeggen: “Ik ben er zeker van dat dit verhaal op een leugen berust, omdat het bovennatuurlijke elementen bevat.” (…) Maar even dwaas is hij die zegt: “Als het verhaal iets bovennatuurlijks bevat, is het waar, en hoe minder bewijs er is, hoe beter.’ Ik ben bang dat dit lijkt op de attitude van velen die zichzelf occultisten noemen. (…) Dus zeg ik, niet dat supranormale interventies onmogelijk zijn, niet dat zij niet plaatsgevonden hebben gedurende deze oorlog – ik weet daar niets over – maar dat er tot dusver geen atoom bewijs is om de huidige verhalen over de engelen van Bergen te ondersteunen. (…) Het zijn verhalen die verteld worden uit de tweede, derde, vierde, vijfde hand – door “een soldaat”, door  “een officier”, door “een katholieke correspondent”, door “een verpleegster”, door een groot aantal anonieme mensen.’
Arthur Machen bedenkt ook de expert van The Psychical Research Society met een sneer. Die zou verklaard hebben dat er geen echt bewijs was voorgelegd aan de Society, maar ‘accepteert het als een feit dat sommige mannen op het slagveld zouden “gehallucineerd” hebben (…). Ze vergeet wat ze zelf heeft aangetoond, namelijk dat er geen enkele reden is om aan te nemen dat iemand zelfs maar gehallucineerd heeft. Sommige (onbekenden) hebben een verpleegster (niet bij name genoemd) ontmoet die gesproken heeft met een soldaat (anoniem) die engelen heeft gezien. Maar dàt is geen bewijs (…)  Er kan nog steeds een bewijs geleverd worden en als dit gebeurt, zal dat interessant zijn en meer dan interessant.’
Machen vraagt zich vervolgens af hoe het mogelijk is voor natie, geheel opgetrokken uit wat hij ‘het platste materialisme’ noemt, geruchten en roddels over het bovennatuurlijke te omarmen als een waarheid die boven iedere verdenking staat. De vraag bevat het antwoord, meent hij: ‘Precies omdat onze hele atmosfeer materialistisch is, zijn we bereid om wat dan ook te geloven – behalve de waarheid. (…) Er waren harde, praktische zakenlui, vooruitstrevende denkers, vrijdenkers nodig om te geloven in Madame Blavatsky.’ De verantwoordelijkheid voor die gang van zaken rust volgens hem op de schouders van de Kerk van Engeland: het christendom is in wezen een religie van het Mysterie, ‘het is dé Mysterie Religie.’ De priesters van deze religie worden geroepen om de bruggenbouwers te zijn tussen de zintuigelijke wereld en de spirituele wereld. ‘And, in fact, they pass their time in preaching, not the eternal mysteries, but a twopenny morality, in changing the Wine of Angels and the Bread of Heaven into gingerbeer and mixed biscuits: a sorry transsubstantiaton, a sad alchemy, as it seems to me.’

11.7.14

Vertelling "Engelen van de Grote Oorlog" op de Gentse Feesten!



Een gepassioneerde vertelling over Arthur Machen, de schrijver van griezelverhalen, die met een kort verhaal in de vorm van een artikel verantwoordelijk werd voor één van de grootste mythes van de Grote Oorlog. In augustus 1914 stond het Britse leger bij het Belgische stadje Mons namelijk op het punt geheel vernietigd te worden door de Duitsers, die drie keer zo sterk waren. Tot een magisch schimmenleger aan hun zijde verscheen.

"Ik heb ze verzonnen!" bleef Machen het nadien hardnekkig herhalen. 
"Onzin!" zeiden de veteranen die de eerste grote slag van de Eerste Wereldoorlog overleefden. "Wij hebben de Engelen van Mons met onze eigen ogen gezien!"


Maar wat is daar precies aan de hand geweest in Mons? In deze gepassioneerde vertelling, gebaseerd op zijn nieuwe boek "Het Geslacht van de Engel", maak je niet alleen kennis met de Engelen, maar ook met de Hellehond van Mons... en "black propaganda" van de Britse geheime dienst, of ultra-moderne "psychologische operaties": PSY OPS! 



Zondag 27 juli, 18 uur.


In de toneelzaal
van de Theater- en Filmschool Stijn Brouns, 
Sleepstraat 210 D, Gent.

De vertelling maakt deel uit van het festival Duivelskunstenaars
en wordt ondersteund door het Vlaams Fonds voor de Letteren.





18.5.14

Scharpenelle, klein verhaal van een Grote Oorlog



 In 1938 gaat een jonge vrouw, Isabel Scherpeneel, op zoek naar haar verleden. Wat is er destijds met haar gebeurd? Waar komt ze vandaan? Ze stoot op het verhaal van twee zusjes, verminkt teruggevonden in een ruïne achter de IJzer. Foto’s van de lijkjes gingen de wereld rond om de Amerikaanse publieke opinie zo ver te krijgen dat ook de Verenigde Staten zouden deelnemen aan de oorlog. Of is zij dat andere "oorlogsweesje", door vijf Vlaamse soldaten aangetroffen in een door shrapnel compleet vernietigd huis?

Van deze Elisabeth Shrapnell werd eveneens dankbaar gebruik gemaakt in de oorlogspropaganda. Het verhaal van Scharpenelle is samengesteld uit verschillende waargebeurde verhalen en door soldaten achter de IJzer geschreven gedichten en liedjes. Het bevat ook een aantal indringende zwartwit "Scharpenelle Aquarellen", eveneens gebaseerd op iconische foto's, illustraties en beelden, en gemaakt door Sansparole. Hij is één van deze "levende doden", die door Isabel wordt opgespoord in een kliniek voor veteranen van de Groote Oorlog...



Scharpenelle, klein verhaal van een Grote Oorlog is gebaseerd op het scenario voor muziektheater waarmee Patrick Bernauw en Compagnie de Ballade in 2005 bekroond werden met de Visser Neerlandia Prijs.


8.4.14

De Slag om Mons (Bergen) - essay over De Engelen van Mons


Een hoofdstuk uit het essay over De Engelen van Mons dat aan de basis lag van mijn nieuwe boek Het Geslacht van de Engel. Het boek is uitsluitend verkrijgbaar via de online boekhandel, of te bestellen via info@inter-actief.be - op dit emailadres kunt u ook een stadswandeling of stadsspel boeken met Patrick Bernauw, in Mons (Bergen) - of een lezing over het boek.







Om vijf uur in de ochtend van de elfde zag ik de schaduw van een man en het glimmen van een bajonet die naderden langs de muur bij het Café des Princes. Dan volgde een andere schaduw, en een ander. Ze kropen over het plein, gebogen, en liepen naar het noorden, naar de Duitse linies.
Ik wist dat dit de bevrijding was. Toen, boven het brullen van de artillerie uit, hoorde ik muziek, wondermooie muziek. Het was alsof de Engelen van Bergen speelden. En toen herkende ik het lied en de muzikant. Het was onze beiaardier die bij kaarslicht O Canada speelde. Dit was het teken. De hele bevolking stormde naar het plein, zingend en dansend, hoewel nauwelijks een kilometer verderop nog steeds de geluiden van het gevecht weerklonken.
Om zes uur ’s ochtends ontmoette ik in het stadhuis enkele Canadezen en we dronken samen een fles champagne leeg. We wisten nog niet dat dit de laatste oorlogsdag zou worden.
In de dageraad zagen wij een vreemd beeld op het plein. Canadese soldaten, uitgeput van hun lange offensief, lagen slapend op de kasseien terwijl heel Bergen om ze heen danste.

Victor Maistrau, burgemeester van Bergen


Hoog boven het stadje Bergen, de hoofdplaats van de Belgische provincie Henegouwen, staat een oude kastanjeboom. Wanneer ik op de bank onder zijn kruin wat ga uitrusten, draagt hij al volop de stekelige vruchten van de late zomer waar kinderen zo gek op zijn. Het is een heldere, zonnige dag in augustus en vanop deze plaats heb ik een schitterend uitzicht over de stad en de streek rond Bergen. Kilometers ver kan ik kijken. Ik vraag me af wat deze oude kastanjeboom al niet gezien moet hebben zoals hij hier staat, roerloos en zwijgend als een stille getuige, een eenzame wachtpost op de grens tussen hemel en aarde.
Ik strek mijn benen uit en maak het blik bier en het lunchpakket open dat ik daar beneden heb gekocht in een supermarktje in de Rue de Nimy. De wandeling heuvelopwaarts onder de brandende zon van augustus eist zijn tol. Ik drink van het bier dat nog fris is gebleven en begin te eten.
Hoe rustig is het hier. Wat een contrast met de drukke kruispunten en de smalle verkeerseilandjes van de Rue de Nimy waar de motoren onophoudelijk brullen en je lijkt te stikken in de uitlaatgassen.
Ik geniet van de rust, het bier en het broodje en ik prijs me gelukkig met deze simpele geneugten die de soldaten van het Britse expeditieleger op die andere hete en wolkenloze augustusdag in 1914 moesten ontberen. De oude kastanjeboom heeft het ongetwijfeld nog meegemaakt, hoe ze daar beneden door de straten vluchtten, op 23 augustus 1914, achterna gezeten door een Duits leger dat drie maal zo sterk was. Hoe anders was alles toen. Ik stel mij het kraken van het massieve geweervuur voor, het donderen van de kanonnen, de geschreeuwde bevelen van de officieren, het hoge gillen van de gewonden, het reutelen van de stervenden. Toen werd de lucht daar beneden niet verpest door uitlaatgassen, maar door de bittere stank van kordiet en buskruit.
In deze stad die omsloten wordt door twee rivieren met toepasselijke namen als la Haine (de Haat) en la Trouille (de Angst), kwam het tijdens wat al gauw ‘de Grote Oorlog’ zou genoemd worden tot een eerste treffen tussen de Britten en de Duitsers. Links van mij liggen het Canal du Centre, de spoorweg en de bruggen die zo hopeloos verdedigd werden door de Royal Fusiliers en het Middlesex Regiment. De afvalhopen die destijds een ernstig probleem vormden voor het opstellen van de artillerie zijn nu overwoekerd door kreupelhout en struikgewas. Recht voor mij is het graan op de velden rijp geworden. Onder de schijnbaar eindeloze horizon bewegen de bomen van de bossen rechts van mij nauwelijks in het zachte briesje. De zon stuurt lange schichten van licht door de kruin van de kastanjeboom die naast mij in de aarde lijken te steken.
Dit is dan de fabelachtige stad van de Old Contemptibles. Mons, dat in het Nederlands ‘Bergen’ wordt genoemd, bekleedt een speciale plaats in de annalen van het Britse leger. De twee veldslagen die om dit stukje zuidoost België werden gevoerd vormen als het ware de proloog en de epiloog van de geweldige catastrofe die de Grote Oorlog was: de tragische aftocht gedurende de eerste weken van het conflict en de triomfantelijke terugkeer bij het einde ervan. Hier was het dat de eerste en de laatste Britse soldaat het leven verloor: soldaat J. Parr omstreeks acht uur in de ochtend van 23 augustus 1914 en soldaat G. Price een paar uur voordat de wapens zwegen op 11 november 1918. Beide mannen hebben een laatste rustplaats gevonden op het kerkhof van Saint Symphorien in de buitenwijken van Bergen.
Voor België – en ook voor Groot-Brittannië – begon de Grote Oorlog op 4 augustus, toen Duitse troepen de Belgische grens overstaken, met de bedoeling daarna ook Frankrijk binnen te vallen. Het British Expeditionary Force, onder het bevel van de populaire generaal John French, stond al klaar om aan Franse zijde te vechten. Groot-Brittannië had een beroepsleger; voor de verdediging van het vaderland vertrouwde men op de kracht van de marine. Al snel zou het echter duidelijk worden dat het land zijn status van grootmacht alleen kon behouden door op het Europese vasteland mee te vechten, waarna de Britten overgingen tot het op grote schaal werven van vrijwilligers.
In de loop van de maand augustus vielen achtereenvolgens de forten van Luik, de hoofdstad Brussel en de fortengordel van Namen in Duitse handen. Het Belgische leger trok zich terug naar het ‘verdedigingsbolwerk Antwerpen’  dat stand hield tot begin oktober, waarna de Belgen zich definitief terugplooiden achter de IJzer. De  opmars van de Duitsers werd evenwel aanzienlijk vertraagd, zodat de Duitse invasie van Frankrijk pas eind augustus een feit was.
De geallieerden -  Britten, Fransen, Belgen – voerden zware gevechten in Noord-Frankrijk, zuidelijk België, bij Dinant, Bergen en Charleroi. Daarbij vielen duizenden doden. Ze hadden de grootte van het Duitse leger zwaar onderschat. Zo stuurde Frankrijk een half miljoen soldaten met een rode pantalon – een excellentie schietschijf – in de vuurlinie om een vijand te bestrijden die niet alleen dubbel zoveel manschappen telde, maar ook nog eens een dubbel aantal kanonnen met een veel grotere reikwijdte.
De bittere gevechten bij Bergen waren niet voorzien in de strategie van de Duitse legertop – het beruchte Plan Schlieffen – en evenmin in het Franse offensieve equivalent Plan XVII, dat een monument was van stupide militaire arrogantie. Het Britse expeditieleger in België speelde in Plan XVII een belangrijke rol op de Franse westflank.
Op 22 augustus rukten de Britse divisies op naar Bergen, klaar om verder door België te trekken als een onderdeel van het geallieerde offensief. Ze bevonden zich precies op de weg van het eerste leger van von Kluck, die België was binnengevallen vanuit het noordoosten. Toen bleek dat de Fransen er niet in geslaagd waren de Duitsers te beletten over de Samber te trekken, begreep sir John French dat zijn expeditieleger in groot gevaar verkeerde. Niettemin stemde hij erin toe vierentwintig uur stand te houden in Bergen om de Franse linkerflank te dekken.
Bergen wordt nog steeds gedomineerd door twee kerken - Sint Waltrudis en Sint Elizabeth – en de stad dankt haar naam aan de hoge heuvel waarop ze werd gebouwd en vanwaar men een schitterend uitzicht heeft op het akkerland en de bossen in de omgeving. Het industriegebied van Bergen vormde in die tijd zowat het centrum van de Belgische mijnbouw. De Britse troepen namen stellingen in langs het kanaal van Bergen naar Condé, over een lengte van zowat dertig kilometer ten oosten en ten westen van Bergen, op een smalle strook van steenkoolmijnen, een vijftal kilometer breed. In de onmiddellijke nabijheid van het kanaal, aan de beide oevers, bevonden zich moerassen en een netwerk van grachten, bezet met wilgen. Ten zuiden van het kanaal en zijn moerassen lagen, wanordelijk verspreid tussen kolossale hopen steenkool en verlaten mijnschachten een aantal kleine mijnwerkersdorpjes met kasseistraten.
Het dorpje Nimy, met zijn drie bruggen over én zijn spoorwegbrug over het kanaal, moest een sleutelrol spelen in de verdediging van Bergen. De streek was daar heuvelachtig en er bevond zich ook een klein bos, het Bois la Haut. Bovendien konden het struikgewas en het kreupelhout op de oevers van het kanaal, bij de bruggen, de Britten ook de nodige beschutting bieden tegen de oprukkende Duitsers.
Het Britse expeditieleger van sir John French – op de linkerflank bijna vijftien kilometer gescheiden van de dichtstbijzijnde Franse eenheid - telde op dat moment 70.000 manschappen. Geen van hen wist dat niet minder dan 240.000 soldaten van het Eerste Duitse leger van generaal Alexander von Kluck recht op hen af kwamen – niet voor het grootste deel vanuit het noordoosten vanwaar ze verwacht werden, maar vanuit het noordwesten. Gelukkig voor hen was von Kluck evenmin op de hoogte van de precieze sterkte en locatie van zijn tegenstander. De Duitse generaal was zich zelfs totaal niet bewust van de aanwezigheid van Britten op zijn eigen aanvalslijn.
Toen de Duitsers op de ochtend van 23 augustus in het mijngebied langs het kanaal onverwachts en frontaal in botsing kwamen met de Britten, was het alsof ze hun hand in een wespennest staken. Daarna bleek dit wespennest echter een dodelijke val te zijn voor de Britse soldaten die probeerden eruit te ontsnappen.
Op iedere verhoging in het landschap zaten Britse officieren gespannen door hun verrekijkers te turen naar het noorden en naar het oosten, op zoek naar een teken van de vijand. Het waren echter de bereden troepen van de beide legers die tijdens verkenningsopdrachten als eersten slaags raakten met elkaar.
Nog voor negen uur die ochtend hadden de Duitsers al hun kanonnen in stelling gebracht en maakten de Britten uitgebreid kennis met de kracht en de nauwkeurigheid van de vijandelijke artillerie. Nauwelijks een uur later bestormde de Duitse infanterie het dorpje Ubourg en werd onthaald op het musketgeweervuur van de Middlesex Highlanders en het machinegeweervuur van de Royal Irish Highlanders.
Bij het dorpje Nimy en de bruggen over het kanaal kogelden de Royal Fusiliers steeds nieuwe Duitse aanvalsgolven neer. ‘De Duitsers kwamen in zwermen, als grijze wolken die over groene velden dreven,’ schreef een Brits veteraan later. Ze doken op uit de bossen, stormden naar de Britse loopgraven in middeleeuws aandoende, gesloten formaties en werden gedecimeerd door de beste schutters van Europa. De gemiddelde Britse soldaat van het expeditieleger was erop getraind vijftien gerichte schoten per minuut af te vuren en bepaalde scherpschutters dreven het tempo zelfs op tot twintig stuks. Dit verschijnsel werd ‘the mad minute’ genoemd.
Maar zelfs ‘de dolle minuut’ kon niet verhinderen dat de Britten langzaam maar zeker omsingeld werden door het numeriek veel sterkere Duitse Eerste Leger van von Kluck. Eerder op de dag had generaal French het bevel gegeven de bruggen over het kanaal te ondermijnen, maar slechts een paar bruggen werden daadwerkelijk opgeblazen. De Duitsers slaagden erin de overblijvende bruggen in te nemen en de Britten werden gedwongen zich terug te trekken. Ze bleven echter vechten voor elke meter. Tegen vijf uur in de namiddag bereikten de eerste Duitsers de straten van Bergen en deden de Britse soldaten vooral hun best om het vege lijf te redden. Alleen het Bois la Haut bleef nog tot de duisternis inviel stevig in Britse handen.
Bij het station van Obourg gaf een heldhaftige Britse soldaat – zijn naam is onbekend gebleven – zijn leven om de aftocht van zijn kameraden veilig te stellen. Hij bleef alleen achter te midden van de doden en de stervenden, klom op een dak en bleef schieten tot hij al zijn munitie had opgebruikt. Terwijl de Britse infanterie zich terugrok in de richting van de Grand Place van Bergen, dekking zoekend achter lantaarnpalen en schietend vanuit portalen, vielen de Duitsers de huizen langs de Rue de Nimy binnen en namen daar gijzelaars, die ze als menselijke schilden voor zich uit dreven. Ten slotte werd zelfs de burgemeester uit zijn stadhuis gehaald om het voortdurend groeiend aantal gijzelaars te vervoegen.
Op de avond van 23 augustus ontving generaal French een telegram van generaal Joffre, waarin deze hem meedeelde wat hij al een tijdje aan den lijve kon ondervinden: dat ze de Duitse troepenmacht zwaar hadden onderschat. Tot overmaat van ramp waren de Duitsers nu ook de Samber overgestoken, zodat de Franse troepen op de Britse rechtervleugel zich ijlings moesten terugtrekken. Het Britse expeditieleger stond er met andere woorden geheel alleen voor en werd aan zijn lot overgelaten.
Hier, en in deze omstandigheden, zou in de nacht van 23 op 24 augustus de legende van de Engelen van Bergen geboren zijn. Omstreeks middernacht zouden hemelse heerscharen zijn neergedaald te midden van de Britse troepen – sommigen beweren dat het om engelen ging, anderen dat het de geesten van Britse boogschutters betrof die gesneuveld waren in de slag bij Azincourt, in 1415 – om de Duitse opmars te stoppen. Onder hun hoge bescherming en geholpen door de duisternis, slaagde het Britse expeditieleger erin zich min of meer ordelijk terug te trekken en te ontkomen aan de algehele vernietiging.
De legende van de Engelen van Bergen schijnt in het leven geroepen te zijn door een kort verhaal van Arthur Machen, getiteld The Bowmen (De Boogschutters). Het werd gepubliceerd op 29 september 1914 in een Londense krant, The Evening News. Op die datum verscheen tegelijk en voor de allereerste keer een vermelding van ‘de engelen van Bergen’ in druk, maar heel wat mensen verklaarden naderhand dat ze reeds veel eerder engelen en heiligen – al of niet uitgedost als boogschutters – hadden waargenomen.
Het verhaal van Machen heeft de vorm van een artikel, een waarheidsgetrouw verslag van de aftocht van het expeditieleger. Een soldaat herinnert zich een oude aanroeping van Saint George: ‘Adsit Anglis Sanctus Georgius’ (‘Saint George, help de Engelsen!’) – en duizenden soldaten nemen zijn aanroeping over. Op een mircaleuze wijze verschijnen vervolgens de geesten van de Engelse boogschutters die de Britse troepen ter hulp snellen.
Kort na de publicatie van het verhaal werd Machen al de vraag gesteld of zijn verhaal soms gebaseerd was op ‘ware feiten’. ‘Nee,’ zei hij, ‘het is een fictie.’ De volgende maanden werd The Bowmen met de regelmaat van een klok herdrukt en telkens werd hem gevraagd naar zijn bronnen. Machen herhaalde en bleef herhalen dat The Bowmen een produkt van zijn verbeelding was. Men weigerde hem te geloven. Soldaten verklaarden dat zij de engelen met hun eigen ogen hadden gezien en familieleden van soldaten getuigden dat hun mannen de lijken van Duitsers gevonden hadden, gestorven door verwondingen die alleen maar door pijlen konden veroorzaakt zijn.
De legende van de engelen van Bergen deed wonderen voor het moreel van de Britten, zowel aan het front als op het thuisfront. Talloze varianten van deze sterk tot de verbeelding sprekende legende verdrongen de waarheid over wat er precies gebeurde in die late augustusdagen, in Bergen. In dit boek wil ik graag een poging ondernemen om die waarheid alsnog te achterhalen. Het is alvast niet zo dat de legende haar ontstaan uitsluitend te danken heeft aan het verhaal van Machen, zoals onder meer Machen zelf  bleef beweren. Evenmin geloof ik dat het verhaal over de wonderbaarlijke effecten van de aanroeping van Saint George de auteur ‘zomaar’ is overkomen, zoals die auteur ook altijd stelde. Arthur Machen had onmiskenbaar een zeer specifiek doel voor ogen toen hij dit verhaal schreef, en hij heeft dat doel ook bereikt.
Dat de Britse  soldaten hoe dan ook nog aan de wurgende greep van het Duitse leger konden ontkomen – geplaagd door honger, dorst, slapeloosheid en de pijn van hun verwondingen – mag op zich al een mirakel heten. In de vroege ochtend van 24 augustus bedroegen de Britse verliezen ongeveer vierduizend manschappen; de Duitsers hadden naar schatting zeven à tienduizend man verloren. Generaal French gaf zijn eerste legerkorps het bevel een offensief in de richting van Binche te forceren om de druk op zijn tweede korps enigszins te verlichten.
Bij het terugtrekken leden de Britten van het tweede legerkorps opnieuw grote verliezen, vooral in de streek van Frameries, een vijftal kilometer ten zuiden van Bergen. Ze namen posities in bij Ciply en Babai en verloren nogmaals verscheidende honderden mannen door hevig Duits machinegeweervuur. Uiteindelijk slaagden al de brigades van de derde divisie erin meer dan veertig kilometer naar het zuiden stellingen in te nemen ten westen van het stadje Le Cateau. Het was toen al 26 augustus geworden.
Een andere divisie van het tweede legerkorps was al in de avond van 23 augustus voor een deel teruggevallen op het plaatsje Dour en werd voor een ander deel zo hevig bestookt door de Duitsers, dat ze slechts op het laatste nippertje van de algehele vernietiging kon gered worden door een cavaleriebrigade. Het sein tot de aftocht bereikte het Eerste Cheshire Regiment niet, dat omsingeld raakte: slechts 193 van de 1007 soldaten overleefden het gevecht. Het Tweede West Riding Regiment verloor zijn commandant, kolonel Gibbs, en zowat al zijn officieren.
Het was de bedoeling van generaal French dat zijn beide terugtrekkende legerkorpsen op 26 augustus posities zouden innemen bij Le Cateau, maar tijdens de aftocht verloren de korpsen ieder contact en elke vorm van communicatie. Tussen beide korpsen in lag namelijk het vrij grote woud van Mormal. Op 26 augustus vocht het tweede legerkorps nog een achterhoedegevecht uit bij Le Cateau, waardoor de nodige tijd gewonnen werd om de restanten van het Britse expeditieleger toe te laten zich terug te trekken tot aan de rivier de Marne.
De Slag om Bergen was gestreden. In dit eerste Britse gevecht op het Westeuropese vasteland sinds Waterloo had het Britse expeditieleger zich goed van zijn taak gekweten. Het had von Kluck vierentwintig uur opgehouden.
De geallieerde én de Duitse soldaten hadden dagenlang meer dan dertig kilometer per dag gemarcheerd in de felle zon. Ze maakten dezelfde ontberingen mee – honger, dorst, blaren en bovenal vermoeidheid, angst, extreme spanning. Ze hadden bovendien dagenlang gevochten op leven en dood, zagen hun makkers vallen als vliegen, raakten zelf min of meer ernstig verwond, sneuvelden.
Het is in die context dat we de opmerking van kapitein Arthur Osbon van de  Dragoon Guards, een cavalerie-eenheid, moeten interpreteren. Terwijl hij Duitse cavaleristen probeerde te onderscheppen die uit de richting van Valenciennes kwamen, herinnerde de dreigende lucht hem aan ‘Miltons beschrijving van legioenen van duistere engelen die door Sint Michael naar de vlakten van de Hel werden gedreven’.
Het is ook in die context dat we het verhaal van ‘de Engelen van Bergen’ moeten interpreteren.








8.3.14

Voorstelling nieuw boek Het Geslacht van de Engel, in een Literaire Maeltydt, Aalst 15 maart


Het boek Het Geslacht van de Engel wordt een eerste keer voorgesteld op zaterdag 15 maart om 17 uur, in het kader van het evenement Een Literaire Maeltydt in Aalst, georganiseerd door vzw de Scriptomanen. Graag een berichtje als u er bij wil zijn. Dat kan via info@inter-actief.be of op de Facebook-pagina Een Literaire MaeltydtHet boek kost 18,95 euro, maar wie vooraf intekent, kan het op zaterdag 15 maart ophalen aan 18 euro, gesigneerd door de auteur, samen met een uniek 'black-out poetry object' (= een stiftgedicht in een cassette of cd-houder) of een dito poster (A4).




Nawoord 
Het Geslacht van de Engel



Deze roman is het verslag van een speurtocht die mij al sinds mijn zestiende in de ban heeft gehouden. Op die leeftijd las ik De zwanen van Stonehenge van Hubert Lampo, een boek over ‘magisch-realisme en fantastische literatuur’, waarin Lampo een heel hoofdstuk wijdt aan Arthur Machen en het in dat kader ook over ‘de engelen van Mons’ heeft: ‘Ziedaar een waar gebeurd fantastisch verhaal,’ dacht ik, ‘dat je zelf niet beter had kunnen verzinnen!’
Machen schaarde zich met zijn exploot in een respectabele rij literaire illusionisten. Edgar Allan Poe bedacht een verhaal over de oversteek van de Atlantische Oceaan per vliegmachine en goot het – ja, ook hij! – in de vorm van een nieuwsbericht. En men zei het voort, en men kwam het zien.
Dezelfde techniek werd een eeuw later trouwens met evenveel succes toegepast door Orson Welles in zijn radiodrama, gebaseerd op de sciencefiction roman van H.G. Wells, over de moordende Martianen die op aarde geland waren… en veroorzaakte daarmee aardig wat paniek.
Howard Phillips Lovecraft refereerde in zowat al zijn verhalen aan de godslasterlijke Necronomicon – een verboden toverboek dat alle andere middeleeuwse grimoires ver achter zich liet – zodat tal van lezers in bibliotheken, boekhandels en antiquariaten op zoek gingen naar het demonisch meesterwerk.
En Arthur Conan Doyle speelde niet alleen een vooraanstaande rol in de geschiedenis van de elfjes van Cottingley, maar was ook een van de verdachten van de frauduleuze schedel van Piltdown, waardoor – voilà! – de missing link tussen mens en aap zou zijn gevonden (en hij was betrokken bij een dubieuze spiritistische toestand op Barbados, waar doodskisten voortdurend van plaats verwisselden).
Het is inderdaad een geliefd geintje van voornamelijk schrijvers in het fantastische genre, om met een zo wild mogelijke fictie keiharde feiten te creëren. Ze maken hun leugens waar en transformeren hun fictie tot feiten, op een manier die vaak zelfs hun stoutste dromen overtreft. Het vreemde daarbij is, dat hun fictie niet ontspoort en ongeloofwaardig wordt bevonden, als ze aan de werkelijkheid wordt getoetst. Vaak gebeurt het net andersom, en zijn het de feiten die ontsporen. Maar misschien scoren precies deze schrijvers van het fantastische dergelijke ongelooflijke effecten, omdat hun sterke verhalen vooral op een onbewust, archetypisch niveau werkzaam zijn. Zij begeven zich immers in het slecht gemarkeerde grensgebied van waarheid en bedrog, waarin het steeds moeilijker wordt droom van realiteit te scheiden.
Jarenlang heb ik het verhaal van de Engelen van Mons met mij meegezeuld. Vroeg of laat zou ik er een boek over schrijven, dat stond vast. Maar ik slaagde er niet in de hand te leggen op het soort informatie dat het schrijven van dat boek mogelijk moest maken. Ik vond en verslond enkele korte romans en verhalen van Arthur Machen, waaronder The Great God Pan en The Terror, een stuk of wat biografische notities, enkele korte vermeldingen van het mysterie van Mons in naslagwerken over het panormale – en dat was het. Tot een vriend van me in de lente van 2000 terugkeerde van een trip naar Londen met een boek, samengesteld uit het knipselarchief van een Britse zonderling: Man Bites Man. De zonderling, George Ives, was blijkbaar ook gefascineerd door de Engelen van Mons, want in zijn archief bevonden zich een paar artikels over de raadselachtige Friedrich Herzenwirth.
De kolonel sprak danig tot mijn verbeelding en de drang om iets te gaan doen met de Engelen werd nu wel heel groot. Toevallig – of net niet – stuitte ik in dezelfde periode ook op een paar boeken die Richard Heijster publiceerde over de Eerste Wereldoorlog. Een ervan, Mysterie 14/18, bevatte nogal wat informatie over de Engelen, maar ook over aanverwante fenomenen als de Witte Cavalerie en de Witte Kameraad. Toen liet ik de onvolprezen zoekmachine Google los op de termen ‘Angel’ en ‘Mons’ en zie: op het wereldwijde web viel zowaar een schat aan informatie te rapen met betrekking tot Arthur Machen en de Engelen. Een paar sites combineerden de zoektermen zelfs tot ‘Mons Angelorum’.
In de winter van 2000-2001 knutselde ik een eigen theorie in elkaar, vooral gebaseerd op gegevens die ik op het internet had aangetroffen. Kevin McClure publiceerde een bijzonder interessante chronologie en analyse van het mysterie van Mons (Visions of Bowmen and Angels; Angels to the Rescue verscheen in Fortean Times, nr. 68); Alan Coulson en Michael Hanlon gingen in The Case of the Elusive Angel of Mons de mythe te lijf zoals Sherlock Holmes dat zou hebben gedaan. The Friends of Arthur Machen hadden en hebben een site die mij bijzonder goed van pas is gekomen, en ik las en herlas ook een artikel van ene ‘Nessie’, waarin het hele fenomeen werd herleid tot een uit de hand gelopen experiment met magie (de Gouden Dageraad!) en psychologische oorlogsvoering, geconcipieerd door de Britse geheime dienst. Uiteindelijk schreef ik een essay van meer dan tweehonderd bladzijden, waarin ik mijn theorie omstandig uit de doeken deed, maar die geen mens zou willen lezen, laat staan geloven. Want, zoals Arthur Machen al schreef: ‘Je kunt niet geloven wat je niet kunt zien.’ – En ik zag door de bomen het bos niet meer.
Kwam daarbij, als het écht goed moest zijn, zou ik mijn theorie ook moeten laten zien aan de lezer… en zo het ongeloof opschorten, zoals Edgar Allan Poe, Howard Phillips Lovecraft, Orson Welles, Arthur Conan Doyle en natuurlijk ook Machen zelf het mij hadden voorgedaan. En daarvoor is een roman nu eenmaal beter geschikt dan een essay. Dus bracht ik in het voorjaar van 2001 een paar dagen door in Mons, om de sfeer op te snuiven, en kwam ik prompt ook in de ban van dit kleine charmante stadje. Ik bezocht het soldatenkerkhof van Saint-Symphorien en ging op een bank zitten onder een oude kastanjeboom, in de schaduw van het belfort. Daar kwam ik op het idee om mijn roman op te hangen aan het verslag van mijn eigen queeste naar het wezen van de Engel, maar tegelijk het verhaal van Machens leven en werk te brengen, verteld vanuit vanuit het perspectief van zijn zoon Hilary. Dat boek, De Engel van Mons, verscheen in 2002 als eerste uitgave van de nieuwe uitgeverij Afijn – een uitgeverij voor jeugdliteratuur, maar voor deze ‘roman voor adolescenten’ maakte dat naar mijn gevoel niet veel uit.
Uiteindelijk liet ik in mijn roman een magisch-realistische vaagheid bestaan rond de vraag wat daar nu precies aan de hand was geweest in Mons, en waarom Arthur Machen als kampioen van het bovennatuurlijke zo hardnekkig bleef ontkennen dat het mysterie van Mons ook een mystiek kantje had. Het Woord was vlees geworden, oké. En het was geen kwestie van ‘of/of’, maar van ‘en/en’ – zo ongeveer wat ik Eustache Cerbère laat zeggen over het fenomeen, net voor hij het hoofdstuk Project Blue Beam aansnijdt. Met de groei van het internet en de verhalen die daarop terug te vinden zijn, en omdat ik dankzij het web ook over hoe langer hoe meer boeken van Arthur Machen beschikte, vond ik mijn eigen, wat wazige ‘en/en’ verklaring evenwel steeds ontoereikender worden. De boeken van David Clarke (The Angel of Mons, Phantom Soldiers and Ghostly Guardians) en James Hayward (Myths & Legends of the First World War) verschaften nieuwe verhelderende inzichten, vooral met betrekking tot thema’s als black propaganda, Psy Ops en – hoewel de naam niet valt in hun werk – Project Blue Beam. Uiteindelijk kon ik niet anders dan een poging doen om De Engel van Mons 2.0 te schrijven.
Christopher Knowles maakt op zijn blog The Secret Sun (http://secretsun.blogspot.be/2010/11/project-blue-beam-exposed.html) brandhout van het hele Blue Beam concept van Serge Monast. Net voordat Monast het conspiracy circuit van nieuwe, verbijsterende munitie voorzag, publiceerde de man achter Star Trek, Gene Roddenberry, een boek met een thema waar de hard core fans al ten zeerste mee vertrouwd waren, omdat het in de jaren zeventig al verwerkt werd in een synopsis voor een Star Trek speelfilm: ‘Zijn voorstel vertelde het verhaal van een vliegende schotel, die boven de aarde hing, en geprogrammeerd was om mensen naar beneden te sturen die op profeten leken, onder wie ook Jezus Christus.’ En hoe zullen de aardlingen de beelden van deze goden ontvangen? Wel, op telepathische wijze natuurlijk.
Het kost Christopher Knowles niet de minste moeite te bewijzen dat Monast de krachtlijnen van zijn Blue Beam verhaal aan een script voor een sciencefiction film heeft ontleend. Of hoe een fictie opnieuw aanleiding geeft tot feiten… Anderzijds kan er geen twijfel aan bestaan dat er een dikke klare lijn loopt tussen het concept van de Engelen van Mons tijdens de Grote Oorlog, de Sky Projector waarmee Harry Grindell-Matthews vooral in de jaren twintig in de weer is geweest, de verklaringen van kolonel Herzenwirth uit 1930, het A-Force Team van illusionist Jasper Maskelyne dat ingeschakeld werd in de Tweede Wereldoorlog, en de maar al te reële experimenten die daarna werden uitgevoerd door de Amerikaanse en Canadese geheime diensten, maar vooral door de CIA. Te midden van al de hysterische en soms ronduit nonsensicale fictie van Monast duikt hier en daar ook een onomstootbaar feit op. In de jaren zeventig vonden er nu eenmaal hoorzittingen plaats rond MK-Ultra; zie in dat verband:

Het kan niet ontkend worden dat Artur Machen met zijn verhaal over de spookachtige boogschutters van Mons aan de basis heeft gelegen van een serie gelijkaardige Psy Ops Projecten, die een periode van honderd jaar overspant. Vanuit dit perspectief bekeken, zouden we zelfs kunnen stellen dat – uiteindelijk – Monast de mosterd bij Machen heeft gehaald. Het aanwenden van Psy Ops technieken na de Grote Oorlog, of het experimenteren met toepassingen van wat Machen inmiddels als de Ware Zonde beschouwde, kan dan zeer goed verantwoordelijk zijn geweest voor zijn ontkenning dat er in augustus 1914, in Mons, zo tussen hemel en aarde, zo ongeveer gaande was wat hij in zijn stoutere dromen al eens pleegde te dromen.



24.2.14

Het Geslacht van de Engel - nieuw boek van Patrick Bernauw over een van de grootste mythen uit de Eerste Wereldoorlog


Lang geleden las ik in De Zwanen van Stonehenge, het onvolprezen boek van Hubert Lampo over het magisch-realisme, over de schrijver Arthur Machen. Hoe hij met een kort verhaal in de vorm van een artikel verantwoordelijk werd voor een van de grootste mythes van de Grote Oorlog. In augustus 1914  stond het Britse leger bij het Belgische stadje Mons namelijk op het punt geheel vernietigd te worden door de Duitsers, die drie keer zo sterk waren. Tot een magisch schimmenleger aan hun zijde verscheen...

'Ik heb ze verzonnen!' bleef Machen het nadien hardnekkig herhalen.
'Onzin,' zeiden de veteranen die de eerste grote slag van de Eerste Wereldoorlog overleefden. 'Wij hebben de Engelen van Mons met onze eigen ogen gezien!'

Het artikel was de start van een jarenlange zoektocht naar de waarheid achter een verhaal, en naar de werkelijke aard van 'het mysterie van Mons'. Wat was daar precies aan de hand geweest? Uiteindelijk leidde het mij, met dank aan het ondertussen uitgevonden internet, naar de geheime experimenten met 'black propaganda' die zowel vóór en tijdens de Eerste Wereldoorlog als nog lang daarna door de Britse geheime dienst werden opgezet. Zo maakte ik niet alleen kennis met de Engelen, maar ook met de Hellehond van Mons, met ultra-moderne PSY OPS of 'psychologische operaties', en met zeer wetenschappelijk onderbouwde technieken van misleiding en desinformatie... waarbij de 'magie' evenwel nooit ver weg was. Ook om die reden kon deze 'historische faction thriller', waarvan de wortels te vinden zijn in een boek over het magisch-realisme, alleen een onversneden magisch-realistische roman worden.
                                                             Patrick Bernauw



Patrick Bernauw is de auteur van een aantal historische faction thrillers rond 'Mysterieus België', waarin hij telkens 'een magistraal spel' speelde 'met heden,  verleden, waarheid en verdichting' (Vrij Nederland). Zo liet hij zijn licht schijnen over, onder meer, de diefstal van de Rechtvaardige Rechters uit het Lam Gods, de moord op Albert I, de exploten van Nostradamus in Orval, de Paus van Satan (die in Brugge zou hebben gewoond) en de Franse kroonprins Louis XVII (die onderdook in Vlaanderen). Zijn boeken werden recent allemaal herdrukt door Schrijverspunt. 'Het Geslacht van de Engel' vormt het sluitstuk van deze reeks.

TWEEDE DRUK:

Patrick Bernauw
Het geslacht van de engel
De griezelschrijver Arthur Machen was met een kort verhaal in de vorm van een artikel verantwoordelijk voor een van de grootste mythes van de Grote Oorlog. In augustus 1914 werd het Britse leger bij het Belgische stadje Mons gered door... engelen!
€22,50 Paperback



Bezoek Mons nu samen met auteur Patrick Bernauw, in de voetsporen van de Engelen, al of niet in het kader van een stadsspel-fotozoektocht of een stadswandeling-met-lezing. Ook mogelijk met doe-het-zelf pakket. Alle informatie, boekingen & bestellingen: info@inter-actief.be

8.5.13

De verlatene Jeanne Elisabeth Schrapnel | Wreed en Plezant


Op de site "Wreed en Plezant", waar de marktzanger in ere wordt hersteld, las ik onderstaand bijzonder interessant artikel over de "oorlogswees Jeanne Elisabeth Shrapnel", over wie ik Scharpenelle, klein verhaal van een Grote Oorlog  schreef. 

Aan de basis van deze tekst voor vertel- en muziektheater, die zich ook "gewoon" laat lezen, ligt een waar gebeurd verhaal uit de eerste dagen van de WOI. Vijf Vlaamse soldaten vinden een meisje van ongeveer drie jaar oud in een door shrapnell doorboord huis. Ze adopteren haar, houden haar als een soort mascotte bij zich en noemen haar "Elisabeth Shrapnell".
Maar laten we "Wreed en Plezant" aan het woord:  
In het liedjesschrift van moeder Carels vonden we deze mysterieuze tekst:
De titel is duidelijk afkomstig van een marktzangersliedblad: de ondertitel vat het verhaal samen, voor zover de titel zelf al niet duidelijk genoeg was.
Na enig speuren vonden we ook zo’n marktzangersblad terug: het zit in de omvangrijke verzameling van de heren Wouters en Moorman die tussen de twee wereldoorlogen enkele boeken uitgaven met transcripties van hun verzameling marktzangersblaadjes. Dankzij de Koninklijke Nederlandse Bibliotheek kunnen deze en andere blaadjes nu in hun oorspronkelijke vorm bekeken worden.
De Nederlanders wisten de opgegeven zangwijze “Onder de Lakenbrug” niet thuis te brengen, wij weten natuurlijk dat dit verwijst naar een ander (Brussels) marktzangerslied dat op zijn beurt de melodie van “Sous les ponts de Paris” gebruikt.

Lees het volledige artikel hier:
De verlatene Jeanne Elisabeth Schrapnel | Wreed en Plezant

31.3.13

Scharpenelle, klein verhaal van een Grote Oorlog (Patrick Bernauw)



Aan de basis van deze tekst voor vertel- en muziektheater, die zich ook "gewoon" laat lezen, ligt een waar gebeurd verhaal uit de eerste dagen van de WOI. Vijf Vlaamse soldaten vinden een meisje van ongeveer drie jaar oud in een door shrapnell doorboord huis. Ze adopteren haar, houden haar als een soort mascotte bij zich en noemen haar "Elisabeth Shrapnell". 

Bij de inval van de Duitsers in Leuven werd een verschrikkelijk bloedbad aangericht onder de burgerbevolking; oorlogspropaganda deed de Duitse soldaten immers overal ‘franc-tireurs’ zien. Onder de slachtoffers: het gezin van dokter Scherpeneel. Zijn vrouw blijft dood achter, hijzelf overleeft de wreedheden, hun dochtertje van drie is spoorloos. Een paar jaar later hoort hij dat achter de IJzer, in het tot veldhospitaal omgevormde Hotel Océan (De Panne), een oorlogsweesje werd opgenomen. Het meisje noemt zich ‘Scharpenelle’. Hij denkt dat dit zijn dochtertje Isabel moet zijn en gaat naar haar op zoek. Wanneer dit meisje niet zijn dochter blijkt te zijn, adopteert hij haar.
In 1938 – Isabel Scherpeneel is dan vooraan in de twintig – gaat zij op zoek naar haar verleden. Ze stoot op het verhaal van vijf Vlaamse soldaten die aan het front een meisje vonden van ongeveer drie jaar oud te midden van een door shrapnell doorboord huis. Van haar ouders was geen spoor te bekennen, haar twee zusjes bleven verminkt achter. Foto’s van de verminkte lijkjes gingen de wereld rond en werden ingezet als propaganda om de Amerikaanse publieke opinie zo ver te krijgen dat de USA daadwerkelijk zou deelnemen aan het conflict. Het meisje dat het bombardement overleefde, werd geadopteerd door de vijf soldaten die haar als een soort mascotte bij zich hielden. Ze noemden haar Elisabeth Shrapnell. Ook van dit gegeven werd dankbaar gebruik gemaakt in de propaganda: men gaf een prentbriefkaart uit waarop de vijf soldaten poseerden met Elisabeth Shrapnell en één van de soldaten maakte een liedje over haar.
Is Scharpenelle dan eigenlijk deze Elizabeth Shrapnell? Uiteindelijk moesten de soldaten Elizabeth Shrapnell ‘afgeven’, maar niet nadat zij haar plechtig beloofd hadden ooit terug te keren. Eén van de vijf zou de Grote Oorlog toch wel overleven? Hij zou dan haar vader zijn... 
Scharpenelle probeert uit te zoeken wat er van de vijf soldaten geworden is en komt uiteindelijk in een Internationaal Militair Hospitaal terecht.
Een artikel uit de krant vertelt over een afgelegen deel van dit ziekenhuis het volgende: ‘Vreemdelingen mogen het niet naderen, oud verpleegden van het ziekenhuis, die het geheim weten, blijven vrijwillig uit de buurt. De eenigen, wien de toegang niet geweigerd wordt, zijn een zestal met zorg uitgekozen doctoren en ongeveer 25 verpleegsters. In dit gebouw leven 80 ‘doode mannen’, slachtoffers van den wereldoorlog. De wereld gelooft, dat zij dood zijn, zelfs hun familieleden is officieel meegedeeld, dat zij gevallen zijn. Op de officieele doodenlijsten komen zij voor onder de namen van hen, “die gevallen zijn op het veld van eer”. Maar zij leven nog steeds! De reden voor hun geheime afzondering is hun afgrijslijk uiterlijk en hun verminkingen, veroorzaakt door bommen en gifgassen. Ieder van deze 80 wrakken, die eens mannen waren, is nu geheel verlamd, blind, doof en stom. Het eenige, dat zij volgens hun verzorgers kunnen doen, is ademhalen en eten. (…) Zij liggen in bedden, die den vorm hebben van waschmanden, waarin zij gemakkelijker verpleegd kunnen worden dan in gewone bedden. Sommigen waren bijna nog jongens, toen de oorlog uitbrak, die hen misvormde tot wezens, hulpeloozer dan een dier.’
En zo is 'Scharpenelle, klein verhaal van een Grote Oorlog' in wezen opgebouwd uit verschillende waar gebeurde kleine verhalen, authentieke liedjes en gedichten, die een mozaïek schetsten van de gruwelen van de Eerste Wereldoorlog.


Available ebook reading formats

Single purchase gains access to all formats. How to download ebooks to e-reading devices and apps.
FormatFull BookSample First 60%
Online Reading (HTML, good for sampling in web browser)BuyView sample
Kindle (.mobi for Kindle devices and Kindle apps)BuyDownload sample
Epub (Apple iPad/iBooks, Nook, Sony Reader, Kobo, and most e-reading apps including Stanza, Aldiko, Adobe Digital Editions, others)BuyDownload sample
PDF (good for reading on PC, or for home printing)BuyNo sample available
RTF (readable on most word processors)BuyNo sample available
LRF (Use only for older model Sony Readers that don't support .epub)BuyDownload sample
Palm Doc (PDB) (for Palm reading devices)BuyDownload sample
Plain Text (download) (flexible, but lacks much formatting)BuyNo sample available
Plain Text (view) (viewable as web page)BuyNo sample available


OPVOERINGSRECHT
Dit werk mag slechts opgevoerd worden nadat dit ebook en het muziekalbum Scharpenelle werden aangekocht, schriftelijke toestemming werd verkregen van Patrick Bernauw & de Scriptomanen vzw: info@inter-actief.be; en indien de verschuldigde auteursrechten werden betaald aan S.A.B.A.M., Aarlenstraat 75-77 te 1040 Brussel. Indien men niet voldoet aan de hier opgesomde voorwaarden, worden de geldende auteursrechten met 100% verhoogd.

Dit stuk werd bekroond met de Visser Neerlandia Prijs 2005.

Het jaar is 1939. De plaats is onbepaald. Misschien bevinden we ons in de ziekenboeg van een gevangenis of in een gesloten psychiatrische inrichting.
Een MAN zit in een rolstoel, in een volgspot. Hij is geheel in het zwart gekleed. Een VROUW zit  op een barkruk, in een volgspot. Zij is geheel in het wit gekleed.
Er is een KOOR VAN STRAATMUZIKANTEN, SPOOKSOLDATEN & VERPLEEGSTERS, dat gedichten voordraagt, liedjes zingt, commentaar levert. Zie hiervoor het muziekalbum Scharpenelle:
(Productie: Compagnie de Ballade & Theater Strobos, Evergem.)


Er worden “Scharpenelle Aquarellen” in wit, grijs en zwart geprojecteerd, op een ezel gezet, of getoond als “plakkaten” (cfr. volkszangers). Deze “Scharpenellen” zijn verkrijgbaar in jpg via het emailadres.

Podcast Luisterboeken