31.12.10
20.12.10
Lathyrus Odoratus
Dit is het eerste van een aantal misdaadverhalen die zich afspelen in het fictieve dorpje Roode, maar - vreemd genoeg - gebaseerd zijn op feiten. En bij dit verhaal mag je ook zelf een Oplossing verzinnen!
Als mijn herinneringen mij niet bedriegen - en het is toch de bedoeling van deze mémoires dat zij de waarheid zo dicht mogelijk zouden benaderen -, dan deden de heer en mevrouw Leenders omstreeks 1931 hun intrede in ons lieflijke stadje Roode. Ik was toen nog piepjong, net benoemd tot adjunct-commissaris. De heer Leenders moet op dat ogenblik zo'n vijftig jaar oud geweest zijn: klein, frêle, timide - een perfecte nulliteit. Mevrouw Leenders - een hoofd groter en een ferm stuk jonger dan haar man - bezat het sex-appeal van een professionele vrouwelijke catcher. Bovendien zong ze dan nog in het kerkkoor ook.
De heer Leenders was advocaat geweest, gespecialiseerd in moordzaken. Maar zijn labiele gezondheid had hem verhinderd zijn werk verder uit te oefenen. Hij bezat een aardig spaarpotje en hij trok zich terug in Roode om zich toe te leggen op zijn enige ware passie: het cultiveren van de lathyrus odoratus, de welriekende lathyrus. Deze vlinderbloemige sierplant wordt ook wel eens, ietwat oneerbiedig, 'pronkerwt' genoemd.
Mevrouw Leenders bekommerde zich op haar hoogsteigen manier om het welzijn van zowat de hele mensheid. Zij was zeer actief in een christelijke vereniging van huisvrouwen die opkwamen tegen de verwildering der zeden in het algemeen en het gebruik van genotsmiddelen zoals alcohol en tabak in het bijzonder. Het is, neem ik aan, onnodig hierbij te vermelden dat hun huwelijk kinderloos was gebleven en dat van hen beiden mevrouw Leenders de sterkste persoonlijkheid had.
Op een dag, zo stel ik het mij voor, terwijl de heer Leenders achter zijn huis aan de Vennenstraat tussen de bedjes lathyrus odoratus zat, schalde de in het kerkkoor geoefende stem van zijn echtgenote door de keurig onderhouden achtertuin die eindigde aan de oever van de Kleine Roode, om ten slotte verloren te waaien in de diepe, donkere vennen aan de overkant van de rivier.
'Hérrrr-béééérrrrt!!!'
Alsof hij ter plekke door een elektrische schok werd getroffen, liet die arme Herbert zijn sigarettenpeukje tussen zijn pronkerwten vallen. Zowel de drank als de tabak waren hem ten strengste verboden, zowel in als buiten het huis. Zo snel zijn korte beentjes zijn magere lichaam konden dragen, repte hij zich naar het voortuintje, waar zijn vrouw Mira hem wijdbeens stond op te wachten. Aan haar zijde stond haar mannelijk en iets jonger evenbeeld: een blok onverzettelijk beton van circa honderdtwintig kilo, bij benadering één meter vierennegentig groot.
'Mag ik je voorstellen, Herbert... Mijn kleine broertje Frank.'
Het kleine broertje van wie Herbert al veel had gehoord en ook een stuk of wat foto's had gezien, maar die hij nooit van man tot man de hand had mogen schudden, stak die hand nu uit en schudde en drukte die van de arme Herbert tot hij zich zo'n beetje een drilpudding begon te voelen die door een vleesmolen was gehaald.
Frank was nog hopman geweest, leider bij de scouts met andere woorden, en hij was een zeer sportieve kerel. 'Een goede conditie is een vreugd voor het leven,' luidde zijn motto.
'Frank blijft een tijdje bij ons logeren,' zei Mira zoetsappig.
'Frank...? Een tijdje...? Bij ons...?' trilde Herbert nog een tijdje na.
'Logeren, jà hoor!' klopte Frank hem joviaal maar veel te hard op de rug. 'Dat mag toch van jou, hoop ik?... Hé Herbert?'
Uiteraard mocht dat van Herbert. Als Mira het had goedgekeurd, was àlles goed voor hem. Al kwam dit wél een tikkeltje onverwacht. Herbert werd nauwelijks op de hoogte gehouden van de bezigheden van Mira's enige nog in leven en welzijn verkerende familielid, maar uit de brieven die haar op tijd en stond bereikten en waaruit zij hem wel eens een stichtende passage voorlas, had hij menen op te maken dat Frank in een donkere uithoek van onze Congo-kolonie een onduidelijk handeltje had opgezet. Mira vertelde haar vriendinnen van het kerkkoor en van haar vereniging ter bevordering van de goede zeden bij voorkeur dat Frank daar, als een soort lekenbroeder, aan missioneringswerk deed. Maar Herbert had hier zo zijn eigen ideetjes over, al hoedde hij er zich wel voor die hardop te verkondigen. Was het soms verkeerd afgelopen met de missie van zijn schoonbroer, of was er nog wat anders aan de hand?
'Nu mijn kleine broertje eindelijk weer eens voor een tijdje in de beschaafde wereld mag vertoeven, kunnen wij hem toch niet zomaar voor de deur laten staan, hé Herbert? Gastvrijheid is een schone christelijke deugd, nietwaar!'
Herbert knikte eerbiedig.
'En jij kunt nog heel wat van hem opsteken, Herbert. Neem dat maar van me aan! Mijn jongste broertje... hij staat op met de zon... en dan loopt hij tien kilometer... Tién, Herbert!... En daarna doet hij zijn oefeningen... Frank is een uitstekend bokser!'
'Ook een schone christelijke deugd,' zou Herbert achteraf steevast toevoegen aan deze passage uit zijn treurige relaas, maar op dat ogenblik hield hij wijselijk zijn mond.
'Wil je me even een handje toesteken, Herbert?' vroeg het jongste broertje van Mira vriendelijk. 'Mijn bagage ligt nog in de taxi en de chauffeur wacht.'
Even verder zag Herbert inderdaad een taxi met draaiende motor aan de kant van de weg staan. De chauffeur opende de koffer voor hen en Frank haalde er twee valiezen uit. Herbert mocht zijn 'uitrusting' dragen - een boksbal, een stuk of wat halters en andere instrumenten die volgens Herbert gejat moesten zijn uit een professioneel ingerichte martelkamer - en daarna mocht hij de chauffeur ook nog een flinke fooi geven van Mira.
In de dagen die daarop volgden, leidde zijn atletisch bestaan Frank De Herdt nogal eens door de achtertuin van Herbert Leenders, waar hij de zorgzaam aangelegde bedjes lathyrus odoratus van deze laatste grondig placht te ruïneren. Herbert maakte zijn schoonbroer daarover een paar goedbedoelde opmerkingen, maar Mira drukte hem op het hart dat ze het niet erg christelijk vond van hem, op een dergelijke doorzichtige wijze ruzie te zoeken met haar kleine broertje. Om zijn bloemen en zijn pronkerwtjes te beschermen tegen de lompe voeten van de amateur-bokser, bouwde Herbert een kleine serre achter hun huis. Maar toen de winter naar Roode kwam, verhuisde Frank zijn materiaal naar deze serre, met alle gevolgen vandien: opnieuw werden de pronkerwtjes van Herbert grondig geruïneerd. En opnieuw. En opnieuw.
'Sorry hoor, Herbert...' verontschuldigde Frank zich telkens weer. 'Maar als je zo geconcentreerd bezig bent met de boksbal... en je probeert ook het voetenwerk in het oog te houden...'
'... dan verlies je mijn lathyrus odoratus uit het oog!' mompelde Herbert gekweld. 'Ik weet het wel! Da's nu al de derde keer! Kun je dan écht niet uitkijken waar je die lompe voeten van jou neerzet, Frank?'
'Hoho... Rustig aan, hé Herbert... Rustig aan, hé! Ik deed het niet met opzet!'
'Een mens zou het anders nog gaan geloven... Gisteren vloog er een halter door de ruiten... Weet je wel hoeveel één zo'n ruit kost?'
'Ik heb je toch gezegd dat ik de schade graag uit mijn eigen zak zal betalen!'
'Mira wil het niet. Dat weet je best.'
'Nou... Dan moet je bij mij niet komen klagen, Herbert. Dan zit jíj met een probleem, niet ik.'
De woordenwisselingen tussen Frank De Herdt en Herbert Leenders evolueerden van kwaad tot erger, en op een keer gooide Herbert er al zijn ergernis uit: 'Volgens mij doe jij dit wél allemaal met opzet, Frank! Volgens mij ga jij met opzet altijd weer zitten in de gemakkelijkste fauteuil van ons hele salon! In míjn fauteuil! Volgens mij kies jij met opzet altijd de fazantenbilletjes uit, Frank, terwijl je heel goed weet dat Mira kiest voor de borst en ik alleen maar de billetjes lust! Volgens mij zorg jij er met opzet voor, Frank, dat je altijd als eerste de krant te pakken krijgt, zodat ik tot na de middag moet wachten om ze te lezen! Volgens mij ben jij gewoon een pestkop, Frank, die er plezier in schept de mensen het bloed onder hun nagels vandaan te jennen!'
Frank liet Herbert rustig begaan, een onaantastbaar glimlachje om zijn vlezige lippen, om die arme Herbert dan met een welgerichte uppercut - en gelukkig nog steeds bij wijze van spreken - buiten westen te meppen.
'Ik vroeg het me al af...' grijnsde Frank, toen Herbert eindelijk was uitgeraasd. 'De beroemde strafpleiter Herbert Leenders... Waar is die eigenlijk gebleven?... Kort voor hij zich in dit godverlaten gat terugtrok, haalde hij nog zes vrijspraken op rij binnen... En nu zit de beroemde pleiter hier braafjes pronkerwten te kweken... Maar daar is hij dus... Gefeliciteerd, meester! Dat was een mooi pleidooi! Of moet ik zeggen: dat was een schitterende aanklacht?'
'Wij spreken elkaar nog wel, Frank De Herdt,' gromde Herbert woest. 'Wees daar maar zeker van! O ja! Wij spreken elkaar nog wel!'
En Herbert Leenders heeft woord gehouden, jawel. Het moet trouwens ongeveer in die periode geweest zijn dat ik voor het eerst met het zonderlinge drietal in contact kwam. Dat gebeurde naar aanleiding van de kruistocht die mevrouw Leenders en haar christelijke gezellinnen hadden opgezet tegen de openbare dronkenschap. Ze kwam er mij op wijzen welke oorden van verderf dringend dienden gesloten te worden en waar mijn mannen verstokte zatlappen zomaar konden oprapen van de straat, om ze hun roes te laten uitslapen in de amigo. Vooral de van oudsher slechtbefaamde kroeg In de Zevende Hemel, aan de oever van de Grote Roode, moest het daarbij ontgelden. Maar ook deftige établissementen, zoals het hotel-restaurant De Vier Wegen, aan het kruispunt van de vier grote wegen die ons lieflijke stadje in vier min of meer gelijke delen sneden, werd niet gespaard.
Arme, arme Herbert... Terwijl zijn echtgenote ons lastig viel met haar kruistocht tegen de openbare dronkenschap, zocht hij in Veerhuis In 't Ven een compensatie voor zijn lamentabel gezinsleven... Hij was nooit een grote drinker geweest, maar hij hield er nu eenmaal van om bij een biertje wat te keuvelen met één van de andere klanten... Met mij bijvoorbeeld... En zo werden wij vrienden, voordat we er erg in hadden.
Nooit keerde hij naar huis terug zonder een pepermuntje zijn mond te stoppen, dat een verdacht alcoholgeurtje moest neutraliseren. Al had hij dat volgens mij best achterwege kunnen laten, want mevrouw Leenders had de echtelijke kus al een hele tijd afgeschaft.
Nee, hij had er beter aan gedaan op een ander gebied zijn voorzorgen te nemen, want op een kwade dag werd hij door Frank ontboden in de serre. Mira had gezegd dat Frank hem daar wilde spreken. Haar broertje was er aan het oefenen en het leek nogal dringend te zijn.
Frank liet de boksbal meteen voor wat hij was, toen Herbert de serre betrad.
'Dag Herbert!' grijnsde hij.
'Dag Frank.'
'Ik heb me vanmorgen nog een nieuw paar bokshandschoenen gekocht, Herbert,' zei Frank, met een knikje naar de bewuste dingen die op de grond lagen, naast de boksbal. 'Enfin, ik heb ze besteld en laten bezorgen door de post. En weet je wie ik daar in het postkantoor tegen het lijf liep? Een collega van me, jà hoor!... Ook een amateur-bokser... Die vent zal het nooit ver schoppen in zijn sport, daarvoor mist hij de discipline... Hij gaat namelijk geregeld op café-bezoek, Herbert... En weet je wie hij in zo'n slecht aangeschreven kroegje als De Zevende Hemel wel eens zien rondhangen heeft?'
'Nee,' stamelde Herbert zwakjes.
'Jou, Herbert.'
'Dat is... Dat is onmogelijk...'
'Nochtans had hij het wel degelijk over jou, Herbert... Jà hoor!... Over een verlopen advocaat, die hem ooit verdedigd heeft in een zaak waar hij niet verder wilde over uitwijden... Stel je voor!'
'Die man moet het verkeerd voorgehad hebben!'
'O nee, Herbert... Hij noemde jouw naam en...'
'Dat kan niet! Die man liégt!'
'Wat een toeval hé!... Wat een godsonmogelijk toeval toch!'
'Heb je het ook... Heb je het ook aan Mira verteld, Frank?'
'Wat dacht je, Herbert? Ik kan dit toch niet verborgen houden voor mijn zus, die haar huis zo gastvrij voor mij heeft opengesteld? Of wel soms?'
'En wat... wat heeft ze gezegd?'
'Dat ik je maar eens een lesje moest leren, Herbert...'
'En wat... wat ga je nu...?'
Frank gooide hem het paar spiksplinternieuwe bokshandschoenen toe. 'Raap ze op en trek ze aan,' zei hij, en plotseling had zijn stem een staalharde klank gekregen. 'Raap ze op en trek ze aan. Dan kunnen we een paar rondjes boksen, Herbert.'
'Maar ik kàn helemaal niet boksen!'
'Dat geeft niet,' zei Frank. 'Ik zal het je leren.'
'Maar ik wíl het niet leren!'
'Tut-tut... Je bent nooit te oud om te leren, Herbert!... En ik ben een goeie leermeester!... Bovendien heb ik dringend een sparring-partner nodig... Die stomme boksbal hangt me zo stilaan de keel uit...'
Herbert Leenders diende achteraf drie dagen het bed te houden. Hij zou zich vervolgens met huid en haar hebben overgeleverd aan de totale wanhoop, als meneer Devrye hem in de lente van 1932 geen voorstel had gedaan. De heer Devrye baatte de enige gelijknamige bloemenzaak van Roode uit, gelegen aan de Kerkhofbaan, pal tegenover het kerkhof. Hij was zowat mijn overbuur. Zowel de familie Devrye als de familie Cardon woonden al van oudsher aan de Kerkhofbaan in Roode, en ik moet bekennen dat ik wel één en ander te maken had met de plotselinge interesse van de heer Devrye voor de hobby van die arme Herbert.
Meneer Devrye vroeg Herbert of die het zou zien zitten zijn bloemenzaak Zou de heer Leenders het zien zitten om hem van tijd tot tijd te voorzien van een verse lading lathyrus odoratus? Het perspectief ook nog een financieel voordeel te halen uit zijn hobby, deed Herbert Leenders opnieuw smaak in het leven krijgen. Hij dacht nergens anders meer aan dan aan teelaarde en meststoffen. Het zaakje liep zo goed, dat Leenders zich genoodzaakt zag de serre te vergroten en een hulpje aan te werven, een wat simpele jongen, een zekere Hendrik.
Toen suggereerde Mira dat Herbert er goed aan zou doen de opbrengsten van zijn hobby op een aparte bankrekening te zetten, één waarvan zij een volmacht had, en ondanks de pandoering die Herbert aan zijn eerdere uitstappen had overgehouden, kreeg hij het nu toch opnieuw te kwaad en begon hij alweer op café-bezoek te gaan. Hij droeg er nu wel zorg voor slecht aangeschreven kroegjes als De Zevende Hemel te vermijden, maar in Veerhuis In 't Ven kloeg hij zijn nood tegen zowat iedereen, en op een avond - dat moet in januari '33 geweest zijn - ook tegen mij.
Mira kocht met de opbrengsten van zijn lathyrus odoratus dure cadeautjes voor haar broertje. Herberts pakken stelden niet zo veel voor, maar die van het broertje.. Hola! En dat was lang nog het ergste niet, want ongelooflijk maar waar... Mira Leenders hield er nu ook nog een minnaar op na!
'Denk je dat écht, Herbert?' waagde ik het op te merken. 'Dat jouw Mira...? Ik bedoel, zij is nu niet meteen het soort vrouw waarvan je zou denken dat ze...'
'En toch is het zo,' antwoordde Herbert kordaat, en hij toonde mij een brief. 'Ze doet zelfs geen moeite om het verborgen te houden. Hier zie, dit epistel liet ze zomaar rondslingeren... Hij heet Georges en ze zien elkaar regelmatig in een hotel in Brussel...' Hij stopte de brief zuchtend weer weg en vervolgde: 'Als ik maar de moed had om ze eens goed de waarheid te zeggen... Haar en dat broertje van haar... En die Georges ook... Dat ze voor mijn part allemaal mogen ophoepelen... Als ik maar de moed had om ze dat eens goed in te peperen...'
Tevergeefs probeerde ik hem op te beuren. Waarom probeerde hij het niet eens? Het kon bezwaarlijk nog erger worden dan het al was! Als een geslagen hond, de staart tussen de benen, verliet hij die avond het Veerhuis In 't Ven. Hij sloeg zelfs mijn aanbod af hem een lift te geven tot bij hem thuis, het was toch al gauw een half uur lopen. Een fikse wandeling zou de geur van sigaren en sigaretten misschien uit zijn kleren verdrijven, hoopte hij, terwijl hij een pepermuntje in zijn mond stak.
Die avond - eigenlijk was het al nacht geworden - zag Herbert bij het betreden van zijn voortuintje licht branden in de achtertuin, in de serre. Hendrik was dus nog aan het werk. Hij was altijd heel druk aan het zwoegen en zweten, die brave simpele Hendrik. Herbert had vier glazen donker schuimend patersbier op, en dat waren er twee meer dan gewoonlijk. Tijdens zijn wandeling had hij bovendien alle tijd van de wereld gehad om ongestoord een paar zaken op een rijtje te zetten en zijn conclusies te trekken. Misschien speelden mijn afscheidswoorden ook nog door zijn hoofd, wie weet? Hoe dan ook, Herbert trok zijn stoute schoenen aan en stevende recht op Hendrik af.
'Ik heb je hulp nodig, Hendrik. Straks zet ik mijn vrouw en haar broer aan de deur. Begrijp je dat, Hendrik?... Goed zo, brave jongen... Nu zou ik graag hebben dat jij hier, buiten, op wacht gaat staan, Hendrik... Vlak bij het raam van de salon, ja... Als het uit de hand loopt, moet je mijn vriend de commissaris maar bellen... Thuis of op zijn bureau, het geeft niet... Hij heeft me de beide nummers gegeven... Heb je dat begrepen, Hendrik?... Prima zo, jongen! Prima zo!'
Hendrik deed wat hem gevraagd werd. Hij hoorde hoe een totaal àndere Herbert - een autoritaire meneer Leenders, geboren uit een paar flessen donker schuimend bier - zijn vrouw en haar broer beval hun respectieve slaapkamers op staande voet te verlaten en vervolgens op te hoepelen. Er werd licht aangestoken op het gelijkvloers en vanop de plaats waar hij zich bevond, kon Hendrik door de gordijnen niemand zien, maar hij nam wel gigantische schaduwen waar die van het kastje naar de muur liepen.
Hendrik hoorde de in het kerkkoor geoefende alt van mevrouw Leenders verwensingen uitbazuinen die hij niet kon herhalen zonder rood aan te lopen en hij hoorde de sonore bas van hopman De Herdt dreigementen uiten die hem de koude rillingen over de rug deden lopen, maar deze keer kregen zij niet het laatste woord. Deze keer was het de schril schreeuwende stem van zijn ontketende werkgever die een nog lang nagalmend orgelpunt zette achter de discussie: 'En als ik zeg op staande voet, dan bedoél ik ook op staande voet! Of zal ik de brief voorlezen die ik in jouw spullen gevonden heb, Mira? Zal ik de hele stad en vooral je christelijke vriendinnen vertellen over Georges en dat hotelletje in Brussel!?'
Puck die Othello wilde wezen... Het slaafse poedeltje Herbert, veranderd in de onvervaarde bulldog Leenders, die nu gevaarlijk grommend zijn tanden liet zien... Hendrik was daar tussen de struiken getuige van een metamorfose die niet alleen zijn beperkte begrip te boven ging, maar ei zo na ook het flink wat ruimer bevattingsvermogen van zowat de voltallige gemeenschap van ons lieflijke Roode.
De schimmen van Mira en Frank trokken zich terug in hun respectieve slaapkamers, waar nu ook het licht ontstoken werd. Grommend en brommend stierven hun stemmen uit. Herbert Leenders kwam naar buiten.
'Het is in orde, Hendrik,.' zei hij kalm. 'Ze pakken hun koffers al... Je kunt nu maar beter naar huis gaan... Je hebt dat heel goed gedaan, brave jongen...'
Vreemd genoeg viel er na het vertrek van Mira Leenders en Frank De Herdt, dat een vrolijker hoofdstuk had moeten ontsluiten in het leven van Herbert, al gauw een schaduw over zijn pas herwonnen geluk. Op een avond belde Herbert mij op. Mij, zijn toogkameraad, de adjunct-commissaris. Hij vroeg of hij me kon spreken over een privé-aangelegenheid.
'Natuurlijk,' zei ik. 'Altijd welkom, Herbert.'
Bij mij thuis, onder het genot van een glaasje rode wijn en een fijne sigaar, vertelde Herbert me dat hij de afgelopen week op een avond naar de bioscoop was geweest. Vroeger kon dat immers niet. Hendrik was nog aan het werk in de serre, maar daar kreeg hij plotseling het gevoel dat een onbekende hem gadesloeg vanachter het glas... Hij liep naar buiten en zag iemand verdwijnen in de velden.
'Een man of een vrouw?' informeerde ik.
'Dat weet ik niet,' antwoordde Herbert. 'Een gedàànte, zei Hendrik... En de volgende nacht heb ik op mijn beurt een schim gezien achter het raam van mijn slaapkamer... En de nacht daarop heeft Hendrik wéér iemand om het huis zien sluipen...'
'Maar het viel nog altijd niet uit te maken of het om een man of een vrouw ging?'
'Nee... Al heb ik, als jurist, wel een ideetje wie... Na het vertrek van mijn vrouw, moet je weten, heb ik nog andere brieven gevonden van Georges, van haar minnaar... Ze waren verstopt in een kast in de kelder... Waarschijnlijk heeft Mira ze tijdens haar overhaaste vlucht over het hoofd gezien... Ik ben er zo goed als zeker van dat ze een advocaat heeft aangenomen om die brieven te recupereren, en dat die advocaat een privé-detective aan het werk heeft gezet.'
Herbert opende de tas die hij meegebracht had en overhandigde mij een pakje brieven met een elastiekje rond.
'Wil je dat ik ze ook... léés?' vroeg ik.
'Ik heb geen geheimen voor jou, Herbert... Maar ik kan je ook zo wel vertellen dat ze allemaal werden getypt, dat ze gepost werden in Brussel en naar een postbus gezonden die Mira hier in Roode heeft gehuurd. Het adres van de afzender staat er niét op.'
Ik opende het pakje en bladerde vluchtig door de brieven. Te oordelen naar de poststempels, was de verhouding van Mira en Georges al enkele maanden oud. Ik gaf Herbert de brieven terug en vroeg wat ik voor hem kon doen.
'Ik ben bang, Karel...'
'Voor die privé-detective?'
'Voor wie dan ook die bij nacht en ontij rond mijn huis sluipt!'
'Ik kan een patrouille af en toe een kijkje laten nemen...'
'En dat is alles?'
'In deze omstandigheden...' Ik permitteerde mij een gekweld zuchtje. 'Ik vrees van wel, Herbert...'
'Jullie politiemensen zijn ook allemaal dezelfden...' mompelde Karel binnensmonds. 'Altijd maar wachten... tot het te laat is.'
Er gingen drie maanden voorbij zonder dat er iets gebeurde dat hier een vermelding waard is. En dan, op een morgen - het moet tegen het einde van april geweest zijn, bijna twee jaar nadat de heer en mevrouw Leenders in ons lieflijke stadje waren opgedoken - was Hendrik weer eens aan het werk in de serre... En vond hij die stilte in huis maar verdacht... Het werd middag, en zijn werkgever had nog steeds geen teken van leven gegeven... Alle deuren van het huis waren op slot... Hendrik sloeg een raam scherven en liep naar de slaapkamer van zijn werkgever... Daar trof hij een waar slagveld aan... Bloed op de muren, bloed op de gordijnen... Henk verwittigde de politie en ik begaf mij ter plaatse.
Onder het raam van de slaapkamer van mijn vriend trof ik drie paar voetsporen aan. Twee ervan waren duidelijk afkomstig van mannen met een schoenmaat 39 en 43. Eén afdruk behoorde toe aan een vrouwenschoen, maat 40. Ik volgde de voetsporen naar de straat, waar ze als in het niets oplosten. Blijkbaar waren de ongenode gasten hier in een auto gestapt. Vlak bij de plaats waar de sporen verdwenen, vond ik een visitekaartje van een zekere Milo Durand, privé-detective, woonachtig te Brussel.
Herbert Leenders had maat 38, mevrouw Leenders maat 40, Frank De Herdt maat 43. Waarschijnlijk ging het dus om de voetsporen van De Herdt, Mira Leenders en de privé-detective van wie ik het visitekaartje in de graskant had aangetroffen, voor het huis van mijn vriend Herbert. Ik probeerde Milo Durand of een andere Brusselse privé-detective op te sporen, woonachtig op het adres van Durand. Het adres bleek fictief te zijn en een privé-detective die luisterde naar de naam Milo Durand werd niet gevonden.
Zes weken na de verdwijning van mijn vriend Herbert zag een buurman een kleine man in de buurt van zijn serre rondhangen. Ik werd verwittigd en begaf mij ter plaatse. Het bleek om de bewoner van het huis en de eigenaar van de serre te zijn, om de vermiste Herbert Leenders met andere woorden. Hij zag eruit alsof het boksende broertje van Mira hem heel die tijd als zijn boksbal had gebruikt: zijn gezicht was bont en blauw geslagen en zijn rechterarm zat in het gips.
Ik vroeg 'm wat er gebeurd was. Mira, haar kleine broertje en een personage dat ze 'Milo' noemden, waren de liefdesbrieven komen ophalen die Mira hier in huis had achtergelaten. Toen ze die niet vonden en toen die arme Herbert niet wilde zeggen waar ze die konden vinden, hadden ze hem bewusteloos geslagen en ontvoerd. Daarna had Frank hem inderdaad een tijdje als boksbal gebruikt. Zes weken lang was Herbert zijn sparring-partner geweest.
'Ze wilden niet geloven dat ik de brieven niet meer in mijn bezit had,' zei hij met een deerniswekkend trillende stem.
'En is dat zo?' vroeg ik.
'Min of meer...'
'Maar ten slotte hebben ze je laten gaan?'
'Nee... Op een nacht ben ik erin geslaagd te vluchten.'
'Waar hielden ze je al die tijd gevangen?'
'Ergens in Brussel...'
'Waar, Herbert? Wààr?'
'Toen ik daar aankwam, was ik geblinddoekt,' legde Herbert schaapachtig uit. 'En toen ik er vandoor ging, heb ik er niet bij stilgestaan dat het misschien een goed idee kon zijn om op de straatnaam te letten... Om een lang verhaal kort te maken: ik weet het niet, Karel.'
Ik keek hem ongelovig aan. 'En dat alles hebben ze op touw gezet... om een stel liefdesbrieven in handen te krijgen?'
'Het zijn sadisten, Karel. Psychopaten. Zij en dat verdomde broertje van haar. Gevààrlijke psychopaten zijn het.'
Ik knikte. Roode hàd nu eenmaal dat effect op bepaalde mensen. Soms op bepaald véél mensen, trouwens. Ik heb nooit goed begrepen hoe dat mogelijk was, maar het was ontegensprekelijk zo. Zelfs inwijkelingen zoals het echtpaar Leenders en het broertje van Mira vielen vroeg of laat ten prooi aan aanvallen van moordzucht en razernij, die blijkbaar al van oudsher schering en inslag waren geweest in Roode.
Ik had er nooit in zoveel woorden met mijn vriend Herbert over gepraat, maar blijkbaar was de scherpzinnige jurist daar zélf al achtergekomen. Het was trouwens ook niet het soort onderwerp waarover je makkelijk een boompje opzette, zelfs niet met een lid van de familie of met een intieme vriend. Het was integendeel het soort onderwerp dat zelfs door de kwatongen van Roode schroomvol vermeden werd. Het was taboe. De mensen van Roode hadden té veel eerbied, koesterden een té groot ontzag voor de mysterieuze machten en de kwalijke krachten die dit op het eerste gezicht zo lieflijke dorpje in de ban hielden en op tijd en stond teisterden - als het ware in vlagen, dacht ik wel eens.
'Tenzij...' probeerde ik nog, weinig overtuigend en tegen beter weten in.
Herbert keek me schroomvol aan. 'Tenzij wàt, Karel!?'
'Wat zou er zo belangrijk kunnen zijn aan die brieven van Georges, mijn waarde vriend? Heb jij daar soms enig idee van?
'Eerlijk gezegd niet, nee...'
'Waar zijn ze nu?'
'In een kluis van de Bank van Roode.'
'Ik zou die brieven graag nog eens zien, Herbert.'
'Je hebt ze toch al eens gezien?'
'Maar ik heb ze niet gelezen... En ik kan me onmogelijk voorstellen dat men iemand zes weken lang gaat vasthouden... en als sparring-partner gebruiken... gewoon vanwege een stel liefdesbrieven!'
'Ik zei het toch al!' gilde Herbert met overslaande stem. 'Het zijn psychopaten!'
'En voor de rest kunnen ze ons misschien op het spoor zetten van Georges, van je vrouw en van die detective,' ging ik onverstoorbaar verder. 'Nu ze strafbare feiten hebben gepleegd, kan ik écht achter hen aan gaan, Herbert...'
Mijn dubbele hoop - dat de brieven een aanwijzing zouden bevatten waarom ze zo belangrijk waren voor mevrouw Leenders en haar trawanten, en mogelijk ook een spoor naar de helleveeg en haar handlangers - bleek ongegrond te zijn. Het waren doodgewone, vrij clichématige liefdesbrieven en ze gingen dan ook al gauw terug de kluis in.
Herbert wilde de trieste affaire liefst zo snel mogelijk vergeten. Ik vroeg hem waarom hij de brieven dan niet verbrandde. Waarom wilde hij ze dan nog in die kluis bewaren?
'Omdat ze een soort levensverzekering vormen, Karel...' zei hij schor. 'Stel dat Mira en Frank nog eens terugkomen, al of niet samen met hun privé-detective... En dat ze de brieven om één of andere reden nog altijd bijzonder graag in handen willen krijgen... Stel dat ze me opnieuw opsluiten en als boksbal gaan gebruiken... Dat ze niet ophouden met slaan en dat ik deze keer niet meteen kan vluchten... Wat dan, Karel? Wat dan?'
Tsja, daar kon ik ook niet zo meteen op antwoorden. Al bij al, moest ik toegeven, klonk dat nog zo gek niet.
Herbert Leenders leverde zich opnieuw over aan de cultuur van de welriekende lathyrus. Hij deed heel wat ervaring op met enkele planten die hij in een grote bloemenkast hield op zijn veranda, waar hij de gewoonte had een deel van de dag door te brengen in een schommelstoel. Met zijn voeten op de bloemenkast, rookte de vredelievende kleine man dan een sigaartje, dronk hij een wijntje en sloeg hij een babbeltje met zijn buren. Hij leek in die ogenblikken perfect gelukkig en totaal op zijn gemak.
Als ik zo bij hem zat, kon het gebeuren dat ik voor enkele ogenblikken volkomen wég raakte van de wereld en van alle aardse beslommeringen. Dan leek ik volkomen op te gaan in de paradijselijke omgeving die mijn vriend Herbert hier gecreëerd had in zijn Tuin van Eden. Ik vroeg 'm wel eens hoe hij dat deed, en trots liet hij mij dan telkens weer de prachtige lathyrus odoratus zien die hij teelde in zijn speciale bloemenkast op de veranda: veel liefde en aandacht hadden die planten en bloemen nodig, en voor de rest gebruikte hij alleen maar een nieuwe meststof, meer niet.
In die ogenblikken van perfecte rust en tevredenheid, haatte ik het voor Sherlock Holmes te spelen, maar anderzijds bleef de geschiedenis waarin mijn goede vriend Herbert een weinig benijdenswaardige hoofdrol had gespeeld toch wel zijn bijzonder curieuze kanten bezitten. Wat ik bijvoorbeeld met de beste wil van de wereld niet kon begrijpen, was de plotselinge slordigheid van Mira, die voorheen in heel Roode berucht was geweest om haar slagzin: 'Tucht, orde en netheid!' En toch was dit toonbeeld van correct en punctueel gedrag erin geslaagd haar liefdesbrieven zomaar te laten rondslingeren, op een plaats dan nog waar Herbert ze zeker en vast ooit zou vinden: in een kelderkast waar hij het gereedschap bewaarde, waarmee hij zijn lathyrus odoratus en zijn andere sierbloemen -en planten tot oogverblindende voorbeelden van pracht en praal wist te bewerken.
Eerst vond Herbert bij toeval één enkel excerpt uit de overspelige correspondentie van Mira, en daarna de hele zwik. Als die brieven zo belangrijk waren voor haar en voor haar broertje en die Milo Durand, waarom sprong ze er dan zo achteloos mee om? Volgens Herbert waren ze wellicht van oordeel dat hij compleet ongevaarlijk was voor hen, dat zij hem in hun macht hadden. Dat was mogelijk. Maar dan restte er nog het enigma Milo Durand, ook al zo'n sloddervos! Een privé-detective, die zomaar zijn visitekaartje liet rondslingeren op de plek waar hij zonet iemand had ontvoerd!
'Tsja Karel,' placht Herbert op mijn vragen te antwoorden. 'Wat kan ik daarop zeggen?'
'Ik zou het ook niet weten,' zei ik dan.
'Nog een glaasje wijn, misschien?'
Ik onderwierp het formulier dat mevrouw Leenders had ingevuld bij het openen van haar amoureuze postbus aan een nauwgezet onderzoek. Ik kende haar handschrift van de vele klachten die op het bureau waren aangekomen, en waarin zij er 'arm der wet' op wees dat de beteugeling van de openbare dronkenschap tot de prioriteiten der ordehandhavers diende te behoren.
Daar kwamen nachtmerries van, waarin ik het hoofd van mevrouw Leenders - en alléén haar hoofd - voor mijn ogen zag zweven. Het was een nogal griezelige, zelfs ronduit spookachtige ervaring, maar al bij al niet zo ongewoon voor een levenslange inwoner van Roode, want de modale Roodenaar wordt wel meer geplaagd door dergelijke angstaanjagende fenomenen. In die nachtmerries deed Mira mij telkens weer op de haar geëigende toon een aantal vriendelijke suggesties aan de hand: 'Vergelijk de handtekening onder de liefdesbrieven van Georges en die op het formulier waarmee ik de postbus heb geopend! De postbus waar mijn mysterieuze minnaar Georges zijn brieven heen stuurde, commissaris! Vergelijk de handtekeningen onder de liefdesbrieven en op het formulier met de handtekeningen en het handschrift van de brandbrieven die bij u op het bureau arriveerden! Vergelijk, commissaris! Vergelijk!'
Die van Georges, onder de liefdesbrieven, leek zowaar een beetje op de handtekening op het formulier waarmee mevrouw Leenders de postbus zou hebben geopend. En als ik deze laatste handtekening vergeleek met de handtekeningen onder de brieven die bij mij op het bureau arriveerden, dan was de eerste duidelijk vals.
'Ga naar de bank waar uw goede vriend Herbert Leenders een kluis heeft gehuurd, om diezelfde brieven in te bewaren! Gà!'
Ik ging en vroeg hoe lang Herbert daar al een bankrekening had. Hij had er geen, hij had alleen maar die kluis gehuurd.
'Vergelijk de handtekeningen! Vergelijk!'
Die op het formulier waarmee hij de bankkluis had gehuurd, leek verdacht sterk op de handtekeningen onder de liefdesbrieven van Georges.
Nu lag er tussen het postkantoor en de bank op de Grote Markt van Roode ook een drukkerijtje, gespecialiseerd in kerst-, geboorte- en sterfkaarten en dat soort spullen meer. Ik gehoorzaamde de stem uit mijn dromen - de spookachtige alt van Mira Leenders - en stapte naar binnen. Ik ontdekte daar dat Herbert er een visitekaartje had besteld, een volle maand voordat mevrouw Leenders met haar broertje en de noorderzon vertrok... Herbert beweerde dat het visitekaartje bestemd was om een grapje uit te halen, en dat hij daarom ook maar één enkel exemplaar nodig had.
Vervolgens verscheen, tot overmaat van ramp, een tweede hoofd in mijn nachtmerries en voegde zich bij de donderende alt van Mira de dreunende bas van haar boksende broertje Frank: 'Ga eens praten met een confrater van Herbert... Gà, commissaris! Ga nù!'
Ik gehoorzaamde - kon ook moeilijk anders - en leerde van de bewuste confrater dat Herbert indertijd nogal berucht was omdat hij zo goed stemmen kon imiteren, en dat talent ook voor de rechtbank wel eens durfde te gebruiken. Ik dacht aan de stemmen die Hendrik gehoord had - de stemmen van Mira en Frank - en aan het feit dat hij voor de rest alleen hun schimmen had gezien, en ik ging mijn goede vriend Herbert nog maar eens bezoeken.
Hij had net een kleine reparatie uitgevoerd. De veranda moest dringend gestut worden en bij wijze van steunpilaar had hij één van zijn bloemenkasten gebruikt, waarin hij de prachtige lathyrus odoratus hield die hij mij laatst nog had laten zien. Hij had de kast helemaal bedekt met cement en was erg trots op zijn werk. Met reden trouwens, want ik had nooit zo'n handige doe-het-zelver in hem kunnen vermoeden.
'Och, als een mens er maar de tijd en de ruimte voor krijgt, dan ontdekt hij diep in zich altijd wel nog een stuk of wat verborgen talenten...' deed Herbert bescheiden. 'En nu kan ik tenminste met een gerust geweten op vakantie gaan... De veranda is gestut... Ik hoef niet bang meer te zijn dat het hele boeltje hier vroeg of laat instort.'
'En waarheen gaat de reis?' informeerde ik.
'Dat weet ik nog niet... Gewoon enkele weken uitwaaien... Hooguit een paar maanden... Van de vrijheid genieten, weet je wel... Ik heb ze zo gemist, de vrijheid... Gaan waar je wil, staan waar je wil... Zo lang je maar wil... Het is een luxe die ik mij haast niet meer kan herinneren, Karel... Kun je dat geloven?'
En of ik dat kon geloven! Want na het vertrek van Herbert, keerden de hoofden en de stemmen van Mira en Frank terug in mijn dromen, om me op het hart te drukken dat ik maar beter eens dringend die brave Hendrik van Herbert aan de tand kon gaan voelen. Ik vroeg 'm of hij er voor honderd procent zeker van was dat hij die nacht, nu al meer dan een half jaar geleden, de stemmen van Mira en Frank had gehoord. Hij was er zelfs voor twééhonderd procent zeker van, beweerde hij.
'Maar heb je ze ook gezién, Hendrik?'
Niet echt, nee. Alleen maar hun schimmen... Hij had ze die nacht niet gezien, toen hij bij het raam de wacht optrok, en later had hij ze ook niet meer gezien. Nooit meer.
'Denk aan de gordijnen! Het bloed op de gordijnen! Op de muren! Dénk, commissaris! Dénk!' galmde het tweestemmig in mijn dromen.
Ik liet het bloed op de gordijnen en de muren onderzoeken. Het was niét van dierlijke oorsprong. Het ging wel degelijk om menselijk bloed. Dat van Herbert of...?
'Denk aan de brieven van Georges... Dénk!'
Ze waren getypt met een machine waarvan de hoofdletter I het bovenste horizontaal beentje miste. Dat had mijn aandacht getrokken omdat de briefschrijver vaak de eerste persoon enkelvoud gebruikte.
'Vraag aan die Hendrik of Herbert een schrijfmachine bezat. Vrààg het!'
Hij bezat er inderdaad één, maar hij had ze verkocht.
'Waar, commissaris? Wààr!?'
Dat wist Hendrik niet meer... Op een goeie morgen was Herbert ermee vertrokken... en hij was zónder teruggekeerd.
'Probeer de lommerd eens, commissaris? Probéér het!'
Mijn intuïtie... Of beter gezegd: de bevelende stemmen van Mira Leenders en Frank De Herdt - zij hadden het juist geraden... Herbert was met de schrijfmachine naar de lommerd getrokken op de Lagelandse Baan getrokken, net voorbij het gemeentehuis en het politiebureu. Ik slaagde erin de koper van de machine op te sporen, een Roodenaar uit de Karrestraat. En ook bij deze machine miste de hoofdletter I het bovenste horizontale beentje...
Toen stuurde ik verscheidene agenten naar het huis van mijn waarde vriend Herbert Leenders, om het samen met de serre aan een nauwgezet onderzoek te onderwerpen. In de serre bevond zich een enorme stookketel en iedere keer dat mijn blik op dat ding viel, gingen de stemmen in mijn hoofd - die van Mira en die Frank - nog heftiger te keer dan gewoonlijk. Jammer genoeg kon ik nooit goed verstaan wat ze precies zeiden.
In de herfst, zowat negen maanden na de verdwijning van zijn echtgenote en schoonbroer, keerde Herbert terug naar huis. Zijn vakantie zat erop. Ik ging mijn goede vriend opzoeken en wij hadden een gezellige babbel op zijn veranda.
Herbert vroeg mij of ik er soms al een vermoeden van had waar zijn vrouw en haar broer gebleven konden zijn.
'Een vermoeden, ja...' knikte ik. 'Doorslaggevende bewijzen niét, maar een vermoeden... jà. Corrigeer mij als mijn deducties niet kloppen... Wil je, Herbert?'
'Dat zal ik zeker niet nalaten, commissaris!' lachte Herbert.
'Adjùnct-commissaris, het is nog altijd adjùnct-commissaris,' verbeterde ik hem. 'Stel je maar voor dat je weer voor de rechtbank staat en een zaak te verdedigen hebt.'
Dat vond Herbert niet zo'n leuk vooruitzicht, zei hij. Maar hij zou zijn best doen.
'Jouw leven, Herbert,' stak ik van wal, 'in de schaduw van je vrouw en je schoonbroer... Zeg eens eerlijk... Zou je dat miserabel genoemd hebben?'
'Miserabel? Ja, dat is het juiste woord,' fluisterde hij.
'Om onder die schaduw vandaan te raken... Zou je daarvoor niet bereid geweest zijn al je juridische kennis, je grote strafrechterlijke ervaring, je niet geringe intellectuele capaciteiten te mobiliseren?'
Herbert zat verwoed te knikken.
'En als het enige middel om je te ontdoen van die twee godvergeten schepsels... Als dat enige middel nu een dubbele moord was geweest, Herbert...? Zou je daarvoor dan teruggeschrokken zijn?'
Herbert glimlachte, maar het was een vreugdeloos lachje. 'Is dit een officiële ondervraging, Karel?'
'Dit is een vriendschappelijke babbel, Herbert.'
'Dan zeg ik: nee. Néé, ik zou niet voor een dubbele moord teruggeschrokken zijn. Op voorwaarde... dat het een perfecte misdaad kon worden.'
'Met andere woorden: één waarvoor jij niet zou opdraaien?'
'Precies. Ik zou niet nogmaals hun slachtoffer willen worden, Karel... Maar goed... Jij weet toch net zo goed als ik dat de perfecte misdaad niet bestaat, Karel?'
'En dus...?'
'Dus is dit alles jammer genoeg een hypothetische kwestie gebleven.'
'Ik vrees dat ik het niet helemaal met je eens ben, Herbert,' zuchtte ik. 'Een perfecte misdaad is een misdrijf dat niet opgelost werd. Exacter geformuleerd: dat zelfs nooit als misdaad gedetecteerd is geworden. En omdat het misdrijf niet ontdekt werd, kennen wij het niet en hebben wij de indruk dat het niet bestaat. Maar het bestaat wel degelijk.'
'Een mooie theorie, maar in de praktijk...'
Ik onderbrak hem met een ongeduldig handgebaar. 'Stel je nu eens het volgende voor... Stel je een liaison voor tussen je echtgenote en een fictieve Georges.'
'Een fictiéve Georges?'
Ik sloeg geen acht op zijn opmerking en vervolgde: 'Stel je voor dat je op een machine, in naam van deze fictieve Georges, verscheidene liefdesbrieven schrijft, geadresseerd aan de postbus die je op naam van je echtgenote geopend hebt...'
'Waarom zou ik dat doen?'
'Om de brieven daarna, voorzien van een poststemspel, te kunnen recupereren. Nu lijken ze zowaar op authentieke documenten, nu kunnen zij dus ook de koninginnenstukken van het complot worden...'
'Complot?'
'Ja... complot! Als je in januari vraagt aan Hendrik om even bij het raam te luistervinken en in te grijpen als dat nodig mocht zijn, terwijl jij je vrouw en haar broer verzoekt je huis te verlaten, maak je van die brave Hendrik óók een samenzweerder... Zonder dat hij dat wil en zonder dat hij er zich van bewust is... De stemmen die hij hoorde, waren niet die van Mira en Frank... Het waren de jouwe, Herbert... Jij bent toch altijd zo goed geweest in het imiteren van stemmen, nietwaar? Je maakte van dat talent zelfs een wapen, als het erop aankwam een criminele cliënt te verdedigen tegen de bittere aanklachten van het openbaar ministerie...'
'Wie heeft je dat verteld?'
'Dat doet er niet toe. Trouwens, op dat ogenblik waren je echtgenote en schoonbroer al wíjlen je echtgenote en schoonbroer... Op deze manier kreeg hun moordenaar immers al de tijd van de wereld om zich van hun lijken te ontdoen. Iets waarvoor hij wellicht de stookketel van de serre gebruikt heeft. De stoffelijke resten, een hoopje as en een stuk of wat beenderen, zouden geen verdenking wekken op een plaats waar dagelijks allerlei vetstoffen werden gebruikt...'
'Dat klinkt allemaal erg mooi, maar...'
Nogmaals viel ik hem ongeduldig in de rede: 'Momentje, Herbert! Mijn deductie is nog niet ten einde!... Ik ben er namelijk van overtuigd dat de moordenaar, lang voordat hij zijn dubbele misdaad beging, gedacht moet hebben dat het een goed idee zou zijn als de politie je echtgenote en schoonbroer vermist waande, en niet dood. Vandaar dat hij een imaginaire ontvoering op het getouw zette, die je echtgenote en schoonbroer voor een korte tijd zou doen herleven, samen met de ook al fictieve detective Milo Durand. '
'Maar Hendrik zag iemand rondsluipen in de buurt van de serre!' protesteerde Herbert.
'Hendrik zag joù rondsluipen, Herbert... Je zette een aantal omstandigheden in scène, waardoor het Hendrik niet moeilijk zou vallen te geloven dat je ontvoerd werd. Met de schoenen van je slachtoffers heb je hun voetsporen aangebracht van het huis naar de straat. De schrammen en blauwe plekken op je lichaam - ik heb er maar een paar van gezien - heb jij zelf aangebracht. Je liet zelfs een stuk of wat bloedvlekken achter op de gordijnen en de muren van je kamer... Is het niet zo?'
Herbert boog berouwvol het hoofd. 'Het is zo, Karel...'
'Je bekent dus dat je een dubbele moord op je kerfstok hebt?'
Er verscheen nu een flauw glimlachje om zijn dunne lippen. 'Ik beken... maar niet officieel, uiteraard. Dit was toch een vriendschappelijke babbel, hé Karel?'
Ik knikte.
'Het is allemaal gebeurd zoals jij het zonet zo juist en zo welsprekend hebt geschetst, Karel... Maar voor de rest weet je even goed als ik dat er juridisch geen sprake kan zijn van een moord, als er geen lijk beschikbaar is... Als je me wil beschuldigen van de moord op mijn echtgenote en schoonbroer, zul je toch eerst over hun lichamen moeten beschikken. Ik ben benieuwd te horen of je deducties ook op dat punt enig resultaat opgeleverd hebben!'
'Het is niet meer dan een intuïtie, mijn beste Herbert,' zei ik, en dat was de waarheid en niets dan de waarheid, 'maar ik geloof dat je echtgenote en schoonbroer hun aardse bestaan hebben beëindigd in de vorm van een vetstof... Misschien zelfs het nieuwe soort vetstof waar je het laatst over had, toen we hier op de veranda ook zo gezellig zaten te keuvelen. Weet je nog? Je was erg tevreden over het effect dat die vetstof had op je lathyrus odoratus.'
'En met reden, Karel... Met reden.'
'Als je er geen bezwaar tegen hebt, zou ik graag die reden kennen, Herbert. Je hebt zelf gesteld, geheel terecht overigens, dat er juridisch geen sprake kan zijn van moord, als er geen lijk beschikbaar is. Ik ben ervan overtuigd dat je, zeker wat dit cruciale gegeven betreft, alle nodige voorzorgen in acht zult hebben genomen. Er kan je dus niks euh... onvoorziens overkomen.'
Herbert schonk ons nog eens in en stak een nieuwe sigaar op. Hij blies genoeglijk bijna volmaakte, ijlblauwe kringetjes voor zich uit.
'Dat is maar al te waar, Karel,' zei hij ten slotte. 'En nee, ik heb er helemaal geen bezwaar tegen je het hoe en waarom uit de doeken te doen. We zijn nu immers wel zo ver gevorderd, dat ik je kan en mag bekennen - in alle bescheidenheid, hoor - een perfecte misdaad gepleegd te hebben. Een misdaad, met andere woorden, die misschien wel door jou werd gedetecteerd, maar die voor de wet nooit zal hebben bestaan, omdat er geen fysiek spoor meer achterblijft van het aardse bestaan van mijn echtgenote en schoonbroer. Ik heb Mira en Fran kinderdaad omgebracht met een pistool met geluidsdemper, en daarna heb ik hun lijken onthoofd, in stukken gesneden en verbrand in de stookketel van de serre. Vervolgens heb ik de kogels gerecupereerd en de asresten vermengd met de vetstoffen. Nu weet je wellicht dat de schedel, en dan vooral het gebit, zeer moeilijk compleet te vernietigen valt. Meestal is dit een werk van lange adem. Bovendien vond ik het, al bij al, een te mooi einde voor een stel sadisten als wijlen mijn echtgenote en schoonbroer, indien ik ze eenvoudigweg compleet zou verassen. Ik heb hun hoofden dus bewaard en in de bloemenkast gezet...'
'De bloemenkast die de veranda moest stutten!' grijnsde ik, met een knikje naar het ornament in kwestie.
Hij knikte enthousiast. Ik nam nog een slok.
'En ten slotte?' vroeg ik met een van pure spanning trillende stem.
'Ten slotte heb ik ze zorgzaam bedekt met ongebluste kalk, en daarna met teelaarde en verbeterde vetstoffen. Op dat alles heb ik de meest bewonderenswaardige lathyrus odoratus geteeld uit mijn korte maar des te vruchtbaarder carrière als kweker van sierplanten. Ik heb er zorg voor gedragen dat mijn pronkerwten voldoende water kregen, op zo'n manier dat het water zou reageren met de ongebluste kalk... En dat er nu, na enkele maanden, niets meer kan te zien zijn dat nog zou kunnen geïdenticifeerd worden als een onderdeel van een menselijk hoofd...'
Heb jij er een idee van hoe de Oplossing van dit Misdaadverhaal eruit zou kunnen zien? Laat het dan weten in de commentaren!
13.12.10
Raadselachtige lettertjes in de ogen van de Mona Lisa - Gva.be
Kunsthistorici hebben minuscule lettertjes ontdekt in de ogen van de Mona Lisa. Met het blote oog zijn ze niet waarneembaar, maar onder een vergrootglas zijn in het rechteroog de letters LV te lezen en in het linkeroog de letters C en E of B, en het cijfer 72 of de letter L en een 2.Lees meer:
LV verwijst misschien naar de schilder zelf, Leonardo Da Vinci. De lettertjes in het 500 jaar oude doek kwamen tevoorschijn toen men hoge-resolutiebeelden van Mona Lisa's ogen vergrootte.
"De tekens zijn zeer moeilijk te ontcijferen, ook al door de ouderdom van het werk", aldus Silvano Vinceti, de voorzitter van het Italiaanse Comité voor Cultureel Erfgoed.
"Bewust aangebracht"
Een van Vinceti's collega's werd op spoor van deze ontdekking gezet door een 50 jaar oud boek dat hij bij een antiquair vond. "We staan nog maar aan het begin van het onderzoek", aldus Vinceti. "Het is zeer eigenaardig dat al die tijd niemand die tekens ontdekt heeft. Het staat vast dat ze bewust door de schilder werden aangebracht, maar omdat ze in de donkere pupillen en niet in de lichtere irissen staan, lijkt het een duidelijke poging om de symbolen zo onherkenbaar mogelijk te plaatsen".
Da Vinci gebruikte doorheen zijn hele oeuvre allerlei symbolen en verborgen boodschappen. Volgens de kunsthistorici is dat ongetwijfeld ook voor de Mona Lisa het geval. Da Vinci was zo zeer gehecht aan het doek dat hij het op het eind van zijn leven overal met zich meenam.
Raadselachtige lettertjes in de ogen van de Mona Lisa - Gva.be
Labels:
code,
Da Vinci,
Da Vinci Code,
Leonardo Da Vinci,
Mona Lisa,
raaselachtig
10.12.10
De Paus van Satan, door Patrick Bernauw & Filip Coppens
Ligt de oplossing van het mysterie over de afstammelingen van Jezus niet in Frankrijk, maar in Brugge? De negentiende eeuwse auteur Joris-Karl Huysmans infiltreert in het satanistische milieu en komt er op het spoor van de Paus van Satan... Hoe diep zijn de satanisten geïnfiltreerd in de kerk? Historische thriller, gebaseerd op harde feiten...
Joris-Karl Huysmans werkt eigenlijk voor de Franse geheime dienst. Hij infiltreert in het satanistische milieu van Parijs en komt er op het spoor van de Paus van Satan. Deze oppersatanist, die de komst van de antichrist moet voorbereiden, blijkt niemand minder te zijn dan de kapelaan van het Heilig Bloed van Brugge, Louis Van Haecke. En zo belandt Huysmans in Bruges-la-Morte, de stad die door de tempeliers ooit was voorbestemd om het Jeruzalem van het westen te worden.
Huysmans schrijft een ophefmakende roman over zijn afdaling in een zwartmagische onderwereld, Là-Bas. Maar hierdoor raakt ook hij betrokken bij een ware Oorlog der Magiërs en komt hij terecht in een occult wespennest, waarin voordien figuren als Nostradamus en Jack the Ripper een rol speelden.
Huysmans ontdekt dat het geheim rond de afstammelingen van Jezus Christus en Maria Magdalena niet zou bewaard worden in Rennes-le-Château, in het zonnige zuiden van Frankrijk, maar een heel stuk noordelijker: in Brugge en Orval.
De Paus van Satan verschijnt in april 2011 bij Uitgeverij Manteau.
Patrick Bernauw oogstte succes met zijn thriller-trilogie rond documentairemaker Maarten Dejonckheere: Het Bloed van het Lam ("Vlaanderen heeft eindelijk zijn De Da Vinci Code." - De Standaard), Nostradamus in Orval ("Actie en mysterie wisselen elkaar af met een stevige brok geschiedenis." - Metro) en Het Illuminati Complot ("Een rijk gedocumenteerd boek... met tal van knipoogjes naar de boeken van Umberto Eco en Dan Brown." - Vrij Nederland).
Filip Coppens in de Jeruzalemkerk, Brugge.
Filip Coppens woont in Los Angeles met zijn partner Kathleen McGowan, de bestsellerauteur van Het Magdalena Mysterie. Hij is auteur van verscheidene succesvolle non-fictieboeken over oude mysteries, die verschijnen in verscheidene talen. In Vlaanderen en Nederland is hij vooral bekend van zijn bestseller De Da Vinci Code Ontcijferd.
Rond de mysteries van het Heilig Bloed en de Graal van Brugge, Louis Van Haecke en Joris-Karl Huysmans maakten Patrick Bernauw en fotograaf Marc Borms in de reeks Mysterieus België het stadsspel De Geheimen van Brugge. Treed nu samen met Patrick Bernauw in de voetsporen van De Paus van Satan en ontsluier de geheimen van Bruges-la-Morte. Of trek op ontdekkingstocht met een doe-het-zelf pakket.
Vraag hier vrijblijvend een offerte aan.
6.12.10
Smashwords: Het Bloed van het Lam - ebook
Smashwords - Het Bloed van het Lam - A book by Patrick Bernauw
Het Bloed van het Lam
Ebook By Patrick Bernauw
Published: Nov. 07, 2010
Category: Fiction » Mystery & Detective » Historical
Words: 122191 (approximate)
Language: Dutch
Ebook Description
Tijdens zijn onderzoek naar de diefstal van de Rechtvaardige Rechters ontdekt Maarten Dejonckheere een occult geheim van de Tempeliers over de Heilige Graal. Deze historische thriller verscheen oorspronkelijk bij Manteau in 2006.
Tags
graal, het bloed van het lam, historische thriller, lam gods, patrick bernauw, rechtvaardige rechters, spannende boeken, tempeliers
Available Ebook reading formats:
Online Reading (HTML)
View
Online Reading (JavaScript)
View
Kindle (.mobi)
Download
Epub (open industry format, good for Stanza reader, others)
Download
PDF (good for highly formatted books, or for home printing)
Download
RTF (readable on most word processors)
Download
LRF (for Sony Reader)
Download
Palm Doc (PDB) (for Palm reading devices)
Download
Plain Text (download) (flexible, but lacks much formatting)
Download
Plain Text (view) (viewable as web page)
View
Abonneren op:
Berichten (Atom)
Populaire berichten
-
ebook (PDF): http://www.xinxii.com/nl/jan-van-eyck-en-jeanne-darc-p-342989.html Naar aanleiding van mijn boek "Het Bloed van het...
-
Het angstzweet breekt Johnny uit. Vervloekte mist! Je ziet geen hand voor de ogen op deze godverlaten snelweg. Straks knalt hij no...
-
J ules De Raedt: Waarde redactieraad van dag- of weekblad, en administrateurs-generaal van de belangrijkste Europese televisiezend...
-
Auteurs zijn ook & nog steeds het slachtoffer van "grote spelers", die een hold-up plegen op hun portefeuille. "...
-
Uit het GPS-Bosspel Van Galgenberg tot Duivelsput , waar de mandragora, alruin of galgenaas welig tiert... Er hoort ook een heus ...







