Posts tonen met het label parapsychologie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label parapsychologie. Alle posts tonen

9.7.11

06. De dood van koningin Astrid






In hun boek The World's Greatest Ghosts nemen de journalisten Nigel Blundell en Roger Boar in het hoofdstuk 'Ghosts of Royals and Rulers' een artikeltje op over een beroemde 'geestenfoto', gemaakt door een zekere meneer Liljeblad. Tegen het verbod van de kerkelijke autoriteiten in, schreef Liljeblad een boek over de talrijke materialisaties van koningin Astrid, die zich bij voorkeur manifesteerde via het Deense, vrouwelijke medium Einer Nielsen.
Het werk van Blundell en Boar zet een foto van de koningin naast die van haar materialisatie via Einer Nielsen. De gelijkenis is inderdaad verbluffend. Verscheidene personen zouden getuige geweest zijn van deze materialisatie.




Uit de notities van Gustaaf Schellinck blijkt dat Leonie Van den Dijck goed op de hoogte was van wat er het vorstenhuis te gebeuren stond. Sinds 1934 zag ze 'in de geest' voortdurend tafereeltjes die aan het hof plaatsgrepen. Ze leefde intens mee met de Coburgers. Als ze aangename gebeurtenissen zag, was ze blij en opgetogen. Als ze moeilijkheden 'schouwde', leed ze daaronder.
Leonie Van den Dijck koesterde een stille verering voor Leopold III, die ze bewonderde vanwege zijn heldere geest en zijn sterk karakter. Lang voor de Koningskwestie zou Leonie al de omstandigheden gekend hebben die leidden tot de troonsafstand van Leopold ten voordele van zijn zoon Boudewijn. Op 25 december 1941 vertrouwde ze haar biograaf toe, dat Leopold III zich ooit 'in het burgerlijk leven' terug zou trekken.
‘Hij heeft evenwel een opvolger, zijn zoon, die, hoewel hij den naam zal hebben, niet aanstonds regeren zal. Er zal iemand in zijn plaats doen wat een koning zoal doen moet; maar op wat meer dan achttienjarigen ouderdom zal hij den troon bestijgen.'
Leonie 'zag' ook de vroegtijdige dood van Leopold III, maar Schellinck ondernam niets om deze duidelijke 'fout' te verdoezelen.
Gustaaf Schellinck beweert dat er van deze voorspellingen honderden getuigenissen bestaan. Het hof zou het doen en laten van Nieke uit Onkerzele dan ook met argusogen gevolgd hebben: 'Het gebeurde zo menige keer dat een bode van het vorstenhuis, hoogwaardigheidsbekleeder, op informatie kwam en Leonies zienswijze vroeg in een of andere aangelegenheid. '
Het Wonderbare Leven van Leonie Van den Dijck geeft nog meer bijzonderheden: 'Leonie had gewaarschuwd voor het gevaar dat de jonge koning Leopold liep bij zijn reizen in 't buitenland, en ook op zijn zegevierende intreden in de negen provinciehoofdsteden van het land. De blijde intrede te Antwerpen onder andere had grote vrees verwekt, te meer daar het ongeluk dat de koningin dreigde, misschien in de Scheldestad had kunnen voorvallen, en de koning zelf in dit ongeluk zou kunnen worden meegesleept. Niettegenstaande Leonies geruststelling waren toch bijzondere voorzorgen getroffen voor deze blijde intocht.'
Op een dag stond Onkerzele in rep en roer toen er drie auto's gesignaleerd werden van het hof, 'met die kroontjes erop'. Er stapten twee dames uit, die zich naar de grot begaven. De bewoners van Onkerzele herkenden in één van hen de koningin, maar aangezien Schellinck deze gebeurtenis niet dateert en evenmin bijzonderheden verschaft, is het niet duidelijk of het om Astrid ging of om Elisabeth. (In Het Wonderbare Leven van Leonie Van den Dijck wordt de hooggeplaatste bezoekster geïdentificeerd als koningin Elisabeth.)
Toen Leonie uit de kapel kwam, zou een van de dames haar gevraagd hebben voor haar te bidden. Korte tijd later stopte een automobiel voor Leonies deur. Er stapte een man uit die haar een pak overhandigde, waarin een 'gekleurde plaat' van de koninklijke familie zat.

In haar visioen van de 'moord' op koning Albert alludeerde Nieke al op een tweede ramp die de koninklijke familie korte tijd later zou treffen. Een tiental dagen na de dood van Albert, tijdens een bezoek van Schellinck en zijn vrouw, trad ze daarover uitvoerig in detail.
In Het Wonderbare Leven van Leonie Van den Dijck worden diverse getuigen aangehaald, evenwel uitsluitend met de initialen, en wordt vermeld dat het Gesticht der Eerwaarde Paters in Melle op de hoogte zou zijn gebracht van Leonies onheilstijding.
Samengevat komt haar visioen hierop neer:

Het gebeurde op een plaats waar bomen stonden. Ik zag treurwilgen bij een groot water. In volle vaart kwam er een auto aangereden met Leopold III aan het stuur. Naast hem zat koningin Astrid met een groot vel papier op de schoot.
De aandacht van de koning werd plots afgeleid door een persoon die langs de weg achter een boom stond en met de arm zwaaide. De auto week van de weg af en toen Leopold III het gevaar zag, was het al te laat om het ongeluk nog te voorkomen. De koningin werd uit de auto geslingerd en kwam met hoofd tegen een boom terecht. Ze plofte zwaar ten gronde en bleef bewusteloos liggen.
Ik zag de koning snel van achter het rijtuig opdagen. Hij was helemaal gekneusd en zijn gezicht zat vol bloed. Hij dacht alleen maar aan zijn echtgenote. Wijdbeens ging hij voor haar staan en hij riep haar naam, wenend en jammerend. Toen opende ze haar ogen en keek ze hem aan. En op datzelfde ogenblik baarde ze een onvoldragen kindje dat door de vreselijke schok al gedood was.
Onmiddellijk daagden er van verschillende kanten mensen op. Het lijkje werd opgetild, in doeken gewikkeld en ergens naar binnen gedragen. Ook het lijk van de koningin werd bedekt.

Leonie was zwaar aangeslagen door wat ze gezien had. ‘Het is wreed als ge dat ziet gebeuren,' zei ze. 'Ik heb al veel voor die ongelukkige vrouw gebeden en het ware te verhopen dat het niet zou gebeuren. Ik heb het echter gezien en zo klaar gebeurde het voor mij dat ik zelfs de rimpels op het water zag, terwijl het riet op deze rimpels op en neer ging. (...) Ik wou dat ik voor leugenaarster mocht doorgaan, liever dan dat het moet voorvallen.’
Leonie zou hetzelfde verhaal nog verscheidene malen in het bijzijn van Schellinck en andere getuigen vertellen. Bij een van die gelegenheden deelde ze mee dat de koningin een schedelbreuk had opgelopen en dat de foetus vier maanden oud was.
Ter vergelijking met het visioen van Leonie volgt hieronder, uit het archief van Gazet van Antwerpen, een 'officiële lezing' van het ongeluk:

Het tragisch ongeluk dat zo bruusk de levensdraad afsneed van deze koningin, die slechts 29 jaar was, gebeurde op donderdagvoormiddag 29 augustus 1935 rond 9.15 u. te Küssnacht op 12 km van Luzern, waar zij samen met haar echtgenoot koning Leopold een verlof doorbracht.
De koning, aan het stuur van zijn Packard waarvan het dak was neergeslagen, reed met 'n snelheid van ongeveer 50 km over de baan van Luzern naar Zürich, langs het Vierwoudstedenmeer. De koningin zat vooraan in de auto naast haar echtgenoot, terwijl de chauffeur achter in de wagen plaats had genomen. Het had juist fel geregend doch de zon was nu door de wolken gebroken en de omringende bergen glinsterden in hun kleurenpracht, Bij het binnenrijden van Küssnacht had de koning even zijn landkaart geraadpleegd en toen gebeurde het.
Plots verloor de auto even de richting en hij begon onmiddellijk te slippen op de glibberige asfaltweg. Op deze plaats loopt de baan 3 à 4 m boven het meer waarvan zij gescheiden is door een tien meter brede berm, die in regelmatige golving naar beneden afloopt. Een cementen muurtje van 20 cm hoogte omzoomt de baan. Daarin zijn op regelmatige afstanden openingen gelaten van 2 m breed om het water te laten afvloeien. De auto van de koning kwam juist in een dezer openingen terecht en reed op de slijkerige berm.
De koning behield zijn kalmte en slaagde erin een eerste boom te vermijden; even verder reed hij echter tegen een andere boom te pletter. Door de hevige schok werd de koningin uit de auto geslingerd en zij kwam met het hoofd tegen de boom terecht, De wagen gleed de helling af en kwam met de voorwielen in het water terecht. Onmiddellijk snelde koning Leopold, die slechts licht gewond werd, naar zijn echtgenote die ter plaatse overleed. Zij had een dubbele schedelbreuk opgelopen en was over het hele lichaam erg gekwetst.

‘Zoals Leonie dat van hem verwachtte, heeft Gustaaf Schellinck zijn rapport bij het eerstvolgende bezoek voorgelezen en hier en daar op last van Leonie nog gecorrigeerd,' schrijft Emiel Ramoudt. 'Ze stond erop dat hetgene wat ze gezien had, exact werd verwoord. Toen later bleek dat Leonie met geen woord over de chauffeur had gerept die, op verzoek van de koning, achter in de wagen had plaatsgenomen, was dit voor haar biograaf geen reden om de voorspelling te retoucheren. Hij wilde in de eerste plaats Leonie dienen, en niet de geschiedschrijving. In de kranteverslagen is er evenmin sprake van een persoon die stond te wuiven; wel wordt verondersteld dat de koning zich net iets te lang over die kaart had gebogen en daardoor te laat de bocht en de brug had bemerkt.'
Met 'die kaart' wordt de wegenkaart bedoeld, door Leonie omschreven als het 'groot vel papier' op de schoot van koningin Astrid. De ongeletterde zieneres wist amper af van het bestaan van dergelijke kaarten.
Over de meest in het oog springende discrepantie tussen het visioen van Leonie en de officiële verslaggeving zwijgt Emiel Ramoudt in alle talen, namelijk het 'onvoldragen kindje dat door de vreselijke schok al gedood was'. In talloze artikels over de dood van koningin Astrid hebben we hiervan geen spoor teruggevonden. Werd het 'onvoldragen kindje' verzwegen uit kiesheid? Of hebben we opnieuw te maken met een 'fout' van Leonie, in een visioen dat voor de rest toch akelig dicht in de buurt van de werkelijkheid komt?
Bijzonder eigenaardig is wel dat verscheidene personen, volkomen onafhankelijk van elkaar, het ongeluk vooraf 'gezien' hebben. Wellicht werd de verbeelding – of het proscopische vermogen? – van deze mensen speciaal aangesproken door de enorme impact die het tragische nieuws zou hebben, tot ver over onze grenzen.
Astrid, de lieftallige, donkerharige prinses uit Zweden, was slechts 18 maanden koningin. Het huwelijk van Astrid en Leopold was een sprookjeshuwelijk geweest en Astrid werd door het volk beschouwd als een sprookjesprinses. Later werd zij 'de koningin van het volk’ genoemd.
In zijn boek De voorschouw, voorspellende dromen en verwante verschijnselen doet de bekende hoogleraar aan de universiteit van Utrecht, dr. W.H.C. Tenhaeff, een diepgaand onderzoek naar helderziendheid in de tijd. In verband met de dood van koningin Astrid selecteert hij drie 'berichten'.
'Men kan er zeker van zijn dat het aantal personen dat met betrekking tot deze gebeurtenis proscopische ervaringen heeft gehad, zich geenszins tot deze drie personen heeft beperkt,' noteert Tenhaeff.
Van deze drie berichten interesseert ons vooral dat van de heer O.J.F. uit Amsterdam. 'Dank zij enige kennis van de psychoanalyse, gepaard met belangstelling voor het parapsychologisch onderzoek, vermocht hij met deze droom een waardevolle bijdrage tot onze kennis van de proscopische droom te leveren,’ schrijft Tenhaeff.
We nemen deze voorspellende droom en de analyse van de heer O.J.F. uit Amsterdam letterlijk over.

Het was vier dagen voor het tragische ongeluk van wijlen de Belgische koningin Astrid, die bij het Vierwoudstedenmeer in Zwitserland door een auto-ongeluk het leven liet. Ik droomde toen het navolgende:
Mijn vrouw en ik bevonden ons op het overdekte achterschip van een groot pleziervaartuig bij maanlichte avond op een groot meer. Terwijl wij dit voor ons uit zagen, hoorde ik een stem naast mij zeggen: 'Dit is het Vierwoudstedenmeer.'
Toen zei ik tegen mijn vrouw: 'Zie, in de verte kust de nacht de aarde.’ Dit in verband met het feit, dat het heel in de verte zeer donker was.
Hierna verschenen plotseling twee vissen voor mij, die met het schip meezwommen. Het waren twee goudvissen, namelijk een grote en een kleintje. Beide droegen een naar alle kanten uitstralend lichtje boven op de kop. De vissen waren van een groenachtige doorschijnende substantie en hielden de bek  onderbroken open.
Dit duurde enige tijd, waarna plotseling het beeld verdween en het tweede beeld mij voor ogen kwam, namelijk een vuurrode sportauto die met grote vaart een stenen brug kwam oprijden. Met een smak kwam de auto tegen de stenen balustrade in de bocht en bleef daar, in zwaar gehavende toestand, liggen.
Ik ontwaakte met een onbehaaglijk gevoel, maar was er mij daarbij van bewust dat ik iets bijzonders had gedroomd. Die morgen vertelde ik de droom aan mijn vader. Deze interesseerde zich daar sterk voor. Vervolgens heb ik de droom ook aan mijn moeder verteld. Dat is erg goed geweest, want nu heb ik twee getuigen. De betekenis van de droom ontging mij echter geheel.
Enkele dagen later verongelukte koningin Astrid met een auto aan het Vierwoudstedenmeer bij Küssnacht in Zwitserland. Ik ging nu mijn droom met de gegeven feiten vergelijken en kwam tot het navolgende:
Het pleziervaartuig = de vakantietocht der koningin.
Mijn vrouw en mijzelf = koningin Astrid en koning Leopold.
Punt Vierwoudstedenmeer = hetzelfde punt als de fotopagina van de krant mij toonde.
Het kussen der aarde door de nacht = zinspeling op de plaatsnaam Küssnacht. Ik was nimmer in deze plaats geweest en herinnerde mij niet deze plaatsnaam ooit te hebben gehoord.
Vissen zien = van een sterfgeval horen.
Goudvissen zien = van een sterfgeval van een adellijk persoon horen.
Kleine goudvis = het ongeboren kind van de koningin.
Stralend licht op de kop = aanduiding van koninklijkheid.
Het openhouden van de bekken der vissen = dode vissen hebben meestal hun bek open.
Rode sportauto = het ongeluk gebeurde met een auto.
Het botsen van de auto tegen de balustrade = volgens de kranteberichten vloog de auto uit de bocht tegen een balustrade.

Ook in deze voorspelling duikt weer het 'ongeboren kind van de koningin' op, dat in de andere proscopische dromen die Tenhaeff heeft verzameld, prominent afwezig is. Hebben het visioen van Leonie en de droom van de heer O.J.F. uit Amsterdam een officieus gerucht gemeen, hebben zij bij elkaar inspiratie gevonden, of zagen zij – volkomen onafhankelijk van elkaar – de werkelijkheid?
Alleen een omineus regeltje in Het Laatste Nieuws van vrijdag 30 augustus 1935 gaat op deze kwestie in, zonder uitsluitsel te verschaffen: 'De geruchten volgens dewelke de Koningin in blijde verwachting zou geweest zijn, worden evenwel beslist tegengesproken...'


28.3.11

03. De Verschijningen... of: de Ufo's van Onkerzele, deel 1



Op 29 december 1932 vraagt en krijgt de Belgische katholiek-liberale regering-De Broqueville volmachten van het parlement, die het mogelijk maken wetten uit te vaardigen zonder dat het parlement daaraan zijn goedkeuring hoeft te verlenen. Een dag later besluit de regering tot het invoeren van een crisisbelasting, tot een verdere algemene loonsverlaging voor de arbeiders en tot het uitvoeren van grootscheepse openbare werken om de werkloosheid te beteugelen. In februari 1933 weigert koning Albert het ontslag van de regering De Broqueville. De aanleiding daarvoor - een omstreden verkiezing in het Waalse Hastière - acht hij te futiel.
Op 30 januari 1933 wordt Adolf Hitier benoemd tot rijkskanselier, op 28 februari gaat de Rijksdag in vlammen op en op 31 maart krijgt de Führer volmachten, die hem moeten toelaten de volgende vier jaar zonder inspraak van de Rijksdag te regeren. Op 10 mei worden in vele Duitse steden boeken verbrand van schrijvers die niet passen in de nationaal-socialistische ideologie, en op 20 juli sluiten de Duitse regering en het Vaticaan een concordaat, dat beide partijen moet toelaten zich op het eigen terrein vrij te bewegen.
Herfst 1933. In Vlaanderen houdt het Verbond van Dietsche Nationaal-Socialisten - kortweg Verdinaso - zijn tweede congres of 'landdag'. Staf De Clercq richt het Vlaams Nationaal Verbond op. Het Antwerps Sportpaleis wordt geopend. Duitsland verlaat de Volkenbond. De Nederlandse communist Marinus Van der Lubbe wordt op een nazi-showproces schuldig bevonden aan brandstichting in de Rijksdag 'en ter dood veroordeeld.

Gedurende de jongste anderhalve eeuw werden maar een handvol verschijningen van de Heilige Maagd canoniek erkend: die van de rue du Bac in Parijs (1830), La Salette (1846), Lourdes (1858), Pontmain (1871), Fatima (1917), Beauraing (1932-1933) en Banneux (1933). Op 21 november 1987 werd ten slotte Bethanië (Venezuela) aan de lijst toegevoegd.
In Beauraing, een dorpje in de buurt van Dinant, zou 'een mooie witte dame' 33 keer verschenen zijn aan vijf kinderen, voldoende om de hele Belgische katholieke wereld een acute gewetenscrisis te bezorgen. Er ontstond een felle controverse rond de verschijningen, omdat het onderzoek onhandig en niet bijster nauwkeurig werd uitgevoerd. Bovendien maakte het bizarre en incoherente karakter van het fenomeen de zaken er niet eenvoudiger op.
De Heilige Maagd, die veel glimlachte en weinig sprak, vroeg de kinderen braaf te zijn, te bidden, de wereld eraan te herinneren dat zij de zondaars wilde bekeren en ook een beetje boete te doen. De kinderen van hun kant slaagden er slechts moeizaam in de belangrijkste kenmerken van de 'mooie dame' weer te geven. Het opmerkelijkste was het 'gouden hart', omgeven door schitterende lichtstralen.
Een raadselachtige madonna alleszins, maar ook een heel geruststellende in vergelijking met de verschijning die in Fatima de wereld vele rampen voorspelde. Toch stond de Tweede Wereldoorlog in 1932 bij wijze van spreken voor de deur.
Nog geen twee weken na het laatste optreden van rde Heilige Maagd in Beauraing vond in Banneux - een plekje ergens tussen Luik en de Duitse grens - de eerste van een reeks van acht verschijningen plaats. Een arm en weinig intelligent twaalfjarig meisje, Mariette Béco, dat de zondagsmis verzuimde en haar eerste communie niet had gedaan, aanschouwde 'een mooie dame vol licht'. Zij stelde zich voor als de Maagd der Armen en zei: 'Ik kom het leed lenigen. Bid veel!'
Dadelijk ging er een methodisch en tijdrovend onderzoek van start, ondanks de spottende opmerkingen van de sceptici en de wonderlijke vermenigvuldiging van visioenen in alle uithoeken van het land: Verviers en Antwerpen, Lokeren en Rochefort, Rotselaar, Herzele, Etikhove en... Onkerzele.
Nadat er zich ook enkele miraculeuze genezingen hadden voorgedaan in Beauraing en Banneux, werden de verschijningen in 1949 officieel door de Kerk erkend. De meeste andere gevallen zonken weg in de vergetelheid.
een zaklamp in de oogen van Leonie: deze verpinkt niet. De verrukking duurt van 5 tot 6 minuten.' Wanneer Leonie uit haar trance ontwaakt, begint ze te huilen.

'We zijn in het jaar 1933,' lezen we in Het Wonderbare Leven van Leonie Van den Dijck. 'Z.H. Paus Pius XI kondigt een buitengewoon Heilig Jaar af om de negentienhonderdste verjaring te gedenken van de Kruisdood van onze Verlosser en Zaligmaker, onze Heer Jezus Christus. Het was een tijd zwanger van onheil: een economische crisis had zich vanuit de USA over de ganse wereld verspreid; overal werkloosheid, onvoldoende opgevangen door de primitieve sociale voorzieningen; in Duitsland komt HitIer aan de macht en begint een kolossale herbewapening van het land; in Rusland zit het communisme vast in het zadel; de kleinere staten vrezen hun machtige geburen. In het vooruitzicht van wat de wereld te wachten staat, grijpt de Hemel in: Onze Lieve Vrouw verschijnt te Beauraing, te Banneux, en in de tweede helft van het jaar te Onkerzele. Van de drie verschijningen van Onze Lieve Vrouw in 1933 was deze van Onkerzele de meest dramatische.'




Op 4 augustus gaat Nieke als naar gewoonte met haar buurvrouwen in de kapel bidden. Na het gebed zegt ze tot één van hen, dat ze links naast het beeld van Onze Lieve Vrouw van Lourdes een zilverachtig wit licht heeft gezien. Het werd groter en groter en het schitterde. De buurvrouw geeft Nieke de raad er het zwijgen toe te doen.
Wanneer Nieke de volgende dag in haar eentje in de kapel zit te bidden, ziet ze hoe voor het beeld van de Maagd Maria een witte bloem uit de lucht valt. Nieke legt de bloem op het altaar, maar wanneer een buurvrouw ze wil komen bewonderen, is ze verdwenen.
Op 8 augustus ziet Nieke opnieuw het witte licht, hoewel haar buurvrouwen andermaal niets ongewoons kunnen constateren. Op 9 augustus verschijnt dan eindelijk voor de eerste keer Onze Lieve Vrouw aan Leonie Van den Dijck, en enkele dagen later verschijnt Maria zelfs al buiten de kapel.
Een zekere Richard (Leonies jongste zoon heette zo, maar het zou hier om een andere Richard gaan) publiceerde destijds een devoot brochuurtje onder de titel De Verschijningen van Onkerzele, waarin hij Leonie zelf als volgt aan het woord laat: 'Plotseling verschijnt onder den populier, boven den hoek der haag, een helderstralend en onbeschrijflijk schoon licht: blauw, rood en zilverwit, maar het blauw heeft den boventoon. Midden dit licht, dat eenszijds op den hoek der haag straalt en anderzijds langs den kant der kapel flikkert, verschijnt een groote grijsblauwe bol, waarop onmiddellijk O. L. Vrouw neerdaalt. Het aangezicht is wonderschoon, blonde haarlokken hangen buiten den witten hoofdsluier. Hare oogen zijn groot en hemelblauw.'
Heeft Leonie haar wensen voor werkelijkheid gehouden en zich bewust of onbewust laten inspireren door de verhalen die over Beauraing en Banneux de ronde deden? In Banneux werd Mariette Béco door de witte dame naar een bron geleid. Hetzelfde zou in Onkerzele gebeuren. Toen Mariette Béco aan de dame vroeg wat zij van haar verlangde, was het antwoord: 'Oh! Een kleine kapel.' Dezelfde wens zou in Onkerzele geuit worden. Net als in Banneux identificeerde de geheimzinnige dame in Onkerzele zich aanvankelijk als 'Onze Lieve Vrouw der Armen'. Leonie Van den Dijck kende de armoede als geen ander. Ter gelegenheid van haar twintigste verschijning noemde zij zich dan weer 'Onze Lieve Vrouw van Zeven Smarten' . Nieke beschouwde zichzelf graag - en met reden - als een Vrouw van Smarten.
Hoewel Nieke altijd ontkend heeft iets af te weten van Banneux - wat ons volstrekt ongeloofwaardig lijkt - en ze slechts op 31 augustus voor het eerst een voorstelling van Onze Lieve Vrouw der Armen gezien zou hebben, zijn er nog meer parallellen tussen Banneux en Onkerzele. Zo stipt Richard aan dat alles in Onkerzele herinnert aan Banneux: 'De moeilijke verbindingen per spoor, het bergachtige landschap, het dorp op de kruin van een heuvel, de schamele woningen, de werkzame bewoners en de armoede.'
In de kapel zag Nieke een licht verschijnen naast het beeld van Onze Lieve Vrouw van Lourdes. Men kan zich voorstellen dat ze, vurig biddend dat er in haar leven iets soortgelijks mocht gebeuren als in Lourdes, in die richting zat te staren en dat haar dromerijen toen plotseling een 'werkelijke' vorm kregen.
De constructie van de stralenkrans die Leonie beschreef, herinnert dan weer aan Beauraing, waar ze net op bedevaart was geweest. Daar werd bovendien een' gouden hart' gesignaleerd. Ook in Onkerzele verscheen al gauw dit attribuut. Ten slotte zijn er heel wat gelijkenissen tussen de wijze waarop Nieke de verschijningen lichamelijk beleefde en de manier waarop de uitverkorenen van Beauraing en Banneux die ondergingen.
We kunnen echter ook heel wat verschillen noteren. Zo is de gemiddelde leeftijd van de personen die de eer genoten de Maagd Maria te aanschouwen, twaalf jaar. Waarom stapt de Moeder Gods, in het geval van Leonie Van den Dijck, plotseling van haar gewoonte af uitsluitend aan kinderen te verschijnen?
Bij de eerste verschijning spreekt Leonie over een voorname dame van ongeveer één meter zestig, maar bij latere gelegenheden begint de Heilige Moeder lilliputachtige proporties aan te nemen: een meter, uiteindelijk slechts zestig centimeter (afmetingen die overeenstemmen met die van de Mariabeelden waarvoor Nieke een vurige verering koesterde).
Merkwaardig is dat de dame vlekkeloos Nederlands praat. Ze schrikt er zelfs niet voor terug om 'voorname' woorden te gebruiken als 'eerwaarde' en 'zegepralen', die niet tot het dialect van Leonie behoorden. Maar ongetwijfeld kende Leonie deze woorden passief (en pasten ze perfect bij de Mariafiguur zoals zij zich die voorstelde).
De verschijningen laten Leonie steevast 'bleek', 'hijgend', 'bevend' en 'totaal uitgeput' achter. Richard vertelt hoe een heer uit Denderleeuw tijdens de extase krachtig in de arm van Leonie kneep en een 'felle essence' onder haar neus hield, zonder dat er enige reactie kwam.
Uit het relaas van Richard kunnen we verder opmaken dat Leonie zich vaak in dezelfde trance-achtige toestand bevond als Mariette Béco in Banneux of als de mediums die we kennen uit spiritistische seances: 'Plots zakt zij ineen, naar de Haag kijkend met starende ogen. Een harer zonen steunt haar met zijn armen. M. Albert Viane van Kortrijk, daar juist bij toeval aangekomen, richt meermaals bij onderbreking 't licht van 
De boodschappen van de verschijningen laten zich als volgt resumeren: 'Ik ben hier gekomen om de zondaars te bekeren en de godslastering te doen ophouden. Zeg aan de mensen dat zij boete moeten doen en veel moeten bidden. Zeg hun dat de godslasteringen moeten ophouden, anders zal ik de arm van mijn Goddelijke Zoon niet meer kunnen tegenhouden en de arm zal neerkomen, vanwege de zonden der mensen. - Velen bespotten u. Bid voor hen. Wee echter degenen die u zouden aanraken! Zij zullen gestraft worden! - Kloekmoedig voortschrijden! Onbevreesd! - Gij hebt al veel vervolging gehad, maar ge zult er nog meer hebben. - Het zijn niet allemaal vrienden die daar staan! - Het land is in gevaar, maar ik zal uw land doen zegepralen en het vrede geven.'
Dit laatste kan men desgewenst beschouwen als een - zwakke - allusie op de nakende oorlog. Voor de rest moet men zich de vraag stellen of deze boodschappen niet veeleer door Leonies psychische conditie en sociale situatie werden geïnspireerd dan door Onze Lieve Vrouw.
De verschijning geeft nog het bevel een speciaal kapelletje op te richten voor Onze Lieve Vrouw van Zeven Weeën, waar Leonie later met de hulp van haar biograaf haar beste krachten aan zal wijden. Tevens verlangt ze dat het water van een bron uit vroeger tijden weer te voorschijn zou komen.
Tijdens de in totaal 36 verschijningen, waarvan de eerste plaatsvond op 4 augustus en de laatste op 19 oktober 1933, zou Leonie niet altijd alleen oog in oog gestaan hebben met de Heilige Maagd. De dertienjarige Alma Van Holder had de dame ook gezien en gehoord, maar later herriep ze die bewering - volgens sommigen onder druk van haar vader, die in het Volkshuis werkte. Een achtjarig meisje zou dan weer als eerste het gouden hart zien dat pas later ook door Leonie werd gesignaleerd.
Met betrekking tot de gevallen waarin de verschijning ook door andere mensen werd waargenomen, waren de verklaringen meestal weinig eensluidend. Mevrouw Hanse-Haelters uit Ronse bijvoorbeeld zou de Maagd in de nis van de grot, terwijl Leonie haar links in de grot situeerde. Alleen bij de 35ste verschijning was een groep van vijftien aanwezigen unaniem beweren tijdens het bidden van twee tientjes van de rozenkrans een glanzend kruis gezien te hebben op het plafond van de kapel. Bij de laatste verschijning zou Onze Lieve Vrouw ook opgemerkt zijn door drie andere bedevaarders en namen alle aanwezigen een aangename geur waar. (Eerder hadden niet zo geïmponeerde jongeren al stinkbommen en niespoeder gegooid naar Leonie.)
Nieke ontpopte zich gedurende deze reeks verschijningen langzaam maar zeker als een leidster van de massa. Zij bad voor, zij beval het volk te knielen. De geestelijkheid, die elders al een serie verschijningen als onecht bestempeld had, verbood van op de kansel de gelovigen deel te nemen aan dergelijke manifestaties, maar liet zich niet uit over wat er in Onkerzele aan de hand was. De volkstoeloop werd dan ook hoe langer hoe groter.
'We kunnen slechts met veel moeite een weg banen voor Leonie,' schrijft Richard. 'Zoo ver als men zien kan is er volk: minstens 10.000 personen. De grot is een berg van bloemengarven geworden.'
Eén en ander had misschien te maken met de miraculeuze genezing die zich inmiddels voorgedaan zou hebben. Judo Dessemblanckx uit Borchtlombeek, die al maanden niet meer kon lopen, stond plots op en stapte zonder hulp naar de autobus die hem gebracht had.
'De volgende weken en maanden zullen bewijzen of er hier spraak is van algeheele genezing, ofwel enkel van beternis van korten duur,' besluit Richard opmerkelijk voorzichtig.



De verleiding is groot om dit verhaal af te doen als een staaltje van religieuze massahysterie. Maar het verrassende is dat dergelijke fenomenen recent werden onderzocht vanuit een wel heel onverwachte hoek.
De zogenaamd 'historische' ufologie interesseert zich niet alleen voor bepaalde wonderbaarlijke verhalen uit de al of niet gewijde geschiedenis, maar ook voor de parallellen tussen moderne ufo-rapporten, vertellingen die thuishoren bij de folklore en... sommige religieuze verschijnselen. Natuurlijk ontbreken Von Däniken & Co. hier niet op het appel, maar van de Maria-verschijning in Beauraing op 21 december 1932 heeft de toch tamelijk serieuze Belgische ufoloog Jacques Bonabot een aantal parallellen met ufo-waarnemingen blootgelegd, waarvan de belangrijkste wel het komen en gaan van een 'verlichte wolk' tijdens de manifestatie was.
Nog dichter bij ons heeft Julien Weverbergh een paar bar slecht geschreven maar vaak heel boeiende boeken aan dit onderwerp gewijd. We citeren uit Ufo's in het verleden een getuigenis van een zekere Maria Hennicken over een verschijning in Beauraing, die ons onwillekeurig zekere ufo-fenomenen voor de geest roept.
Het is 21 december 1932, enige ogenblikken voor het avondgebed: Wij bevonden ons op de verhoogde wal, tegenover het tuinhek aan de andere kant van de weg (...) toen ik tien minuten voor de verschijningen diep in de hemel een witte wolk van een langgerekte vorm opmerkte, die door talrijke sterren was omgeven en die zich zachtjes verplaatste om ten slotte boven de tuin van de zusters te blijven staan en te verdwijnen, precies op het ogenblik dat de kinderen zeiden: 'Daar is zij!'
De gehele tijd dat de verschijning duurde, bleven de sterren boven de tuin van de zusters en zij waren ook alleen maar daar. Op het moment dat de verschijning eindigde, verscheen de witte vorm opnieuw hoog in de hemel boven de tuin en verwijderde zich langzaam, waarbij hij waarlijk door de intens stralende sterren begeleid werd. Na enkele minuten werd de hemel weer inktzwart.

De conclusie van de ufologen laat zich raden: de heiligen, de profeten, de verschijningen, de witte dame van Mariette Béco die zich 'een weinig boven de grond verheven op een wolkje bevond dat op rook geleek'... dit zijn niets anders dan ufonauten. Vele manifestaties die als Mariamysteries geboekstaafd werden, vertonen frappante overeenkomsten met het ufo-fenomeen.
In zijn boek Ufonauten in opmars doet Weverbergh het relaas van een verschijning in 1897 in het Ierse dorpje Knock, die in veel opzichten herinnert aan wat Leonie Van den Dijck beweerde gezien te hebben. Ook in Knock begon het allemaal met een grote, licht afstralende bol.
'Het opvallendste van alles was het schitterend gouden licht (...),' meent Weverbergh. 'Het was een wisselend licht, dat soms de hemel, dan weer de kerk of de weide in felle gloed zette, en de verschijningen verlichtte. (...) Het kleed van Onze Lieve Vrouw, schitterend wit, was met een witte mantel zonder kap of mouwen bedekt, welke mantel rondom de hals gesloten, in brede plooien tot op de enkels viel. Op haar hoofd stond een schitterende kroon, afgezet met kruisen en op het voorhoofd, waar de kroon de huid raakte, bevond zich een prachtige roos. (...) Drie getuigen beweerden dat zij blootsvoets was.'
Een vrouw wilde de dame omhelzen, maar haar armen omvatten leegte. Waarmee tegelijk het verband gelegd is met de klassieke spookverschijning. Ook in dit geval werden weer enkele miraculeuze genezingen gesignaleerd.
'Tot daar dit wonderbaarlijke verhaal,' besluit Weverbergh, 'waarin aandachtige lezers van dit boek meteen heel wat elementen kunnen aanduiden, die in de Ufologie ook thuishoren: bal, licht, lichtafstralende, ongrijpbare figuren, de droge plaats. Ja zelfs genezingen. (...) Aan Ufo verwante incidenten in verband met religieuze verschijningen treden niet alleen op in de hier aangehaalde voorbeelden: in 1905 kwam Wales zelfs in de greep van een roemruchte religieuze revival, nadat vuurballen zich op verschillende avonden op een "intelligente wijze" in de aanwezigheid van zeer veel getuigen gemanifesteerd hadden. (...) Mary Jones kreeg tegelijkertijd visioenen, die het stadje Egryn op zijn kop zetten. Tot de vreemde gebeurtenissen behoort o.m. een ontmoeting van Mary Jones met een sinister in het zwart gekleed personage, dat eensklaps in het niets verdween.'
Toen de reeks verschijningen van de Maagd Maria in Onkerzele beëindigd was, zag Leonie Van den Dijck op 18 december 1933 - de dag van het eerste Zonnewonder, waarop we in het volgend hoofdstuk dieper ingaan - een vreemd personage op de trappen die naar de kapel voerden. De man stond er heel alleen. Hij droeg een lichtgrijs pak, een band in de lenden en een pofbroek. In zijn rechterhand hield hij een glimmende staf, die op de grond scheen te rusten. Zijn blote benen waren omsnoerd door riempjes, maar verder dan zijn knieën kon ze niet zien. Dat was een typisch trekje bij haar verschijningen, want ook Maria' s voeten zag ze nooit.
Leonie begon de trap te beklimmen, maar hoe dichter ze kwam, hoe ijler de gestalte werd. Toen ze de bovenste trede bereikte, was de man verdwenen. Hoewel zijn kleding niet meteen overeenstemde met de traditionele outfit van een engel, besloot ze dat het niemand anders dan de aartsengel Michaël geweest was, die volgens haar - en volgens andere zieneressen, in Garabandal en San Damiano - altijd zichtbaar of onzichtbaar aanwezig is op de plaats waar Onze Lieve Vrouw verschijnt.
'Aan Ufo-manifestaties gelijkaardige verschijnselen doen zich tijdens religieuze verschijningen steeds en steeds weer voor,' stelt Weverbergh. 'Opmerkelijk is, dat het aantal Maria-verschijningen in de afgelopen eeuw bijzonder sterk gestegen is. Sinds 1830 telt men niet minder dan 110 van dergelijke gevallen en visioenen. De Katholieke Kerk heeft er hiervan slechts vijf officieel erkend (w.o. Fatima en Beauraing). Men vraagt zich overigens af, waarom de andere 105 gebeurtenissen niet als authentiekt geklasseerd werden, want hetzelfde schema deed zich telkens opnieuw voor.'
Hierbij verliest Weverbergh natuurlijk uit het oog dat de zieners en zieneressen in kwestie best inspiratie gevonden kunnen hebben bij vroegere collega's.
'Zoals reeds aangestipt menen de Ufologen dat het in in deze gevallen om authentieke Ufo-manifestaties gaat, die door naïeve getuigen als een religieus gebeuren worden ervaren en geïnterpreteerd,' gaat Weverbergh verder, om er dadelijk aan toe te voegen dat hij het met deze visie niet eens is. De religieuze verschijningen met hun bijkomende eigenaardigheden als vuurballen, schitterende schijven, voorspellingen en genezingen zijn immers ook bekend uit de folklore, het sjamanisme en de parapsychologie.
'De Ufologie heeft met de hier opgesomde gebeurtenissen (misschien) alleen de wortels gemeen,' stelt hij. 'Het moet niet uitgesloten worden geacht, dat de oorzaken van al deze fenomenen dezelfde zijn, maar de structuur van de verschijnselen an sich verschillen: met andere woorden het zouden loten van één en dezelfde stam kunnen zijn.'
De nogal wazige hypothese-Weverbergh komt dan hierop neer: paranormale zowel als psychische processen spelen zich af in een zelfde deel van de menselijke psyche. De krachten uit dit enorm reservoir van energie kunnen zich zowel via een mediamieke trance als door een psychotherapeutisch proces manifesteren, zowel door de droom als in de hallucinatie, zowel via hypnose als door mythen en sprookjes.
De taal is steeds dezelfde: het onbewuste spreekt door middel van symbolen, 'waarin innerlijke gevoelens, ervaringen en gedachten tot uitdrukking worden gebracht alsof ze zintuiglijke ervaringen, gebeurtenissem in de buitenwereld waren. Het is een taal die een andere logica heeft dan de conventionele die we overdag gebruiken, een logica waarin niet tijd en ruimte heersende categorieën zijn, maar intensiteit en associatie. Het is de enige universele taal die de mensheid ooit heeft ontwikkeld, een zelfde taal voor alle culturen, de hele geschiedenis door.
Ufonauten zijn een aparte, betrekkelijk nieuwe categorie van wat men in de parapsychologie 'parergische verschijnselen' noemt: telekinese, materialisatie. De hersens van hen die ufonauten - of verschijningen - waarnemen, zouden door een onbekende energie zodanig beïnvloed kunnen worden dat zij de ufonaut - of de verschijning - creëren, projecteren, materialiseren, ongeveer op dezelfde wijze als een ectoplasma door een medipm wordt gecreëerd tijdens een spiritistische seance. Deze projectie zal worden afgebeeld met de attributen die ontleend zijn aan het onbewuste van de waarnemer, archetypische kenmerken vertonen en van symbolische aard zijn. Met andere woorden: iedere waarnemer schept zijn eigen ufo-vorm.
Weverbergh noemt die hypothese, waarin het waarnemen van zowel ufo's als religieuze verschijningen op een parapsychologische manier verklaard wordt, 'volkomen vrijblijvend'. Het is in ieder geval een denkpiste, interessant genoeg om ze naast andere mogelijke verklaringsmodellen te zetten: een waarlijk ingrijpen van hogerhand, hallucinatie, illusie, bedrog.
Voor de hypothese van Weverbergh pleiten twee curieuze verhalen uit zijn boek Ufo's in het verleden, die zich volkomen buiten de sfeer van religieuze massahysterie afspelen. Toch treedt er een onvervalste verschijning in op, waarvan de overeenkomst met normale ufo-fenomenen zeer groot is.
Het eerste verhaal werd opgetekend in het Belgische Pittem, in augustus 1919.



Het was omstreeks 21 uur dat de heer J.G. en zijn vrouw op de drempel gezeten waren; de duisternis viel reeds in. Plotseling werd hun aandacht getrokken daar een raadachtig voorwerp in zuidwestelijke richting. Het fenomeen verplaatste zich net boven de bomen rand het kasteel Joos ter Beerst en  leek op 'een rode roos'. Toen het fenomeen dichterbij kwam, veranderde de roos in de vorm van een dier, door J.G. omschreven als 'een schaap'. Terwijl het geheel steeds dichter naderde, bemerkten de verstomde getuigen dat het in werkelijkheid een jonge vrouw betrof, gezeten in een zetel. Op dat moment was het geheel amper vijftig meter verwijderd! De verschijning draaide lichtjes het hoofd, om vervolgens de getuigen vriendelijk toe te knikken. Nog steeds in deze zittende houding verdween de verschijning in zuidelijke richting (naar Kortrijk) en na enkele ogenblikken nam ze weer de vorm van 'het schaap' aan.



Het tweede verhaal dateert van maart 1931.
De heer M.B. pendelt met zijn autobus heen en weer tussen Saint-Raphael en Cannes aan de Côte d' Azur. Bij zijn aankomst in Cannes merkt M.B. op een recht stuk weg, bij een kruispunt en naast een tramlijn, plotseling een grijswitte wolk op. Hij doet z'n bus stoppen en ziet dan op nauwelijks twintig meter afstand een stralende gedaante, in een nauw wit kleed met een blauwe gordel. Een sluier omhult het hoofd en bedekt het voorhoofd, maar toch kan hij een menselijk gezicht 'met starre trekken' onderscheiden.
Net als Leonie Van den Dijck kan M.B. de voeten van de verschijning niet zien. Ook de overeenkomst met de verschijning van Banneux is frappant: daar droeg de dame een lang wit kleed dat tot een wolkje reikte, waarin alleen haar rechtervoet zichtbaar was, die een gouden roos droeg. Haar lichaam was omgeven door licht en een stralend aureool verleende haar zo mogelijk een nog majestueuzer aanblik.
'De Heilige Maagd van Lourdes!' stelt M.B vast. 'Volkomen gelijk aan het beeld!' Het vervult hem zowel met schrik als met vreugde.
In de bus beginnen de passagiers zich te verbazen Men ondervraagt de chauffeur, die met open mond toekijkt hoe de verschijning een zijdelingse beweging maakt langs een lijn die een lichtend verlengde van haar kleed lijkt. Daarna gaat de verschijning naar de grijze wolk, die is afgedreven naar de zee, en ze stapt er in. De wolk stijgt ten hemel en laat een lichtend spoor achter. Geluidloos vliegt ze in de vorm van een platte lens in de richting van Nice.
Verscheidene passagiers bevestigen de waarnemingen van M.B. wat de wolk betreft, maar alleen M.B. heeft het stralende wezen gezien, dat volgens hem niemand anders dan de Heilige Maagd geweest kan zijn... Dezelfde wolk werd ook elders boven Nice en omgeving gesignaleerd, en volgens het plaatselijke blad l'Eclaireur de Nice hebben diverse getuigen eveneens 'het witte wezen met de blauwe gordel' opgemerkt...





Podcast Luisterboeken