23.2.11

De Man met de Twee Gezichten





Wanneer ik door de criminele archieven van mijn kleine stadje Roode blader, dan word ik mij van twee dingen bewust. Ten eerste, dat ik er in mijn hele carrière als wetsdienaar nooit in geslaagd ben het vreemde gevoel van opwinding te onderdrukken dat me in zijn macht kreeg, telkens ik met een kapitaal misdrijf werd geconfronteerd. En ten tweede, dat een groot deel van de moorden die in de loop van mijn carrière gepleegd werden in Roode - of de ontdekking van deze misdaden - gesitueerd konden worden in die voor buitenstaanders zo vreugde- en vredevolle periode rond Kerstmis, wanneer een ondoorzichtig grijze en ijzige lucht een belofte inhoudt van sneeuw, die maagdelijk wit, als een laken van de fijnste zijde, alles en iedereen zal bedekken met de mantel der liefde.


Zoals het geval is met alle dossiers die ik tijdens mijn zo goed als levenslange carrière als wetsdienaar te behandelen kreeg, kan ik mij de details van de zaak nog haarfijn voor de geest halen, te beginnen met de gespannen verwachting die mij in zijn greep kreeg toen een agent mij kwam melden dat er een skelet was gevonden in de Karrenstraat. Ik zie de scheurkalender met het flauwe mopje op de achterkant nog met een ontstellende helderheid op de vaalgele muur van mijn bureau hangen: het was een vrijdag de dertiende, in de vroege jaren dertig.

'Twee arbeiders die een bevroren waterleiding wilden ontdooien, hebben in de kelder van een verlaten loods op de hoek van de Karrenstraat en de Hogelandse Baan een gat in de vloer gemaakt,' rapporteerde de agent. 'Er bleek een grote houten aardappelbak onder het beton te zitten, en in die bak lag een lijk. Enfin, een geraamte.'

Ik sprong in mijn Ford T en begaf mij ter plaatse.



Naar de lengte van de botten te oordelen, behoorden de stoffelijke resten toe aan een vrij grote en stevig gebouwde man. De wetsdokter schatte dat het lijk op z'n minst drie jaar in de bak onder de keldervloer moest hebben gelegen. Het skelet was nog gekleed. Ongebluste kalk had het vlees weggevreten, maar in de schedel merkte ik in het licht van mijn zaklantaarn nog een stel flikkerende tanden op en een vals gebit, niet meer dan een brugje eigenlijk, bestaande uit vier eenheden. De jas van het slachtoffer droeg het merk van een bekende kleermaker in Roode, de heer Driessens, die een bloeiende zaak had in het centrum van ons lieflijke stadje, recht tegenover hotel-restaurant De Vier Wegen. In een zak van de jas trof ik een sleutel aan, een zilveren kogel van een klein kaliber, een rozenkrans met een kruisbeeldje en een missaal. De aardappelbak was een serieprodukt en bovendien grotendeels vergaan, zodat het mij al snel duidelijk werd dat hier verder geen interessante gegevens meer zouden gevonden worden.

Ik begaf mij met de - uiteraard schoongemaakte - jas van het slachtoffer naar kleermaker Driessens in de Hoofdstraat. Het was een publiek geheim in Roode dat de heer Driessens zichzelf zo'n beetje beschouwde als een chirurg - hun werktuigen, zoals naald en draad, waren toch voor een stuk dezelfde? - en zijn collega's als slagers. Hij ontstak dan ook in razernij, toen ik hem vroeg of hij er soms een idee van had voor wie hij dit pak had gemaakt.

'Vals!' gilde hij. 'Dit is een vervalsing, meneer!'

'Maar de merknaam...' protesteerde ik zwakjes.

'Dat zal de onverlaat wel uit één van mijn pakken geknipt hebben! Ziet u dan zelf niet, meneer, dat deze snit onmogelijk van mijn hand kan zijn!? Dit stukje confectie werd vervaardigd door een machine!'

Ik glimlachte tevreden en tracteerde mijzelf op een koffie met cognac in De Vier Wegen. Het was duidelijk dat ik met een waardige tegenstander te maken had, één die het mij niet makkelijk zou maken. Mijn antagonist had me uitgedaagd en tegelijk geprobeerd me op een dwaalspoor te zetten. Alsof hij al van in het begin duidelijk wilde maken dat hij intelligenter was dan ik. Net hetzelfde bleek namelijk ook aan de hand te zijn met de tanden van het slachtoffer. Ik was van plan geweest met het brugje naar de tandarts van Roode te gaan, maar toen ik mij nog eens over het bewuste gebit boog en dit bekeek in het licht van mijn recente ontdekking, ontdekte ik dat er ook hier één en ander niet klopte. Want inderdaad, toen ik de tanden in de schedel telde en daar de vier exemplaren van het brugje bij optelde, bekwam ik een totaal van vijfendertig stuks: dat waren er drie te veel voor een menselijk wezen, monsterachtige vergissingen van Moeder Natuur uitgezonderd.



Ik wijdde vervolgens al mijn aandacht aan de haren van het slachtoffer. Met een vergrootglas onderwierp ik bruine en grijze lokken aan een nauwgezet onderzoek. De bruine haren waren zijdeachtig fijn, de grijze een stuk dikker en stugger. Blijkbaar waren de bruine en de grijze haren dus niet afkomstig van één en hetzelfde hoofd. Aangezien het slachtoffer nog vrij jong moest zijn - in werkelijkheid miste hij immers slechts één tand en had hij een voor de rest vrij verzorgd gebit - lag het voor de hand dat zijn haren bruin waren, en dat de moordenaar daar enige van zijn eigen grijze haren aan had toegevoegd.

Wat leerde het skelet mij nog meer over het slachtoffer? Dat de man tegelijk diep- en bijgelovig moest geweest zijn, bijvoorbeeld - een combinatie die ook in Roode niet uniek mocht worden geheten. De rozenkrans en het missaal wezen op zijn katholiek geloof, de zilveren kogel op zijn geloof in het bestaan van weerwolven. In de jaren dertig kwam dit op het platteland wel meer voor, en in feite maakte ook ons lieflijke stadje met zijn amper tweeduizend zielen deel uit van dit platteland. Onder bijgelovige lui was het algemeen bekend dat een weerwolf uitsluitend kon uitgeschakeld worden door middel van een zilveren kogel.

Ik deed ook enig onderzoek met betrekking tot het gebouw waarin het skelet werd aangetroffen. De loods stond nu leeg, maar het afgelopen jaar had de heer Witte daar voor enkele maanden zijn wasserij in ondergebracht, toen een overstroming van de Kleine Roode zijn zaak aan de Veldbaan onder water zette. Dààrvoor had de loods eveneens leeg gestaan. De laatste eigenaar had er tijdens de Grote Oorlog smokkelwaar in opgeslagen, en was om die reden kort na de bevrijding van Roode door de woedende bevolking gelyncht. De man was een regelrechte woekeraar geweest, vandaar. En zoals ik wellicht al aangestipt heb, zijn de Roodenaren licht ontvlambare lui.

Hoe dan ook, de loods stond dus ook leeg in de periode waarin het nog steeds anonieme lijk er in een aardappelbak onder het beton werd gestopt. Nu líjkt een leegstaand gebouw alleen maar een ideale plek om, ver van indiscrete blikken, een misdaad uit te voeren. Als u bedenkt dat de moordenaar het lijk in de bak moest zien te krijgen, vervolgens een gat moest maken in de vloer van de kelder, daarna de bak met het lijk in het gat laten zakken en ten slotte het hele zaakje volstorten met beton, dan begrijpt u meteen dat deze klus hem wel een paar nachten zoet moet hebben gehouden. Waarom had de moordenaar een hem onbekende plek gekozen om het lijk te laten verdwijnen? Een plek waar hij ieder ogenblik kon verrast worden? Het waren vragen waarop ik nog niet meteen een antwoord wist te verzinnen...



Ten slotte richtte ik mijn aandacht opnieuw op de houten aardappelbak. Een serieprodukt, was mijn eerste indruk geweest. Circa twee meter lang, iets breder dan één meter. Niet interessant voor het onderzoek, had ik gedacht. Maar was dit wel zo? Iemand die werkte in een fabriek waar men dergelijke bakken vervaardigde, kon er misschien wel één verdonkeremanen. Iemand anders zou daar zo'n bak moeten kopen, en aangezien het vooral boeren waren die zo'n bakken konden gebruikten en onze moordenaar wellicht geen boer was geweest, zou het misschien wel opgevallen zijn als een keurige heer daar één zo'n bak kwam kopen.

Aan de oever van de Grote Roode, halverwege de kroeg De Zevende Hemel en de textielfabriek Oosterwijk, bevond zich een klein werkplaatsje waar een paar timmerlui onder meer dit soort aardappelbakken maakten. Daar werd een bestelbon voor één aardappelbak gevonden op naam van Jan Van Severen.

'De kerel was in ieder geval géén boer,' herinnerde de timmerman zich, maar voor de rest kon hij mij niets meer vertellen over de genaamde Van Severen.

Er stelde zich ook nog een ander probleempje: de bestelbon was de enige die uitgeschreven werd aan een niet-landbouwer, in een periode van vijf jaar, te beginnen vier jaar voor het veronderstelde overlijden van het slachtoffer en te eindigen één jaar daarna. Mijn ervaring met wetsdokters had me geleerd dat het verstandig was altijd met ruime marge rekening te houden, als het aankwam op het vaststellen van een datum van overlijden. Nog een geluk dat ik deze voorzorg had genomen, want anders zou ik nooit op de naam Van Severen gestoten zijn. De man had de bak bijna twee jaar geleden besteld, met andere woorden: bijna een vol jaar nadat zijn slachtoffer - volgens de wetsdokter althans - zijn laatste adem had uitgeblazen.

Deze ontdekking had verstrekkende gevolgen, want indien de wetsdokter zich vergist had en het slachtoffer nog geen twee jaar geleden was vermoord, dan was dit gebeurd op een ogenblik dat de heer Witte zijn wasserij nog tijdelijk uitbaatte in de loods waar wij het skelet hadden aangetroffen!



Voordat ik de heer Witte ging ondervragen, richtte ik echter mijn schreden naar de meest troosteloze buurt van Roode, en dan heb ik het over de Noordwijk. Deze bestaat uit een aantal straat, begrensd door de Grote Roode in het noorden, de zo mogelijk nog desolater terreinen van de Abdij van Roode in het westen, de Kloosterdreef in het zuiden en een stuk van de Kerkhofbaan in het oosten. Hoewel ze er niet het geografenisch middelpunt van vormt, is de louche bar De Zevende Hemel ongetwijfeld het geestelijke centrum van de Noordwijk, die in die crisisjaren voornamelijk bevolkt werd door werkloze armoezaaiers, zuipschuiten, kermisvolk en andere geretardeerden.

U zult zich afvroegen wat ik daar te zoeken had? Welnu, ik hoopte er een spoor te vinden van Jan Van Severen. Het adres dat hij met potlood op de bestelbon voor de aardappelbak had gekrabbeld, gaf immers een straat in de Noordwijk op. Ik hoopte niet echt hem daar ook te vínden, maar waarschijnlijk kon een bezoek aan de Noordwijk mij een stapje dichter brengen bij mijn uiteindelijke doel: oog in oog te staan met één van de meest geslepen criminelen die de toch al zo rijke criminele geschiedenis van Rood had gekend.

Het bewuste huis stond inderdaad leeg, en dus belde ik aan bij de buren. Een vrouwtje van wie de opmaak en de kleren duidelijk maakten dat zij horizontaal de kost verdiende, opende de deur. Ik vroeg haar of ze mij een beschrijving kon geven van haar buurman, Jan Van Severen. Dat kon zij zeer zeker! Jan Van Severen bleek een blonde jongeman van ongeveer vijfentwintig jaar oud te zijn, van wie het enige in het oog springende kenmerk twee sterk geprononceerde voortanden waren.

'Konijnentanden, om zo te zeggen,' specifieerde het vrouwtje.

Het stelde niet zo veel voor, qua signalement, maar het was toch al iets.

Ik stak de sleutel die ik in de jas van het slachtoffer had gevonden in het slot van de voordeur van Jan Van Severen... en de deur ging open. Het viel mij op dat de linker deurstijl niet helemaal paste bij de rechter. Ik glimlachte voldaan: stilaan begon er licht te schijnen in de duisternis. Blijkbaar werd de man van wie ik de stoffelijke resten in een aardappelbak had gevonden in dit huis vermoord. Om zich van het lijk te ontdoen, had Jan Van Severen een aardappelbak besteld. Toen de lijkkist werd geleverd, bleek die iets te breed te zijn voor de deur, met als gevolg dat er een deurstijl werd beschadigd. Van Severen had deze gang van zaken pogen te camoufleren met een nieuwe deurstijl en...



Ik repte mij terug naar de timmerlui bij wie Van Severen zijn bak had besteld. Was het mogelijk dat dezelfde Van Severen hier ook een nieuwe deurstijl had gehaald? Nu ik de timmerlui iets kon voorleggen dat op een persoonsbeschrijving leek en zij de gelegenheid hadden gekregen om over de kwestie na te denken, begon er hen inderdaad iets te dagen. Na een tijdje diepten ze een bestelbon op, eveneens op naam van Jan Van Severen, maar met een handtekening die in niets geleek op deze die onder de bon voor de aardappelbak had gestaan.

Ik zat dus niet achter één moordenaar aan, maar achter twéé stuks! De tweede man was ongetwijfeld de kerel met de grijze haren, van wie ik er enkele in de aardappelbak had gevonden. Hém ging ik nu van langsom meer beschouwen als het brein achter de hele affaire, Jan Van Severen slechts als zijn jongere handlanger. Ik informeerde bij de timmerlui of zij in verband met de bak en de deurstijl geen herinneringen meer hadden aan een man van middelbare leeftijd, met grijze haren. Die hadden ze niet. Van Severen meenden ze zich daarentegen wel nog te herinneren, vanwege de konijnentanden. Maar het was allemaal al zo lang geleden gebeurd, dat ze er geen eed meer durfden op doen dat het Van Severen was geweest die zijn handtekening had gezet, zowel onder de bon voor de bak als onder die voor de deurstijl.

Die avond reed ik dan eindelijk naar Wasserij Witte, het laatste gebouw aan de Veldbaan, voordat deze ophoudt aan de oever van de Kleine Roode. De heer Witte bewoonde er een elegante villa, gelegen op een klein heuveltje, naast zijn bedrijf. Hij ontving mij in zijn bureau, gezeten achter een imposante schrijftafel. De kamer werd alleen verlicht door een leeslamp, zodat zijn gezicht tijdens ons onderhoud voor het grootste deel verborgen bleef in de schemering, maar ik kon wel goed zien dat hij - in tegenstelling tot wat zijn naam kon doen vermoeden - gitzwarte haren bezat. Hij ging er vaak doorheen met zijn fijne, witte handen.

Tot op dat moment had ik niet het voorrecht gehad de heer Antoon Witte persoonlijk te leren kennen. Hij was één van die burgers van Roode die niet zo sociaal aangelegd zijn en zich alleen maar met hun eigen zaken bemoeien, die hij - naar het mij toescheen - vanachter zijn bureau leek te beredderen, want tijdens ons toch vrij korte onderhoud rinkelde de telefoon wel een drietal keren. Telkens bleek het om een professionele kwestie te gaan. En dat dan nog tijdens de avonduren! dacht ik. De heer Witte moest wel een gedreven man zijn...



'Ja,' zei hij ernstig, nadat ik hem geschetst had wat de reden was voor mijn bezoek. 'Ik ken die jongen met de konijnentanden... En ik moet u bekennen, commissaris... Ik heb erg slecht geslapen sinds ik in De Bode van Roode heb gelezen dat u een lijk had ontdekt in de kelder van de loods waar ik voor een tijdje mijn wasserij heb gehad...'

'Hoezo?'

'Om eerlijk te zijn, commissaris... Ik ben bang dat ik euh... té veel weet over deze geschiedenis... Uiteraard ken ik de identiteit van het slachtoffer niet, maar ik denk dat ik weet wie de moordenaar is, en ik denk dat het mijn plicht is u zijn naam mede te delen: Jan Van Severen.'

'Ga verder,' zei ik.

'Ik heb die jongen... die vagebond met zijn konijnentanden... aangeworven als nachtwaker...'

'Van de loods op de hoek van de Karrenstraat en de Hogelandse Baan?'

Witte knikte. 'Op een avond repte ik mij naar de loods... U moet weten, de overstroming van de Kleine Roode had wel mijn wasserij hier onder water gezet, maar niet ons huis, dat iets hoger gelegen is... De administratie van mijn bedrijf heeft zich heel die tijd hiér bevonden... Ik kom niet zo vaak in de wasserij zelf, omdat mijn longen niet bestand zijn tegen de dampen die daar hangen...'

'Maar op een avond repte u zich toch naar de loods?'

'Ja... Er was een probleem met de boekhouding en ik hoopte dat mijn meestergast daar uitleg kon over verschaffen en dat hij nog aan het werk zou zijn... De meestergast was echter al naar huis. Ik ging naar de kelder, waar Van Severen, de nachtwaker, zijn kamertje had... Ik wilde even kijken hoe hij het stelde en...'

'Of hij niet sliep?' grinnikte ik.

'Juist,' zei Witte. 'Maar...'

'Maar wàt!?'

'Toen ik de keldertrap betrad, kwam Van Severen mij tegemoet... Zijn ogen schitterden krankzinnig... Hij had een hamer in zijn hand... "Halt!" riep hij. "Nog één stap en ik sla u de schedel in!"'

'Hij wist niet dat u het was?' suggereerde ik. 'Hij dacht dat u een indringer was?'

'Mogelijk,' zei Witte. 'Maar het incident heeft wel zo'n grote indruk op mij gemaakt dat ik daarna nooit meer een voet in die kelder heb gezet, hoewel Van Severen enkele dagen later met de noorderzon vertrok.'

'Hij liet geen adres achter? Geen boodschap?'

'Nee. Niets.'



De volgende dag bood er zich een man aan bij mij op het bureau, met nieuwe informatie over Van Severen. Ik had een opsporingsbericht laten verschijnen in De Bode van Roode, die de zaak trouwens - sinds onze ontdekking van het skelet in de kelder - op de voet had gevolgd. De man had ooit eens een zakhorloge gekocht van een jongeman met konijnentanden. Hij toonde mij de horloge. In het bladgoud op de achterkant was een naam gegraveerd: Gerard Van Doorslaer. In het bevolkingsregister van Roode vond ik die naam terug. Van Doorslaer bleek aan de Lagelandse Baan te wonen, op het nummer 292, in het uiterste oosten van Roode, niet zo ver van Veerhuis In 't Ven.

Ik begaf mij naar de Lagelandse Baan, nummer 292. Er was een zuivelhandeltje gevestigd. Een belletje klingelde zilverig en een jonge en onopvallende vrouw verscheen achter de toonbank. Het bleek om mevrouw Van Doorslaer te gaan.

'Zou ik uw man even kunnen spreken, mevrouw?' vroeg ik.

'Dat zal moeilijk gaan,' antwoordde ze. 'Ik vrees dat hij hier al een tijdje... niet meer woont.'

Meneer Van Doorslaer bleek spoorloos verdwenen te zijn op dezelfde dag als de aardappelbak werd besteld.

'Kunt u mij uw echtgenoot beschrijven, mevrouw?' vroeg ik.

Haar man bleek groot en robuust te zijn. Hij had bruine haren en er ontbrak hem slechts één tand. Hij was katholiek. Ik toonde mevrouw Van Doorslaer foto's van de rozenkrans, het missaal, het pak dat hij had gedragen. Ze herkende de stukken allemaal.

Gerard Van Doorslaer had de zuivelhandel opgestart samen met een partner, een zekere Albert Waterschoot. Mevrouw Van Doorslaer beschreef mij deze man als van middelbare leeftijd en met dikke, grijze haren. Op de avond van Gerards verdwijning, had Albert de wat naïeve vrouw van zijn compagnon opgezocht.

'Ik heb slecht nieuws,' had hij haar verteld. 'Gerard is er vandoor met de kas van de zaak.'



Mevrouw Van Doorslaer kon het niet geloven dat haar man tot zoiets in staat was geweest. Waterschoot van zijn kant beweerde dat het haar plicht was de som te vergoeden die Gerard gestolen had van de zaak. Zij maakte hem een groot deel van haar spaarcenten over, tot ook hij spoorloos verdween.

Deze Waterschoot nu, was lang geen onbekende van de politie. Hij was een oplichter pur sang, wist ik. Maar oplichters pleegden in de regel geen moorden. Zijn laatste gekende adres in Roode, was een huis op het kruispunt van de Langestraat en de Karrenstraat. Stilaan - zo had ik het gevoel - leken de stukjes van de puzzel op hun plaats te vallen.

Op het bureau bestudeerde ik de foto's van Waterschoot waarover de politie beschikte. Ik raakte gefascineerd door de verandering die het menselijk gezicht in de loop der jaren ondergaat. Op zijn vierentwintigste, toen hij voor het eerst in aanraking kwam met de politie, was Albert Waterschoot een aangename jongeman geweest, die een bijna vrome indruk maakte. Omstreeks zijn dertigste leek de linkerkant van zijn gezicht echter al een vulgaire gemeenheid uit te drukken, terwijl de rechterkant op een merkwaardige manier onveranderd was gebleven. Op zijn vijfendertigste viel de linkerkant van zijn gezicht al afstotelijk te noemen en scheen de sinistere grijns die zijn lippen daar deed krullen geen enkel verband meer te hebben met de gelijkmatige rechterkant van zijn gezicht, en de serene glimlach die daar om zijn lippen leek te spelen. Op zijn veertigste, toen de laatste politiefoto van hem gemaakt werd, droeg hij links overwegend grijze haren; rechts waren zijn haren grotendeels zwart gebleven. En voor de rest waren de afschuwelijke trekken links en de vriendelijke trekken rechts nog geaccentueerd.

Albert Waterschoot was vijftig geworden. Hoe zou hij er nu uitzien?

Albert Waterschoot had een neef, ontdekte ik in de politie-archieven. Een jongen die hem bij zijn laatste exploten al een handje had toegestoken. Een jongen die luisterde naar de naam Jan Van Beveren.

Ik ging de moeder van déze Jan opzoeken. Zij woonde in een eenvoudig huisje aan de rand van het Groenewoud. Ze vertelde me dat haar zoon twee jaar geleden was vertrokken om zijn oom, die hij verafgoodde, een bezoek te brengen. Hij was nooit teruggekeerd.



Ik bezocht de tandarts van Roode met de brug die ik in de schedel van het skelet had gevonden. Uit zijn dossiers bleek dat de brug wel degelijk toebehoorde aan Jan Van Beveren. Opnieuw viel een stukje van de puzzel op zijn plaats. Nadat Jan, onder de diabolische invloed van Waterschoot, een handje had toegestoken bij de moord op Gerard Van Doorslaer, en een aardappelbak had besteld om zich van het lijk te ontdoen, werd hij - voor alle zekerheid - door Waterschoot het zwijgen opgelegd. Waterschoot stopte de brug van Jan Van Beveren - ook bekend onder de 'valse' naam Jan Van Severen - in de mond van Gerard Van Doorslaer, zoals hij wel meer valse sporen aanbracht. Toen de bak arriveerde, beschadigde Waterschoot de deurstijl, om één of andere reden vond hij het nodig die te vervangen, en hij bestelde een vervangstuk bij de timmerlui waar ook de aardappelbak was besteld. Van Doorslaer werd door Waterschoot begraven in de loods waar Jan nachtwaker was geweest - de wegen van een geniale crimineel zijn nu eenmaal vaak ondoorgrondelijk - en het lichaam van Jan werd waarschijnlijk toevertrouwd aan de goede zorgen van de Kleine of de Grote Roode.

In deze reconstructie van de feiten bleven er echter een aantal details aanwezig die mij niet bevielen. Waarom had Antoon Witte bijvoorbeeld de politie niet ingelicht, nadat hij door zijn nachtwaker met een hamer bedreigd werd en nadat in De Bode van Roode gebleken was dat deze nachtwaker wel eens in verband kon worden gebracht met een kapitaal misdrijf? Al bij al verdiende de handel en wandel van Antoon Witte een klein bijkomend onderzoek! Toen ik er dieper op inging, viel het mij op - vooral in het licht van wat ik recent had ontdekt - dat het tijdens ons onderhoud zo goed als donker was geweest in de kamer van Witte, en dat ik gedurende ons hele gesprek alleen de rechterkant van zijn gezicht te zien had gekregen in het schaarse licht van de leeslamp op zijn bureau.

Plotseling viel alles nu in de plooi. Antoon Witte, Albert Waterschoot... Het spel met de initialen... De schuilnaam van Jan Van Beveren verschilde ook slechts één letter met zijn wérkelijke naam...

Waterschoot, de oplichter, had ervoor gezorgd dat de vrouw van zijn slachtoffer niet naar de politie zou stappen, en tegelijk zijn verduistering in de schoenen van Gerard Van Doorslaer geschoven. Vervolgens had hij zich van zijn neef bediend op zo'n manier dat, zodra het lijk ontdekt zou worden, alle sporen naar Jan zouden leiden... die de waarheid niet meer verklappen kon. Een demonisch meesterplan, geniaal en met veel flair gespeeld, niet zozeer vanwege het financiële gewin - zo scheen het mij toe -, maar om het plezier van het spel zélf! Inderdaad, een waardige tegenstander voor de adjunct-commissaris van Roode!



Het was al Kerstdag geworden toen ik mij, bij het vallen van de nacht, naar het huis op de heuvel begaf, vlakbij de Wasserij Witte en de Kleine Roode. En het was de Kerstman die de deur voor me opende.

'Ah commissaris!' begroette Waterschoot mij. 'Neem me niet kwalijk dat ik mij in deze vermomming aan u vertoon, maar in de Kerstperiode speel ik àltijd Kerstman voor de behoeftige kinderen van Roode! Het compenseert mijn voor de rest vrij asociale bestaan, begrijpt u? Eén goede daad per jaar en wij houden er een gerust geweten aan over, nietwaar?'

'Jazeker!' stemde ik vrolijk met hem in. 'Maar zou ik nog even onder vier ogen met de Kerstman kunnen spreken, vooraleer hij zich op bad begeeft?'

'Natuurlijk! Natuurlijk! Volgt u me, alstublieft!'

Ik volgde hem naar een salon, dat slechts vaag verlicht werd door één enkele schemerlamp. De Kerstman nam ongeveer dezelfde positie aan ten opzichte van de lichtkring als de heer Witte voordien, in zijn bureau, had aangenomen. Nochtans werden de beide kanten van zijn gezicht meer dan voldoende gemaskeerd door zijn vermomming, meende ik, zodat een toevallige toeschouwer niet in staat was geweest het onwezenlijke contrast tussen de linker- en rechterkant op te merken. Ik veronderstelde dat hij het onbewust deed, dat het tot zijn natuur was gaan behoren de linkerkant van zijn gezicht alleen aan het duister te tonen, en de rechterkant te reserveren voor het licht.

Toen deed ik iets waarvan ik reeds als kind al had gedroomd, en meer bepaald sinds ik vernam dat de Kerstman alleen maar een kerel was die zich voor de gelegenheid had verkleed.

Ik rukte 'm zijn baard af.

In dezelfde beweging draaide ik de leeslamp, zodat het volle licht nu op de linkerkant van zijn gezicht viel.

En toen nagelde een puur afgrijzen mij als het ware vast aan de parketvloer van de salon, want toen stond ik oog in oog met... met de Gruwel... Met de linkerkant van zijn gezicht, dat het gezicht was van de Satan in eigen persoon... En toen ik de leeslamp weer draaide en het licht genadig naar de rechterkant van zijn gezicht gleed... toen staarde ik sprakeloos naar de trekken van een heilige...



Dit was Roode, besefte ik. Dit was wat er aan de hand was in Roode. Dit was het gezicht van Roode. Dit was de weerwolf, voor wie Gerard Van Doorslaer zijn zilveren kogel had bestemd. Van Doorslaer was één van de weinigen die de twee gezichten van Waterschoot te zien had gekregen, en misschien was dat alleen al een goed motief geweest voor Waterschoot om definitief met hem af te rekenen. Van Doorslaer was op de hoogte geweest van de evolutie die de linkerkant van Waterschoot had ondergaan, hij had daar net als ik een hoektand zien trillen over de onderlip, als de slagtand van een wolf. Van Doorslaer had zijn voorzorgen genomen, maar Waterschoot was hem te snel af geweest. Waterschoot, die er de jongste jaren zo veel zorg voor gedragen had dat niemand de twee kanten van zijn gezicht tegelijk te zien zou krijgen, waarvan één zijde op zo'n kwalijke wijze was geëvolueerd. Waterschoot, die altijd de juiste posities had ingenomen, die nooit onvermomd over straat was gegaan... maar die per ongeluk of met opzet door Van Doorslaer werd ontmaskerd... en die nu door mij schaakmat was gezet.

De emotie werd de arme Waterschoot te sterk. Zoals alle geboren winnaars, was hij een slechte verliezer. Hij kreeg ter plekke een fatale hartaanval.




(foto embee uit het stadsspel De Spoken van Brugge)

16.2.11

De Blauwe Tavernier



Dit hoofdstuk werd geschrapt uit Nostradamus in Orval:


Lisa zag hoe hij van zijn hart een steen maakte, en dat dit het eerste teken was. Zij die geschiedenis schreven, hadden zijn geschiedenis herleid tot een bescheiden voetnoot in hun boeken, maar wat wisten zij van zijn wàre leven? Wat wisten zij van zijn tweede, van zijn laatste reis naar Indië, op de verdoemde leeftijd van vierentachtig? Wat wisten zij van de eerste steen? Lisa zag het allemaal in een schaal met water en met de ogen van een groot ziener, die heel goed wist dat zij geen oog hadden voor de oogmerken van de man die Tavernier heette, dat zij het geheime leven van deze man uit het oog verloren. Alleen de zoon van de man die Tavernier werd genoemd, alleen hij wist dat de vader vertrok om wederom het fortuin te vergaren dat de zoon had verkwanseld in de bordelen van Parijs.

Zelfs over zijn eerste expeditie naar Indië deden zij die de geschiedenis schrijven er meestal het zwijgen toe. In zijn dromen staarden ze hem aan, misleid als ze werden, met verdwaasde gezichten. Stenig hen! In zijn dromen staarden zij en ze zwegen over de spectaculaire inhoud van de hutkoffer waarmee hij terugkeerde van zijn eerste reis. Staar mij niet aan! Waag het niet mij aan te staren!

Een safierblauwe diamant… en wat weten zij van diamant? Beseften zij dat hij de adellijke steen bij zijn terugkeer uit Indië prompt had verkocht aan een Zonnekoning en dat zijn zoon vervolgens hard zijn best begon te doen om de naam van zijn vader tot een scheldwoord te maken en zijn zuur verdiende goud te verkwisten in de armen van de hoeren van Parijs? Hadden zij oog voor het causale verband tussen zijn transactie en de beschamende handelingen van zijn eigen vlees & bloed?

Hij slaagde aardig in zijn opzet, de zoon, zodat de vader zich in de verdoemde, in de driewerf vervloekte ouderdom van vierentachtig jaren nog genoodzaakt zag met de moed der wanhoop een hopeloze poging te ondernemen om zichzelf en zijn nazaten te redden van de bedelstaf.

Zij die de geschiedenis schrijven, zij gingen er vanuit dat het doel van zijn tweede tocht naar Indië de haven van Pondichéry was en sommigen meenden zelfs te weten dat de ouwe Tavernier daar nooit een voet aan wal had gezet. Hoe hij wist wat zij meenden te weten? Hij had in de steen gekeken, dames en heren, zoals de grote ziener in een schaal met water – naar boven en naar beneden, naar de toekomst en naar het verleden. Hij had het tweede gezicht gekregen. Hij had de schimmen & schaduwen van toekomstige tijden gezien en hij had geluisterd naar wat zacht werd gefluisterd, lispelend als de wind door de kruinen van de bomen op een warme dag in juni. Maar wat wisten zij van het geheime geheugen van de stenen? Wat wisten zij van zijn herinneringen aan de toekomst? Van het grauwe, van het blauwe? En staar mij niet aan! Wààg het niet mij aan te staren!

Zij die de geschiedenis schreven… sommigen onder hen meenden te weten dat hij onderweg ernstig ziek was geworden en het graf van een zeeman had gekregen in de eindeloze wateren van een azuren zee, in de grauwe blauwe en ondoorgrondelijke diepte van de Indische Oceaan. Sommigen onder hen zeiden dat zijn dood alles te maken had met de adellijke steen waarvan zij meenden te weten dat hij hem jaren voordien uit de beroemde mijnen van Golconda naar Frankrijk had gebracht. Daar viel wat voor te zeggen. Al was er niks van aan. Want hij had ‘m niet uit de beroemde mijnen van Golconda; hij had ‘m van een hindoe, of een muzelman, of een boeddhistische monnik – wat deed het er nog toe? hij had nooit veel op met godgeleerdheid en de goden hadden nooit veel op met hem. Hij – en om het eenvoudig te houden, laten we zeggen: de hindoe – deed hem een voorstel dat hij niet kon weigeren. Hij zei dat hij jaarlijks een maagd leverde aan de tempel van Rama & Sita, een maagd die op de feestdag van de godheid voor zijn versteende beeltenis danste en daarna op een altaar van steen werd geslachtofferd door de hogepriesters van een geloof dat toen nog lang niet het zijne was. Hij – de hindoe dus – zei dat hij zonder enig probleem de plaats kon innemen van de tempeldanseres; zij was gesluierd. Hij – de ouwe Tavernier dus – vroeg hem waarom hij dat zou doen. ‘Omdat de ogen van de goden Rama & Sita al eeuwenlang bestaan uit schitterende stenen,’ zei de hindoe, en de ouwe Tavernier zei dat hij het begreep en dat hij over het voorstel van de hindoe zou nadenken, op voorwaarde dat de kans om de tempel levend te verlaten, met de steen, groter was dan de kans geslachtofferd te worden door de bewakers van een tempel gewijd aan een godheid die nog lang niet de zijne was.

‘Als u de ogen uit het hoofd van de goden hebt gehakt, zou u de twee bewakers van de offerzaal kunnen neerschieten met een pistool dat u onder uw sluiers mee naar binnen hebt gesmokkeld,’ zei de hindoe. ‘En wat de overige bewakers van de tempel betreft… Een paar van uw mannen, opgesteld op de juiste plaatsen, kunnen wonderen verrichten. Ik zal hen die plaatsen aanwijzen.’

En toen, op dat verdoemde en tot in de zevende generatie vervloekte ogenblik nam de ouwe Tavernier het besluit dat hem jaren later het leven zou kosten zoals een mens van vlees & bloed zich dat voorstelt & dat zelfs niet vreemd is aan zij die onze geschiedenis schrijven & die ons bestaan menen te doorgronden & die onze donkerste drijfveren denken te kennen. De ouwe Tavernier noemde het bedrag dat de medewerking van de hindoe hem waard was en de hindoe verdubbelde dit bedrag en de ouwe Tavernier knikte. De roof verliep min of meer zoals het was voorzien, met dit verschil dat ouwe Tavernier een scheepsmaatje – een slank en baardloos wezen – de plaats liet innemen van de tempeldanseres en dat het scheepsmaatje er het leven bij inschoot zoals een mens van vlees & bloed zich dat voorstelt. Het maatje werd gestenigd en ouwe Tavernier verloor voor immer zijn gemoedsrust in de haven van Pondichéry; hij had van zijn hart een steen gemaakt en dat was het eerste teken.

Natuurlijk, natùùrlijk had hij al gehoord van de godin van wie hij de ogen had gestolen, maar de ouwe Tavernier vroeg het aan al die luisteren wilde: ‘Hoe zou ik ooit haar geheime leven hebben doorgrond? Hoe zou ik haar goddelijke machten waarvoor ik – toen – nog geen oog had en waaraan ik – toen – nog geen geloof kon schenken op hun werkelijke waarde hebben kunnen schatten!? Ik, die nog geloofde in het vlees dat warm is en het bloed dat ons door de aderen stroomt!’ In die dagen was nog alleen zijn hart van steen en droomde ouwe Tavernier van diamant en niet van goddelijke helden. Hij droomde van de weelde die een diamant zijn meester verschafte, van de bijna koninklijke status die een adellijke steen zijn eigenaar verleende. In vele opzichten was hij zijn tijd ver vooruit. Hij mocht nauwelijks bijgelovig genoemd worden en werd door hen die zijn geschiedenis schreven zelfs ronduit ongelovig geheten. Hij was een voortijdig geboren Kind van de Verlichting; in zijn beeld van de wereld was geen ruimte voor het bovennatuurlijke. Hij wist wel – met zijn nog niet versteende verstand – dat edelstenen van oudsher gebruikt werden als amuletten om het kwaad te bezweren of door zogenaamde kristalkijkers bij het voorspellen van de toekomst, maar hij wist het niet met zijn stenen hart. Hij deelde nog lang niet het wijdverbreide geloof in de geneeskrachtige kwaliteiten van diamant. En waarom staart u mij zo aan? Wilt u dan ook gestenigd worden?

Ouwe Tavernier kende de bezweringen die de Oude Egyptenaren aanbrachten op lapis lazuli en hij wist dat de Soemeriërs en de Perzen daarvoor bij voorkeur amethist, jade of onyx gebruikten. Hij had al gehoord van de bewering als zou diamant een uitstekend middel zijn om vergiften te neutraliseren, en dat agaath de werking van een vergift zou versterken. Saffier was heilzaam wanneer men te lijden had van zweren, steenpuisten of aandoeningen van de ogen – grauwe staar, hij zei maar wat – en topaz hielp in gevallen van maanziekte; emerald onderdrukte de lusten en amethist kon zelfs aangewend worden als een regelrechte verzekering voor een kuis bestaan. Maar ouwe Tavernier gebruikte deze occulte wetenschap – waarover ernstige geschiedschrijvers nooit schrijven omdat zij het daglicht schuwt en alleen bij nacht wordt bedreven – uitsluitend om zijn verzameling edelgesteenten uit te breiden. Als hij in een dik en duister boek las dat Cleopatra parels dronk om haar hartstocht op te wekken, ter meerdere eer en glorie van haar geliefde Antonius die zij begeerde met al de lusten in haar lijf van vlees & bloed, dan vroeg hij zich in eerste instantie af bij wie zij de parels had betrokken en waar ze waren gebleven. Lagen zij nog opgeslagen in haar ingewanden, gedroogd in het stof van eeuwen, of werden zij uitgespuwd in de ondoorgrondelijke diepten van de azuren zee?

Astrologen waren ervan overtuigd dat zekere edelstenen hun trotse drager, afhankelijk van het uur van zijn geboorte, heil of onheil brachten. In de mythen der antieken stonden door draken bewaakte juwelen symbool voor verborgen schatten, maar ook voor de begeerte en de hebzucht die van alle tijden zijn en voor de weelde die wij allen kennen en die vergankelijk is als ons vlees & bloed. Maar voor symbolen had Jean-Baptiste Tavernier nooit enig oog gehad. Hij had de Indische epiek bestudeerd – de Mahabharatha, om maar iets te zeggen –, niet om zijn ziel te zalven met het verhaal over het juweel dat gestolen werd van de slangenkoning Vasuka en dat aan de held Arjuna nieuw leven schonk, maar omdat hij hoopte dat de 90.000 stanza’s van het langste gedicht ter wereld hem meer zouden vertellen over de vindplaatsen van beroemde edelgesteenten waarvan diamant de machtigste was, in staat tot het afroepen van onvoorstelbare zegeningen over het hoofd van de trotse bezitter, maar ook tot het dragen van onnoembare vervloekingen als daar zijn: steenpuisten en de pestilentie die de zwarte dood tot gevolg heeft, of grauwe blauwe staar veroorzaakt door het boze oog. De grote koningin Elizabeth van Engeland droeg er één om haar ter beschermen tegen infecties en het leven van de Spaanse Isabella werd ooit gered door een diamant die zij op haar kleed had gespeld en waarop het mes van een huurmoordenaar afschampte. Men moest hem deze verhalen niet leren kennen, want hij kende ze – al zwegen de geschiedschrijvers er in alle beschaafde talen over en was hun boodschap tot zijn scha & schande nooit eerder tot hem doorgedrongen dan in dit verdoemde, in dit zeven maal zeven maal vervloekte uur. En staart u mij alstublieft niet zo aan of ik stenig u!

Voor de ouwe Tavernier – zo zag Lisa het in een schaal met water door de ogen van de grote ziener Nostradamus – was Rama niet meer of minder dan een personage uit een historisch epos dat omstreeks het jaar 500 voor Christus, nog na de Mahabharatha, het licht had gezien. Voor Jean-Baptiste Tavernier was de Ramayana niet meer dan het verzinsel van een dichter die het daglicht schuwde en werkte bij nacht en ontij; Valmiki was zijn naam. De held Rama, als opvolger van een koning van Kosala, trouwde met prinses Sita, maar zijn stiefmoeder wilde zo graag haar eigen zoon op de troon en daarom liet zij Rama en Sita en een jongere broer van Rama voor twee maal zeven jaar verbannen. En in de wouden waar de drie bannelingen leefden als kluizenaars werd Sita ontvoerd door de demonenkoning Ravana van het zuidelijke eiland Lana. En om zijn geliefde te bevrijden, bracht Rama een leger op de been, waarbij hij geholpen werd door Hanuman, de koning van de apen. En na een hevige strijd overwonnen Rama en Hanuman en werd Sita gered en ouwe Tavernier kénde die verhalen wel, maar hij had er nooit écht oog voor gehad. Wat moest een mens van vlees & bloed er ook mee aanvangen? Wat moest Jean-Baptiste Tavernier beginnen met de wetenschap dat een zwakke koninklijke naamgenoot van Rama, haast een millenium later, na een nederlaag zijn vrouw beloofde aan een barbaars tiran?

(De jongere broer van Rama nam, verkleed als vrouw, de plaats in van de koningin en zodra hij zich in de harem van de vijand bevond, doodde hij de barbaarse tiran. Bij zijn terugkeer vermoordde hij zijn broer Rama en trouwde met de door zijn toedoen weduwe geworden jonge vrouw die hij had gered uit de klauwen van het beest. En dit alles geschiedde in het jaar 375 na Christus, als men tenminste de Chinese boeddhistische monnik Fa Xian mocht geloven, die de geschiedenis had opgeschreven. Soms scheen het hem toe of de historie uit de Ramayana zich herhaalde in de werkelijkheid van zijn dagen, omdat de loop van de geschiedenis nu eenmaal een wiel was dat door de eeuwen rolde, een liggende acht, een rad van fortuin dat volmaakte cirkels beschreef en telkens stilhield bij dezelfde vergezichten en dezelfde mogelijkheden openbaarde. Maar Jean-Baptiste Tavernier was er nog de man niet naar om oog te hebben voor dit soort toevalligheden, waarvan hij meende te weten dat zij onmogelijk met elkaar konden zijn verbonden door de principes van de causaliteit.)

Een godheid werd geacht overal & altijd aanwezig te zijn en niets of niemand uit het oog te verliezen, en indien er zoiets bestond als een godheid die luisterde naar de naam Sita, dan zou die wel in een verschrikkelijke toorn zijn ontstoken omdat haar ogen op een dergelijk laffe en verraderlijke wijze waren gestolen, met de hulp van haar eigen dienaren bovendien. Maar Jean-Baptiste Tavernier had toen nog geen oog voor de mogelijke gramschap van oude goden; hij had nog uitsluitend oog voor Zonnekoningen die een fortuin veil hadden om in het bezit te komen van goddelijke ogen met welhaast magische medicinale kwaliteiten. En op de keper beschouwd had niet hij, maar een scheepsmaatje de ogen uit het hoofd van Sita gehakt. En dit slank en baardloos wezen van vlees & bloed was daarvoor gestenigd geworden en had er dus zijn vlees & bloed bij ingeboet. Dus waag het niet mij aan te staren!

Voor de rest was niet de ouwe Tavernier, maar de Zonnekoning nu de trotse bezitter geworden van de diamanten die hij – starend in het stralende hart van de steen, in zijn kristallijne diepten van kobalt – de Mata Sita had gedoopt. Jean-Baptiste Tavernier kende wel een mondje Maleis en hij wist best dat in die taal ‘mata’ stond voor ‘oog’. Het was, vanwege dat Maleis, geen juiste naam voor de diamant, maar het was wel een goede naam: het Oog van Sita – dat klonk mystiek & mysterieus, en Zonnekoningen zijn altijd verzot geweest op dat soort idiote details.

De ware ellende begon pas nadat ouwe Tavernier de Ogen van Sita had verzilverd. Misschien had hij precies daarom nooit een causaal verband gelegd tussen de roof, de verhoopte transactie, de onverwacht enorme berg schulden van zijn zoon en het trieste feit dat hij langzaam maar zeker blind begon te worden aan het rechteroog. ‘Cataract,’ zei de chirurgijn. ‘Grauwe blauwe staar waardoor u minder gaat zien en langzaam maar zeker lichtschuw zult worden. Meestal worden beide ogen aangetast, maar in verschillende mate. De aandoening kan niet worden gestuit.’

Cataract. Er kwam een vliesje over het oog te liggen, een vliesje dat zich verhardde tot een hoornlaagje en waardoor de wereld alleen nog kon worden waargenomen in een grauw & blauwachtig waas, als door een holle lens of een slecht geslepen kijkglas. Zijn rechteroog leek als het ware te verstenen; het zonlicht sloeg koude blauwe vonken uit dit dode oog van glas en sneed mensen van vlees & bloed met schichten van azuur in fonkelende stukken, vlijmscherp als het mes dat hij ooit in de gordel van de hindoe had gezien en waarmee een slank en baardloos wezen een paar ogen uit het hoofd van Sita had gehakt & gekerfd.

Na verloop van tijd zag hij zich genoodzaakt een ooglapje te dragen. Gelukkig bleef zijn linkeroog voorlopig gespaard en misschien verwierp hij hierom het denkbeeld dat zijn kwaal werd veroorzaakt door de godin die hij het gezicht had ontstolen.

Met de wanhoop van een vierentachtigjarige zette hij een tweede maal koers naar de grauwe & blauwe wateren van de Indische Oceaan. Jean-Baptiste Tavernier was er de man niet naar om bij de pakken te blijven zitten en er waren – zo dacht hij – nog talloos vele goden van wie hij de medicinale stenen kon stelen. Zelfs toen hij zag – zo-even nog – dat de grauwe staar ook zijn ene overgebleven oog begon aan te tasten, weigerde hij nog te geloven in de straf of de wraak van Sita. Maar nu… Nu wist hij wel beter.

Nu de kwaal zich verspreidde vanuit zijn hard geworden ogen van azuur, vanuit zijn stenen hart, door zijn gebeente en over zijn huid die schilferend open spleet en splinterde. Nu zijn lever & longen al waren versteend en zijn poriën kleine blokjes steen uitzweetten en zijn mond de smaak had van eeuwenoude mineralen. Nu zijn vlees steen was geworden en zijn blauwe bloed niet langer stroomde, maar gestold was tot een ijzige, tot een rotsachtige substantie. En staar mij niet aan – gij die zo grauw & grijs geworden zijt, laat uw oog niet op mij rusten, wend u af of gij zult ook gestenigd worden! wend af! wend af! wend af!



En hier zat hij nu.

Alsof een beeldhouwer hem had gehakt uit de ruwe rotsen van de tijd en hem rechtop had gezet op een stenen brits in een stenen boot op een oceaan van blauwe leisteen in een lucht van licht & schaduw.

Alsof hij alleen maar bestond in de vorm van lijnen & kleren op een doek dat een schilder ooit zou schilderen (en de schilder heette Magritte) – een afbeelding van een levend wezen, niet meer dan een nabootsing.

Alsof hij alleen maar een personage was in een geschiedenis die bijna was geschreven, bedacht door een geschiedschrijver die het daglicht schuwde en werkte bij nacht & ontij op het platte dak van zijn woning, in het licht van de volle maan, turend in een schaal met water & wachtend op de visioenen die zouden komen (en de schrijver heette Nostradamus).

Heel in de verte, zag Lisa, in de dichte mist van azuur, onder de blauwe wolken, op golven van gestolde lava, dobberde een driemaster. ‘Het vak van de geschiedschrijver is geen sinecure,’ prevelde zij met de lippen van Nostradamus. ‘Eén verstrooide pennetrek en de hele verdomde geschiedenis ziet er weer heel anders uit.’

Gebeurden de dingen dan werkelijk omdat hij het zo had opgeschreven?

Lisa zag in een visioen wat de grote ziener had gezien & opgeschreven – en daarom was het ook zo gebeurd & niet anders: nu raakte zelfs de buitenwereld van de ouwe Tavernier aangetast en alles wat hij ooit had aangeraakt, alles waarop hij ooit zijn oog liet rusten: de tafel in de kajuit, de planken vloer en de zoldering, de hoed van zijn eerste stuurman, de appel op de tafel, het laken van zijn brits, de meeuwen in de haven van Pondichéry en de haven van Pondichéry, de fles en het glas en de wijn in het glas en de fles en het vlammetje dat versteend danste op de kaars die reeds was versteend…

En de ouwe Tavernier, hij fluisterde: ‘Sita, Mata Sita… Wend af dat Oog! Staar mij niet aan want gij hebt het Boze Oog! Wend af uw grauwe blauwe staar & staar mij niet aan met uw Ogen van Steen, staar mij niet na met uw Tweede Gezicht en stenig mij niet, ik smeek het u!...’

En Nostradamus schreef het op: ‘Met het mes zal ik snijden, zal ik hakken, zal ik kerven! Met het mes, o Grote Boze Mata Sita! Mijn ene goede oog zal ik uit de oogkas snijden, zal ik hakken, zal ik kerven – o Grote Boze! En ik zal het naar u dragen, ik zal het u opdragen! ’

En Lisa prevelde, terwijl zij het zag gebeuren: ‘Op mijn handen van steen zal ik mijn ene oog dragen, o Grote Boze Mata Sita. En naar de reling zal ik lopen met een stenen bol in mijn stenen handpalm. En ik zal springen in uw azuren zee van tijd, in uw eindeloze golven van blauwe grauwe lava, o Grote Boze!’

En zo zonk ouwe Tavernier ten slotte als een steen in Oostindische wateren…



9.2.11

Geschrapt uit "De Paus van Satan", historische thriller van Patrick Bernauw & Filip Coppens



Onder het motto "Kill your darlings" werd ook dit hoofdstuk geschrapt uit De Paus van Satan, de historische thriller die ik schreef in samenwerking met Filip Coppens, en die verschijnt in april 2011...  Het gewraakte hoofdstuk vormde een soort inleiding van het boek, met een "samenvattende koortsdroom"  van de decadente romancier Joris-Karl Huysmans, gesitueerd in zijn laatste dagen...







Spiegels. Doorgangen naar de ziel. Je kunt de doden daar zien komen en gaan. Door de poorten naar de andere wereld.

Kijk in de spiegel en zie het portret van een zondaar, geschilderd door een Vlaams Primitief in het duister decor van zijn slaapkamer, omringd door de symbolen van zijn lijden: een reproductie van de Kruisiging van Grünewald, een foto van Katherina Emmerich met haar gestigmatiseerde handen.

Pijn. Het lijden van Christus – of beter: van Kristus. Hij leed voor de mensheid. Net als Kristus en ondanks zijn offer moet ik lijden. Hij nam de pijn niet weg. Hoe moet ik dat interpreteren?

De lelijke maar krachtige en zeer evocatieve fysiognomy van deze man met de geperforeerde keel, bleek als een spook met holle kaken, wasemt acute angst en spirituele chaos uit. De illusie is puur als een visioen dat de materie transformeert en ons toelaat te vluchten uit de zintuiglijke wereld.

Ik kan nog steeds zien, weet je. De tumor heeft slechts een oog gesloten. Het linker. Ik mag dan stervende zijn, ik leef nog. Net.

Ik kan nog steeds zien door dit oog van Horus, door de rook van de sigaretten die ik mijn hele leven heb gerookt, in bordelen en in kloosters, en die ik nu koppig blijf rollen tussen de bijna bloedeloze botten waartoe mijn vingers zijn verworden. Ik kan nog steeds de dokters zien die mijn leven verlengden tot een langgerekte doodsstrijd met operaties aan mijn oog en aan mijn hals, wanstaltig gezwollen van de kanker. Ze verbeterden mijn gezichtsvermogen maar stilden de pijn niet, terwijl mijn verkankerde kaak eten tot een ondraaglijke opgave maakte.

Ik kan nog steeds de dokters zien. Ze trokken de meeste van mijn nog resterende tanden op een uitzonderlijk pijnlijke wijze, omdat de verdoving uitgewerkte raakte nog voor de operatie ten einde was. Sommigen onder hen probeerden het groeien en bloeien van de tumoren een halt toe te roepen door mij te behandelen met de nieuwe technologie van de X-stralen. Uiteindelijk veroordeelden ze mij eensgezind tot dit doodsbed, waar ik nu snel zwakker word terwijl ik met mijn secretaris werk aan een boek over Lourdes dat de rituelen van de grot beschrijft en de gruwelijke aandoeningen van de arme lui die hun lot in de handen van God hebben gelegd. Hoor ze bidden opdat Hij hun aards verblijf nog een pietsie zou verlengen. Ah, wat een uitstorting van slechte smaak!

Ik heb daar geen genezingen gezien. Een groot geloof, ja. Maar geen mirakels.

Ik geloof ook in mirakels, al kan ik er geen enkel een certificaat van authenticiteit verlenen. Op dit moment zou ik een mirakel anders wel goed kunnen gebruiken. Stel je voor dat het eerste mirakel waaraan ik zo’n getuigschrift zou kunnen geven het mijne was.

O ja, ik kan nog altijd zien. Ik zie ze hier in mijn slaapkamer staan, de geesten van heden en verleden, de personen die ik heb verwerkt tot personages in mijn romans. Ik herinner mij hoe het naturalisme mij overviel als een revelatie en hoe ik daarna ziek werd van al de dwaasheden die het fin de siècle met zich meebracht. Ik weet nog hoe ik eindelijk vond wat ik zo lang had gezocht, daar beneden , in Duitsland, voor de Kruisiging van Grünewald.

Laat me opnieuw schudden en beven op dit doodsbed van mij, Jean.

Laat mij mijn ene goede oog sluiten om mij met de buitengewone luciditeit van een stervende het beeld nogmaals in te beelden.

Dank u.



Mijn vrienden noemen me J.K. – J staat voor Joris en K voor Karl. Maar je kunt ook zeggen dat J staat voor Jezus en K voor Kristus in het Nederlands dat de taal van mijn vader was.

En daar rijst Jezus Kristus al op voor Joris Karl, op zijn ruw kruis, met armen als takken, buigend als bogen onder het gewicht van zijn lichaam, het lijdende vlees vastgespijkerd en de ledematen ontwricht, de benige vingers wijdopen en verkrampt in een gebaar dat tegelijk smeekbede is, verwijt, zegen.

En daar ben ik, met mijn dunne dijen, bevend en zwetend, met mijn ribben als de tralies van een kooi, mijn vlees blauw en groen en gezwollen, etterend, verterend, rottend. Bloed druipt dik als het gestolde sap van de moerbei uit mijn open wonden, samen met een melkachtig pus, vaag roodachtig, met de kleur van grijze Moezelwijn.

Hier ben ik. Boven het kadaver hangt een kop, levenloos, het gezicht gegroefd, een oog half open en de wangen rillend van cancereuze contracties.

Hier ben ik. Nog steeds grijnzend. Horribel.

Mijn tortuur was verschrikkelijk, mijn doodsstrijd angstaanjagend. Ik joeg zelfs literaire kritikasters als de giftige, haatdragende Leon Bloy weg uit deze appartementen aan de rue Saint-Placide. Hij nam enige eminent demente leden van de clerus met zich mee die nog steeds de spot dreven met mijn bekering.

Hier ben ik. Vol vertrouwen in Onze Lieve Vrouwe die mij zal meenemen naar de plek waar ik thuishoor. Ik zie haar al op het canvas, Maria Magdalena aan haar voeten, biddend voor de man die aan het kruis bengelt. Aan mijn doodsbed is nog niemand verschenen – geen van de vrouwen in mijn leven die ik Magdalena zou kunnen noemen, hoewel ik mij vaak heb overgeleverd aan vrouwen van wie de Kerk geloofde dat zij tot haar soort behoorden.

Ik wacht op Madame la Mort – zij schuilt daar ergens in de schaduwen, ik weet het wel. Zie je haar al? Of zou zij nog daar beneden zijn, bij de verdoemden? Nee, zij is hier al. Ongetwijfeld verbergt ze zich in het donkerblauw van de nacht. Zie je haar al? Nee? Ik zie haar nu. Denk ik. Misschien kun je haar alleen zien als je nog enkel dat ene oog hebt om te zien.

Kijk, ze staat naast Berthe die de eerste was om mij mee te nemen naar beneden en mij daarna weer optilde en het licht liet zien in de ogen van abbé Mugnier, de laatste van mijn spirituele gidsen. En daar is ook die andere vriend van het eerst uur: arme te vroeg gestorven dode en verdoemde dichter Dubus. Ze waken bij mijn doodsbed, Berthe en Dubus. Berthe is doodsbleek, haar gezicht gezwollen van het vele wenen. Berthe, mijn eigen lieve kleine Maria Magdalena – waarom heb ik het nooit gezien? En verdoemde Dubus, dode dichter Dubus… hij is helemaal van de andere kant gekomen om me door de verschrikkingen van de Hel te loodsen. Hij heeft zijn arm door die van Madame la Mort gehaakt… en, mijn God! Nu zie ik ze ook: abbé Van Haecke en abbé Saunière, de handen gevouwen in gebed, plotseling en als uit het niets opgedoken voor mijn bijna-lijk, terwijl ze met hun rokerige rode ogen kijken naar mijn frenetiek zwelgende en slikkende keel, luisterend naar mijn verstikte kreten: ‘Kijk naar mij! Kijk! Ik ben niet langer de Adonis van Golgotha, die de Kerk al sinds de Renaissance van mij heeft gemaakt! Ik ben niet langer de decadente dandy met het porseleinen poppengezicht, de knappe jongeman met de krullende haren en verzorgde baard! Ik ben een Vlaams Primitief, mijnheer! Ik ben de J.K. van Sint Basilius, mevrouw! En Jezus Kristus, vulgair dat ik ben! En lelijk! Ik draag dan ook de last van ùw zonden, dames en heren! In alle nederigheid schamel gekleed of zelfs vernederend naakt, kijk! Kijk me aan! Want ik ben de Jezus Kristus van de armen, van de zieken, van de bedelaars, van de kreupele en van de hulpelozen, verstoten door zijn Vader en krijsend om een Moeder met de stem van een kind zoals ieder man krijst wanneer hij gemarteld wordt.’

Hoezeer ik mijn moeder heb gemist… en nu weer.

Kijk naar me. Ik ben bereid de Passie te beleven en al het lijden dat een mens kan verdragen. Denkend aan Lydwine, het zalige meisje uit het heerlijke land van mijn voorvaderen, ben ik bereid te gehoorzamen aan een onbegrijpelijke verordening. Lydwine beloofde altijd maagd te blijven. Achtervolgd door mannen die vochten om haar hand bood zij iedere verleiding het hoofd. Om verdere moeilijkheden te vermijden, bad zij tot God dat Hij haar lelijk zou maken. En zie… Onze Lieve Heer stond haar allerlei afschuwelijke aandoeningen en vieze ziekten toe, en Hij gaf haar de kracht om wonderen te doen.

Een heilige moet lijden. De doctrine van de substitutie wil het zo. En bijgevolg zal ik lijden als een heilige en sterven als een dief in de nacht, in de diepst denkbare afgrond. Alleen en smerig, nog bij leven wegrottend in algehele duisternis. Omdat ik boete moet doen voor de ziel van de man die ik Satans Paus heb genoemd. De doctrine van de substitutie wil het zo. Omdat ik hem veroordeeld heb in Là-bas. Ten onrechte. Omdat ik het onrecht niet recht heb getrokken. Nooit de moed gehad.

Nooit eerder is het naturalisme boven zichzelf uitgestegen, en later deed het dat ook nooit meer. Het ontbeerde dit subliem concept, deze unieke uitvoering. Van alle realisten sloot Grünewald de minste compromissen. Zijn Verlosser van het Lijkenhuis, zijn Godheid van de Riolen gaf de toeschouwer ogen waarmee hij een waarlijk transcendent realisme kon zien. Zie je het? Jij die bij mijn doodsbed staat, verscholen in het clair obscur, zie je het goddelijke licht dansen rond mijn zwerende kop? Zie je hoe mijn fermenterende vel oplicht van een bovenmenselijke uitstraling? Zie je dat gekruisigde epileptische lijf van een God zonder aureool en zonder de gebruikelijke attributen, behalve dan de bloedige doornenkroon?

Zo is het dat J.K. verschijnt in zijn hemelse essentie, tussen een door verdriet verscheurde Berthe en een verdoemde dichter met dode ogen. Kijk naar hun gezicht, van nature vulgair, maar hoe schitterend van uitdrukking! Dief, armoezaaier, boer… in de nabijheid van hun God lossen ze op in de lucht, worden ze niet minder dan bovennatuurlijke schepselen. Nooit heeft een artiest een dergelijke staat van magnifieke exaltatie bereikt, nooit een zo ijle spirituele top bereikt. Zijn kunst gehoorzaamde de onweerstaanbare drang om het onzichtbare zichtbaar te maken: de ten hemel schreiende onzuiverheid van het vlees, het grenzeloos sublieme van de ziel. Ja, men moet lijden voor zijn kunst!

Of misschien ook niet.

Maar ik deed het. Ik doe het.

En er is geen literair equivalent. Een paar pagina’s van Emmerich betreffende de Passie kunnen dit bovennatuurlijk realisme misschien benaderen, enkele fragmenten van Ruysbroeck. Maar een ideaal heeft canvas nodig, weet je.



De Kerk. Satan. Kristus.

Ik heb vaak op de drempel van het katholicisme gestaan en telkens heb ik besloten dat ik het ware geloof ontbeerde. God deed geen moeite om mijn ziel tot zich te roepen en ik heb nooit de kracht gehad mij vol vertrouwen en zonder voorbehoud over te leveren aan de beschermende schemering van onveranderlijke dogma’s. Sommige boeken droegen bij tot mijn afkeer van het alledaagse leven en deden me verlangen naar de monotone gezangen van een klooster, waar ik kon slaapwandelen in mystieke dromen en een van wierook verzadigde atmosfeer. Maar alleen simpele zielen kunnen een dergelijke staat van onthechting en zelfverloochening bereiken. Mijn eigen ziel werd te zeer belaagd door Onze Lieve Vrouwe van Lust en allerlei laag bij de grondse conflicten. Mijn wens om me terug te trekken in een tijdloos reservaat werd geboren uit een te grote hoeveelheid oneerbare motieven – van vervelende discussies met de ober of de huisbaas tot de noodzakelijke, maar altijd weer ziek makende zoektochten naar geld.

Er waren momenten waarop ik mijn pen door het venster gooide en het bestaan vervloekte dat ik voor mezelf had gecreëerd. Keek ik naar de toekomst, dan was daar niets dan verbittering te zien. Alleen de religie kon me genezen, of op zijn minst een asiel verstrekken. Religie was bodemloos en kende geen grenzen; ze maakte een ontsnapping van deze aarde mogelijk, en een vlucht in duizelingwekkende, nog niet geëxploreerde hoogten. Maar omdat de godsdienst ook vereiste dat men het gezond verstand op de meest volstrekte wijze het zwijgen oplegde, wierp ik wanhopig mijn handen in de lucht.

Ik was geen gelovig man. En toch geloofde ik in het bovennatuurlijke en werd ik aangetrokken door de Kerk en haar extatische kunst, de luister van haar legenden, de stralende naïviteit van haar heiligenlevens. Het was niet wat ik echt wilde, maar het kwam het dichtste bij.

Jullie, geesten van de toekomst die nu mijn woorden lezen… Ontkennen jullie dat wij omgeven worden door mysteriën – in onze huizen, in de straten, overal waar we komen? Ontkennen jullie het onvoorziene? Het onverklaarbare?

Ik denk van niet.

Wel?



Kom en zit neer en luister naar me, Jean. Ben jij dat? Jean de Caldain, mijn trouwe secretaris? Nu het einde nadert, moet je ze allemaal verbranden – God zal de zijnen herkennen! Het is mijn laatste wil en ik belast jou hierbij met de uitvoering van mijn testament: al wat ik de jongste jaren heb geschreven, de vele brieven en manuscripten, La comédie humaine en Notre-Dame de La Salette, en boven alles mijn notitieboekjes betreffende de sinistere kapelaan van de Kapel van het Heilig Bloed in Brugge – gooi het allemaal op de brandstapel!

Maar voordat je het Grote Werk aanvat, Jean, lees het me voor… Het zit in de map met de persknipsels. Lees het me voor! Het artikel over het sacrament der stervenden dat mij zou zijn toegediend! Lees het me voor! Want het is een leugen… en toch ook waar, nietwaar?

Ik voer nu mijn laatste doodsstrijd, Jean. Lees het me voor en gooi het dan in het vuur samen met al mijn andere papieren, want ik moet dringend voorbereidingen treffen. Ik wil in mijn monastiek habijt begraven worden, hoor je? Met mijn scapulier. Maar eerst en vooral, en voor het te laat is, moet je al mijn papieren verbranden en dan… Dan zal ik je mijn testament dicteren, mijn laatste woord over de Satanische Kapelaan van het Heilig Bloed…

Help me, Jean… Help me de tafel te dekken voor de Heilige Communie. Steek de kaarsen in hun koperen kandelaars aan, en leg mijn antieke kruisbeeld en het reliekschrijn met de relikwie van de Zalige Lydwine op het kleed…

Dank je, Jean.

En luister nu naar me.

Luister… Ik moet je iets vertellen.

2.2.11

VAV | Vlaamse Auteursvereniging meldt: Doorbraak in Clavis Dossier!


Persbericht: LRM stelt nieuwe CEO Clavis aan
Hasselt, 2 februari 2011 – De Limburgse investeringsmaatschappij LRM stelt in overleg met de familie Werck een nieuwe CEO aan bij Uitgeverij Clavis.
Vorige week trok de Nederlandse kinderboekenschrijfster Rian Visser op haar blog nogal hard van leer tegen de jeugd- en kinderboekenuitgeverij Clavis. De uitgeverij zou haar auteurs en illustratoren, volgens Visser, al jaren niet of veel te laat te betalen en royalty's achterhouden. Wat volgde was een enorme stroom aan reacties van andere Vlaamse en Nederlandse auteurs en illustratoren.
LRM is minderheidsaandeelhouder bij Clavis en is vastbesloten om deze situatie volledig uit te klaren. Hiertoe werd op een door LRM bijeengeroepen Raad van Bestuur en in overleg met de familie Werck besloten een nieuwe CEO, Willy Vanden Poel, aan te stellen.
Willy Vanden Poel is sinds februari 2010 en in opdracht van LRM waarnemer in de Raad van Bestuur van Clavis. Hij heeft het mandaat van CEO aanvaard en zal prioritair de huidige situatie van Clavis in kaart brengen.
Philippe Werck blijft verantwoordelijk voor het creatief beleid binnen de uitgeverij.
In het kader van zijn opdracht heeft Willy Vanden Poel reeds contact gehad met de heer Koen Stassijns, ondervoorzitter van de Vlaamse Auteursvereniging (VAV). Er werd afgesproken om op korte termijn de situatie te bespreken.
Willy Vanden Poel was ondermeer oprichter en CEO van Radson Alutherm en bekleedt op heden meerdere bestuursmandaten bij diverse bedrijven. De laatste jaren is hij eveneens actief geweest als interim manager bij verschillende ondernemingen.
Doorbraak in Clavis-dossier!
De Vlaamse Auteursvereniging VAV zegt verheugd te zijn over het snelle optreden van de Limburgse investeringsmaatschappij LRM in de zaak-Clavis. Het was de VAV die vorige week in de pers de kat de bel aanbond, naar aanleiding van de vloedgolf aan auteursklachten op de blog van schrijfster Rian Visser. De VAV riep auteurs en illustratoren toen op zich met hun klachten over Clavis bij haar te melden. Inmiddels beweegt er ook wat bij de Vlaamse Uitgeversvereniging en Boek.be
Meer info op:
VAV | Vlaamse Auteursvereniging - de belangenvereniging van en voor Vlaamse auteurs - Nieuws

Populaire berichten

De Mythe van de Rechtvaardige Rechters

De Mythe van de Rechtvaardige Rechters

Scharpenelle

Scharpenelle
Klik op het portret voor het boek van Scharpenelle

Blog Archive