29.3.14

Non-Scoop van VRT maakt het Mysterie van de Rechtvaardige Rechters nog groter

Het VRT-Journaal opende gisteravond met een "scoop" van jewelste, waaraan zomaar eventjes 12 minuten besteed werden: de Rechtvaardige Rechters zijn terug, jippie-ja-hé jippie-ja-ho! De historicus en NVA-politicus Paul De Ridder had namelijk gemeld dat het paneel bewaard wordt door 'een vooraanstaande Gentse familie'. Alleen ontkent het parket formeel dat men een stap dichter is gekomen bij het terugvinden van het in 1934 gestolen kunstwerk, laat staan bij een oplossing van "het Mysterie van het Lam Gods". Dit wordt er overigens met deze nieuwe, onmogelijk rationeel te bevatten ontwikkeling, alleen maar groter op. Tenzij men daar bij de VRT op 28 maart per ongeluk de aprilvis van 2014 heeft uitgezonden, natuurlijk. Hoe dan ook, dat hier een nieuw hoofdstuk werd geschreven in deze schaapachtige Goddelijke Komedie is nu wel een feit. 




  
Paul De Ridder, historicus van de Koninklijke Bibliotheek en Brussels parlementslid, bevestigde aan de VRT-nieuwsredactie dat de Rechtvaardige Rechters anderhalf jaar geleden in het bezit is gekomen van deze familie, als gevolg van een erfenis. De hoeders van de Rechtvaardige Rechters durfden er blijkbaar, evenmin als deze erfgenamen, niet mee naar buiten te komen uit vrees voor een schandaal. Zelf had De Ridder zijn informatie van de vorige jaar overleden Robert Senelle, bekend grondwetsexpert met een eigenzinnige kijk op het koningshuis. Van hem is de uitspraak bekend dat hij overal een overtuigd republikein is, behalve in België, dat "niet kan leven zonder monarchie". Senelle droomde ervan de zaak op te lossen en zou met zijn eigen ogen geconstateerd hebben dat het paneel nog in goede staat verkeerde. Hij vertrouwde De Ridder twaalf jaar geleden al de naam van de familie toe; beiden hoopten de zaak in der minne te kunnen regelen, zonder daarbij de anonimiteit van de "helers" prijs te geven, die overigens niets te maken zouden hebben met de eigenlijke diefstal. Omdat er maar geen schot in de zaak komt, zou De Ridder nu met zijn onthulling enige druk willen zetten op de familie.

Het Gentse parket bevestigde ondertussen dat in het najaar van 2013 een gerechtelijk onderzoek werd geopend, waarbij men verscheidene mensen verhoorde. Maar niemand werd in verdenking gesteld en er zijn ook geen concrete aanwijzingen voor de "whereabouts" van de Rechtvaardige Rechters gedurende de afgelopen 80 jaar. In Terzake deed de Gentse bisschop Van Looy ondertussen ook een merkwaardige oproep "aan wie kan helpen" om "zijn verantwoordelijkheid op te nemen" en de "integraliteit van het schilderij te herstellen". Hij doet dit niet vanuit een artistieke, kunsthistorische of zelfs financiële motivatie, maar in een puur religieuze en ronduit mystieke context, om de "liturgische functie" van het Lam Gods te herstellen. Met andere woorden, op de vooravond van de tachtigste verjaardag van de diefstal (de nacht van 10 op 11 april) en van Pasen (20 april), waarop de Verrijzenis van Christus wordt herdacht, richt hij zich zeer specifiek tot personen van wie hij aanneemt dat ze gevoelig zijn voor een vrij katholiek-fundamentalistische boodschap.

Op de website van DeRedactie.be  stelt Kristien Bonneure de vraag waarom het paneel destijds werd gestolen:

In het verleden circuleerden al geruchten over Gentse christendemocratische families, zoals Van Cauwelaert en De Schryver, die met de diefstal te maken zouden hebben. Maar dat is nooit hard gemaakt.
Eén theorie over de diefstal gaat terug tot de economische crisis van de jaren dertig. Toen ging in ons land een aantal banken over de kop. Ook de Bank-Unie, een bankengroep waar veel katholieke families hun kapitaal in hadden gestoken, zat in zware moeilijkheden. Om het bisdom Gent te dwingen mee te betalen voor de redding van de bank, zou een familie de opdracht hebben gegeven om twee delen van "Het Lam Gods" te stelen. Afpersing dus.
Na de teruggave van Johannes de Doper was de onderhandeling over losgeld mislukt. Het schilderij "De rechtvaardige rechters" zou daarna als pand in bewaring zijn genomen door een andere Gentse familie, die vermoedelijk ook geld had voorgeschoten. Enkele erfgenamen zouden nog op de hoogte zijn, maar de lippen stijf op elkaar houden, uit vrees voor een schandaal.


DUA-brief voor de bisschop   



Keren we terug naar deze piste, dan gaat het echt wel om oude wijn in oude zakken. In september 2012 berichtte Marc Reynebeau in De Standaard over gebeurtenissen die zich in 2011 en in het voorjaar van 2012 hadden voorgedaan:
Een hoogbejaarde tussenpersoon klopte vorig jaar aan bij het bisdom Gent. Hij stelde te zijn uitgestuurd door een familie die het verdwenen paneel in een nalatenschap had aangetroffen. De familie wilde daar op een zo discreet mogelijke manier van af raken en het anoniem retourneren. 'Hou u klaar,’ was de boodschap. En het zou vooral snel gaan: binnen de maand keerde het paneel terug.
Maar er gebeurde niets. Tot een wat minder bejaarde boodschapper zich aandiende met het verhaal dat de familie verdeeld was geraakt: het ene part wilde het paneel nog steeds teruggeven, het andere deel "vreesde dat de politie de bergplaats toch nog zou kunnen traceren, waardoor de familie alsnog in opspraak zou komen - en dat moest worden vermeden". Beide boodschappers lieten de naam van August De Schryver vallen, die al veel eerder was genoemd in deze zaak. De erfgenamen van wijlen minister De Schryver 'reageren half verbaasd, half geamuseerd (...) en ook wel wat geërgerd. Want ze hebben wel vaker gehoord dat het gestolen paneel in hun familie is verzeild. Intussen blijft de bisschop nog steeds wachten op een telefoontje." 



In het VRT-journaal hoedde Siel Van Der Donckt er zich wel voor kritische kanttekeningen te plaatsen bij een dossier dat ze toch al een tijdje volgt, in Terzake hield Annelies Beck zich al evenzeer op de vlakte. Zo is het volstrekt onbegrijpelijk dat de zeer gerespecteerde familie, ongetwijfeld van (fundamentalistisch?-)katholieke signatuur, op een tot dusver compleet onopgehelderde wijze in het bezit gekomen van het paneel, er in die tachtig jaar niet toe gebracht kon worden de Rechtvaardige Rechters anoniem terug te geven. Een restitutie waarbij geen namen hoefden te vallen, zodat er ook geen schandalen hoefden los te breken, was al meteen na de biecht van Arsène Goedertier aan vriend en partijgenoot Georges De Vos aan de orde geweest. In 2012 heeft dezelfde bisschop Van Looy, die nu nog een oproep met mystieke motivatie lanceert, al heel duidelijk gesteld dat er een eenvoudige en waterdichte procedure kon worden afgesproken, en hij heeft er zelfs een concreet voorstel in die zin aan toegevoegd. Ik kan mij bijgevolg niet van de indruk ontdoen dat hier een drogreden wordt gehanteerd, en dat men vooral de ware motieven en opdrachtgevers van de roof, en de daarmee samenhangende Tachtigjarige Heling, buiten beeld probeert te houden.
In dat verband lijkt de timing van een en ander mij ook niet onbelangrijk. Nu bijna een jaar geleden werd ik gecontacteerd door Chris Noppe, met de vraag of ik redactionele ondersteuning kon bieden aan een nieuw boek over onder meer het mysterie van de Rechtvaardige Rechters, waaraan hij nu al enkele jaren werkte. Hij borduurde daarbij verder op zijn in 2001 in boekvorm verschenen onderzoek Het geheim van de Rechtvaardige Rechters: een koningsgeschenk (Houtekiet), waarbij de graftombe van Albert I werd aangewezen als de bergplaats. De nieuwe ontdekkingen die Noppe sindsdien heeft gedaan, sluiten op een wel zeer merkwaardige manier aan bij het grote schandaal dat een bijzonder gerespecteerde, katholiek-fundamentalistische familie doet terugschrikken voor restitutie. Of beter: ze plaatsen dat op het eerste gezicht ongeloofwaardige verhaal in een plotseling geloofwaardige context.

Op 17 maart heb ik het Voorwoord van het boek De Openbaring van Arsène Goedertier gepubliceerd op de gelijknamige website. Het boek verschijnt in het najaar, er wordt nog volop aan gewerkt. Op 28 maart brengt het VRT-Journaal een non-scoop van jewelste, met medewerking van Paul De Ridder en bisschop Van Looy, en laat uitschijnen dat het mysterie nu zo goed als opgelost is - wat door het parket prompt wordt ontkend.  Wie het onderzoek van Noppe enigszins gevolgd heeft, kan zich anderzijds wel  een idee vormen welke richting het uitgaat...

Maar waarom zou een lid van de koninklijke familie bijvoorbeeld het paneel dan niet even goed al tachtig jaar lang anoniem teruggegeven kunnen hebben?

Tsja... Misschien omdat zulks alleen mogelijk zou zijn door een nog groter schandaal aan het licht te brengen?

17.3.14

Het Land van Naami - Encaustics van Fernand Bernauw met poëzie van Patrick Bernauw

Encaustic betekent letterlijk "inbranden". De techniek werd al voor het begin van onze jaartelling gebruikt. Ook nu wordt hiervoor nog steeds  gekleurde bijenwas gehanteerd. De warmtebron die toelaat de was aan te brengen, is een eenvoudig strijkijzertje en/of een verwarmingsplaat. Door versmelting van de kleuren op speciaal fotopapier komen beelden tot stand.

Fernand Bernauw maakte 5 originele encaustic schilderijtjes (ingekaderd, 210 x 1448 mm - A5)... en Patrick Bernauw schreef er gedichten bij "In het Land van Naami". Van dezelfde poëtische encaustic schilderijen werden ook 5 postkaarten gemaakt (14,7 x 10,5 cm). En een hele reeks sleutelhangers met origineel encausticwerk en poëzie van Mi (Magali De Vlaeminck).

Deze werken in de serie Het Land van Naami kunnen besteld worden via info@inter-actief.be, maar zijn ook te bezichtigen (en te verkrijgen) tot eind mei In de Maeltydt te Aalst, waar ze deel uitmaken van de tentoonstelling Een Literaire Maeltydt.


Originele encaustic schilderijen met gedicht: 60€
5 Encaustic poëziepostkaarten: 8€
Poëtische Encaustic sleutelhangers: 8€ en 5€
 



En dan breekt de dag aan dat zij
mijn huis leeg vinden en zich afvragen of mij
een groot geluk is overkomen: misschien
werd ik ontvoerd

uit deze woning van licht en donker,
waar ik weende en lachte en luisterde
naar onbekende legenden en  
de aloude drift ontwaakte,

zodat ik onder het spiedend Oog van God
dat alles ziet – ‘Hier vloekt men
niet!’ – droomde van
het Land van Naami.




Dat wij in het Land van Naami
de geesten eren
van voorouders die
niemand meer gelooft,

onwezenlijk als een wonder
aan het daglicht getreden
en vervaarlijk
donker bij nacht,

zonder mensen, zonder huizen
en met de muziek van een eenzame
bamboefluit als enig
geluid.




En als in het Land van Naami
de weiden wit zijn en fluwelig zacht
de nacht en wij als nevel
in stilte gehuld en vervuld van

de afwezigheid van al dat geest
en hart bezwaren kan gevangen 
in geluk dat niet te bevatten is
één zijn met een boom,

met water, licht en duisternis
en er geen grens meer is
tussen lichaam en ziel en wij
de eeuwigheid zien –





Want in het Land van Naami
lach, zing, bewonder je
een bloem, dicht je, ben je
dichter, muziek, heb je

zo een grote liefde dat je ook
de bomen bemint, vind je haar
mooi, nog mooier
dan, kun je haar zien

als symfonieën van licht
en lucht die je kust terwijl je
het spel speelt, naakt als
een maan aan het firmament

van een vreemd land dat je al op voorhand
liefhad, waarin je al had gewoond,
waarvan je languit liggend in het gras
de hemel al bestormde.




En van het Land van Naami
is dit haar verste herinnering: hoe oud
ze is, die eerste keer,
weet ze niet meer,

maar het is tussen licht
en donker en ze ziet mij nog stil
en eenzaam staan in de mist
die uit de aarde omhoog kruipt

en ik lijk zo verlaten
in het lage land en ze vraagt
hoe lang ik nog moet gaan en ik
steek een lichtje aan.


8.3.14

Voorstelling nieuw boek Het Geslacht van de Engel, in een Literaire Maeltydt, Aalst 15 maart


Het boek Het Geslacht van de Engel wordt een eerste keer voorgesteld op zaterdag 15 maart om 17 uur, in het kader van het evenement Een Literaire Maeltydt in Aalst, georganiseerd door vzw de Scriptomanen. Graag een berichtje als u er bij wil zijn. Dat kan via info@inter-actief.be of op de Facebook-pagina Een Literaire MaeltydtHet boek kost 18,95 euro, maar wie vooraf intekent, kan het op zaterdag 15 maart ophalen aan 18 euro, gesigneerd door de auteur, samen met een uniek 'black-out poetry object' (= een stiftgedicht in een cassette of cd-houder) of een dito poster (A4).




Nawoord 
Het Geslacht van de Engel



Deze roman is het verslag van een speurtocht die mij al sinds mijn zestiende in de ban heeft gehouden. Op die leeftijd las ik De zwanen van Stonehenge van Hubert Lampo, een boek over ‘magisch-realisme en fantastische literatuur’, waarin Lampo een heel hoofdstuk wijdt aan Arthur Machen en het in dat kader ook over ‘de engelen van Mons’ heeft: ‘Ziedaar een waar gebeurd fantastisch verhaal,’ dacht ik, ‘dat je zelf niet beter had kunnen verzinnen!’
Machen schaarde zich met zijn exploot in een respectabele rij literaire illusionisten. Edgar Allan Poe bedacht een verhaal over de oversteek van de Atlantische Oceaan per vliegmachine en goot het – ja, ook hij! – in de vorm van een nieuwsbericht. En men zei het voort, en men kwam het zien.
Dezelfde techniek werd een eeuw later trouwens met evenveel succes toegepast door Orson Welles in zijn radiodrama, gebaseerd op de sciencefiction roman van H.G. Wells, over de moordende Martianen die op aarde geland waren… en veroorzaakte daarmee aardig wat paniek.
Howard Phillips Lovecraft refereerde in zowat al zijn verhalen aan de godslasterlijke Necronomicon – een verboden toverboek dat alle andere middeleeuwse grimoires ver achter zich liet – zodat tal van lezers in bibliotheken, boekhandels en antiquariaten op zoek gingen naar het demonisch meesterwerk.
En Arthur Conan Doyle speelde niet alleen een vooraanstaande rol in de geschiedenis van de elfjes van Cottingley, maar was ook een van de verdachten van de frauduleuze schedel van Piltdown, waardoor – voilà! – de missing link tussen mens en aap zou zijn gevonden (en hij was betrokken bij een dubieuze spiritistische toestand op Barbados, waar doodskisten voortdurend van plaats verwisselden).
Het is inderdaad een geliefd geintje van voornamelijk schrijvers in het fantastische genre, om met een zo wild mogelijke fictie keiharde feiten te creëren. Ze maken hun leugens waar en transformeren hun fictie tot feiten, op een manier die vaak zelfs hun stoutste dromen overtreft. Het vreemde daarbij is, dat hun fictie niet ontspoort en ongeloofwaardig wordt bevonden, als ze aan de werkelijkheid wordt getoetst. Vaak gebeurt het net andersom, en zijn het de feiten die ontsporen. Maar misschien scoren precies deze schrijvers van het fantastische dergelijke ongelooflijke effecten, omdat hun sterke verhalen vooral op een onbewust, archetypisch niveau werkzaam zijn. Zij begeven zich immers in het slecht gemarkeerde grensgebied van waarheid en bedrog, waarin het steeds moeilijker wordt droom van realiteit te scheiden.
Jarenlang heb ik het verhaal van de Engelen van Mons met mij meegezeuld. Vroeg of laat zou ik er een boek over schrijven, dat stond vast. Maar ik slaagde er niet in de hand te leggen op het soort informatie dat het schrijven van dat boek mogelijk moest maken. Ik vond en verslond enkele korte romans en verhalen van Arthur Machen, waaronder The Great God Pan en The Terror, een stuk of wat biografische notities, enkele korte vermeldingen van het mysterie van Mons in naslagwerken over het panormale – en dat was het. Tot een vriend van me in de lente van 2000 terugkeerde van een trip naar Londen met een boek, samengesteld uit het knipselarchief van een Britse zonderling: Man Bites Man. De zonderling, George Ives, was blijkbaar ook gefascineerd door de Engelen van Mons, want in zijn archief bevonden zich een paar artikels over de raadselachtige Friedrich Herzenwirth.
De kolonel sprak danig tot mijn verbeelding en de drang om iets te gaan doen met de Engelen werd nu wel heel groot. Toevallig – of net niet – stuitte ik in dezelfde periode ook op een paar boeken die Richard Heijster publiceerde over de Eerste Wereldoorlog. Een ervan, Mysterie 14/18, bevatte nogal wat informatie over de Engelen, maar ook over aanverwante fenomenen als de Witte Cavalerie en de Witte Kameraad. Toen liet ik de onvolprezen zoekmachine Google los op de termen ‘Angel’ en ‘Mons’ en zie: op het wereldwijde web viel zowaar een schat aan informatie te rapen met betrekking tot Arthur Machen en de Engelen. Een paar sites combineerden de zoektermen zelfs tot ‘Mons Angelorum’.
In de winter van 2000-2001 knutselde ik een eigen theorie in elkaar, vooral gebaseerd op gegevens die ik op het internet had aangetroffen. Kevin McClure publiceerde een bijzonder interessante chronologie en analyse van het mysterie van Mons (Visions of Bowmen and Angels; Angels to the Rescue verscheen in Fortean Times, nr. 68); Alan Coulson en Michael Hanlon gingen in The Case of the Elusive Angel of Mons de mythe te lijf zoals Sherlock Holmes dat zou hebben gedaan. The Friends of Arthur Machen hadden en hebben een site die mij bijzonder goed van pas is gekomen, en ik las en herlas ook een artikel van ene ‘Nessie’, waarin het hele fenomeen werd herleid tot een uit de hand gelopen experiment met magie (de Gouden Dageraad!) en psychologische oorlogsvoering, geconcipieerd door de Britse geheime dienst. Uiteindelijk schreef ik een essay van meer dan tweehonderd bladzijden, waarin ik mijn theorie omstandig uit de doeken deed, maar die geen mens zou willen lezen, laat staan geloven. Want, zoals Arthur Machen al schreef: ‘Je kunt niet geloven wat je niet kunt zien.’ – En ik zag door de bomen het bos niet meer.
Kwam daarbij, als het écht goed moest zijn, zou ik mijn theorie ook moeten laten zien aan de lezer… en zo het ongeloof opschorten, zoals Edgar Allan Poe, Howard Phillips Lovecraft, Orson Welles, Arthur Conan Doyle en natuurlijk ook Machen zelf het mij hadden voorgedaan. En daarvoor is een roman nu eenmaal beter geschikt dan een essay. Dus bracht ik in het voorjaar van 2001 een paar dagen door in Mons, om de sfeer op te snuiven, en kwam ik prompt ook in de ban van dit kleine charmante stadje. Ik bezocht het soldatenkerkhof van Saint-Symphorien en ging op een bank zitten onder een oude kastanjeboom, in de schaduw van het belfort. Daar kwam ik op het idee om mijn roman op te hangen aan het verslag van mijn eigen queeste naar het wezen van de Engel, maar tegelijk het verhaal van Machens leven en werk te brengen, verteld vanuit vanuit het perspectief van zijn zoon Hilary. Dat boek, De Engel van Mons, verscheen in 2002 als eerste uitgave van de nieuwe uitgeverij Afijn – een uitgeverij voor jeugdliteratuur, maar voor deze ‘roman voor adolescenten’ maakte dat naar mijn gevoel niet veel uit.
Uiteindelijk liet ik in mijn roman een magisch-realistische vaagheid bestaan rond de vraag wat daar nu precies aan de hand was geweest in Mons, en waarom Arthur Machen als kampioen van het bovennatuurlijke zo hardnekkig bleef ontkennen dat het mysterie van Mons ook een mystiek kantje had. Het Woord was vlees geworden, oké. En het was geen kwestie van ‘of/of’, maar van ‘en/en’ – zo ongeveer wat ik Eustache Cerbère laat zeggen over het fenomeen, net voor hij het hoofdstuk Project Blue Beam aansnijdt. Met de groei van het internet en de verhalen die daarop terug te vinden zijn, en omdat ik dankzij het web ook over hoe langer hoe meer boeken van Arthur Machen beschikte, vond ik mijn eigen, wat wazige ‘en/en’ verklaring evenwel steeds ontoereikender worden. De boeken van David Clarke (The Angel of Mons, Phantom Soldiers and Ghostly Guardians) en James Hayward (Myths & Legends of the First World War) verschaften nieuwe verhelderende inzichten, vooral met betrekking tot thema’s als black propaganda, Psy Ops en – hoewel de naam niet valt in hun werk – Project Blue Beam. Uiteindelijk kon ik niet anders dan een poging doen om De Engel van Mons 2.0 te schrijven.
Christopher Knowles maakt op zijn blog The Secret Sun (http://secretsun.blogspot.be/2010/11/project-blue-beam-exposed.html) brandhout van het hele Blue Beam concept van Serge Monast. Net voordat Monast het conspiracy circuit van nieuwe, verbijsterende munitie voorzag, publiceerde de man achter Star Trek, Gene Roddenberry, een boek met een thema waar de hard core fans al ten zeerste mee vertrouwd waren, omdat het in de jaren zeventig al verwerkt werd in een synopsis voor een Star Trek speelfilm: ‘Zijn voorstel vertelde het verhaal van een vliegende schotel, die boven de aarde hing, en geprogrammeerd was om mensen naar beneden te sturen die op profeten leken, onder wie ook Jezus Christus.’ En hoe zullen de aardlingen de beelden van deze goden ontvangen? Wel, op telepathische wijze natuurlijk.
Het kost Christopher Knowles niet de minste moeite te bewijzen dat Monast de krachtlijnen van zijn Blue Beam verhaal aan een script voor een sciencefiction film heeft ontleend. Of hoe een fictie opnieuw aanleiding geeft tot feiten… Anderzijds kan er geen twijfel aan bestaan dat er een dikke klare lijn loopt tussen het concept van de Engelen van Mons tijdens de Grote Oorlog, de Sky Projector waarmee Harry Grindell-Matthews vooral in de jaren twintig in de weer is geweest, de verklaringen van kolonel Herzenwirth uit 1930, het A-Force Team van illusionist Jasper Maskelyne dat ingeschakeld werd in de Tweede Wereldoorlog, en de maar al te reële experimenten die daarna werden uitgevoerd door de Amerikaanse en Canadese geheime diensten, maar vooral door de CIA. Te midden van al de hysterische en soms ronduit nonsensicale fictie van Monast duikt hier en daar ook een onomstootbaar feit op. In de jaren zeventig vonden er nu eenmaal hoorzittingen plaats rond MK-Ultra; zie in dat verband:

Het kan niet ontkend worden dat Artur Machen met zijn verhaal over de spookachtige boogschutters van Mons aan de basis heeft gelegen van een serie gelijkaardige Psy Ops Projecten, die een periode van honderd jaar overspant. Vanuit dit perspectief bekeken, zouden we zelfs kunnen stellen dat – uiteindelijk – Monast de mosterd bij Machen heeft gehaald. Het aanwenden van Psy Ops technieken na de Grote Oorlog, of het experimenteren met toepassingen van wat Machen inmiddels als de Ware Zonde beschouwde, kan dan zeer goed verantwoordelijk zijn geweest voor zijn ontkenning dat er in augustus 1914, in Mons, zo tussen hemel en aarde, zo ongeveer gaande was wat hij in zijn stoutere dromen al eens pleegde te dromen.