8.1.18

Over Utopia van Thomas More: "Al lachend zegt een Zot de Waarheid..."


Utopie of Dystopie?

Bij Athenaeum-Polak & Van Gennep verscheen in 2016 de tiende druk van de Utopia van Thomas More, in een uitstekende vertaling uit 2008 door Paul Silverentand. De editie bevat een al even interessante verantwoording van de vertaler, en een verhelderend voor- en nawoord van respectievelijk Hans Achterhuis en Marja Brouwers. Zowel Silverentand als Achterhuis en Brouwers stellen onverbloemd dat Utopia een in wezen totalitaire maatschappij schetst.
Het utopisch enthousiasme van de jaren zestig, de idealen die ermee gepaard gingen… ze zijn in rook opgegaan, of ontspoord in het geweld van Rode Brigades. Het Utopia van More verdient veeleer het pas veel later gecreëerde begrip ‘dystopie’, stelt Achterhuis: ‘niet de beste, maar de slechtste samenleving. Daarmee werd in de vorige eeuw aangegeven hoe in de praktijk de hoge utopische waarden en idealen onvermijdelijk in hun tegendeel verkeerden.’ Aldous Huxley (Heerlijke nieuwe wereld) en George Orwell (1984) leverden een literaire omschrijving van wat Stalin en Mao demonstreerden in de politieke praktijk.
Dat is wel even slikken voor de argeloze lezer die bij de term ‘utopie’ spontaan denkt in de richting van ‘een literaire en filosofische term die men kan omschrijven als onmogelijke werkelijkheid, een ideale wereld die echter niet bereikt kan worden’, zoals de definitie op Wikipedia luidt. Maar Achterhuis heeft gelijk: zonder toestemming van de autoriteiten is reizen in Utopia verboden. Utopianen maken geen plezierreisjes en doen niet aan sightseeing, want ‘er is nooit een aanvaardbare reden om niets te doen. Er zijn geen wijnhuizen, geen kroegen, nergens bordelen, geen gelegenheden voor misdragingen, geen geheime plekjes en geen besloten bijeenkomsten. Integendeel, het alziende oog van je omgeving maakt het noodzakelijk of je gewone werk te doen of je in je vrije tijd niet onfatsoenlijk te gedragen’. Sociale druk fungeert in Utopia als een Big Brother, en Big Brother is watching you! Achterhuis trekt de lijn door naar de dystopische roman De cirkel van Dave Eggers, waarin mensen altijd en helemaal online zijn, alles met elkaar delen in volledige transparantie, en niet eigendom maar privacy diefstal is.
Silverentand merkt op dat het welhaast onvoorstelbaar is hoe modern een aantal utopische denkbeelden klinken: kinderopvang, euthanasie, gratis onderwijs, godsdienstvrijheid. Toen ik het boek in 2017 herlas beheerste het zoveelste schandaal in de slachthuizen de publieke opinie. In Utopia, moet u weten, vindt men het onwenselijk dat de eigen burgers gewend raken aan het slachten van dieren; daarom wordt dat gedaan door speciale slaven. ‘Ze zijn namelijk van mening dat anders hun burgers hun aangeboren mildheid, het mooiste gevoel waar de mens toe in staat is, langzaam maar zeker zullen verliezen.’ Elders spreken de Utopianen zich uit tegen de jacht, omdat een dier waarop wordt gejaagd voor het plezier van de jager wordt gedood. Een mensonwaardig genot, dat een logisch gevolg is van aangeboren bloeddorstigheid. Blootstelling hieraan kan alleen nog tot meer wreedheid leiden.
Het neemt niet weg dat, volgens Silverentand, waarschijnlijk geen enkele Nederlander uit de twintigste eeuw in Utopia zou willen wonen, om de eenvoudige reden dat Utopia al te veel duistere kenmerken vertoont van diezelfde twintigste eeuw, als daar zijn: ‘uniforme kleding, dwangarbeid en ongelimiteerde kolonisatie’. Bovenal is er in Utopia geen plaats voor het individu, voor individuele vrijheden; er mag dan wel godsdienstvrijheid zijn, maar voor de rest is er niet echt sprake van een vrijheid van denken of handelen. ‘Men’ heeft immers beslist, op basis van ‘de rede’, wat voor iedereen het beste is… en afwijkingen van de norm worden niet echt getolereerd.

Klik op de foto voor een groter beeld


Rafael Kletspraat

‘Het utopisch denken onderscheidt zich van de droom en de fantasie doordat het zich richt op praktische, plaats- en tijdgebonden problemen,’ merkt Marja Brouwers op. ‘In de mogelijkheid van praktische toepassingen ligt tevens een gevaar, zoals de twintigste eeuw hier en daar heeft laten zien. (…) More moet hebben beseft dat er iets precairs in zijn onderneming school. De noodzaak om te benadrukken dat het verhaal over het eiland niet letterlijk, maar wel serieus moest worden genomen sloeg een artistieke energie in hem los die je nooit tegenkomt bij iemand die door de katholieke kerk heilig is verklaard. Hij heeft zichtbaar nagedacht over het probleem van fictie en werkelijkheid (…). Lezers willen altijd weten wat ervan waar is, terwijl schrijvers alleen maar kunnen volhouden dat een fictief verhaal niet waar is in de letterlijke zin, maar daarom nog geen leugen. Is het verhaal goed, dan onthult de fictie vanzelf een waarheid die zich vanaf het moment van onthulling niet meer laat ontkennen. Dat is geen kwestie van magie, maar van vorm.’
More houdt nog een andere slag om de arm. In zijn tijd was fictie al heel goed ingeburgerd in het theater. De gesproken taal – Utopia bestaat uit een gesprek en een ‘geïmproviseerde’ monoloog – stelt de auteur in staat ‘om alles wat er gezegd wordt voor rekening van de sprekers te laten’. More vertelt het hele verhaal, maar hij neemt genoegen met de bescheiden rol van notulist, verslaggever. Het is een veelbeproefde literaire techniek,: hij is een ‘Sprechhund’, spreekbuis en klankbord van een protagonist die luistert naar de naam Rafael Hythlodaeus, en diens ideeën zijn niet noodzakelijk de zijne.
Utopia bestaat uit twee boeken, waarvan het eerste een striemende maatschappijkritische analyse is, en in feite een inleiding vormt op de beschrijving van het ‘gelukkige eiland’. Vroegere vertalers – zowel bij ons als elders – benaderden Utopia nogal eens zeer eerbiedig als een klassieke tekst, boordevol wijsheid… en gingen zo voorbij aan het onmiskenbare ‘zotte’ van het werk. De ondertitel van het werk zoals dat in 1516 door Dirk Martens werd gedrukt luidt niet voor niets: ‘Een gouden boekje, niet minder heilzaam dan grappig, over de ideale republiek en over het nieuwe eiland Utopia’. Hier zijn de pispotten dan ook van goud, en toekomstige echtgenoten worden eerst naakt aan elkaar voorgesteld, opdat ze geen kat in de zak zouden kopen. Want een mens kan niet voorzichtig genoeg zijn, en als je zelfs een paard eerst zonder tuig en zadel moet zien voordat je tot een aankoop overgaat…
Maar More heeft ook wat mopjes voor intellectuele humanisten onder elkaar op zijn programma staan. Jan Papy vertelt in een zeer lezenswaardig essay[1] hoe Erasmus in zijn Moriae encomium (Lof der Zotheid) speelde met het Griekse ‘moros’ (‘dwaas’) en More’s eigen naam. Op die manier kon het Lof der Zotheid tegelijk als een Lof voor More gelezen worden. More zelf koos welbewust voor een titel waaruit blijkt dat  Griekse neologismen bedoeld zijn voor hen die ze kunnen verstaan. En er is meer… ‘Zo loopt er door de “onzichtbare” stadstaat Utopia, meteen getoond in een door zijn humanistenvriend Gerard Geldenhouwer toegevoegde kaart van het eiland, namelijk ook een rivier, de Anydrus – “zonder water”. Die rivier zonder water bevloeit de hoofdstad Amaurotum, een naam die dan weer teruggaat op het Griekse “amauros”, “obscuur” of “onbekend”. Het komisch-serieuze gebruik van het Grieks is een ondubbelzinnig statement. De Utopia is een werk voor humanisten die de oude orde verafschuwen en een nieuwe maatschappij bepleiten – de door Erasmus uitgetekende christelijk-humanistische maatschappij van rede en geloof.’


In nieuwe vertalingen en edities lieten vertalers, redacteurs en uitgevers de deftig klinkende Griekse naam ‘Hythlodaeus’ gewoonlijk staan, terwijl die eigenlijk spottend bedoeld was en samengesteld uit ‘hythlos’ (nonsens) en ‘hodaios’ (verkoper). Letterlijk betekent de naam ‘kletspraat’. Silverentand vertaalt en interpreteert dat in het volgens mij niet zo geslaagde ‘Babellario’, maar het mag duidelijk zijn dat je een personage als Rafael Kletspraat niet zonder meer als een bron van hogere wijsheid hoeft te beschouwen, en evenmin voortdurend ernstig moet nemen.
Utopia staat bol van de paradoxen, en zelf is het ook geen ‘utopie’ zoals wij het begrip nu interpreteren, merkt Achterhuis op, maar ligt het eerder in het verlengde van Erasmus’ Lof der Zotheid. Erasmus droeg zijn boek op aan zijn vriend More, en More had beloofd er een vervolg op te schrijven. Daarvoor verzamelde hij jarenlang allerlei materiaal over vreemde volkeren en hun soms bizarre gewoontes, en dat kwam allemaal terecht in Utopia, dat oorspronkelijk trouwens Nusquam heette (Nergens). Pas door de woordgrap ‘U-topia’ (een versmelting van Ou-topia en Eu-topia: geen plaats, nergens én de goede plaats) kreeg Utopia de utopische betekenis die het nog steeds heeft. Maar die utopische betekenis had Utopia nauwelijks, of zelfs helemaal niet, voor de auteur. Hij zag Utopia niet als een ideaal, maar ook niet als een dystopisch schrikbeeld. ‘Het was van alles tegelijk, en vooral was het een tekst om (samen met Erasmus) hartelijk om te lachen.’
Hoe was het mogelijk dat een vrome katholiek als More zaken als euthanasie, gehuwd priesterschap of echtscheiding op grond van onderlinge onenigheid bepleitte? Dat iemand die zichzelf in zijn grafschrift ‘een last voor ketters’ noemde en honderden pagina’s schreef om ketterij te bestrijden, religieuze tolerantie propageerde? Dat een grote landeigenaar met een aanzienlijk inkomen zich verzette tegen privébezit? Dat More niet in 1516 al het hoofd verloor, toen hij met Utopia ook een striemende kritiek op het Engeland van Hendrik VIII publiceerde, maar pas in 1535, wegens hoogverraad, omdat hij zich verzette tegen de afscheiding van de katholieke kerk van Engeland? Het heeft ermee te maken dat de zestiende eeuwer Utopia met heel andere ogen las dan wij dat doen. Wij onderkennen de ironie en de humor, zelfs de regelrechte ‘kletspraat’ van het hoofdpersonage niet meer zoals de lezer dat toen deed. De levensomstandigheden waren heel anders en bovendien hebben wij ondertussen vijf eeuwen ervaring opgedaan met het begrip ‘utopie’. Die spelen uiteraard ook mee.
In Utopia vormen de grappen en grollen van de nar een bron van groot vermaak, en ook bij ons kon de nar eeuwenlang ongestraft spotten met de koning, de adel, de geestelijkheid. En ‘al lachend zegt een zot de waarheid’… en komt hij er ook mee weg. Toch? In Aalst hebben ze daar zelfs een meerdere dagen durend feest voor uitgevonden. Het heet Carnaval.


De cursisten literaire creatie 
van de Academie voor Podiumkunsten Aalst
maken Een Gids voor Utopia,
het gebouw waarin de Academie en de bibliotheek 
vanaf juni 2018 gaan samenwonen.
U kunt nu voorintekenen op het boek tegen korting
en een gratis stadswandeling meemaken 
door het Utopische Land van Aalst
onder leiding van de Zwette Maan.






[1] Thomas Morus, Utopia en Leuven – sporen naar de intellectuele context, geschreven voor de Leuvense M-tentoonstelling Op zoek naar Utopia 2016-2017.

Geen opmerkingen: