28.3.11

03. De Verschijningen... of: de Ufo's van Onkerzele, deel 1



Op 29 december 1932 vraagt en krijgt de Belgische katholiek-liberale regering-De Broqueville volmachten van het parlement, die het mogelijk maken wetten uit te vaardigen zonder dat het parlement daaraan zijn goedkeuring hoeft te verlenen. Een dag later besluit de regering tot het invoeren van een crisisbelasting, tot een verdere algemene loonsverlaging voor de arbeiders en tot het uitvoeren van grootscheepse openbare werken om de werkloosheid te beteugelen. In februari 1933 weigert koning Albert het ontslag van de regering De Broqueville. De aanleiding daarvoor - een omstreden verkiezing in het Waalse Hastière - acht hij te futiel.
Op 30 januari 1933 wordt Adolf Hitier benoemd tot rijkskanselier, op 28 februari gaat de Rijksdag in vlammen op en op 31 maart krijgt de Führer volmachten, die hem moeten toelaten de volgende vier jaar zonder inspraak van de Rijksdag te regeren. Op 10 mei worden in vele Duitse steden boeken verbrand van schrijvers die niet passen in de nationaal-socialistische ideologie, en op 20 juli sluiten de Duitse regering en het Vaticaan een concordaat, dat beide partijen moet toelaten zich op het eigen terrein vrij te bewegen.
Herfst 1933. In Vlaanderen houdt het Verbond van Dietsche Nationaal-Socialisten - kortweg Verdinaso - zijn tweede congres of 'landdag'. Staf De Clercq richt het Vlaams Nationaal Verbond op. Het Antwerps Sportpaleis wordt geopend. Duitsland verlaat de Volkenbond. De Nederlandse communist Marinus Van der Lubbe wordt op een nazi-showproces schuldig bevonden aan brandstichting in de Rijksdag 'en ter dood veroordeeld.

Gedurende de jongste anderhalve eeuw werden maar een handvol verschijningen van de Heilige Maagd canoniek erkend: die van de rue du Bac in Parijs (1830), La Salette (1846), Lourdes (1858), Pontmain (1871), Fatima (1917), Beauraing (1932-1933) en Banneux (1933). Op 21 november 1987 werd ten slotte Bethanië (Venezuela) aan de lijst toegevoegd.
In Beauraing, een dorpje in de buurt van Dinant, zou 'een mooie witte dame' 33 keer verschenen zijn aan vijf kinderen, voldoende om de hele Belgische katholieke wereld een acute gewetenscrisis te bezorgen. Er ontstond een felle controverse rond de verschijningen, omdat het onderzoek onhandig en niet bijster nauwkeurig werd uitgevoerd. Bovendien maakte het bizarre en incoherente karakter van het fenomeen de zaken er niet eenvoudiger op.
De Heilige Maagd, die veel glimlachte en weinig sprak, vroeg de kinderen braaf te zijn, te bidden, de wereld eraan te herinneren dat zij de zondaars wilde bekeren en ook een beetje boete te doen. De kinderen van hun kant slaagden er slechts moeizaam in de belangrijkste kenmerken van de 'mooie dame' weer te geven. Het opmerkelijkste was het 'gouden hart', omgeven door schitterende lichtstralen.
Een raadselachtige madonna alleszins, maar ook een heel geruststellende in vergelijking met de verschijning die in Fatima de wereld vele rampen voorspelde. Toch stond de Tweede Wereldoorlog in 1932 bij wijze van spreken voor de deur.
Nog geen twee weken na het laatste optreden van rde Heilige Maagd in Beauraing vond in Banneux - een plekje ergens tussen Luik en de Duitse grens - de eerste van een reeks van acht verschijningen plaats. Een arm en weinig intelligent twaalfjarig meisje, Mariette Béco, dat de zondagsmis verzuimde en haar eerste communie niet had gedaan, aanschouwde 'een mooie dame vol licht'. Zij stelde zich voor als de Maagd der Armen en zei: 'Ik kom het leed lenigen. Bid veel!'
Dadelijk ging er een methodisch en tijdrovend onderzoek van start, ondanks de spottende opmerkingen van de sceptici en de wonderlijke vermenigvuldiging van visioenen in alle uithoeken van het land: Verviers en Antwerpen, Lokeren en Rochefort, Rotselaar, Herzele, Etikhove en... Onkerzele.
Nadat er zich ook enkele miraculeuze genezingen hadden voorgedaan in Beauraing en Banneux, werden de verschijningen in 1949 officieel door de Kerk erkend. De meeste andere gevallen zonken weg in de vergetelheid.
een zaklamp in de oogen van Leonie: deze verpinkt niet. De verrukking duurt van 5 tot 6 minuten.' Wanneer Leonie uit haar trance ontwaakt, begint ze te huilen.

'We zijn in het jaar 1933,' lezen we in Het Wonderbare Leven van Leonie Van den Dijck. 'Z.H. Paus Pius XI kondigt een buitengewoon Heilig Jaar af om de negentienhonderdste verjaring te gedenken van de Kruisdood van onze Verlosser en Zaligmaker, onze Heer Jezus Christus. Het was een tijd zwanger van onheil: een economische crisis had zich vanuit de USA over de ganse wereld verspreid; overal werkloosheid, onvoldoende opgevangen door de primitieve sociale voorzieningen; in Duitsland komt HitIer aan de macht en begint een kolossale herbewapening van het land; in Rusland zit het communisme vast in het zadel; de kleinere staten vrezen hun machtige geburen. In het vooruitzicht van wat de wereld te wachten staat, grijpt de Hemel in: Onze Lieve Vrouw verschijnt te Beauraing, te Banneux, en in de tweede helft van het jaar te Onkerzele. Van de drie verschijningen van Onze Lieve Vrouw in 1933 was deze van Onkerzele de meest dramatische.'




Op 4 augustus gaat Nieke als naar gewoonte met haar buurvrouwen in de kapel bidden. Na het gebed zegt ze tot één van hen, dat ze links naast het beeld van Onze Lieve Vrouw van Lourdes een zilverachtig wit licht heeft gezien. Het werd groter en groter en het schitterde. De buurvrouw geeft Nieke de raad er het zwijgen toe te doen.
Wanneer Nieke de volgende dag in haar eentje in de kapel zit te bidden, ziet ze hoe voor het beeld van de Maagd Maria een witte bloem uit de lucht valt. Nieke legt de bloem op het altaar, maar wanneer een buurvrouw ze wil komen bewonderen, is ze verdwenen.
Op 8 augustus ziet Nieke opnieuw het witte licht, hoewel haar buurvrouwen andermaal niets ongewoons kunnen constateren. Op 9 augustus verschijnt dan eindelijk voor de eerste keer Onze Lieve Vrouw aan Leonie Van den Dijck, en enkele dagen later verschijnt Maria zelfs al buiten de kapel.
Een zekere Richard (Leonies jongste zoon heette zo, maar het zou hier om een andere Richard gaan) publiceerde destijds een devoot brochuurtje onder de titel De Verschijningen van Onkerzele, waarin hij Leonie zelf als volgt aan het woord laat: 'Plotseling verschijnt onder den populier, boven den hoek der haag, een helderstralend en onbeschrijflijk schoon licht: blauw, rood en zilverwit, maar het blauw heeft den boventoon. Midden dit licht, dat eenszijds op den hoek der haag straalt en anderzijds langs den kant der kapel flikkert, verschijnt een groote grijsblauwe bol, waarop onmiddellijk O. L. Vrouw neerdaalt. Het aangezicht is wonderschoon, blonde haarlokken hangen buiten den witten hoofdsluier. Hare oogen zijn groot en hemelblauw.'
Heeft Leonie haar wensen voor werkelijkheid gehouden en zich bewust of onbewust laten inspireren door de verhalen die over Beauraing en Banneux de ronde deden? In Banneux werd Mariette Béco door de witte dame naar een bron geleid. Hetzelfde zou in Onkerzele gebeuren. Toen Mariette Béco aan de dame vroeg wat zij van haar verlangde, was het antwoord: 'Oh! Een kleine kapel.' Dezelfde wens zou in Onkerzele geuit worden. Net als in Banneux identificeerde de geheimzinnige dame in Onkerzele zich aanvankelijk als 'Onze Lieve Vrouw der Armen'. Leonie Van den Dijck kende de armoede als geen ander. Ter gelegenheid van haar twintigste verschijning noemde zij zich dan weer 'Onze Lieve Vrouw van Zeven Smarten' . Nieke beschouwde zichzelf graag - en met reden - als een Vrouw van Smarten.
Hoewel Nieke altijd ontkend heeft iets af te weten van Banneux - wat ons volstrekt ongeloofwaardig lijkt - en ze slechts op 31 augustus voor het eerst een voorstelling van Onze Lieve Vrouw der Armen gezien zou hebben, zijn er nog meer parallellen tussen Banneux en Onkerzele. Zo stipt Richard aan dat alles in Onkerzele herinnert aan Banneux: 'De moeilijke verbindingen per spoor, het bergachtige landschap, het dorp op de kruin van een heuvel, de schamele woningen, de werkzame bewoners en de armoede.'
In de kapel zag Nieke een licht verschijnen naast het beeld van Onze Lieve Vrouw van Lourdes. Men kan zich voorstellen dat ze, vurig biddend dat er in haar leven iets soortgelijks mocht gebeuren als in Lourdes, in die richting zat te staren en dat haar dromerijen toen plotseling een 'werkelijke' vorm kregen.
De constructie van de stralenkrans die Leonie beschreef, herinnert dan weer aan Beauraing, waar ze net op bedevaart was geweest. Daar werd bovendien een' gouden hart' gesignaleerd. Ook in Onkerzele verscheen al gauw dit attribuut. Ten slotte zijn er heel wat gelijkenissen tussen de wijze waarop Nieke de verschijningen lichamelijk beleefde en de manier waarop de uitverkorenen van Beauraing en Banneux die ondergingen.
We kunnen echter ook heel wat verschillen noteren. Zo is de gemiddelde leeftijd van de personen die de eer genoten de Maagd Maria te aanschouwen, twaalf jaar. Waarom stapt de Moeder Gods, in het geval van Leonie Van den Dijck, plotseling van haar gewoonte af uitsluitend aan kinderen te verschijnen?
Bij de eerste verschijning spreekt Leonie over een voorname dame van ongeveer één meter zestig, maar bij latere gelegenheden begint de Heilige Moeder lilliputachtige proporties aan te nemen: een meter, uiteindelijk slechts zestig centimeter (afmetingen die overeenstemmen met die van de Mariabeelden waarvoor Nieke een vurige verering koesterde).
Merkwaardig is dat de dame vlekkeloos Nederlands praat. Ze schrikt er zelfs niet voor terug om 'voorname' woorden te gebruiken als 'eerwaarde' en 'zegepralen', die niet tot het dialect van Leonie behoorden. Maar ongetwijfeld kende Leonie deze woorden passief (en pasten ze perfect bij de Mariafiguur zoals zij zich die voorstelde).
De verschijningen laten Leonie steevast 'bleek', 'hijgend', 'bevend' en 'totaal uitgeput' achter. Richard vertelt hoe een heer uit Denderleeuw tijdens de extase krachtig in de arm van Leonie kneep en een 'felle essence' onder haar neus hield, zonder dat er enige reactie kwam.
Uit het relaas van Richard kunnen we verder opmaken dat Leonie zich vaak in dezelfde trance-achtige toestand bevond als Mariette Béco in Banneux of als de mediums die we kennen uit spiritistische seances: 'Plots zakt zij ineen, naar de Haag kijkend met starende ogen. Een harer zonen steunt haar met zijn armen. M. Albert Viane van Kortrijk, daar juist bij toeval aangekomen, richt meermaals bij onderbreking 't licht van 
De boodschappen van de verschijningen laten zich als volgt resumeren: 'Ik ben hier gekomen om de zondaars te bekeren en de godslastering te doen ophouden. Zeg aan de mensen dat zij boete moeten doen en veel moeten bidden. Zeg hun dat de godslasteringen moeten ophouden, anders zal ik de arm van mijn Goddelijke Zoon niet meer kunnen tegenhouden en de arm zal neerkomen, vanwege de zonden der mensen. - Velen bespotten u. Bid voor hen. Wee echter degenen die u zouden aanraken! Zij zullen gestraft worden! - Kloekmoedig voortschrijden! Onbevreesd! - Gij hebt al veel vervolging gehad, maar ge zult er nog meer hebben. - Het zijn niet allemaal vrienden die daar staan! - Het land is in gevaar, maar ik zal uw land doen zegepralen en het vrede geven.'
Dit laatste kan men desgewenst beschouwen als een - zwakke - allusie op de nakende oorlog. Voor de rest moet men zich de vraag stellen of deze boodschappen niet veeleer door Leonies psychische conditie en sociale situatie werden geïnspireerd dan door Onze Lieve Vrouw.
De verschijning geeft nog het bevel een speciaal kapelletje op te richten voor Onze Lieve Vrouw van Zeven Weeën, waar Leonie later met de hulp van haar biograaf haar beste krachten aan zal wijden. Tevens verlangt ze dat het water van een bron uit vroeger tijden weer te voorschijn zou komen.
Tijdens de in totaal 36 verschijningen, waarvan de eerste plaatsvond op 4 augustus en de laatste op 19 oktober 1933, zou Leonie niet altijd alleen oog in oog gestaan hebben met de Heilige Maagd. De dertienjarige Alma Van Holder had de dame ook gezien en gehoord, maar later herriep ze die bewering - volgens sommigen onder druk van haar vader, die in het Volkshuis werkte. Een achtjarig meisje zou dan weer als eerste het gouden hart zien dat pas later ook door Leonie werd gesignaleerd.
Met betrekking tot de gevallen waarin de verschijning ook door andere mensen werd waargenomen, waren de verklaringen meestal weinig eensluidend. Mevrouw Hanse-Haelters uit Ronse bijvoorbeeld zou de Maagd in de nis van de grot, terwijl Leonie haar links in de grot situeerde. Alleen bij de 35ste verschijning was een groep van vijftien aanwezigen unaniem beweren tijdens het bidden van twee tientjes van de rozenkrans een glanzend kruis gezien te hebben op het plafond van de kapel. Bij de laatste verschijning zou Onze Lieve Vrouw ook opgemerkt zijn door drie andere bedevaarders en namen alle aanwezigen een aangename geur waar. (Eerder hadden niet zo geïmponeerde jongeren al stinkbommen en niespoeder gegooid naar Leonie.)
Nieke ontpopte zich gedurende deze reeks verschijningen langzaam maar zeker als een leidster van de massa. Zij bad voor, zij beval het volk te knielen. De geestelijkheid, die elders al een serie verschijningen als onecht bestempeld had, verbood van op de kansel de gelovigen deel te nemen aan dergelijke manifestaties, maar liet zich niet uit over wat er in Onkerzele aan de hand was. De volkstoeloop werd dan ook hoe langer hoe groter.
'We kunnen slechts met veel moeite een weg banen voor Leonie,' schrijft Richard. 'Zoo ver als men zien kan is er volk: minstens 10.000 personen. De grot is een berg van bloemengarven geworden.'
Eén en ander had misschien te maken met de miraculeuze genezing die zich inmiddels voorgedaan zou hebben. Judo Dessemblanckx uit Borchtlombeek, die al maanden niet meer kon lopen, stond plots op en stapte zonder hulp naar de autobus die hem gebracht had.
'De volgende weken en maanden zullen bewijzen of er hier spraak is van algeheele genezing, ofwel enkel van beternis van korten duur,' besluit Richard opmerkelijk voorzichtig.



De verleiding is groot om dit verhaal af te doen als een staaltje van religieuze massahysterie. Maar het verrassende is dat dergelijke fenomenen recent werden onderzocht vanuit een wel heel onverwachte hoek.
De zogenaamd 'historische' ufologie interesseert zich niet alleen voor bepaalde wonderbaarlijke verhalen uit de al of niet gewijde geschiedenis, maar ook voor de parallellen tussen moderne ufo-rapporten, vertellingen die thuishoren bij de folklore en... sommige religieuze verschijnselen. Natuurlijk ontbreken Von Däniken & Co. hier niet op het appel, maar van de Maria-verschijning in Beauraing op 21 december 1932 heeft de toch tamelijk serieuze Belgische ufoloog Jacques Bonabot een aantal parallellen met ufo-waarnemingen blootgelegd, waarvan de belangrijkste wel het komen en gaan van een 'verlichte wolk' tijdens de manifestatie was.
Nog dichter bij ons heeft Julien Weverbergh een paar bar slecht geschreven maar vaak heel boeiende boeken aan dit onderwerp gewijd. We citeren uit Ufo's in het verleden een getuigenis van een zekere Maria Hennicken over een verschijning in Beauraing, die ons onwillekeurig zekere ufo-fenomenen voor de geest roept.
Het is 21 december 1932, enige ogenblikken voor het avondgebed: Wij bevonden ons op de verhoogde wal, tegenover het tuinhek aan de andere kant van de weg (...) toen ik tien minuten voor de verschijningen diep in de hemel een witte wolk van een langgerekte vorm opmerkte, die door talrijke sterren was omgeven en die zich zachtjes verplaatste om ten slotte boven de tuin van de zusters te blijven staan en te verdwijnen, precies op het ogenblik dat de kinderen zeiden: 'Daar is zij!'
De gehele tijd dat de verschijning duurde, bleven de sterren boven de tuin van de zusters en zij waren ook alleen maar daar. Op het moment dat de verschijning eindigde, verscheen de witte vorm opnieuw hoog in de hemel boven de tuin en verwijderde zich langzaam, waarbij hij waarlijk door de intens stralende sterren begeleid werd. Na enkele minuten werd de hemel weer inktzwart.

De conclusie van de ufologen laat zich raden: de heiligen, de profeten, de verschijningen, de witte dame van Mariette Béco die zich 'een weinig boven de grond verheven op een wolkje bevond dat op rook geleek'... dit zijn niets anders dan ufonauten. Vele manifestaties die als Mariamysteries geboekstaafd werden, vertonen frappante overeenkomsten met het ufo-fenomeen.
In zijn boek Ufonauten in opmars doet Weverbergh het relaas van een verschijning in 1897 in het Ierse dorpje Knock, die in veel opzichten herinnert aan wat Leonie Van den Dijck beweerde gezien te hebben. Ook in Knock begon het allemaal met een grote, licht afstralende bol.
'Het opvallendste van alles was het schitterend gouden licht (...),' meent Weverbergh. 'Het was een wisselend licht, dat soms de hemel, dan weer de kerk of de weide in felle gloed zette, en de verschijningen verlichtte. (...) Het kleed van Onze Lieve Vrouw, schitterend wit, was met een witte mantel zonder kap of mouwen bedekt, welke mantel rondom de hals gesloten, in brede plooien tot op de enkels viel. Op haar hoofd stond een schitterende kroon, afgezet met kruisen en op het voorhoofd, waar de kroon de huid raakte, bevond zich een prachtige roos. (...) Drie getuigen beweerden dat zij blootsvoets was.'
Een vrouw wilde de dame omhelzen, maar haar armen omvatten leegte. Waarmee tegelijk het verband gelegd is met de klassieke spookverschijning. Ook in dit geval werden weer enkele miraculeuze genezingen gesignaleerd.
'Tot daar dit wonderbaarlijke verhaal,' besluit Weverbergh, 'waarin aandachtige lezers van dit boek meteen heel wat elementen kunnen aanduiden, die in de Ufologie ook thuishoren: bal, licht, lichtafstralende, ongrijpbare figuren, de droge plaats. Ja zelfs genezingen. (...) Aan Ufo verwante incidenten in verband met religieuze verschijningen treden niet alleen op in de hier aangehaalde voorbeelden: in 1905 kwam Wales zelfs in de greep van een roemruchte religieuze revival, nadat vuurballen zich op verschillende avonden op een "intelligente wijze" in de aanwezigheid van zeer veel getuigen gemanifesteerd hadden. (...) Mary Jones kreeg tegelijkertijd visioenen, die het stadje Egryn op zijn kop zetten. Tot de vreemde gebeurtenissen behoort o.m. een ontmoeting van Mary Jones met een sinister in het zwart gekleed personage, dat eensklaps in het niets verdween.'
Toen de reeks verschijningen van de Maagd Maria in Onkerzele beëindigd was, zag Leonie Van den Dijck op 18 december 1933 - de dag van het eerste Zonnewonder, waarop we in het volgend hoofdstuk dieper ingaan - een vreemd personage op de trappen die naar de kapel voerden. De man stond er heel alleen. Hij droeg een lichtgrijs pak, een band in de lenden en een pofbroek. In zijn rechterhand hield hij een glimmende staf, die op de grond scheen te rusten. Zijn blote benen waren omsnoerd door riempjes, maar verder dan zijn knieën kon ze niet zien. Dat was een typisch trekje bij haar verschijningen, want ook Maria' s voeten zag ze nooit.
Leonie begon de trap te beklimmen, maar hoe dichter ze kwam, hoe ijler de gestalte werd. Toen ze de bovenste trede bereikte, was de man verdwenen. Hoewel zijn kleding niet meteen overeenstemde met de traditionele outfit van een engel, besloot ze dat het niemand anders dan de aartsengel Michaël geweest was, die volgens haar - en volgens andere zieneressen, in Garabandal en San Damiano - altijd zichtbaar of onzichtbaar aanwezig is op de plaats waar Onze Lieve Vrouw verschijnt.
'Aan Ufo-manifestaties gelijkaardige verschijnselen doen zich tijdens religieuze verschijningen steeds en steeds weer voor,' stelt Weverbergh. 'Opmerkelijk is, dat het aantal Maria-verschijningen in de afgelopen eeuw bijzonder sterk gestegen is. Sinds 1830 telt men niet minder dan 110 van dergelijke gevallen en visioenen. De Katholieke Kerk heeft er hiervan slechts vijf officieel erkend (w.o. Fatima en Beauraing). Men vraagt zich overigens af, waarom de andere 105 gebeurtenissen niet als authentiekt geklasseerd werden, want hetzelfde schema deed zich telkens opnieuw voor.'
Hierbij verliest Weverbergh natuurlijk uit het oog dat de zieners en zieneressen in kwestie best inspiratie gevonden kunnen hebben bij vroegere collega's.
'Zoals reeds aangestipt menen de Ufologen dat het in in deze gevallen om authentieke Ufo-manifestaties gaat, die door naïeve getuigen als een religieus gebeuren worden ervaren en geïnterpreteerd,' gaat Weverbergh verder, om er dadelijk aan toe te voegen dat hij het met deze visie niet eens is. De religieuze verschijningen met hun bijkomende eigenaardigheden als vuurballen, schitterende schijven, voorspellingen en genezingen zijn immers ook bekend uit de folklore, het sjamanisme en de parapsychologie.
'De Ufologie heeft met de hier opgesomde gebeurtenissen (misschien) alleen de wortels gemeen,' stelt hij. 'Het moet niet uitgesloten worden geacht, dat de oorzaken van al deze fenomenen dezelfde zijn, maar de structuur van de verschijnselen an sich verschillen: met andere woorden het zouden loten van één en dezelfde stam kunnen zijn.'
De nogal wazige hypothese-Weverbergh komt dan hierop neer: paranormale zowel als psychische processen spelen zich af in een zelfde deel van de menselijke psyche. De krachten uit dit enorm reservoir van energie kunnen zich zowel via een mediamieke trance als door een psychotherapeutisch proces manifesteren, zowel door de droom als in de hallucinatie, zowel via hypnose als door mythen en sprookjes.
De taal is steeds dezelfde: het onbewuste spreekt door middel van symbolen, 'waarin innerlijke gevoelens, ervaringen en gedachten tot uitdrukking worden gebracht alsof ze zintuiglijke ervaringen, gebeurtenissem in de buitenwereld waren. Het is een taal die een andere logica heeft dan de conventionele die we overdag gebruiken, een logica waarin niet tijd en ruimte heersende categorieën zijn, maar intensiteit en associatie. Het is de enige universele taal die de mensheid ooit heeft ontwikkeld, een zelfde taal voor alle culturen, de hele geschiedenis door.
Ufonauten zijn een aparte, betrekkelijk nieuwe categorie van wat men in de parapsychologie 'parergische verschijnselen' noemt: telekinese, materialisatie. De hersens van hen die ufonauten - of verschijningen - waarnemen, zouden door een onbekende energie zodanig beïnvloed kunnen worden dat zij de ufonaut - of de verschijning - creëren, projecteren, materialiseren, ongeveer op dezelfde wijze als een ectoplasma door een medipm wordt gecreëerd tijdens een spiritistische seance. Deze projectie zal worden afgebeeld met de attributen die ontleend zijn aan het onbewuste van de waarnemer, archetypische kenmerken vertonen en van symbolische aard zijn. Met andere woorden: iedere waarnemer schept zijn eigen ufo-vorm.
Weverbergh noemt die hypothese, waarin het waarnemen van zowel ufo's als religieuze verschijningen op een parapsychologische manier verklaard wordt, 'volkomen vrijblijvend'. Het is in ieder geval een denkpiste, interessant genoeg om ze naast andere mogelijke verklaringsmodellen te zetten: een waarlijk ingrijpen van hogerhand, hallucinatie, illusie, bedrog.
Voor de hypothese van Weverbergh pleiten twee curieuze verhalen uit zijn boek Ufo's in het verleden, die zich volkomen buiten de sfeer van religieuze massahysterie afspelen. Toch treedt er een onvervalste verschijning in op, waarvan de overeenkomst met normale ufo-fenomenen zeer groot is.
Het eerste verhaal werd opgetekend in het Belgische Pittem, in augustus 1919.



Het was omstreeks 21 uur dat de heer J.G. en zijn vrouw op de drempel gezeten waren; de duisternis viel reeds in. Plotseling werd hun aandacht getrokken daar een raadachtig voorwerp in zuidwestelijke richting. Het fenomeen verplaatste zich net boven de bomen rand het kasteel Joos ter Beerst en  leek op 'een rode roos'. Toen het fenomeen dichterbij kwam, veranderde de roos in de vorm van een dier, door J.G. omschreven als 'een schaap'. Terwijl het geheel steeds dichter naderde, bemerkten de verstomde getuigen dat het in werkelijkheid een jonge vrouw betrof, gezeten in een zetel. Op dat moment was het geheel amper vijftig meter verwijderd! De verschijning draaide lichtjes het hoofd, om vervolgens de getuigen vriendelijk toe te knikken. Nog steeds in deze zittende houding verdween de verschijning in zuidelijke richting (naar Kortrijk) en na enkele ogenblikken nam ze weer de vorm van 'het schaap' aan.



Het tweede verhaal dateert van maart 1931.
De heer M.B. pendelt met zijn autobus heen en weer tussen Saint-Raphael en Cannes aan de Côte d' Azur. Bij zijn aankomst in Cannes merkt M.B. op een recht stuk weg, bij een kruispunt en naast een tramlijn, plotseling een grijswitte wolk op. Hij doet z'n bus stoppen en ziet dan op nauwelijks twintig meter afstand een stralende gedaante, in een nauw wit kleed met een blauwe gordel. Een sluier omhult het hoofd en bedekt het voorhoofd, maar toch kan hij een menselijk gezicht 'met starre trekken' onderscheiden.
Net als Leonie Van den Dijck kan M.B. de voeten van de verschijning niet zien. Ook de overeenkomst met de verschijning van Banneux is frappant: daar droeg de dame een lang wit kleed dat tot een wolkje reikte, waarin alleen haar rechtervoet zichtbaar was, die een gouden roos droeg. Haar lichaam was omgeven door licht en een stralend aureool verleende haar zo mogelijk een nog majestueuzer aanblik.
'De Heilige Maagd van Lourdes!' stelt M.B vast. 'Volkomen gelijk aan het beeld!' Het vervult hem zowel met schrik als met vreugde.
In de bus beginnen de passagiers zich te verbazen Men ondervraagt de chauffeur, die met open mond toekijkt hoe de verschijning een zijdelingse beweging maakt langs een lijn die een lichtend verlengde van haar kleed lijkt. Daarna gaat de verschijning naar de grijze wolk, die is afgedreven naar de zee, en ze stapt er in. De wolk stijgt ten hemel en laat een lichtend spoor achter. Geluidloos vliegt ze in de vorm van een platte lens in de richting van Nice.
Verscheidene passagiers bevestigen de waarnemingen van M.B. wat de wolk betreft, maar alleen M.B. heeft het stralende wezen gezien, dat volgens hem niemand anders dan de Heilige Maagd geweest kan zijn... Dezelfde wolk werd ook elders boven Nice en omgeving gesignaleerd, en volgens het plaatselijke blad l'Eclaireur de Nice hebben diverse getuigen eveneens 'het witte wezen met de blauwe gordel' opgemerkt...





21.3.11

Vers van de pers: De paus van Satan - Hier is het Voorwoord:



Dit is het Voorwoord
bij De paus van Satan,
vers van de pers:




Philip Coppens is een Vlaming die al een tijdje wereldwijd ‘on the road’ is. Enkele jaren geleden was hij in Spanje voor een lezing rond een ‘alternatief historisch’ thema. Achteraf werd hij benaderd door een oudere heer die vlekkeloos (Noord-)Nederlands sprak, en er al meteen op aandrong dat hij – wat ook het gevolg van hun gesprek mocht zijn – onder alle omstandigheden anoniem wenste te blijven. De man liet Philip een aantal fotokopieën zien van een moeilijk leesbare, met de hand geschreven tekst, gesteld in een vooroorlogs Nederlands. Hij vertelde erbij dat het om ‘de laatste woorden’ ging van de ooit zo beroemde – en ook wel beruchte – schrijver Joris-Karl Huysmans. Het testament van J.-K. Huysmans was oorspronkelijk in het Frans geschreven geweest, maar het werd door een lid van de Nederlandse tak van de familie van de schrijver naar het Nederlands vertaald, en het was door een speling van het lot in de handen van Philips contactpersoon terechtgekomen.
Charles-Marie-Georges Huysmans, geboren in 1848 in Parijs en daar ook in 1907 gestorven, werd geboren uit een Nederlandse vader en een Franse moeder. Om zijn Nederlandse afkomst te benadrukken, publiceerde hij onder de naam Joris-Karl of J.-K. Huysmans. Zijn grootvader telde een aantal Vlaamse schilders onder zijn voorzaten en was tekenleraar aan de Militaire Academie van Breda. Huysmans debuteerde in 1874 met een in eigen beheer uitgegeven dichtbundel en raakte al snel nauw betrokken bij de naturalistische kring die zich verzameld had rond Emile Zola. In zijn vroege werk schetste hij bij voorkeur een banaal en alledaags bestaan, en gaf hij blijk van een diep pessimisme en zijn weerzin voor de moderne wereld. Zijn doorbraak kwam er pas nadat hij Zola in 1884 de rug toekeerde en de roman A Rebours publiceerde, die ‘de bijbel van het decadentisme’ werd genoemd en hem tot één van de iconen van het symbolisme maakte. Net als zijn hoofdpersonage Des Esseintes was Huysmans een estheet met een voorliefde voor het kunstmatige, die zich probeerde af te zonderen van de wereld en een leven lang leed aan tal van zenuwziekten.
Minder bekend is dat J.-K. Huysmans er naast zijn literaire carrière een loopbaan als ‘ambtenaar bij de Sûreté Générale’ op na hield. ‘Wat daar precies onder verstaan moest worden, maakt dit manuscript perfect duidelijk’, vertelde de oude heer aan Philip. Het beschreef intensief de periode die voorafging aan de publicatie van zijn satanische schandaalroman Là-bas in 1891 en zijn daarop volgende bekering tot het christelijk geloof, die boeken opleverde als La Cathédrale (1898) en hem een plaats in de canon van de Franse literatuur opleverde. Hoewel er tot het eind van zijn leven twijfel bleef bestaan aan de oprechtheid van zijn bekering, stierf Huysmans in de pij van een Benedictijner broeder aan de gevolgen van long- en botkanker.
Het zou ons te ver leiden hier te schetsen hoe deze oude heer er uiteindelijk in slaagde Philip te overtuigen van zijn goede trouw. We zouden er trouwens ook de door hem gewenste anonimiteit mee tenietdoen. Laat het volstaan op deze pagina’s te vermelden dat Philip een kort onderzoek instelde naar zijn contactpersoon, en dat deze inderdaad een ver familielid van J.-K. Huysmans bleek te zijn. Ook in zijn voordeel sprak dat hij juist in contact was getreden met Philip om erachter te komen of het manuscript wel degelijk authentiek mocht worden genoemd.
Philip kende mijn fascinatie voor de occulte geschiedenis van Vlaanderen, en hij wist dat ik gedurende de afgelopen twee decennia zowel fictie als non-fictie had geschreven rond thema’s die zich situeerden in Fantastisch Vlaanderen of Mysterieus België – van Brugge, over Gent, tot Orval. Hij wendde zich dan ook tot mij met de vraag het manuscript gezamenlijk te screenen, en een poging te doen om vast te stellen of we te maken hadden met een listige mystificatie.
Onze contactpersoon bezorgde ons in een Word-document een gemoderniseerde transcriptie van het volledige manuscript, met de vraag het aan een grondig onderzoek te onderwerpen en, indien mogelijk, te publiceren. Toen hij kort nadien overleed, leek het erop dat hij volslagen alleen in de wereld had gestaan. Zijn bezittingen liet hij na aan goede doelen, en van het originele manuscript hebben we daarna niets meer vernomen. Ikzelf heb het nooit gezien en Philip heeft alleen even de fotokopieën van bepaalde passages in zijn handen mogen houden. We zijn er ons terdege van bewust dat deze hele gang van zaken ideaal is – en kenmerkend – voor personen die een literaire mystificatie een schijn van authenticiteit willen geven. Omdat wij niet beschikken over het originele manuscript, kunnen we de authenticiteit van de tekst alleen maar beoordelen op basis van zijn inhoudelijke en literaire vormkenmerken. Het spreekt vanzelf dat het in die omstandigheden onmogelijk is zonder enig voorbehoud welke conclusie dan ook te formuleren.
Zelfs als we ervan uitgaan dat de tekst een getrouwe weergave is van een Frans manuscript dat tot stand kwam vóór 1907, dan moeten we ons nog de vraag stellen wie de werkelijke auteur is van dit literair en spiritueel testament: Joris-Karl Huysmans, of zijn secretaris Jean de Caldain. Huysmans zou deze bijzonder omvangrijke en gedetailleerde geschiedenis immers gedicteerd hebben aan Jean de Caldain, gedurende de laatste maanden, weken of zelfs dagen van zijn leven, vanaf zijn ziekbed, terwijl hij verging van de pijn, onder invloed van verdovende middelen, tussen hallucinaties en ijldromen door. In hoeverre heeft Jean de Caldain de aldus tot stand gekomen tekst ‘geredigeerd’, en wat is er – inhoudelijk en stilistisch – met het testament van Huysmans gebeurd toen het door een familielid werd vertaald naar een ‘vooroorlogs Nederlands’ (met welk doel, overigens?) en vervolgens omgezet in ‘modern Nederlands’ (door de contactpersoon van Philip?).
Welke weg het oorspronkelijke manuscript precies heeft gevolgd, om uiteindelijk bij de Nederlandse tak van de familie van J.-K. Huysmans te belanden, is ook lang niet duidelijk. Stel dat Jean de Caldain de pen van J.-K. Huysmans heeft vastgehouden of zelfs de ware auteur van het Franse manuscript is geweest, welke bedoelingen had hij dan met dit manuscript? Heeft hij geprobeerd de authenticiteit ervan te laten waarborgen door een vooraanstaand lid van de familie Huysmans? Heeft het manuscript vervolgens om een of andere reden tientallen jaren lang stof vergaard op een zolder, waar het uiteindelijk toevallig werd gevonden en door onze contactpersoon interessant genoeg werd geacht om te ‘hertalen’ en Philip Coppens aan te spreken?
Het heeft er de schijn van dat het manuscript voornamelijk gedurende 1907 tot stand is gekomen – het laatste levensjaar van J.-K. Huysmans. Houden we rekening met zijn mentale en fysieke conditie in die periode, dan moet het noodzakelijkerwijs bestaan uit een chaotische verzameling van artikels, documenten, brieven en notities, met elkaar verbonden door de al even chaotische herinneringen van de stervende schrijver. Aangezien de secretaris die hem op het eind van zijn leven bijstond, Jean de Caldain, de gebeurtenissen niet had meegemaakt waarover J.-K. Huysmans vertelde, kon hij ook geen idee hebben gehad waar en hoe bepaalde documenten precies pasten in het geheel. Het resultaat zou bijgevolg een zo mogelijk nog chaotischer geheel moeten vormen, a-chronologisch, met een overvloed aan losse verhaaldraden, passages die nergens toe leiden en fragmenten die volstrekt duister zijn voor wie niet in de geest van Huysmans kan kijken. De tekst die wij onder ogen kregen, is evenwel strak chronologisch opgebouwd en ook vrij sterk gestructureerd, wat doet vermoeden dat ofwel J.-K. Huysmans eerder al aan de slag is geweest met zijn testament, ofwel Jean de Caldain veel meer was dan zijn secretaris, misschien zelfs meer dan louter zijn ghostwriter.
Vormelijk en stilistisch draagt de tekst alleszins het stempel van J.-K. Huysmans. Zoals ook in zijn ‘laatste woorden’ ter sprake komt, was hij een van de eersten om op ‘naturalistische’ wijze allerhande documentair materiaal in een roman te verwerken. Bij leven en welzijn schreef Huysmans al ‘faction’, en onder die noemer valt ook deze tekst getiteld De paus van Satan. Zijn vaak sardonische stijl, de hyperbolen en opsommingen, zijn plotse uitbarstingen in pure lyriek, de horror… dit alles is vintage Huysmans. Bij sommige passages dachten we - Là bas te lezen: de beschrijving van zijn relatie met Henriette Maillat, haar brieven die hij niet alleen in Là-bas maar ook in De paus van Satan gebruikt zou hebben, de zwarte mis, Saint-Sulpice … Maar Là-bas is nu eenmaal, en zelfs in de eerste plaats, een autobiografische roman. Het boek vormde bovendien een scharnierpunt in het leven en werk van de schrijver. Misschien zou het omgekeerde ons pas echt moeten verbazen, namelijk: dat De paus van Satan geen raakpunten bezat met Là-bas, waarvan het de wordingsgeschiedenis beschrijft en waarmee het de thematiek deelt.
Inhoudelijk hebben we de schrijver van De paus van Satan nergens op grove ‘fouten’ kunnen betrappen. Het leven van Joris-Karl Huysmans is vrij goed gedocumenteerd, door hemzelf – in zijn autobiografische romans en in tal van andere geschriften – en door Robert Baldick, de auteur van de magistrale biografie The Life of J.-K. Huysmans (1955). Aan de hand van dit boek hebben we De paus van Satan aan een grondige controle onderworpen. Hierbij hebben we kunnen vaststellen dat de schrijver van De paus van Satan al eens beweert op een andere plaats geweest te zijn dan uit bepaalde documenten mag blijken, maar dat hij daar dan ook een steekhoudende verklaring voor geeft. En als zijn chronologie al eens lichtjes afwijkt van die in het boek van Baldick, dan zou het omgekeerde ons ook – alweer – verbazen.
Het meest in het oog springende verschil tussen de ‘officiële’ biografie van Baldick en wat we zoal in De paus van Satan terugvinden, heeft te maken met het werk dat Huysmans zou hebben gedaan bij de Sûreté Générale. Maar ook deze discrepantie is perfect verklaarbaar: Huysmans zelf kon er bezwaarlijk mee te koop lopen, en het per definitie geheime of op zijn minst discrete karakter van zijn job zorgde ervoor dat dit belangrijke aspect van zijn leven ook later weinig aan bod kon komen in artikels of boeken gewijd aan Joris-Karl Huysmans.
Een ander referentiewerk dat van onschatbare waarde bleek te zijn, werd geschreven door een onderzoeksjournalist avant la lettre, die zich als een pitbull in zijn onderwerp had vastgebeten: Herman Bossier, met zijn Geschiedenis van een romanfiguur, de ‘chanoine Docre’ uit Là-bas van J.-K. Huysmans. Deze studie over de kapelaan van de Heilig Bloedkapel te Brugge, Louis Van Haecke, die niemand minder dan ‘de paus van Satan’ zou geweest zijn, werd oorspronkelijk gepubliceerd in 1942, en in 1965 herdrukt in de reeks Vlaamse Wetenschappelijke Pockets van uitgeverij Heideland, te Hasselt. Dit boek verschafte ons heel wat informatie die akelig parallel bleek te lopen met wat we ook al in het testament van Huysmans konden lezen.
Bérenger Saunière is sinds de late jaren zestig zowat een cultfiguur geworden, het zwaartepunt van eindeloze speculaties en honderden publicaties over ‘de schat van Rennes-le-Château ’. Er deden geruchten de ronde over bezoeken van Saunière aan Parijs, maar tot nu toe konden die niet hard gemaakt worden. Zijn naam terug te vinden in geschriften van Huysmans, die dateren van de late negentiende en de vroege twintigste eeuw, valt op zijn minst opmerkelijk te noemen. Toen we de informatie met betrekking tot Saunière gingen checken, zagen we hoe eenzelfde patroon zich aftekende als we eerder al opgemerkt hadden toen we de controle uitvoerden aan de hand van de biografie van Baldick of de studie van Bossier: hier en daar, vooral in de details, wijkt De paus van Satan af van wat we elders konden lezen, maar de grote lijnen liepen wel degelijk parallel. En hetzelfde patroon zagen we ook opduiken als we bepaalde passages uit het literair en spiritueel testament van Joris-Karl Huysmans controleerden aan de hand van het beschikbare archiefmateriaal.
Dit alles in acht genomen, zijn Philip Coppens en ikzelf reeds omstreeks 2005 tot de conclusie gekomen dat we geneigd zijn De paus van Satan als authentiek te beschouwen. Om een onbevooroordeeld publiek debat uit te lokken, zonder dat we meteen al onze kaarten op tafel hoefden te gooien, publiceerde ik een deel van het materiaal uit De paus van Satan in Het Bloed van het Lam (2006) en Nostradamus in Orval (2007). Het is inderdaad zo dat De paus van Satan mij ertoe gebracht heeft na een lange stilte opnieuw historische faction te gaan schrijven voor volwassenen. Vervolgens zijn we gestart met het mondjesmaat vrijgeven van artikels of bepaalde passages uit het boek in het Engels, en op het web – nog steeds met de bedoeling reacties los te weken. De nieuwe inzichten die wij op die manier hebben verworven, werden eveneens in voetnoten aangebracht in de tekst van De paus van Satan die wij hierbij presenteren.
Wij pretenderen hiermee niet al de raadsels opgelost te hebben die door De paus van Satan worden opgeworpen. Het werk Le Précieux Sang à Bruges, geschreven door de kapelaan van het Heilig Bloed Louis Van Haecke, is bijvoorbeeld ontegensprekelijk een gecodeerd boek, zoals La Vraie Langue Celtique van Henri Boudet er een is, de confrater en buur van Bérenger Saunière. Het is duidelijk dat Huysmans met betrekking tot de decodering van Le Précieux Sang à Bruges allerminst het achterste van zijn tong heeft laten zien. Het is dan ook onze bedoeling dit boek vroeg of laat in facsimile uit te geven, zodat specialisten ter zake zich over de materie kunnen buigen.
En zo laat De paus van Satan nog wel meer vragen onbeantwoord. Wie is de Grote Monarch die de Schriften van de Profeet Nostradamus in vervulling zal laten gaan? Wanneer zal dat gebeuren? En waar is het Heilig Graf te vinden dat de Grote Monarch zal legitimeren? In dat verband heeft Orval nog lang niet al zijn mysteries prijsgegeven… Wat moeten we er bijvoorbeeld van denken dat de Duitse Keizer Wilhelm, in volle Eerste Wereldoorlog, terwijl enkele kilometers verderop in Verdun hele legers worden afgeslacht, op expeditie trekt om de Schat van Orval te vinden, terwijl de Kronprinz voortdurend in Stenay rondhangt, enkele kilometers verderop, bij de plek waar de Merovingische koning Dagobert II werd vermoord? Dit zijn feiten, er bestaan foto’s van – en ze verdienen ongetwijfeld een nader onderzoek...

Patrick Bernauw & Philip Coppens, augustus 2010

14.3.11

01. Gustaaf Schellinck, biograaf


De Verenigde Staten van Amerika, 30 oktober 1938. Halloween.



Na het weerbericht schakelt de radiozender CBS dadelijk over naar het Park Plaza Hotel, waar het orkest van Ramon Raquello er lustig op los swingt. Tot het programma wordt onderbroken door een extra nieuwsbericht: op de planeet Mars werden ongewone gaserupties waargenomen. Korte tijd later blijkt er een groot vlammend voorwerp neergestort te zijn bij Grover's Mill in New Jersey.


De plaatselijke correspondent Carl Phillips brengt live verslag uit van op de plek van het onheil. Een Martiaan wringt zich uit het ongeïdentificeerd vliegend object en zet de hele omgeving in lichtelaaie. Het Rode Kruis, acht bataljons infanteristen, de Amerikaanse luchtmacht... allen staan machteloos tegenover de Martiaanse invasietroepen. De eerste interplanetaire oorlog is een feit...


Tot zover een hoorspel van Orson Welles, naar de SF-roman The War of the Worlds van H.G. Wells. Een Halloween-grapje, dat zich zoals elke geslaagde mystificatie afspeelde in het slecht gemarkeerde grensgebied tussen waarheid en bedrog. Twee miljoen Amerikanen geloofden dat het wérkelijk zover was... Wellicht was het nooit tot deze massahysterie gekomen, als er geen reële voedingsbodem had bestaan voor allerlei gevoelens van sociale onlust en onveiligheid. In Europa dreigde een tweede wereldoorlog, in Spanje woedde een burgeroorlog en zelf hadden de Amerikanen net een zware economische crisis achter de rug.

‘We hebben hier een prachtige gelegenheid om te zien hoe een legende wordt gevormd en hoe in voor de mensheid moeilijke en donkere tijden een wonderbaarlijk verhaal ontstaat over een poging tot interventie door buitenaardse “hemelse machten”,’ schreef Carl Gustav Jung.



 
In januari 1992 raakten wij geïntrigeerd door de bladzijden die Emiel Ramoudt aan  'de zieneres van Onkerzele' wijdde in zijn boek Mens zonder grens. Leonie Van den Dijck was haar naam.


'We hebben Leonie Van den Dijck niet meer persoonlijk gekend, wel haar biograaf en diens echtgenote uit Aalst,' schrijft Ramoudt. 'Deze mensen hebben Leonie gedurende zestien jaar van dichtbij gevolgd en trouw alles opgetekend wat in haar boeiend leven gebeurde. We kregen het "Handschrift" ter beschikking en hebben er werk van gemaakt om de nog levende ooggetuigen op te zoeken.'

De biograaf heette Gustaaf Schellinck (1896-1973). Uit de bibliografie van Ramoudt bleek dat het 'Handschrift' in kwestie min of meer openbaar gemaakt was als een privé-uitgave, gedrukt op een beperkt aantal exemplaren. Maar hoe dit in handen te krijgen? Het werk was niet in de handel verkrijgbaar geweest en droeg geen wettelijk depotnummer, zodat het zelfs niet aanwezig was in de Koninklijke Bibliotheek!

Een gelukkig toeval bracht ons in contact met een streekgenoot van Leonie Van den Dijck, die bovendien actief was in een heemkundige kring. Hij bezorgde ons een exemplaar van Verschijningen en voorspellingen van Leonie Van den Dijck, verschenen kort na de opgraving van de zieneres in juni 1972. Er waren heel wat foto's van deze gebeurtenis in het boek opgenomen.

Met dit lijvige werk van meer dan 500 verward geschreven, slecht getypte en slordig gestencilde kwarto-
bladzijden begon voor ons een verbijsterend avontuur. Het was duidelijk dat dit typoscript een letterlijke weergave was van het 'logboek' dat Gustaaf Schellinck had bijgehouden over de zieneres van Onkerzele. Het chaotisch gestructureerde typoscript, waarvan sommige passages nog in oude spelling gesteld waren, noodzaakte ons de informatie rond een bepaald thema iedere keer weer op te sporen.

Pas in mei 1992, toen we de laatste hand legden aan de eerste versie van dit boek, kwamen wij - alweer dooi een gelukkig toeval - in contact met oud-senator Wim Verleysen, voorzitter van "het 'Komiteit voor de zaak Leonie Van den Dijck' in Onkerzele. Tot op dat ogenblik verkeerden we in de waan dat dit Komiteit, waarvan wij wisten dat het nog tot in de jaren tachtig actief was geweest, ondertussen opgehouden had te bestaan.

Wij maakten een lezing mee van Wim Verleysen in de kelder van Zaal De Keizer op de Grote Markt in Geraardsbergen, zagen een amateurfilmpje over de eerste ontgraving in 1972 en kregen de beschikking over Het Wonderbare Leven van Leonie Van den Dijck, een tweede, vervolledigde en geordende uitgave van de notities van Gustaaf Schellinck, gepubliceerd 'in het 54ste jaar van de verschijningen, 1987'. In dit degelijker uitgegeven werk, overigens evenmin verspreid via de gebruikelijke kanalen of voorzien van een wettelijk depotnummer, werden de notities van Schellinck nagenoeg onveranderd weergegeven.

'Voor de leesbaarheid en om het terugvinden van de verschillende onderwerpen te vergemakkelijken, werden verdelingen aangebracht in delen, hoofdstukken en paragrafen, elk voorzien van een behoorlijke en voldoende gedetailleerde inhoudsopgave, waardoor men bij het lezen van de inhoudstafel alleen reeds een duidelijk inzicht heeft in wat er behandeld wordt,' verklaart het Komiteit in de inleiding bij de... tweede uitgave. 'Het boek werd verrijkt en aangevuld met nieuw verkregen waardevolle getuigenissen, data werden bijgevoegd, ook enkele nota' s waar het nodig bleek om misverstand te voorkomen of recht te zetten. Enkele evidente onnauwkeurigheden werden gecorrigeerd, en het taalgebruik werd lichtjes aangepast aan onze nieuwe uitdrukkingswijze, of waar er klaarblijkelijk een taalfout ingeslopen was. Uiteenzettingen over hetzelfde onderwerp werden bij elkaar gebracht en onnodige herhalingen geëlimineerd.'

Wanneer wij uit de notities van Schellinck citeren, doen wij dat op basis van de eerste uitgave. Het Wonderbare Leven van Leonie Van den Dijck hebben wij vooral geraadpleegd voor de nieuw verkregen getuigenissen en data, en de verhelderende voetnoten.



In een 'voorafgaande verklaring' licht Schellinck zijn positie ten opzichte van Leonie Van den Dijck toe. Toen hij aan het 'logboek' begon, had hij er nog geen idee van wat de zieneres precies van hem verlangde. Pas na een proefperiode van een vijftal jaar was hij voldoende gekneed om echt als haar biograaf te mogen fungeren. Maar zelfs dan bleef zijn rol beperkt tot die van een zuiver registrerende' ontvangpost'. Schellinck vergelijkt zich met een soldaat die gedrild werd om bevelen uit te voeren. Hij moest noteren wat de zieneres hem meedeelde, zonder te vragen naar het hoe of waarom.

Gustaaf Schellinck startte zijn activiteiten in het begin van 1934. Op losse papieren en steekkaarten nam hij de dictaten van Leonie Van den Dijck op, die hij vervolgens thuis overtypte, waarna hij haar de teksten voorlas. Leonie corrigeerde deze teksten, tot ze exact weergaven wat zij bedoeld had.

We kunnen Gustaaf Schellinck bezwaarlijk een objectief waarnemer noemen. Hij vertelt van zichzelf dat hij als kind al 'een vurige godsdienstverering' bezat en hij trok een twintigtal keren op bedevaart naar Beauraing en Banneux, waar zich vanaf 1932 verschijningen voordeden.

Het was trouwens een drukke tijd voor de Heilige Familie, want in september 1933 deed het gerucht de ronde dat er ook in Onkerzele, nabij Geraardsbergen, vreemde verschijningen waren waargenomen. Omdat in de pers 'den draak gestoken werd met deze verschijningen', was Schellinck zeer voorzichtig geworden. Toch trok hij in oktober 1933 samen met zijn echtgenote en tal van andere bedevaarders een eerste maal naar Onkerzele.


'Te tien ure stond het volk zodanig opeengepakt, dat het onmogelijk geworden was nog van plaats of van houding te veranderen en dierf men een voet opheffen, dan was men niet meer in staat hem nog op de grond te plaatsen.'

Op die dag zagen Schellinck en zijn vrouw de zieneres van Onkerzele voor het eerst in levenden lijve. Voor de kapel bad ze het rozenhoedje en riep ze Onze Lieve Vrouw aan, terwijl het volk in koor de gebeden en aanroepingen beantwoordde. Hier en daar raakte iemand in extase.

Omdat hij een dergelijke godsvrucht in Beauraing noch in Banneux had gezien, besloot Schellinck geregeld naar Onkerzele terug te keren. Niettemin zou het nog een tijdje duren vooraleer de toekomstige biograaf persoonlijk in contact kwam met Leonie Van den Dijck. In tegenstelling tot de grote massa, voelde het echtpaar Schellinck 'te veel respect voor haar om ons in hare omgeving op te dringen'.

Op 18 december 1933 greep er een heus Zonnewonder plaats in Onkerzele. Schellinck kwam hier zo van onder de indruk, dat hij samen met een heleboel andere bedevaarders het huis van Leonie binnenstapte. Meteen voelde hij zich in dit gezelschap 'als bij goede, oude vrienden' .

Korte tijd later was Gustaaf Schellinck er getuige van dat Leonie boos werd op sommige al te loslippige leden van een officieuze onderzoekscommissie, die de fenomenen van Onkerzele op hun authenticiteit wilde
beoordelen en waarvan Standaard-redacteur en radioreporter Jan Boon de centrale figuur was.

'Het is een schand gelijk al die mannen met geheimen rondspringen. Nu is 't voor goed gedaan met hen en geen enkele zal nog mijn mond openbreken!' riep Leonie uit.

Vervolgens vroeg ze Schellinck of hij kon zwijgen. Zonder dat Schellinck het besefte, promoveerde zijn bevestigend antwoord hem tot haar secretaris en biograaf.

Vanaf dat moment kwam hij steeds vaker bij haar over de vloer, soms zelfs tot vijfmaal per week, om te noteren wat zij hem dicteerde. Daarbij zou hij haar, ook in een later stadium, haast nooit rechtstreekse vragen stellen. Leonie hield daar niet van...



In hoever strookt het relaas van Gustaaf Schellinck met de feiten? Tot op welke hoogte werd zijn biografie bijgekleurd door zijn religieuze en morele opvattingen, en door zijn jarenlange omgang met Leonie Van den Dijck?

Als het werk van Schellinck betrouwbaar is, mogen wij Leonie Van den Dijck met een gerust geweten een van de grootste paranormale fenomenen van deze eeuw noemen. Zo niet, dan hebben we te maken met een verbluffend staaltje science-fiction én met een gigantische mystificatie. Werd Gustaaf Schellinck in dat geval gemanipuleerd door Leonie Van den Dijck, of was het de secretaris die de levensloop van zijn opdrachtgeefster - misschien voor een stuk onbewust - enigszins bijkleurde?

Het eigenaardige is dat niets wijst in de richting van een werk dat grotendeels aan de fantasie is ontsproten. Wat drijft een schrijver of een mystificator? Eerzucht, geldnood, artistieke motieven... Niets van dat alles vinden we terug bij Schellinck. Zijn naam is op de cover van zijn publikatie niet terug te vinden en men zal hem slechts moeizaam her en der in het boek ontdekken, meestal dan nog onvolledig of afgekort. Zijn financiën zullen er met deze slordig gestencilde notities ook al niet veel beter op geworden zijn. Taal, stijl en structuur van zijn werk staan er borg voor dat hij evenmin literaire ambities had.

Was het dan de bedoeling van Gustaaf Schellinck te pleiten voor de heiligverklaring van Leonie Van den Dijck?

'Neen!' roept Schellinck uit, om meteen daarop nadrukkelijk te stellen dat hij zich niet 'op het terrein van de godgeleerdheid' wil wagen en zich onderwerpt aan (de uitsluitelijke bevoegdheid van het kerkelijk gezag'. Aan de andere kant kunnen we hem, zij het in mindere mate dan Leonie Van den Dijck, een zeker godsdienstwaan niet ontzeggen.

Belangrijk is dat Schellinck niets heeft willen schrijven dat niet strookte met de dictaten van Leonie. In zijn relaas van haar visioenen komen details voor die bij nader inzien volstrekt onjuist zijn gebleken. Schellinck had dit makkelijk kunnen verzwijgen of maskeren.

'Het is een aanduiding te meer dat hij de toekomstvisioenen van Leonie achteraf niet aan de realiteit aanpaste,' meent Ramoudt. 'Evenmin deed hij een poging om de voorspellingen op hun technische waarschijn
lijkheid na te trekken. Schellinck hechtte alleen maar belang aan wat Leonie "gezegd" had. Haar woord was voor hem "evangelie" in de letterlijke zin van het woord.'

Waar mogelijk, verwijst Gustaaf Schellinck naar getuigen die zijn beweringen kunnen staven. Hij beweert in het bezit te zijn 'van een aanzienlijk getal schriftelijke getuigenissen van de feiten die er zich' hebben afgespeeld en van voorspellingen die Leonie aan de talrijke vrienden bekend heeft gemaakt'.

Jammer genoeg neemt hij hoogst uitzonderlijk een dergelijke concrete getuigenis in zijn verslag op. Bovendien had Leonie Van den Dijck de onhebbelijke gewoonte haar uitvoerige correspondentie - ze zou zelfs brieven uit Amerika en Japan ontvangen hebben - op tijd en stond te verbranden, omdat de 'hartsgeheimen' van haar correspondenten alleen voor haar bestemd waren.

In verband met de getuigen dient ten slotte opgemerkt te worden dat Emiel Ramoudt er in de jaren zeventig nog in geslaagd is diverse personen op te sporen die in het 'Handschrift' van Gustaaf Schellinck slechts met de initialen of een voornaam worden vermeld. Dit is, weer twintig jaar later, zo goed als onmogelijk geworden. Gustaaf Schellinck, met wie Ramoudt nog contact heeft gehad, en zowat alle andere protagonisten zijn ondertussen overleden.



Het moet voor de biograaf niet altijd een pretje geweest zijn om te gaan met een vrouw die hem, zoals hij zelf zegt, 'losdoor' kende. Als de spreekwoordelijke vlieg kon Leonie hem namelijk overal volgen, zodat hij echte privacy wel kon vergeten.

De zieneres bemoeide zich bijvoorbeeld met de vraag welke vrienden geschikt waren voor haar biograaf. Over een 'zwartharige man' die hij op een dag had ontmoet, wist ze 's anderendaags te vertellen dat die absoluut niet te vertrouwen was.

Niet alleen op straat zat Leonie haar secretaris als een schim op de hielen.. Haar geest wandelde geregeld zijn huis binnen: 'Op de horloge was het kwart na negen ure. Gij waart bezig met uw voeten te wassen en er stond voor u een klein rond kuipke. Maria (de echtgenote van Schellinck) was reeds gewassen en was bezig met zich de haren te kammen. (...) Mathilda (een dochter des huizes) zat in de plaats daarneven aan den vuurhaard met den rug gekeerd naar de keuken; ze was bezig met kousen stoppen en ze droeg een oranje blouse met grijze voorschoot.'

Ook het verleden en de toekomst van Schellinck en zijn familie waren niet veilig voor het alziend oog van Leonie. Zo voorspelde ze de dood van Schellincks schoonbroer.

Schellinck beschrijft zijn relatie met Leonie als die van een moeder en haar kind: 'We waren spoedig zeer gemeen onder elkaar, zodanig gewoon aan elkaar dat het me voorkwam dat ik niet meer buiten haar kon; dat mijn bestaan zonder haar geen zin had. (...) Alles was voor mij nieuw en onbekend en 'k was als een kind dat snoep krijgt van moeder om stil te zijn en dat dan bij haar kruipt om te luisteren naar wat ze zo mooi weet te vertellen.'

In een andere passage spreekt hij dit dan weer tegen: 'Ik voelde Leonie niet of heb ze ook nooit als een moeder gevoeld; ook niet als een zuster voor mij. Ik kan dat onder geen woorden uitdrukken; 't scheen of we op elkander afgestemd waren. Ik kon niet buiten haar en zij scheen mij als het ware nodig te hebben... Soms was het of ze me op bepaalde ogenblikken als naar haar toe trok, en dat ik zonder van iets af te weten ginder bij haar toekwam, zonder dat ik voor mijn zonderlinge komst een motief kon vinden.'

Sigmund Freud zou hier een kluif aan gehad hebben. De nauwe banden tussen de alwetende Leonie en de ijverig noterende biograaf schijnen overigens nooit aanleiding gegeven te hebben tot conflicten binnen het gezin van Gustaaf Schellinck. Integendeel, Schellinck vertelt dat de relatie tussen Leonie en zijn vrouw Maria uitstekend was en Emiel Ramoudt noemt Maria de 'grote morele steunpilaar' van Leonie. Frappant hierbij is de anekdote waarin Schellinck zijn zakgeld zonder het medeweten van Maria aan Leonie geeft en kort voor Leonies dood verneemt dat Maria jarenlang hetzelfde heeft gedaan.

Door dik en dun nam het echtpaar Schellinck de verdediging van Leonie op zich: 'Reeds dikwijls hadden we ons thuis afgevraagd hoe het toch kwam dat rond het geval Leonie zo'n stilte bewaard werd. Hoe het kwam dat er de meeste mensen onverschillig tegenover stonden en dat er zelfs nog velen waren die er den spot mee dreven. Telkenmale het er eens over te pas kwam, werden we als in het belachelijke getrokken en ten laatste zwegen we over Leonie en Onkerzele als vermoord, liever dan er den spot te laten mede drijven.'

Uit zijn biografie van Leonie Van den Dijck komt Gustaaf Schellinck, te voorschijn als een diepgelovig man, die veel belang hecht aan zijn gezin van negen kinderen. Tussen de regels door komen we te weten dat hij op een kantoor werkt, maar waaruit zijn job precies bestaat, blijft in het ongewisse. Hij moet hoe dan ook een aantal vreemde talen gekend hebben, want hij trad meer dan eens op als tolk voor Leonie. (Uit een interview met Wim Verleysen, de dato 14/5/92, bleek dat Schellinck stadsbediende was in Aalst.)

Gustaaf Schellinck was een zachtaardig iemand, soms ook bijzonder naïef. Tijdens de oorlog bouwde hij in zijn huis met allerlei meubelstukken een grote schuilplaats, waarin 38 bange buren kwamen slapen.

'De oorlog was' s vrijdags begonnen en toen het de volgende week donderdag was, hadden ik en mijn echtgenote nog geen oog gesloten. Al die mensen vonden dat wij... moesten waken.'

Toen hij ten slotte boven op de schuilplaats indommelde, vroegen de buren zich verontwaardigd af 'hoe het toch mogelijk was dat wij konden slapen, terwijl daar zoveel mensen onder onze hoede moesten vertoeven' . Hoewel Schellinck enige kritiek had op de reactie van zijn buren, kwam het blijkbaar niet bij hem op het hele zootje zijn huis uit te borstelen...


Het boek van Patrick Bernauw & Guy Didelez, dat oorspronkelijk verscheen in 1993 wordt nu integraal online gepubliceerd, afwisselend op de blog Mysterieus België en op de blog van Patrick Bernauw.

A Splice Original Compilation: The Old Lonesome Sound

Lonesomesquare_cover

A Splice Original Compilation: The Old Lonesome Sound

In Searching for the Wrong-Eyed Jesus, Jim White's documentary on Southern folk music, storytelling, and religion, banjoist Lee Sexton describes the traditional music of his native Kentucky hills as "the old lonesome sound."
"These old hills are kind of sad looking," Sexton says. "You get to feeling down and out, looking at these old hills, sitting on your front porch, and you get to playing these old tunes and it helps you. It builds your morale up a little bit."
The old tunes that Sexton was talking about are the ones that have been with us for hundreds of years: hymns and gospels, murder ballads, protest songs, African-American spirituals, old bluegrass and country standards. Whether you hear them on albums by Dylan or Springsteen, or in films like O Brother, Where Art Thou? or Cold Mountain, they are songs that get reworked again and again, that cut to the heart and soul of the American story.
In his memoirs, Alan Lomax recalls the days on the Lower East Side of New York when Lead Belly and a young Woody Guthrie would stay up all night trading off on such songs, coming home after a show and playing for hours: "They had their whole, fresh, powerful, pure folk repertory intact: living, vibrant, and with the impact of a country mule ready to kick a hole into the future."
In keeping with this tradition, we at Splice Today present to you our first annual mix of original recordings of traditional folk music.
Many thanks to all the bands involved, as well as to Nick Sjostrom at Clean Cuts Music & Audio for his production assistance and Samantha Strand for her beautiful cover art.
--Zach Kaufmann (Feb. 18, 2009)
Play
Headlights Come All Ye Fair and Tender Ladies
REGISTER OR LOGIN TO DOWNLOAD SONGS
Play
Vandaveer Long Black Veil
Play
Radar Bros. Moonshiner
Play
Death Ships Tell Ol' Bill
Play
Payola Reserve I Wish I was a Mole in the Ground
Play
Adam Arcuragi Ain't No Grave
Play
These United States Twelve Gates to the City
Play
Wye Oak Black is the Color of My True Love's Hair
Play
Caleb Stine The Minister's Farewell
Play
Phosphorescent Old Folks at Home (Swanee River)
Play
Christian Kiefer Rock of Ages
Play
Tommy Tucker Sign of the Judgement
Play
Noble Lake The Wagoner's Lad
Play
Dave Heumann (Arbouretum) Two Soldiers
Play
Deer Tick Hobo's Lullaby
Play
Walker and Jay House Carpenter
Play
Stephen Strohmeier Brother Green/The Dying Soldier
Play
Musee Mecanique I Ain't Got No Home In This World Anymore
Play
Theodore Down in the Valley
A Splice Original Compilation: The Old Lonesome Sound | Mixtape | SPLICETODAY.com

9.3.11

De Paus van Satan en Félicien Rops



De cover van De Paus van Satan
is De Verzoeking van de Heilige Antonius
van de hand van Félicien Rops (1833–1898)
wiens werk ook een belangrijke rol speelt
in een aantal nachtmerrie-achtige sleutelscènes
in het boek.




Een van de tijdloze koetsen die ter beschikking stonden van de toeristen, stopte voor me en de koetsier bood me vriendelijk een gratis ritje aan.


Hij toonde me een kaart van het middeleeuwse Brugge. ‘Ze verschilt nauwelijks van een moderne kaart, ziet u? Dat komt omdat de stad nog steeds een labyrint is, dat zich onttrekt aan de wetmatigheden van de ruimte. Een argeloze toerist zoals u, die niet beschikt over een bovennatuurlijk kompas, zal voortdurend terugkeren op zijn punt van vertrek, meneer. Het is allemaal de schuld van de middeleeuwse metselaars die deze stad verloren hebben gelegd in hun zwartmagische ringen en slingers.’

‘Waarom hebben ze dat gedaan?’ vroeg ik.

‘Zoals u weet, werd Brugge ooit uitverkoren om een Heilige Stad te zijn. Daarom is het ook hier dat Satan zijn zwartste duivels los moet laten. In deze stad bevechten de Machten van Goed en Kwaad, van Licht en Duisternis elkaar heviger dan elders.’

‘Jij die hier dag en nacht in je koets over de kasseien ratelt,’ zei ik, ‘jij moet hier wel veel vreemde en verschrikkelijke zaken gezien hebben…’

‘Zeker wel, meneer! Onder de Boom van Goed en Kwaad in de Tuin van Eden heb ik Venus zien paren met Priapus. Het is pas veel later dat Onze Lieve Vrouwe van Lust is verworden tot een christelijke zonde.’

‘U bedoelt… de Hoer van Babylon?’

‘Die bedoel ik, meneer! Och, u moest eens weten hoeveel arme heidense godheden ik al in demonen heb zien veranderen. In Bruges-la-Morte is men satanist of mysticus, meneer. Hier is het onmogelijk lang te blijven treuzelen op de drempel van de absolute zuiverheid of de pure lust. Hier wordt u gedwongen een keuze te maken tussen Hemel en Hel, tussen Memlinc en Rops. Het zuivere en het goddelijke heeft de Vlaamse Primitieven geïnspireerd en hun talenten aangescherpt, en u zult het met mij eens zijn dat het een tijdje geduurd heeft voor Onze Lieve Vrouwe van Lust een aantal artiesten baarde die in staat waren de Antarctische regionen van de ziel te exploreren. Maar goed, hier zijn ze dan! En ze hebben het aloude middeleeuwse concept geadopteerd, waarin een man heen en weer wordt geslingerd tussen Goed en Kwaad, God en Satan, Goddelijke Kuisheid en Onze Lieve Vrouwe van Lust. Wat is Felicien Rops anders dan een op zijn kop gezette Vlaams Primitief, meneer? Wat anders heeft hij gedaan dan exact het omgekeerde van Memlinc? Hij introduceerde het satanisme in de kunst en hij laat je genieten van zijn werk als van een ontdekking, die tot ons spreekt in meedogenloze en nerveuze symbolen, in een waarlijk unieke taal!’

‘U bent een dichter,’ glimlachte ik.

‘En u bewijst me te veel eer, meneer Huysmans.’

‘Kent u Georges Rodenbach?’

‘Natuurlijk, meneer. Hij werkt aan een boek over Bruges-la-Morte, is het niet?’

‘Jawel. Kun je me naar zijn huis brengen?’

‘Zeker, meneer.’

‘Ik vroeg me nog af, mijn waarde voerman… Al de spoken die men hier altijd ziet in Brugge dat een dodenstad zou zijn, Bruges-la-Morte is… Bestaan ze echt of leven ze alleen maar in de spookverhalen?’

De koetsier schudde glimlachend het hoofd. ‘Laat me u dit vertellen, meneer… Ik rij nu al meer dan vijfhonderd jaar door de straten van Bruges-la-Morte, en ik kan u verzekeren: ik heb hier nog nooit een geest gezien!’

Toen stopte hij voor een huis dat onmogelijk het huis van mijn vriend Rodenbach kon zijn, want in groenkoperen letters stond boven de poort De Nood Gods geschreven. Het huis verkeerde in een verschrikkelijke staat; de muren waren gebarsten en leunden gevaarlijk voorover. Het kon elk moment instorten.

‘Volg me maar, meneer,’ zei de koetsier.

We betraden een binnenkoer. Een trap van arduin leidde ons naar een grote hall die de hall van een klooster had kunnen zijn. Achteraan verdween een houten trap in de kelders en crypten van het huis, waar onderaardse gangen te vinden waren die de bezoeker naar de andere kant van de Augustijnenrei voerden.

‘Wie durft het aan in deze onderwereld af te dalen?’ murmelde mijn gids. ‘Hij die dat doet, mag alle hoop laten varen, meneer! De Tempeliers hebben hun schat hier begraven, maar niemand heeft het aangedurfd deze ondergrondse ruimten volledig te exploreren. De weinigen die een poging hebben gedaan om de mysteries van dit spookhuis te ontrafelen, zijn nooit teruggekeerd. Maar dat mag ons niet verwonderen, meneer Huysmans, want zoals ik al zei heeft de stad nog steeds de vorm van een doolhof, iets als het binnenwerk van een horloge, een chaotische spiraal die zich onttrekt aan de wetmatigheden van de tijd. Daarom ook is de geschiedenis van dit huis in het hart van Bruges-la-Morte gedoemd om zich te herhalen tot het einde der tijden, meneer…’

Hij draaide zich om, loste prompt op in de lucht en liet mij alleen met de wassende maan en de gruwel in de hall, waar een vrouw op een altaar lag, naakt, de benen wijd gespreid, met een schepsel over haar heen gebogen, armen als handvaten aan weerszijden van haar lichaam. Het was weiniger meer dan een skelet, met bovenaan een paardenhoofd, twee gaten als ogen, en de reusachtig rode en scherpe haak van een gevorkte tong die flitste, flitste in de onderbuik van de vrouw, flitste, de vrouw van wie de nagels over de steen van het altaar krasten terwijl ze huiveringwekkend krijste van een wanhopig genot omdat de Demon daar roerloos en meedogenloos in haar lichaam zat, gekroond met de maansikkel die zich een weg door zware wolken had gesneden en denkend, zo leek het wel, mijmerend van het land ver weg dat het achter zich had gelaten, lelijk en grandioos, de genitaliën badend in haar bloed, bezittend en bezeten, symbool van lust en dood en het desperate verlangen dat elk van onze wensen werkelijkheid moge worden.

Toen draaide Onze Vrouwe van Lust haar hoofd naar me toe, en haar naam was Henriette.

En de Demon nam zijn masker af en ik stond oog in oog met mij.

 

De thema's uit De Paus van Satan
komen ook aan bod in de stadsspelen
De Geheimen van Brugge en De Spoken van Brugge
of door uzelf georganiseerd met doe-het-zelf pakket.

 

2.3.11

Vind nu de Rechtvaardige Rechters terug in de Qarfa te Aalst, samen met Patrick Bernauw!


Detective Dinner: De Qarfa Mysteries
In de Qarfa te Aalst, met Patrick Bernauw


De Qarfa Mysteries is een detectivespel in de vorm van een quiz die gespeeld wordt in 3 rondes, en waarbij men in de 1ste ronde het paneel De Rechtvaardige Rechters terug kan vinden in Qarfa (als men erin slaagt een code te breken), een 2de ronde krijgt die geheel op maat van de doelgroep gemaakt kan worden, en een 3de ronde bestaande uit een moordspel met fotoboek.

Het spel duurt minimum 2 uur of is avondvullend (afhankelijk van catering concept). Het kan zowel in de namiddag gebracht worden als 's avonds. Alleen Nederlandstalig.




Kostprijs All in Detective Dinner met 1 spelleider
minimum 14, maximum 40 deelnemers

- Buffet Formule: 14 tot 20 deelnemers = 95 euro pp. / 21 tot 25 deelnemers = 90 euro pp. / 26 tot 30 deelnemers = 85 euro pp./ 31 tot 40 deelnemers = 80 euro pp.

Hoofgerechtenbuffet met 3 warme schotels (vlees, vis en veggie) en keuze uit tal van bijgerechtjes. Vervolgens dessertenbuffet met het beste uit alle windstreken. Op het menu staan bijvoorbeeld wraps met gerookte zalm en guacamole, Italiaanse ratatouille Caponata, saffraancouscous met geroosterde groenten, Mexicaanse kalkoen met tomaat, paprika, rozijnen en een vleugje chocolade, Thaïse groene curry met mango en vis... Dranken: apero, wijn, water, koffie/thee.

- Barbecue Formule: 14 tot 20 deelnemers = 95 euro pp. / 21 tot 25 deelnemers = 90 euro pp. / 26 tot 30 deelnemers = 85 euro pp. / 31 tot 40 deelnemers = 80 euro pp.
Een volledig menu op de barbecue bereid: inventieve hapjes als sardientjes en gesmolten camembert; als hoofdgerecht mooie vleesklassiekers en smaakvolle burgers "around the world" (zoals een vegaburger met feta, zalmburger met mierikswortel, kipburger met avocado en bacon); als toetje een stukje fruit met een scheutje drank of wat chocola... Dranken: apero, wijn, water, koffie/thee.

- Walking Dinner Formule: 14 tot 20 deelnemers = 85 euro pp. / 21 tot 25 deelnemers = 80 euro pp. / 26 tot 30 deelnemers = 75 euro pp. / 31 tot 40 deelnemers = 70 euro pp.
Tussen de detectivespelbedrijven door krijgt u een culinaire voettocht voorgeschoteld langs alle windstreken, een staand diner van hapje tot dessert, met een assortiment van gerechtjes: amuse-bouche, soepje, vis-, vlees- en veggie proevertjes... en zoete weelde! Dranken: apero, wijn, water, koffie/thee.

- Tea Party Formule: 14 tot 20 deelnemers = 60 euro pp. / 21 tot 25 deelnemers = 55 euro pp. / 26 tot 30 deelnemers = 50 euro pp. / 31 tot 40 deelnemers = 45 euro pp.
Een ideale namiddagformule, waarbij het detectivespel gebouwd wordt rond een taartenbuffet met klassieke chocoladetaarten, maar ook verrassend gebak als Siciliaanse marsepeintaart. Voor elke zoetebek een must. Prijs inclusief koffie/thee en smoothie.



Voor meer Criminele Teambuilding & Catering Arrangementen
in de Qarfa te Aalst, zie: