18.1.11

De paus van Satan: Introductiebrief

Joris-Karl Huysmans



L.S.,




Toen Joris-Karl Huysmans het einde voelde naderen, bracht hij zijn papieren in orde en verzocht hij mij, zijn secretaris, een groot aantal brieven, notitieboekjes en manuscripten te verbranden. Ik was me ervan bewust dat sommige documenten die mijn meester door mij in het vuur gegooid wilde zien, voor een hoge prijs verkocht konden worden aan weinig scrupuleuze marchands d’autographes. Bijgevolg redde ik vele waardevolle stukken van de vlammen door ze eenvoudigweg te verstoppen onder het kussen van mijn stoel wanneer hij, met zijn bijzonder slechtziende ogen, even niet mijn richting uitkeek.

Op zekere dag, toen mijn meester meende dat het meeste materiaal vernietigd was, en na een vredevolle nacht waarin hij niet gekweld was geworden door de pijnen die hij moest lijden voor de misdaden die hij op deze aarde bedreven dacht te hebben, beval hij me bij zijn ziekbed te gaan zitten en neer te schrijven wat hij nog aan het papier wilde toevertrouwen.

‘Zou ik niet beter een priester ontbieden?’ vroeg ik.

‘Nee,’ antwoordde hij. ‘Een priester zou de moed en het geduld niet hebben om tot het eind naar mij te luisteren. En heb jij al ooit een priester notities zien nemen tijdens de biecht? Jij bent het, mijn goede vriend, die zal moeten doen wat nodig is om mijn ziel te redden en mijn spiritueel testament vast te leggen.’

Helaas was mijn meester ernstig ziek en ijlde zijn geest voortdurend van de onderwerpen die behandeld dienden te worden naar wereldser aspecten van zijn leven, inclusief details die behoorden tot de intimiteit van de slaapkamer en die ik niet wilde horen, maar niettemin hoorde, en neerschreef, omdat ze nu eenmaal deel uitmaakten van zijn zeer complexe persoonlijkheid.

‘Ik moet recht laten geschieden, met betrekking tot een grote misdaad die werd begaan,’ zei hij. ‘Het kan niet gebeuren voor een wereldse rechtbank, maar ik zal er hoe dan ook verantwoording voor moeten afleggen wanneer ik voor het aangezicht van mijn Schepper verschijn. Het zal nu spoedig zo ver zijn… Er rest mij nog maar bitter weinig tijd om de waarheid te openbaren en mijn ziel te redden, mijn vriend. We moeten er ons overigens goed van bewust zijn dat het niet alleen mijn redding is die op het spel staat, maar ook die van de hele wereld.’

En zo zat ik dan dagenlang aan het ziekbed van mijn meester, terwijl hij dapper zijn laatste aardse pijnen verbeet en mij dicteerde wat hij nog mee te delen had. Toen het werk was volbracht en hij – naar zijn gevoel – voldoende boete had gedaan voor de misdaad die hij had bedreven, vroeg hij me het manuscript bij hem te laten voor de nacht. Mijn meester kon amper zien, laat staan dat hij de letters kon lezen die ik voor hem had neergepend. Maar toen realiseerde ik me dat hij niet wilde nagaan of ik mijn opdracht naar behoren had vervuld, maar dat hij boven op die stapel papier wilde mediteren, om met zijn geestesoog te zien of alles gezegd was wat gezegd moest worden.

De volgende ochtend trof ik hem klaarwakker aan in een kille kamer. ‘Wil je zo goed zijn het vuur voor me aan te steken?’ vroeg hij. ‘Ik heb het koud.’

Toen ik mij van mijn taak had gekweten, droeg hij me op ook dit laatste manuscript te verbranden.

‘Waarom?’ waagde ik het hem te vragen. ‘Na al het werk dat wij eraan gespendeerd hebben?’

‘Toen ik Là-Bas schreef,’ mompelde mijn meester, ‘heb ik een ernstige fout gemaakt… Zonder dat ik me ten volle bewust was van wat er precies rondom mij gebeurde, heb ik conclusies getrokken…’

Ik knikte. Het was een van de krachtlijnen in het manuscript dat mijn meester me had gedicteerd. Hoe hij mannen en vrouwen – en één man in het bijzonder – had beschuldigd van de zwaarste misdaden die een sterveling kan begaan tegen God en tegen Zijn Zoon, die in ons midden is neergedaald om ons van alle zonden te verlossen. Hoe hij later tot het inzicht was gekomen dat deze mannen en vrouwen onschuldig waren geweest. Sterker nog, dat zij wellicht de behoeders waren van een immens goddelijk geheim.

‘In dit manuscript,’ fluisterde hij, ‘laat ik eindelijk recht geschieden… Maar tegelijk pleeg ik een zo mogelijk nog grotere misdaad dan ik al heb gepleegd, en opnieuw zullen zij mijn slachtoffer zijn... Deze mensen lieten zich gewillig door mij bestempelen als criminelen en satanisten, omdat zij mysteries bewaarden waarvoor ze bereid waren alles op te offeren wat ze bezaten op deze aarde. In de ogen van de Heer zouden ze immers heiligen zijn. Gedreven door de angst dat dit mij voor de voeten zou worden geworpen wanneer ik weldra voor de troon van God zou verschijnen, dacht ik dit recht te moeten zetten… Maar, zie je, dat kan ik alleen doen door de geheimen te openbaren die zij met hun leven bewaakten en ze op die manier, door de waarheid te vertellen, nogmaals te verraden…’

Mijn meester beval me meer hout te halen en zijn laatste manuscript te verbranden in de haard. Ik wist dat hij me deze keer geen gelegenheid zou geven om de papieren ergens weg te moffelen. Terwijl ik hem gehoorzaamde, vroeg ik me dan ook af in hoever ik zijn relaas zou kunnen reconstrueren, en of het niet mogelijk zou zijn – terwijl ik met de rug naar hem toe zat – de belangrijkste delen van het document in mijn jas te verstoppen terwijl ik minder belangrijke delen prijsgaf aan de vlammen.

Toen gebeurde het mirakel. Ik keerde terug in de kamer van mijn meester en vond hem vast in slaap. Tenminste, zo leek het toch. In werkelijkheid had hij de eeuwige rust gevonden… of zal ik het zo stellen, dat zijn lichaam de eeuwige rust had gevonden? Wat zijn getormenteerde ziel betrof, heb ik mijn twijfels of die ooit rust zal vinden.

Het manuscript lag nog steeds naast hem in bed. Enkele bladzijden waren op de grond gevallen, alsof mijn meester ze in de handen had gehouden toen opeens, vlak voor zijn ogen, iemand was opgedoken die hij had proberen te omhelzen.

Ik besefte dat dit een teken van God moest zijn. Hij had het manuscript van de vlammen gered opdat ik ermee zou kunnen aanvangen wat ik juist en goed achtte. Ik had Zijn zegen, het kon niet anders.

Het manuscript publiceren – de oorspronkelijke wens van mijn meester – was onmogelijk. Geen uitgever zou dit blasfemische geschrift op de wereld durven loslaten. Daarom, Zeer Eerwaarde Heer Kardinaal, zend ik u deze missive samen met een kopij van het manuscript, opdat u de zware verantwoordelijkheid die op mijn schouders drukt mee zou helpen dragen. In dit pakket zult u ook een notitieboekje van mijn meester vinden, dat ik van het vuur heb gered. Zo zult u er zich kunnen van vergewissen dat dit manuscript niet berust op een fantasie van ondergetekende, die de naam Joris-Karl Huysmans heeft gebruikt om zijn vervalsing een grotere geloofwaardigheid te verlenen.

Ik hoop dat u de waarde van de informatie die ik u aanbied niet zult miskennen, en ik ben ervan overtuigd dat Onze Moeder de Heilige Kerk in alle wijsheid een passende beloning ter beschikking zal stellen voor het originele manuscript. Ik ben een eerlijk man, opgevoed als een goed katholiek, en ik zweer op straffe van eeuwige verdoemenis dat er niet meer kopijen van dit manuscript in omloop zijn dan het exemplaar dat ik u heb toegestuurd. Evenzo zweer ik dat de geheimen die deze bladzijden bevatten nooit door mij met derden zullen worden gedeeld.

In afwachting van uw antwoord blijf ik uw nederige dienaar

Jean de Caldain

 
 
Deze Introductiebrief werd geschrapt uit De paus van Satan, wegens ietwat overbodig...  maar vormt nog steeds een mooie introductie tot het boek dat verschijnt in het voorjaar van 2011.
 
Meer uit en over De Paus van Satan: hier!

Geen opmerkingen: