Wanneer ik door de criminele archieven van mijn kleine stadje Roode blader, dan word ik mij van twee dingen bewust. Ten eerste, dat ik er in mijn hele carrière als wetsdienaar nooit in geslaagd ben het vreemde gevoel van opwinding te onderdrukken dat me in zijn macht kreeg, telkens ik met een kapitaal misdrijf werd geconfronteerd. En ten tweede, dat een groot deel van de moorden die in de loop van mijn carrière gepleegd werden in Roode - of de ontdekking van deze misdaden - gesitueerd konden worden in die voor buitenstaanders zo vreugde- en vredevolle periode rond Kerstmis, wanneer een ondoorzichtig grijze en ijzige lucht een belofte inhoudt van sneeuw, die maagdelijk wit, als een laken van de fijnste zijde, alles en iedereen zal bedekken met de mantel der liefde.
Zoals het geval is met alle dossiers die ik tijdens mijn zo goed als levenslange carrière als wetsdienaar te behandelen kreeg, kan ik mij de details van de zaak nog haarfijn voor de geest halen, te beginnen met de gespannen verwachting die mij in zijn greep kreeg toen een agent mij kwam melden dat er een skelet was gevonden in de Karrenstraat. Ik zie de scheurkalender met het flauwe mopje op de achterkant nog met een ontstellende helderheid op de vaalgele muur van mijn bureau hangen: het was een vrijdag de dertiende, in de vroege jaren dertig.
'Twee arbeiders die een bevroren waterleiding wilden ontdooien, hebben in de kelder van een verlaten loods op de hoek van de Karrenstraat en de Hogelandse Baan een gat in de vloer gemaakt,' rapporteerde de agent. 'Er bleek een grote houten aardappelbak onder het beton te zitten, en in die bak lag een lijk. Enfin, een geraamte.'
Ik sprong in mijn Ford T en begaf mij ter plaatse.
Naar de lengte van de botten te oordelen, behoorden de stoffelijke resten toe aan een vrij grote en stevig gebouwde man. De wetsdokter schatte dat het lijk op z'n minst drie jaar in de bak onder de keldervloer moest hebben gelegen. Het skelet was nog gekleed. Ongebluste kalk had het vlees weggevreten, maar in de schedel merkte ik in het licht van mijn zaklantaarn nog een stel flikkerende tanden op en een vals gebit, niet meer dan een brugje eigenlijk, bestaande uit vier eenheden. De jas van het slachtoffer droeg het merk van een bekende kleermaker in Roode, de heer Driessens, die een bloeiende zaak had in het centrum van ons lieflijke stadje, recht tegenover hotel-restaurant De Vier Wegen. In een zak van de jas trof ik een sleutel aan, een zilveren kogel van een klein kaliber, een rozenkrans met een kruisbeeldje en een missaal. De aardappelbak was een serieprodukt en bovendien grotendeels vergaan, zodat het mij al snel duidelijk werd dat hier verder geen interessante gegevens meer zouden gevonden worden.
Ik begaf mij met de - uiteraard schoongemaakte - jas van het slachtoffer naar kleermaker Driessens in de Hoofdstraat. Het was een publiek geheim in Roode dat de heer Driessens zichzelf zo'n beetje beschouwde als een chirurg - hun werktuigen, zoals naald en draad, waren toch voor een stuk dezelfde? - en zijn collega's als slagers. Hij ontstak dan ook in razernij, toen ik hem vroeg of hij er soms een idee van had voor wie hij dit pak had gemaakt.
'Vals!' gilde hij. 'Dit is een vervalsing, meneer!'
'Maar de merknaam...' protesteerde ik zwakjes.
'Dat zal de onverlaat wel uit één van mijn pakken geknipt hebben! Ziet u dan zelf niet, meneer, dat deze snit onmogelijk van mijn hand kan zijn!? Dit stukje confectie werd vervaardigd door een machine!'
Ik glimlachte tevreden en tracteerde mijzelf op een koffie met cognac in De Vier Wegen. Het was duidelijk dat ik met een waardige tegenstander te maken had, één die het mij niet makkelijk zou maken. Mijn antagonist had me uitgedaagd en tegelijk geprobeerd me op een dwaalspoor te zetten. Alsof hij al van in het begin duidelijk wilde maken dat hij intelligenter was dan ik. Net hetzelfde bleek namelijk ook aan de hand te zijn met de tanden van het slachtoffer. Ik was van plan geweest met het brugje naar de tandarts van Roode te gaan, maar toen ik mij nog eens over het bewuste gebit boog en dit bekeek in het licht van mijn recente ontdekking, ontdekte ik dat er ook hier één en ander niet klopte. Want inderdaad, toen ik de tanden in de schedel telde en daar de vier exemplaren van het brugje bij optelde, bekwam ik een totaal van vijfendertig stuks: dat waren er drie te veel voor een menselijk wezen, monsterachtige vergissingen van Moeder Natuur uitgezonderd.
Ik wijdde vervolgens al mijn aandacht aan de haren van het slachtoffer. Met een vergrootglas onderwierp ik bruine en grijze lokken aan een nauwgezet onderzoek. De bruine haren waren zijdeachtig fijn, de grijze een stuk dikker en stugger. Blijkbaar waren de bruine en de grijze haren dus niet afkomstig van één en hetzelfde hoofd. Aangezien het slachtoffer nog vrij jong moest zijn - in werkelijkheid miste hij immers slechts één tand en had hij een voor de rest vrij verzorgd gebit - lag het voor de hand dat zijn haren bruin waren, en dat de moordenaar daar enige van zijn eigen grijze haren aan had toegevoegd.
Wat leerde het skelet mij nog meer over het slachtoffer? Dat de man tegelijk diep- en bijgelovig moest geweest zijn, bijvoorbeeld - een combinatie die ook in Roode niet uniek mocht worden geheten. De rozenkrans en het missaal wezen op zijn katholiek geloof, de zilveren kogel op zijn geloof in het bestaan van weerwolven. In de jaren dertig kwam dit op het platteland wel meer voor, en in feite maakte ook ons lieflijke stadje met zijn amper tweeduizend zielen deel uit van dit platteland. Onder bijgelovige lui was het algemeen bekend dat een weerwolf uitsluitend kon uitgeschakeld worden door middel van een zilveren kogel.
Ik deed ook enig onderzoek met betrekking tot het gebouw waarin het skelet werd aangetroffen. De loods stond nu leeg, maar het afgelopen jaar had de heer Witte daar voor enkele maanden zijn wasserij in ondergebracht, toen een overstroming van de Kleine Roode zijn zaak aan de Veldbaan onder water zette. Dààrvoor had de loods eveneens leeg gestaan. De laatste eigenaar had er tijdens de Grote Oorlog smokkelwaar in opgeslagen, en was om die reden kort na de bevrijding van Roode door de woedende bevolking gelyncht. De man was een regelrechte woekeraar geweest, vandaar. En zoals ik wellicht al aangestipt heb, zijn de Roodenaren licht ontvlambare lui.
Hoe dan ook, de loods stond dus ook leeg in de periode waarin het nog steeds anonieme lijk er in een aardappelbak onder het beton werd gestopt. Nu líjkt een leegstaand gebouw alleen maar een ideale plek om, ver van indiscrete blikken, een misdaad uit te voeren. Als u bedenkt dat de moordenaar het lijk in de bak moest zien te krijgen, vervolgens een gat moest maken in de vloer van de kelder, daarna de bak met het lijk in het gat laten zakken en ten slotte het hele zaakje volstorten met beton, dan begrijpt u meteen dat deze klus hem wel een paar nachten zoet moet hebben gehouden. Waarom had de moordenaar een hem onbekende plek gekozen om het lijk te laten verdwijnen? Een plek waar hij ieder ogenblik kon verrast worden? Het waren vragen waarop ik nog niet meteen een antwoord wist te verzinnen...
Ten slotte richtte ik mijn aandacht opnieuw op de houten aardappelbak. Een serieprodukt, was mijn eerste indruk geweest. Circa twee meter lang, iets breder dan één meter. Niet interessant voor het onderzoek, had ik gedacht. Maar was dit wel zo? Iemand die werkte in een fabriek waar men dergelijke bakken vervaardigde, kon er misschien wel één verdonkeremanen. Iemand anders zou daar zo'n bak moeten kopen, en aangezien het vooral boeren waren die zo'n bakken konden gebruikten en onze moordenaar wellicht geen boer was geweest, zou het misschien wel opgevallen zijn als een keurige heer daar één zo'n bak kwam kopen.
Aan de oever van de Grote Roode, halverwege de kroeg De Zevende Hemel en de textielfabriek Oosterwijk, bevond zich een klein werkplaatsje waar een paar timmerlui onder meer dit soort aardappelbakken maakten. Daar werd een bestelbon voor één aardappelbak gevonden op naam van Jan Van Severen.
'De kerel was in ieder geval géén boer,' herinnerde de timmerman zich, maar voor de rest kon hij mij niets meer vertellen over de genaamde Van Severen.
Er stelde zich ook nog een ander probleempje: de bestelbon was de enige die uitgeschreven werd aan een niet-landbouwer, in een periode van vijf jaar, te beginnen vier jaar voor het veronderstelde overlijden van het slachtoffer en te eindigen één jaar daarna. Mijn ervaring met wetsdokters had me geleerd dat het verstandig was altijd met ruime marge rekening te houden, als het aankwam op het vaststellen van een datum van overlijden. Nog een geluk dat ik deze voorzorg had genomen, want anders zou ik nooit op de naam Van Severen gestoten zijn. De man had de bak bijna twee jaar geleden besteld, met andere woorden: bijna een vol jaar nadat zijn slachtoffer - volgens de wetsdokter althans - zijn laatste adem had uitgeblazen.
Deze ontdekking had verstrekkende gevolgen, want indien de wetsdokter zich vergist had en het slachtoffer nog geen twee jaar geleden was vermoord, dan was dit gebeurd op een ogenblik dat de heer Witte zijn wasserij nog tijdelijk uitbaatte in de loods waar wij het skelet hadden aangetroffen!
Voordat ik de heer Witte ging ondervragen, richtte ik echter mijn schreden naar de meest troosteloze buurt van Roode, en dan heb ik het over de Noordwijk. Deze bestaat uit een aantal straat, begrensd door de Grote Roode in het noorden, de zo mogelijk nog desolater terreinen van de Abdij van Roode in het westen, de Kloosterdreef in het zuiden en een stuk van de Kerkhofbaan in het oosten. Hoewel ze er niet het geografenisch middelpunt van vormt, is de louche bar De Zevende Hemel ongetwijfeld het geestelijke centrum van de Noordwijk, die in die crisisjaren voornamelijk bevolkt werd door werkloze armoezaaiers, zuipschuiten, kermisvolk en andere geretardeerden.
U zult zich afvroegen wat ik daar te zoeken had? Welnu, ik hoopte er een spoor te vinden van Jan Van Severen. Het adres dat hij met potlood op de bestelbon voor de aardappelbak had gekrabbeld, gaf immers een straat in de Noordwijk op. Ik hoopte niet echt hem daar ook te vínden, maar waarschijnlijk kon een bezoek aan de Noordwijk mij een stapje dichter brengen bij mijn uiteindelijke doel: oog in oog te staan met één van de meest geslepen criminelen die de toch al zo rijke criminele geschiedenis van Rood had gekend.
Het bewuste huis stond inderdaad leeg, en dus belde ik aan bij de buren. Een vrouwtje van wie de opmaak en de kleren duidelijk maakten dat zij horizontaal de kost verdiende, opende de deur. Ik vroeg haar of ze mij een beschrijving kon geven van haar buurman, Jan Van Severen. Dat kon zij zeer zeker! Jan Van Severen bleek een blonde jongeman van ongeveer vijfentwintig jaar oud te zijn, van wie het enige in het oog springende kenmerk twee sterk geprononceerde voortanden waren.
'Konijnentanden, om zo te zeggen,' specifieerde het vrouwtje.
Het stelde niet zo veel voor, qua signalement, maar het was toch al iets.
Ik stak de sleutel die ik in de jas van het slachtoffer had gevonden in het slot van de voordeur van Jan Van Severen... en de deur ging open. Het viel mij op dat de linker deurstijl niet helemaal paste bij de rechter. Ik glimlachte voldaan: stilaan begon er licht te schijnen in de duisternis. Blijkbaar werd de man van wie ik de stoffelijke resten in een aardappelbak had gevonden in dit huis vermoord. Om zich van het lijk te ontdoen, had Jan Van Severen een aardappelbak besteld. Toen de lijkkist werd geleverd, bleek die iets te breed te zijn voor de deur, met als gevolg dat er een deurstijl werd beschadigd. Van Severen had deze gang van zaken pogen te camoufleren met een nieuwe deurstijl en...
Ik repte mij terug naar de timmerlui bij wie Van Severen zijn bak had besteld. Was het mogelijk dat dezelfde Van Severen hier ook een nieuwe deurstijl had gehaald? Nu ik de timmerlui iets kon voorleggen dat op een persoonsbeschrijving leek en zij de gelegenheid hadden gekregen om over de kwestie na te denken, begon er hen inderdaad iets te dagen. Na een tijdje diepten ze een bestelbon op, eveneens op naam van Jan Van Severen, maar met een handtekening die in niets geleek op deze die onder de bon voor de aardappelbak had gestaan.
Ik zat dus niet achter één moordenaar aan, maar achter twéé stuks! De tweede man was ongetwijfeld de kerel met de grijze haren, van wie ik er enkele in de aardappelbak had gevonden. Hém ging ik nu van langsom meer beschouwen als het brein achter de hele affaire, Jan Van Severen slechts als zijn jongere handlanger. Ik informeerde bij de timmerlui of zij in verband met de bak en de deurstijl geen herinneringen meer hadden aan een man van middelbare leeftijd, met grijze haren. Die hadden ze niet. Van Severen meenden ze zich daarentegen wel nog te herinneren, vanwege de konijnentanden. Maar het was allemaal al zo lang geleden gebeurd, dat ze er geen eed meer durfden op doen dat het Van Severen was geweest die zijn handtekening had gezet, zowel onder de bon voor de bak als onder die voor de deurstijl.
Die avond reed ik dan eindelijk naar Wasserij Witte, het laatste gebouw aan de Veldbaan, voordat deze ophoudt aan de oever van de Kleine Roode. De heer Witte bewoonde er een elegante villa, gelegen op een klein heuveltje, naast zijn bedrijf. Hij ontving mij in zijn bureau, gezeten achter een imposante schrijftafel. De kamer werd alleen verlicht door een leeslamp, zodat zijn gezicht tijdens ons onderhoud voor het grootste deel verborgen bleef in de schemering, maar ik kon wel goed zien dat hij - in tegenstelling tot wat zijn naam kon doen vermoeden - gitzwarte haren bezat. Hij ging er vaak doorheen met zijn fijne, witte handen.
Tot op dat moment had ik niet het voorrecht gehad de heer Antoon Witte persoonlijk te leren kennen. Hij was één van die burgers van Roode die niet zo sociaal aangelegd zijn en zich alleen maar met hun eigen zaken bemoeien, die hij - naar het mij toescheen - vanachter zijn bureau leek te beredderen, want tijdens ons toch vrij korte onderhoud rinkelde de telefoon wel een drietal keren. Telkens bleek het om een professionele kwestie te gaan. En dat dan nog tijdens de avonduren! dacht ik. De heer Witte moest wel een gedreven man zijn...
'Ja,' zei hij ernstig, nadat ik hem geschetst had wat de reden was voor mijn bezoek. 'Ik ken die jongen met de konijnentanden... En ik moet u bekennen, commissaris... Ik heb erg slecht geslapen sinds ik in De Bode van Roode heb gelezen dat u een lijk had ontdekt in de kelder van de loods waar ik voor een tijdje mijn wasserij heb gehad...'
'Hoezo?'
'Om eerlijk te zijn, commissaris... Ik ben bang dat ik euh... té veel weet over deze geschiedenis... Uiteraard ken ik de identiteit van het slachtoffer niet, maar ik denk dat ik weet wie de moordenaar is, en ik denk dat het mijn plicht is u zijn naam mede te delen: Jan Van Severen.'
'Ga verder,' zei ik.
'Ik heb die jongen... die vagebond met zijn konijnentanden... aangeworven als nachtwaker...'
'Van de loods op de hoek van de Karrenstraat en de Hogelandse Baan?'
Witte knikte. 'Op een avond repte ik mij naar de loods... U moet weten, de overstroming van de Kleine Roode had wel mijn wasserij hier onder water gezet, maar niet ons huis, dat iets hoger gelegen is... De administratie van mijn bedrijf heeft zich heel die tijd hiér bevonden... Ik kom niet zo vaak in de wasserij zelf, omdat mijn longen niet bestand zijn tegen de dampen die daar hangen...'
'Maar op een avond repte u zich toch naar de loods?'
'Ja... Er was een probleem met de boekhouding en ik hoopte dat mijn meestergast daar uitleg kon over verschaffen en dat hij nog aan het werk zou zijn... De meestergast was echter al naar huis. Ik ging naar de kelder, waar Van Severen, de nachtwaker, zijn kamertje had... Ik wilde even kijken hoe hij het stelde en...'
'Of hij niet sliep?' grinnikte ik.
'Juist,' zei Witte. 'Maar...'
'Maar wàt!?'
'Toen ik de keldertrap betrad, kwam Van Severen mij tegemoet... Zijn ogen schitterden krankzinnig... Hij had een hamer in zijn hand... "Halt!" riep hij. "Nog één stap en ik sla u de schedel in!"'
'Hij wist niet dat u het was?' suggereerde ik. 'Hij dacht dat u een indringer was?'
'Mogelijk,' zei Witte. 'Maar het incident heeft wel zo'n grote indruk op mij gemaakt dat ik daarna nooit meer een voet in die kelder heb gezet, hoewel Van Severen enkele dagen later met de noorderzon vertrok.'
'Hij liet geen adres achter? Geen boodschap?'
'Nee. Niets.'
De volgende dag bood er zich een man aan bij mij op het bureau, met nieuwe informatie over Van Severen. Ik had een opsporingsbericht laten verschijnen in De Bode van Roode, die de zaak trouwens - sinds onze ontdekking van het skelet in de kelder - op de voet had gevolgd. De man had ooit eens een zakhorloge gekocht van een jongeman met konijnentanden. Hij toonde mij de horloge. In het bladgoud op de achterkant was een naam gegraveerd: Gerard Van Doorslaer. In het bevolkingsregister van Roode vond ik die naam terug. Van Doorslaer bleek aan de Lagelandse Baan te wonen, op het nummer 292, in het uiterste oosten van Roode, niet zo ver van Veerhuis In 't Ven.
Ik begaf mij naar de Lagelandse Baan, nummer 292. Er was een zuivelhandeltje gevestigd. Een belletje klingelde zilverig en een jonge en onopvallende vrouw verscheen achter de toonbank. Het bleek om mevrouw Van Doorslaer te gaan.
'Zou ik uw man even kunnen spreken, mevrouw?' vroeg ik.
'Dat zal moeilijk gaan,' antwoordde ze. 'Ik vrees dat hij hier al een tijdje... niet meer woont.'
Meneer Van Doorslaer bleek spoorloos verdwenen te zijn op dezelfde dag als de aardappelbak werd besteld.
'Kunt u mij uw echtgenoot beschrijven, mevrouw?' vroeg ik.
Haar man bleek groot en robuust te zijn. Hij had bruine haren en er ontbrak hem slechts één tand. Hij was katholiek. Ik toonde mevrouw Van Doorslaer foto's van de rozenkrans, het missaal, het pak dat hij had gedragen. Ze herkende de stukken allemaal.
Gerard Van Doorslaer had de zuivelhandel opgestart samen met een partner, een zekere Albert Waterschoot. Mevrouw Van Doorslaer beschreef mij deze man als van middelbare leeftijd en met dikke, grijze haren. Op de avond van Gerards verdwijning, had Albert de wat naïeve vrouw van zijn compagnon opgezocht.
'Ik heb slecht nieuws,' had hij haar verteld. 'Gerard is er vandoor met de kas van de zaak.'
Mevrouw Van Doorslaer kon het niet geloven dat haar man tot zoiets in staat was geweest. Waterschoot van zijn kant beweerde dat het haar plicht was de som te vergoeden die Gerard gestolen had van de zaak. Zij maakte hem een groot deel van haar spaarcenten over, tot ook hij spoorloos verdween.
Deze Waterschoot nu, was lang geen onbekende van de politie. Hij was een oplichter pur sang, wist ik. Maar oplichters pleegden in de regel geen moorden. Zijn laatste gekende adres in Roode, was een huis op het kruispunt van de Langestraat en de Karrenstraat. Stilaan - zo had ik het gevoel - leken de stukjes van de puzzel op hun plaats te vallen.
Op het bureau bestudeerde ik de foto's van Waterschoot waarover de politie beschikte. Ik raakte gefascineerd door de verandering die het menselijk gezicht in de loop der jaren ondergaat. Op zijn vierentwintigste, toen hij voor het eerst in aanraking kwam met de politie, was Albert Waterschoot een aangename jongeman geweest, die een bijna vrome indruk maakte. Omstreeks zijn dertigste leek de linkerkant van zijn gezicht echter al een vulgaire gemeenheid uit te drukken, terwijl de rechterkant op een merkwaardige manier onveranderd was gebleven. Op zijn vijfendertigste viel de linkerkant van zijn gezicht al afstotelijk te noemen en scheen de sinistere grijns die zijn lippen daar deed krullen geen enkel verband meer te hebben met de gelijkmatige rechterkant van zijn gezicht, en de serene glimlach die daar om zijn lippen leek te spelen. Op zijn veertigste, toen de laatste politiefoto van hem gemaakt werd, droeg hij links overwegend grijze haren; rechts waren zijn haren grotendeels zwart gebleven. En voor de rest waren de afschuwelijke trekken links en de vriendelijke trekken rechts nog geaccentueerd.
Albert Waterschoot was vijftig geworden. Hoe zou hij er nu uitzien?
Albert Waterschoot had een neef, ontdekte ik in de politie-archieven. Een jongen die hem bij zijn laatste exploten al een handje had toegestoken. Een jongen die luisterde naar de naam Jan Van Beveren.
Ik ging de moeder van déze Jan opzoeken. Zij woonde in een eenvoudig huisje aan de rand van het Groenewoud. Ze vertelde me dat haar zoon twee jaar geleden was vertrokken om zijn oom, die hij verafgoodde, een bezoek te brengen. Hij was nooit teruggekeerd.
Ik bezocht de tandarts van Roode met de brug die ik in de schedel van het skelet had gevonden. Uit zijn dossiers bleek dat de brug wel degelijk toebehoorde aan Jan Van Beveren. Opnieuw viel een stukje van de puzzel op zijn plaats. Nadat Jan, onder de diabolische invloed van Waterschoot, een handje had toegestoken bij de moord op Gerard Van Doorslaer, en een aardappelbak had besteld om zich van het lijk te ontdoen, werd hij - voor alle zekerheid - door Waterschoot het zwijgen opgelegd. Waterschoot stopte de brug van Jan Van Beveren - ook bekend onder de 'valse' naam Jan Van Severen - in de mond van Gerard Van Doorslaer, zoals hij wel meer valse sporen aanbracht. Toen de bak arriveerde, beschadigde Waterschoot de deurstijl, om één of andere reden vond hij het nodig die te vervangen, en hij bestelde een vervangstuk bij de timmerlui waar ook de aardappelbak was besteld. Van Doorslaer werd door Waterschoot begraven in de loods waar Jan nachtwaker was geweest - de wegen van een geniale crimineel zijn nu eenmaal vaak ondoorgrondelijk - en het lichaam van Jan werd waarschijnlijk toevertrouwd aan de goede zorgen van de Kleine of de Grote Roode.
In deze reconstructie van de feiten bleven er echter een aantal details aanwezig die mij niet bevielen. Waarom had Antoon Witte bijvoorbeeld de politie niet ingelicht, nadat hij door zijn nachtwaker met een hamer bedreigd werd en nadat in De Bode van Roode gebleken was dat deze nachtwaker wel eens in verband kon worden gebracht met een kapitaal misdrijf? Al bij al verdiende de handel en wandel van Antoon Witte een klein bijkomend onderzoek! Toen ik er dieper op inging, viel het mij op - vooral in het licht van wat ik recent had ontdekt - dat het tijdens ons onderhoud zo goed als donker was geweest in de kamer van Witte, en dat ik gedurende ons hele gesprek alleen de rechterkant van zijn gezicht te zien had gekregen in het schaarse licht van de leeslamp op zijn bureau.
Plotseling viel alles nu in de plooi. Antoon Witte, Albert Waterschoot... Het spel met de initialen... De schuilnaam van Jan Van Beveren verschilde ook slechts één letter met zijn wérkelijke naam...
Waterschoot, de oplichter, had ervoor gezorgd dat de vrouw van zijn slachtoffer niet naar de politie zou stappen, en tegelijk zijn verduistering in de schoenen van Gerard Van Doorslaer geschoven. Vervolgens had hij zich van zijn neef bediend op zo'n manier dat, zodra het lijk ontdekt zou worden, alle sporen naar Jan zouden leiden... die de waarheid niet meer verklappen kon. Een demonisch meesterplan, geniaal en met veel flair gespeeld, niet zozeer vanwege het financiële gewin - zo scheen het mij toe -, maar om het plezier van het spel zélf! Inderdaad, een waardige tegenstander voor de adjunct-commissaris van Roode!
Het was al Kerstdag geworden toen ik mij, bij het vallen van de nacht, naar het huis op de heuvel begaf, vlakbij de Wasserij Witte en de Kleine Roode. En het was de Kerstman die de deur voor me opende.
'Ah commissaris!' begroette Waterschoot mij. 'Neem me niet kwalijk dat ik mij in deze vermomming aan u vertoon, maar in de Kerstperiode speel ik àltijd Kerstman voor de behoeftige kinderen van Roode! Het compenseert mijn voor de rest vrij asociale bestaan, begrijpt u? Eén goede daad per jaar en wij houden er een gerust geweten aan over, nietwaar?'
'Jazeker!' stemde ik vrolijk met hem in. 'Maar zou ik nog even onder vier ogen met de Kerstman kunnen spreken, vooraleer hij zich op bad begeeft?'
'Natuurlijk! Natuurlijk! Volgt u me, alstublieft!'
Ik volgde hem naar een salon, dat slechts vaag verlicht werd door één enkele schemerlamp. De Kerstman nam ongeveer dezelfde positie aan ten opzichte van de lichtkring als de heer Witte voordien, in zijn bureau, had aangenomen. Nochtans werden de beide kanten van zijn gezicht meer dan voldoende gemaskeerd door zijn vermomming, meende ik, zodat een toevallige toeschouwer niet in staat was geweest het onwezenlijke contrast tussen de linker- en rechterkant op te merken. Ik veronderstelde dat hij het onbewust deed, dat het tot zijn natuur was gaan behoren de linkerkant van zijn gezicht alleen aan het duister te tonen, en de rechterkant te reserveren voor het licht.
Toen deed ik iets waarvan ik reeds als kind al had gedroomd, en meer bepaald sinds ik vernam dat de Kerstman alleen maar een kerel was die zich voor de gelegenheid had verkleed.
Ik rukte 'm zijn baard af.
In dezelfde beweging draaide ik de leeslamp, zodat het volle licht nu op de linkerkant van zijn gezicht viel.
En toen nagelde een puur afgrijzen mij als het ware vast aan de parketvloer van de salon, want toen stond ik oog in oog met... met de Gruwel... Met de linkerkant van zijn gezicht, dat het gezicht was van de Satan in eigen persoon... En toen ik de leeslamp weer draaide en het licht genadig naar de rechterkant van zijn gezicht gleed... toen staarde ik sprakeloos naar de trekken van een heilige...
Dit was Roode, besefte ik. Dit was wat er aan de hand was in Roode. Dit was het gezicht van Roode. Dit was de weerwolf, voor wie Gerard Van Doorslaer zijn zilveren kogel had bestemd. Van Doorslaer was één van de weinigen die de twee gezichten van Waterschoot te zien had gekregen, en misschien was dat alleen al een goed motief geweest voor Waterschoot om definitief met hem af te rekenen. Van Doorslaer was op de hoogte geweest van de evolutie die de linkerkant van Waterschoot had ondergaan, hij had daar net als ik een hoektand zien trillen over de onderlip, als de slagtand van een wolf. Van Doorslaer had zijn voorzorgen genomen, maar Waterschoot was hem te snel af geweest. Waterschoot, die er de jongste jaren zo veel zorg voor gedragen had dat niemand de twee kanten van zijn gezicht tegelijk te zien zou krijgen, waarvan één zijde op zo'n kwalijke wijze was geëvolueerd. Waterschoot, die altijd de juiste posities had ingenomen, die nooit onvermomd over straat was gegaan... maar die per ongeluk of met opzet door Van Doorslaer werd ontmaskerd... en die nu door mij schaakmat was gezet.
De emotie werd de arme Waterschoot te sterk. Zoals alle geboren winnaars, was hij een slechte verliezer. Hij kreeg ter plekke een fatale hartaanval.
(foto embee uit het stadsspel De Spoken van Brugge)


.jpg)

