19.12.14

Meer HAAR in 2015 - Child In Time


In het voorjaar van 2015 verschijnt bij vzw de Scriptomanen
de debuutbundel van Anke Verleysen,
met installaties van Magali De Vlaeminck,
fotografisch bewerkt door Patrick Bernauw,
zoals dit CHILD IN TIME.



22.11.14

Boekvoorstelling "Tanne en ik" van Lieve Hoet in Brugge



Dames en heren,

Welkom in deze prachtige Orgelzaal… en bij een al even prachtige orgelpunt: de geboorte van een nieuw boek, “Tanne en ik” van Lieve Hoet. Mijn naam is Patrick Bernauw, en ’t is al meer dan 25 jaar da’k in ’t vak sta, het boekenvak welteverstaan, als schrijver en nu ook als uitgever. Van vzw de Scriptomanen. Meer bepaald: “digitale uitgever van de 21ste eeuw”, zelfs. Mochten we een slogan hebben – van het genre “En dan vind je de job van je leven en ben je weg”… het zou “digitale uitgever van de 21ste eeuw” zijn.
Maar wat houdt dat in, hoor ik u vragen?
Kort gezegd, wij doen in Printing On Demand en ebooks. In plaats van meteen duizend exemplaren te drukken, laten wij dankzij de moderne digitale print-technieken exact het aantal exemplaren drukken dat we op een bepaald moment nodig hebben. Of bestelt u 1 boek in uw plaatselijke boekhandel, of online, dan kan dat ook. ’t Is een milieubewuste manier van werken. En een ebook, dat weet u, leest u op uw e-reader, tablet, iPad of laptop.
Plaatselijke boekhandels krijgen het alsmaar moeilijker op een krimpende markt, terwijl er ook steeds meer online gekocht worden. De tijd dat u ieder nieuw boek in elke boekhandel en in elke bibliotheek vond, is al lang achter de rug. In de media, in de boekhandel, bij de uitgevers jaagt men nog uitsluitend op bestsellers, ook als we de kookboeken en de BV-vehikels even buiten beschouwing laten. Boeken waarvan men er meteen enkele duizenden kan drukken, die 1 jaar overal verkrijgbaar zijn, en waarvan het restant vervolgens in een al overvolle Slegte belandt (die even Polare was) of gewoonweg vernietigd wordt. Wij doen het anders. Wij geven duurzaam uit. Bij ons komt de auteur op de eerste plaats en ligt zijn of haar boek als het ware voor eeuwig in de online etalage, zodat het  binnen drie of vier jaar ook nog steeds gevonden kan worden door die ene lezer hier, die andere daar en nog een derde ginds (en zelfs een vierde ginderachter). Wat uiteraard niet wegneemt dat wij samenwerken met deze boekhandels die brood zien in onze boekjes.
  
Dames en heren,

Medio jaren negentig was ik hoofdredacteur van de reeks Historische Verhalen voor de jeugd van uitgeverij De Sikkel. Ik stel het mij zo voor dat ik daar één van de allereerste verhalen van Lieve Hoet heb zien passeren. Is dat zo, Lieve? Anders moet ik nog snel mijn speech aanpassen.
Enfin, later zijn we elkaar ook zo links en rechts tegen gekomen, te velde, lezingen gevend in, bijvoorbeeld, Ieper. Historische verhalen… ’t is altijd mijn ding geweest, en blijkbaar voelt Lieve zich ook heel erg in haar element in de geschiedenis – ’t moet niet altijd biologie zijn, nietwaar. Maar toen stopte ik met schrijven voor de jeugd, kwam ik niet meer zo buiten (enfin, ging ik niet zo veel lezingen meer geven in scholen) en kwam ik Lieve dus ook niet meer zo tegen.
En toen begon het te rommelen in de boekenwereld – het rommelt er nog altijd – en dacht ik: jamaar, hebben veel van die grote uitgevers ook niet heel wat ellende aan zichzelf te danken? Zijn zij in hun jacht op de nieuwe bestseller de auteur niet uit het oog verloren? Kunnen zij zich nog bezig houden met de promotie van een literair boek tussen die overvloed aan BV-titels?
Op die manier dacht ik het met vzw de Scriptomanen, die toch al wat ervaring had met het produceren van theater of het uitgeven van fotoboekjes voor stadsspelen, mijn kans te kunnen wagen. En zie, via vriend en collega Guy Didelez kreeg ik te horen dat Lieve Hoet voor een nieuwe historische roman uitkeek naar een uitgever… Ik kreeg “Tanne en ik” te lezen, en ik was meteen verkocht.
“Ik heb je boek nog niet helemaal uit, maar Josine is ondertussen al wel getrouwd...” mailde ik haar iets na halverwege, “en tot dusver was het een bijzonder aangename leeservaring (ik twijfel er niet aan dat het resterende deel even aangenaam zal zijn). Je schrijft vlot en beeldend, het verhaal ontwikkelt zich aan een hoog tempo en kan even goed door een volwassen publiek gesmaakt worden als door de adolescenten die je op het oog had. Niet alleen vanwege de historische setting, de “volwassen” problematiek (o.a. rond onwettige kinderen, Inquisitie en reformatie en dat soort dingen), maar ook omdat het een “coming of age” verhaal is, waarbij je een paar figuren zoals Tanne – maar in de eerste plaats Josine natuurlijk – volgt in hun groei naar volwassenheid.
Het boek moet het niet hebben van 1 stevige, dragende plot. Maar het heeft een romantische held (Symoen), en twee interessante en duidelijk van elkaar onderscheiden heldinnen (Tanne en Josine), met een aantal mooie nevenpersonages (meester Isenbrant, Pieryne, Clementine,...) en het schetst een overtuigend beeld van het leven in de 16de eeuw. De personages zijn psychologisch geloofwaardig uitgewerkt: de liefde van Josine voor Symoen, en hoe ze daarna zonder veel animo trouwt met “een brave mens”... ik vind dat allemaal ten zeerste boeiend.”





Dames en heren, 

Ook het resterende deel van “Tanne en ik” was een bijzondere aangename leeservaring. En ik ben ervan overtuigd dat u, zodra u het boek gelezen hebt, dat volmondig zult beamen.




Lees hier de Goodreads 4 sterren recensie van Willy Schuyesmans.

10.11.14

Malemort/Black-Out: Ik zal u leiden naar de Herinnering


Poëzie Performance "Open Mankementen Dag / Malemort-Black Out"... ook in uw huiskamer?
Met Patrick Bernauw, Ellen Lanckman & Jeroen Bernaer.



Deze clip werd gemaakt ter gelegenheid van "Open Mankementen Dag" (7 en 14 september 2014) in Beringen-Mijn, door Patrick Bernauw (black-out poetry/stiftgedicht & performance) en Jeroen Bernaer (film + foto / bewerking: Patrick Bernauw).


3.11.14

Het Mysterie van Mons



Een nieuwe aflevering in een reeks artikels 
van Patrick Bernauw
over de gebeurtenissen in Mons 
tijdens de Groote Oorlog,
waarop zijn historische thriller 
Het Geslacht van de Engel 
gebaseerd is.





Om in een mirakel te geloven, volstaat het niet er een gezien te hebben, want men kan zich ook vergissen.

Voltaire



Er zijn in de diepten van de menselijke geest onuitputtelijke bronnen van goedgelovigheid en bijgeloof aanwezig.

De gebroeders Grimm



De patiënt en ik keren ons gezamenlijk naar de grijsaard van twee miljoen jaar, die in ons allen leeft. Uiteindelijk hangt het grootste gedeelte van onze moeilijkheden af van het feit dat wij het contact met onze instincten, met de oeroude en onvergeten wijsheid die in ieder van ons opgeslagen is, verloren hebben.

Carl Gustav Jung, dieptepsycholoog en verlichte geest, in Psychologische Considersaties.




Geen enkele onderzoeker is er tot nu toe in geslaagd te bewijzen dat er niets wezenlijks gebeurd is in Bergen, wat op zich geen bewijs is dat er ook niets wezenlijks is gebeurd. Maar het is ook zo dat geen enkele onderzoeker er tot nu toe in geslaagd is te bewijzen dat er iets wezenlijks gebeurd is in Bergen, wat op zich dan weer geen bewijs is dat er iets wezenlijks is gebeurd.
Harold Begbie en vele andere religieus geïnspireerde zielen geloven in een bovennatuurlijke ingreep, in een christelijke context, door reëele engelen. Als we aannemen dat verschijningen van heiligen als St. George en van spookachtige boogschutters uitsluitend geïnspireerd zijn door het verhaal van Machen, dan zijn er voor de rest alleen maar rapporten over engelen bekend, van wie zowel de gedaante als de functie nogal eens durfde te variëren. Deze engelenverhalen zijn duidelijk onderscheiden van de mythe over de krijgshaftige heilige en zijn spookachtige soldaten, ze ontstonden wellicht eerder (begin september 1914) en ze gingen ook veel langer mee. Het verdient dus aanbeveling de notie ‘engel’ even van dichterbij te bekijken.
In haar boek Engelen - Stralende beschermers, gevleugelde boodschappers (Rainbow Pocketboeken, 1992) merkt Paolo Giovetti op dat deze hemelbodes lang niet alleen binnen het christendom voorkomen, maar ook een belangrijke rol spelen in de hellenistische en islamitische tradities, in het jodendom, bij de volgelingen van Zoroaster en Boeddha en onder de Amerikaanse Indianen – in de meest uiteenlopende religies en culturen, kortom. In de geschriften en de kunstwerken die de Oude Egyptenaren hebben nagelaten, wordt de godin Isis meestal voorgesteld als een gevleugeld wezen. Sjamanen hadden al eens vleselijke gemeenschap met gevleugelden, die hen bezochten in de vorm van arenden of raven of geesten die we niet meteen associëren met de christelijke iconografie.
Er hebben altijd entiteiten bestaan die spirituele sferen bewonen en in staat zijn om heen en weer te reizen tussen de materiële en de immateriële wereld. Engelen worden meestal beschouwd als de boodschappers van een godheid; het zijn machtige en wijze wezens die de mensen helpen en beschermen, soms ook een bemiddelende rol spelen tussen de Onsterfelijken en gewone stervelingen als u en ik. Etymologisch is het woord ‘engel’ trouwens een afgeleide van het Griekse woord ‘angelos’, dat ‘boodschapper’ betekent. Het Hebreeuwse woord voor ‘engel’ is ‘malak’, wat zoveel betekent als ‘schaduwzijde van God’, ‘emanatie van Jahweh’ en alweer: ‘boodschapper’.
Engelen hebben nog enkele andere belangrijke functies. Zij dienen het vertrouwen in de godheid en de hoop te bevorderen en zij worden geacht het geloof in een hogere macht dan de menselijke te versterken. Op die manier leveren zij tegelijk het bewijs van het bestaan van hogere sferen. Sommige bronnen spreken ook over een bemiddelende rol in het realiseren van een ‘universele broederschap, op aarde zowel als in de hemel’ – wat dat ook moge betekenen. Zij moeten een verandering in het leven van een individu of de mensheid in haar geheel mogelijk maken en dit individu of deze mensheid  leren daarmee te leven. En ten slotte zullen zij er de mens ook van bewust maken dat zijn macht beperkt is, maar dat die van God alles mogelijk maakt. 
Onder meer spiritisten geloven dat wij de engelen – net als de elfjes bewoners van spirituele sferen – niet in hun werkelijke vorm kunnen zien. Wat we zien is een soort ‘persoonlijke vertaling’ die we maken - van de spirituele naar de fysieke sfeer – van het beeld dat de entiteit ons aanbiedt, en die ons in staat stelt het te begrijpen. Engelen hebben op die manier ook geen bepaald geslacht: ze kunnen er zowel mannelijk als vrouwelijk uitzien; het hangt er alleen maar vanaf in welke context zij verschijnen en wat de strekking van hun boodschap moet zijn.
Engelen zijn archetypen, krachtige symbolen, oerbeelden die spreken tot mensen van alle tijden en in alle culturen. De Westeuropese cultuur is in grote mate gekleurd door het christendom, zodat we ons voor een referentiekader waarin we de engelen van Bergen kunnen situeren vooral tot de Bijbel moeten wenden. Engelen zijn alomtegenwoordig in de Bijbel. Een greep uit het overvloedige aanbod: twee engelen waarschuwden Abraham op weg naar Sodom en Gomorrha; engelen leidden en beschermden het volk Israël tijdens de exodus; Ezekiël had visioenen van engelen; een engel redde David van de leeuwen; de engel Gabriël bezocht Maria; een engel bevrijdde Petrus uit zijn kerker en engelen lieten Johannes de toekomst zien in een symbolische vorm. De meerderheid van deze bijbelse engelen nemen de vorm aan van een man en zijn ongevleugeld; enige uitzonderingen op de regel zijn de cherubijnen en serafijnen en de vermelding van één enkele vrouwelijke en gevleugelde engel in het Oude Testament.
Marc Chagall (1887-1985) heeft in zijn werk altijd een grote plaats ingeruimd voor metafysische en symbolische elementen. De engelen en de fantastische dieren in hun wonderlijke kleuren, die zo vaak zijn hemelen bevolken, zouden geïnspireerd zijn door een droom waarin een gevleugeld wezen ‘vol schittering’ in zijn kamer neerdaalde en die vulde met vlagen welriekende geuren. Chagall kon de engel niet goed zien – het licht dat hij uitstraalde, verblindde zijn ogen -, maar hij zweefde naar iedere hoek van de kamer, steeg dan weer op, verdween door het plafond en nam ‘al het licht en het blauw van de hemel met zich mee’.
Zowel de gedichten als de schilderijen van William Blake (1757-1827) hebben een duidelijk mystiek-visionair karakter. Blake had visioenen van engelen, die hem schilderlessen gaven. Jezus Christus dicteerde hem ook al eens wat hij op moest schrijven. ‘Ik ben slechts de secretaris,’ schreef hij in het epische gedicht Jeruzalem. ‘De auteurs zijn in het onzichtbare leven.’ Net zo noemde hij zijn schilderijen en tekeningen alleen maar kopieën van beelden die aan hem verschenen.
 ‘Hij leefde altijd tussen twee werelden,’ merkt Paola Giovetti op, ‘overtuigd van de realiteit van allebei. Hij was in staat deze twee realiteiten in zijn werk en in zijn uitzonderlijke persoonlijkheid te laten versmelten. Voor Blake waren intuïtie en verbeeldingskracht de meest betrouwbare middelen die tot kennisverwerving leidden. Hemel en hel waren voor hem volmaakte realiteiten die net zo te beschrijven en uit te beelden waren als de dingen en de schepselen van deze wereld. Van zijn vele beschrijvingen citeer ik er maar een: “De oeroude traditie dat de wereld na zesduizend jaar door het vuur verteerd zal worden, komt, naar wat ik in de hel gehoord heb, overeen met de waarheid. Zodra de Cherubijn met het vlammende zwaard opdracht zal krijgen de wacht bij de levensboom te staken, zal terstond de hele schepping in vlammen opgaan om daarna oneindig en heilig te voorschijn te komen, terwijl ze nu niet anders dan eindig en corrupt lijkt te zijn.”’
Volgens de exegeten verschijnen er ook in deze moderne tijden nog regelmatig engelen. Een sprekend voorbeeld is dat van de engel die in Valley Forge aan George Washington verscheen en hem inspireerde tot het stichten van een nieuwe natie, de Verenigde Staten van Amerika. De Amerikaanse Grondwet en de Verklaring van Onafhankelijkheid zouden eveneens tot stand gekomen zijn met de hulp van enige engelen. Charles Lindbergh, naar eigen zeggen, vergezeld door een goddelijke entiteit tijdens zijn fameuze oversteek van de Atlantische Oceaan en Russische kosmonauten getuigden ‘drie grote gouden en gevleugelde engelen’ waargenomen te hebben tijdens een ruimtevlucht.
Beroemd zijn ook de Portugese verschijningen van de Maagd Maria in Fatima (1917) aan drie kinderen, die voorafgegaan werd door enkele verschijningen van een engel. De lichtgevende bollen, de bliksemflitsen en de wolkjes waarmee een en ander gepaard ging, hebben ten zeerste tot de verbeelding van de ufologen gesproken, maar uiteindelijk hadden zowel de boodschappen van de engelen en die van de Maagd Maria toch vooral betrekking tot de Grote Oorlog: Christus was ten zeerste beledigd door de ‘ondankbare mensen’ en de schade die hun misdaden hadden aangericht, en Rusland moest bekeerd worden, zoniet zou er geen vrede heersen.
‘Findhorn is een klein vissersdorp in het noorden van Schotland, een koud gebied dat geteisterd wordt door winden. Toch ontstond juist hier een van de mooiste en weelderigste tuinen die men zich kan voorstellen. Het ontstaan van dit wonder wordt aan de engelen toegeschreven,’ schrijft Paola Giovetti over gebeurtenissen die zich voordeden in 1962, precies een halve eeuw nadat de beroemde Oostenrijkse filosoof en letterkundige Rudolf Steiner (1861-1925) een al even beroemde lezingencyclus wijdde aan De spirituele entiteiten in de hemellichamen en in het rijk van de natuur. De grondlegger van de antroposofie identificeerde de engelen als een soort natuurgeesten; voor de nog steeds talrijke volgelingen van Steiner (denken we maar aan de Steinerscholen) werd zijn theorie door de bevindingen in Findhorn bevestigd: engelen waakten over de aarde.
In 1983 publiceerde de Nederlandse arts H.C. Moolenburgh zijn geruchtmakende boek Engelen als beschermers en als helpers der mensheid (Ankh-Hermes) gevolgd door Een engel op je pad (Ankh-Hermes, 1991). Hij stelde aan 400 van zijn patiënten de vraag: ‘Hebt u ooit in uw leven een engel gezien?’. Zestien procent van de ondervraagden ging daar serieus over nadenken, wat Moolenburgh al een verbazingwekkende reactie vond. Elf procent barstte in lachen uit. Negen procent reageerde gewoon verbaasd en nog eens elf procent leek in zijn vraag een onverwachte bevestiging te zien ‘van iets wat hij altijd al gedacht had’. Slechts negentien personen werden kwaad of ontstemd en negen anderen beweerden dat ze al met een engel samenleefden (hun echtgenoot of echtgenote). Vijf procent van de ondervraagden – twintig personen dus – antwoordden dat ze nog nooit een engel hadden gezien… maar vertelden dan een verhaal ‘dat met een bovennatuurlijke mysterieuze ervaring te maken had’.
Moolenburgh concludeerde hieruit dat ‘de westerse mens niet zo materialistisch is als men vaak denkt. Hij moet in een wereld leven waarin alles op een logische en rationele manier is georganiseerd. Als men echter een beetje aan dit vernisje van rationaliteit krabt, blijkt dat ook de mens in onze eeuw nog diep verbonden is met de wereld van het mysterie.’
Moolenburgh vertelt in zijn boek ook één bepaald engelenverhaal dat niets met zijn enquête te maken heeft, maar alles met zijn jeugd en dat te mooi is om in deze context te laten liggen. In 1939 werd het kleine Finland aangevallen door het machtige Rusland en niemand twijfelde eraan dat het Finse legertje totaal vernietigd zou worden – maar het liep anders af: de Finnen slaagden er op een bijna miraculeuze wijze in aan de tangbeweging van de Russen te ontsnappen. Waar hebben we dit eerder gehoord? Dit ongelooflijke verhaal wekte verbazing en opwinding over de gehele wereld, niemand begreep het, zelfs sir Winston Churchill niet: het Finse leger leek onzichtbaar geworden te zijn. Later hoorde dokter Moolenburgh een mooie verklaring voor dit wonder: de Finnen hadden in hun uur van hoge nood om hulp gebeden – nog een parallel met ons verhaal – en midden in de nacht werd er een reusachtige engel waargenomen, die zijn vleugels had uitgestrekt over het Finse leger. Op die manier hadden de Russen de omsingelde Finnen niet kunnen vinden.
Het magazine Time publiceerde in de jaren negentig nog een enquête waaruit bleek dat 69% van de Amerikaanse bevolking in engelen geloofde en 49% in beschermengelen. Deze engelen verschijnen aan de Amerikaan op heel diverse manieren: soms in een menselijke gedaante, soms als niet meer dan een licht of een zwevende gouden halo. Ze dalen neer om de Amerikanen te behoeden (vvoor het kwaad of voor de hel), om ze een andere wending aan hun leven te geven, om ze te helpen als ze fysieke of emotionele pijn lijden, of om ze de winnende loterijcombinatie aan te wijzen.
In werken waarin aandacht wordt besteed aan het optreden van engelen in deze moderne tijden, ontbreekt het mysterie van Mons alleen maar bij wijze van hoge uitzondering op het appèl. De engelen over wie onder meer de soldaten van generaal John Charteris het lijken gehad te hebben, kunnen overigens geïdentificeerd worden als cherubijnen. In veel culturen is namelijk sprake van een vrij ingewikkelde ‘hiërarchie’ van engelen, waarop we hier niet dieper zullen ingaan, maar waartoe ook deze cherubijnen behoren. Tot de onmisbare attributen van de ‘cherubijn’ behoort ‘een vlammend zwaard’ – en nogal wat engelen van Bergen waren in het bezit van een dergelijk wapen.
Zijn er reële engelen – cherubijnen of andere – in die augustusmaand van het jaar 1914 neergestreken in de buurt van Bergen? Men kan deze vraag alleen maar positief of negatief beantwoorden op grond van argumenten die alles te maken hebben met het geloof in hun bestaan. Door godsdienstige mensen wordt een  gelukkig toeval misschien al te gauw beschouwd als een goddelijke interventie, een mysterieuze menselijke held als een door God gezonden engel. Hebben zekere soldaten dan bepaalde visioenen gehad van engelen, tijdens die augustusmaand, in Bergen? Dat is zeer wel mogelijk.
Volgens Paolo Giovetti lijken sommige moderne getuigenissen het oude geloof in engelen te staven. Ze verwijst hierbij naar visioenen van de mensen die bijna-dood-ervaringen hebben gehad, zij die ‘in dat niemandsland tussen het hiernamaals en wat er aan vooraf gaat iets gehoord of gezien hebben dat zich onuitwisbaar in hun geheugen heeft gegrift.’ Er werden zo al duizenden ervaringen van over de gehele wereld opgetekend, die wel van elkaar verschillen omdat ze kaderen in een andere socio-culturele context en beïnvloed zijn door een ander religieus verwachtingspatroon, maar hun opvallende overeenkomsten doen ‘vermoeden dat het hier om meer gaat dan alleen dromen en fantasieën’. Wanneer het wakend bewustzijn uitdooft, blijkt de persoon die een bijna-dood-ervaring heeft nog zeer goed in staat te zijn ‘te denken, zich iets te herinneren, te zien en te horen.’ Tegelijkertijd neemt hij contact op met een ‘hogere en andere dimensie’ die als ‘bovenaards’ wordt gedefinieerd:  ‘Zij zien prachtige landschappen, horen prachtige muziek en zijn bovenal omgeven door een buitengewoon licht; dingen die door iedereen eensgezind, als niet in menselijke bewoordingen uit te drukken verschijnselen worden gedefinieerd. Het woord dat het beste bij deze nieuwe dimensie en bij dit door hen heen stromende licht past is “liefde”.
De psychologe dr. Elizabeth Kübler-Ross, die de gangmaakster is geweest voor de studies over bijna-dood-ervaringen, merkt in haar boek Over het dood en het leven daarna (Ambo, 1985) het volgende op: ‘Wat de kerk aan kleine kinderen vertelt over hun beschermengel berust op feiten, want het is bewezen dat ieder mens van de geboorte tot aan de dood begeleid wordt door geestelijke wezens. (…) Kinderen noemen deze begeleiders “speelkameraadjes” en zijn zich heel goed van hun aanwezigheid bewust. Als zij echter naar school gaan zorgen de volwassenen ervoor dat zij deze vriend vergeten tot zij op hun sterfbed liggen. Een oudere mevrouw heeft mij bijvoorbeeld gezegd: “Daar is die weer!” Ik vroeg haar toen wat zij zag en het antwoord was: “Toen ik een klein meisje was, was hij altijd bij mij. Daarna heb ik zijn bestaan vergeten.” Een dag later stierf deze vrouw gelukkig omdat iemand wiens onbegrensde liefde zij goed kende haar opwachtte.’
Dokter Raymond A. Moody schrijft in Life after life: the investigation of a phenomenon, survival of bodily death (Bantam, 1976): ‘Het meest ongeloofwaardige aan de door mij bestudeerde gevallen is het feit dat de confrontatie met een heel schitterend licht dat is wat de diepste indruk achterlaat bij de mensen. (…) Ondanks de ongewone verschijningsvorm van het licht heeft niemand ooit betwijfeld dat het om een wezen gaat, een wezen van licht. (…) Het is interessant op te merken dat, hoewel de beschrijving van het wezen van licht van persoon tot persoon niet verschilt, de identificatie van persoon tot persoon wel verschilt en voornamelijk lijkt samen te hangen met de religieuze achtergrond, de opvoeding en het geloof van de betreffende persoon.’
In het Palazzo Ducale te Venetië hangt een beroemd doek van Hiëronymus Bosch (ca. 1450-1516) die zich in zijn kunst door folkloristische, magische, occulte en religieuze motieven liet inspireren. Dit doek stelt het ‘omhoogstijgen naar het empyreum’ voor en is een trouwe en tegelijk indrukwekkende voorstelling van wat stervenden die op een of maniere manier aan de dood zijn ontsnapt beweren gezien te hebben: een donkere tunnel die naar een schitterend licht leidt en zielen die, begeleid door engelen, daar doorheen zweven.
Het lijdt geen twijfel dat er aan het front nogal wat bijna-dood-ervaringen zijn geweest, waarvan de overlevenden verslag uitbrachten aan hun makkers, aan hun verpleegsters, aan vrienden en familieleden op het thuisfront. De legende van Bergen wemelt van getuigenissen waarin een licht centraal staat, dat ook in deze bijna-dood-ervaringen wordt beschreven; het is in dit licht dat ook de engelen verschijnen, die vaak als ‘schitterende wezens’ worden getypeerd. Berust de mythe van Mons op het verslag van een aantal bijna-dood-ervaringen, dat een eigen leven ging leiden en in een vervormde versie werd gereproduceerd? In dat geval rijst de vraag waarom de engelen zich dan voornamelijk in Bergen vertoond hebben, en wel in augustus 1914. Later tijdens die Grote Oorlog en in andere oorlogen die voordien en nadien zijn gevoerd, zullen er wellicht nog meer bijna-dood-ervaringen zijn geweest, en engelen zijn in geen ander militair treffen zo prominent aanwezig als in de Slag bij Bergen. Een visioen als gevolg van een bijna-dood-ervaring kan bijgevolg alleen maar als een gedeeltelijk verklaring voor de mythe van Mons naar voor geschoven worden. 

Nogal wat ufologen bieden ons een andere benadering van het probleem. Volgens hen is de archetypische engel uit de grote mythen en godsdiensten van de mensheid, maar ook uit de moderne berichten niets of niemand anders dan een Extra Terrestrial, een superieur buitenaards wezen dat de bevolking van deze planeet beschermt, op weg zet naar een betere toekomst, een rol speelt in de evolutie van het menselijk ras, enzovoort. 
Een mooi voorbeeld van deze stelling levert ons de cherubijn met het vlammende zwaard die door de soldaten van generaal Charteris werd waargenomen bij Bergen. In het Oude Testament werden cherubijnen gewoonlijk voorgesteld als wezens met vier vleugels en vier gezichten – dat van een mens, dat van een leeuw, dat van een stier en dat van een arend. Vreemd genoeg werden ze in later tijden vooral gezien als kleine kinderen. Hoe dan ook, God voorzag ze van een vlammend zwaard om Adam en ook anderen de toegang tot de Tuin van Eden te ontzeggen.
God moet in de optiek van deze ufologen beschouwd worden als de commandant van de ruimtewezens; de engelen zijn dan zijn soldaten en de geleerden die hij meegebracht heeft om in het laboratorium dat de Tuin van Eden is een nieuwe mensensoort te creëeren. God was daar blijkbaar ook niet alleen met zijn creaties: anders zouden dergelijke voorzorgsmaatregelen onnodig zijn. Waarschijnlijk was Hij dus bang voor sabotage door concurrenten; misschien moet het incident met de slang zelfs geïnterpreteerd worden als een poging om Zijn plannen te dwarsbomen.
Wat nu meer specifiek dat vlammende zwaard betreft, recente bewijzen lijken – nog steeds volgens deze ufologen - aan te tonen dat het hier niet om een of ander gesofisticeerd wapen zou gaan, maar veeleer om een ongeïdentificeerd vliegend object, een UFO met andere woorden. De ‘bewijslast’ blijkt dan, bijvoorbeeld, de ervaring van een jong koppel in Somerset te zijn, dat in 1990 aan het uitspansel een omgekeerd kruis in een abnormaal licht zag verschijnen. De UFO splitste zich in twee delen die een fantastische luchtacrobatie uitvoerden, waarna ze er gewoon vandoor gingen. Het koppeltje rapporteerde hun ervaring bij een plaatselijke UFO-groep, die hen wist mee te delen dat wat zij gezien hadden allerminst ongewoon mocht worden genoemd. Hetzelfde UFO-fenomeen werd in die streek regelmatig waargenomen. Nu mogen een vlammend zwaard en een omgekeerd kruis op het eerste gezicht twee verschillende dingen lijken, maar dat zijn ze niet: in bijbelse tijden zag een zwaard er nu eenmaal uit als een omgekeerd kruis.
Het schitterende licht, de lumineuze wolken en de lichtgevende schijven én wezens van Bergen hebben ook altijd sterk tot de verbeelding gesproken van minder doortastende strekkingen binnen de ufologie. Men kan er inderdaad niet omheen dat er frappante gelijkenissen bestaan tussen de fenomenen die in Bergen zouden zijn waargenomen en meer recente rapporteringen van de ufologie – een ‘wetenschap’ die, laten we dat niet vergeten, pas dateert uit de jaren vijftig van de twintigste eeuw.
The Natural Philosophy of Flying Saucers is de titel van een lezing die R.V. Jones gaf voor de Newcastle Astronomical Society en maakt deel uit van een appendix bij het zogenaamde Condon Report – zowat de bijbel van de ufologie. De term ‘vliegende schotel’, merkt R.V. Jones in zijn lezing op, werd pas gelanceerd op 24 juni 1947 ‘maar het lijkt erop dat de fenomenen die hiermee worden aangeduid zich ook al lang voordien hebben voorgedaan. (…) In zijn geschiedenis van de Engelse Kerk en het Engelse volk, beschreef Bede (735) een evenement dat nu hoogstwaarschijnlijk zou worden beschouwd als zijnde veroorzaakt door een vliegende schotel. En ik herinner me hoe ik verslagen uit de elfde of twaalfde eeuw las, waarin een object in de hemel “multum terrorem” veroorzaakte bij de broeders in het klooster. Maar voor misschien een al even lange tijd wordt de neiging van de mensen om zichzelf en hun medemensen schrik aan te jagen, geëxploiteerd door grappenmakers. Ik heb ooit eens ergens gelezen dat Newton, als een jongen van twaalf, een grote paniek veroorzaakte in zijn dorpje in Lincolnshire door bij nacht met een lantaarn te zwaaien.’ Jones verwijst in dezelfde context nog naar de ‘wielen’ die de profeet Ezekiel al of niet in de hemel zag, naar de ‘hemelse tekenen’ die zo belangrijk waren voor de Romeinen, en… naar de engelen van Bergen.
Ufologen die oog hebben voor historische UFO-fenomenen, vonden in Bergen een hele kluif. Een ander berucht slagveld van de Grote Oorlog heeft eveneens de hun speciale aandacht getrokken, vanwege twee incidenten met een hoog UFO-gehalte, die zowel frappante gelijkenissen als verschillen vertonen met de gebeurtenissen bij Bergen.
Ik citeer uit Mysterie 14/18 van Richard Heijster:

Voor de geallieerden werd het bloedbad op (het Turkse schiereiland) Gallipoli een totale militaire mislukking. Volgens de overlevering stapelden de Turken op sommige plaatsen de lijken van hun tegenstanders op elkaar om zich erachter te verschansen…
Op 21 augustus 1915 vond op Gallipoli een bijzonder gebeurtenis plaats die na de oorlog nog eens door ooggetuigen werd bevestigd. Honderden Britse militairen marcheerden op die dag in de buurt van de Baai van Suvla een vreemd soort grijsachtige, massieve wolk binnen die laag boven de grond leek te hangen. De lengte van de wolk werd geschat op ruim 240 meter met een hoogte en breedte van ongeveer 60 meter. Geen van de soldaten verliet de wolk en na ongeveer een uur steeg de ‘wolk’ op tot zo’n kilometer hoogte. Daar kwam de wolk samen met zes tot acht soortgelijke wolken om vervolgens in de richting van Bulgarije te verdwijnen.
Na de capitulatie van Turkije in 1918 eiste Groot-Brittannië dat de mannen van het verdwenen regiment zouden worden vrijgelaten. Het antwoord van Turkije was dat ze van het bestaan van het regiment niet wisten en dat ze er nooit mee in gevecht waren geweest, laat staan dat ze de Britten krijgsgevangen hadden gemaakt.
Op dezelfde dag als de verdwijning, 21 augustus 1915, wordt melding gemaakt van het verdwalen van een aantal bataljons in dezelfde sector. Hun kompassen hadden de verkeerde richting aangegeven doordat ze te veel van het noorden afweken…

Uiteraard zijn de wolken van Gallipoli – die ons herinnert aan de wolken van Bergen - evenzovele ruimteschepen waardoor de kompassen van de soldaten in de war raakten en wer het verdwenen regiment ontvoerd door de aliens. Een mens vraagt zich af waarom in ‘s hemelsnaam, maar dat is nu eenmaal één van die vragen waarop alleen ufologen een antwoord weten te verzinnen. Deze legende van Gallipoli werd overigens pas voor het eerst ernstig opgetekend en onderzocht in 1965, en hoewel populaire pseudo-wetenschappelijke naslagwerken over het bovenaardse en het buitenaardse ze nog steeds trouw blijven vermelden, werd ze bij die gelegenheid al deskundig ontmaskerd als zijnde louter een mythe. Het verdwenen regiment waarvan sprake kan wel verdwenen zijn in een mysterieuze wolk, maar het werd daarna tot de laatste man afgeslacht door Turkse troepen die geen krijgsgevangenen konden of wilden maken. De Britten zouden zich nochtans overgegeven hebben; dit druiste dan ook in tegen alle regels terzake. Maar vanzelfsprekend konden de Turkse autoriteiten dit naderhand niet zomaar toegeven…
Merkwaardig is wel dat de mysterieuze wolk waarvan sprake ook figureert in een ander en tamelijk onverdacht rapport van een Australisch soldaat, dat vreemd genoeg een stuk minder gekend is. Ion L. Idriess hield een dagboek bij dat hij na de oorlog publiceerde (The Desert Column). Hij was één van de eerste soldaten die landden in Gallipoli, in mei 1915, werd gewond en geëvacueerd, keerde terug naar zijn eenheid en vocht in de Palestijnse campagnes van 1915, 1916 en 1917. Hij werd opnieuw gewond en keerde nu voorgoed terug naar Australië. In december 1916 nam zijn eenheid deel aan een offensief in het Midden Oosten tegen de Turken. Op Kerstdag noteerde hij in zijn dagboek het volgende:

De Turkse verliezen waren onmetelijk veel groter dan de onze, hoewel onze jongens vanuit de open woestijn aanvielen en de Turken in diepe loopgraven verscholen zaten en gesteund werden door machinegeweervuur. Het hele garnizoen viel met al hun Krupps in onze handen. Onze gewonden werden verzameld in het donkere; kleine vuurtjes werden naast hen aangestoken zodat brancardiers die door de woestijn dwaalden ze zouden vinden en oppikken. Daarna volgde die verschrikkelijk mars terug, want kolonnes Turkse versterkingen haastten zich van Shellal naar Maghdaba. De gewonden maakten een afschuwelijke tijd door.
Later. Er doet een merkwaardig verhaal de ronde door de hele Woestijnkolonne. Het lijkt erop dat de troepen, toen ze die dertig mijlen van Maghdaba terugreden, als het ware verpakt werden in een verblindende stofwolk. Zowat de hele kolonne leek te slaapwandelen; niemand had gedurende de afgelopen vier nachten geslapen en ze hadden negentig mijlen gereden. Honderden mannen hadden toen de meest eigenaardige visioenen -  soldaten die er bijzonder vreemd uitzagen reden naast hen, velen gezeten op onbekende dieren. Mannen wandelen recht door de paarden, zonder het minste geluid te maken. De kolonne reed door steden waar licht stroomde uit gesloten ramen van zonderlinge gebouwen. Op het land waaiden groene velden in de wind, en er waren bomen en bloementuinen. Heel veel mannen spreken daarover op een zeer merkwaardige manier. Er waren grote stenen tempels met zuilen van marmer en wiegende olielampen – onze jongens konden de brandstof ruiken – en witte moskeeën met statige minaretten…

Het lijkt op een hallucinatie, veroorzaakt door extreme vermoeidheid – maar het is toch wel interessant op te merken dat het ook nu weer ‘een wolk’ is die een vreemde wereld lijkt te herbergen.

Zogenaamde paranormale of bovennatuurlijke fenomenen, die zich ook in Bergen zouden hebben voorgedaan, kunnen verklaard worden als een bovenaardse of buitenaardse goddelijke of demonische interventie – maar alleen door hen die in goden en duivels, in engelen en ufonauten geloven.
Sommige paranormaal vorsers houden ons voor dat dit complexe universum van ons dat wij nog maar nauwelijks verkend hebben, geregeerd wordt door al even complexe ritmen en patronen.  Ze wijzen in dat verband op de ley lines (ook weer vooral een Britse aangelegenheid) – onzichtbare lijnen die een verandering in het magnetische veld van de aarde markeren. Vogels, vissen en de dieren van het veld zouden instinctief deze lijnen volgen, waarlangs zich ook allerlei fenomenen zouden voordoen die wij bij gebrek aan een betere term ‘paranormaal’ plegen te noemen. T. Williamson schreef in maart 1987 een artikel voor The New Scientist waarin hij aantonde dat duiven, walvissen en bijen ‘navigeren’ door gebruik te maken van het magnetische veld van de aarde. Zij worden hiertoe in staat gesteld door een fysiologische substantie, ‘magnetiet’ genoemd. Deze stof werd ook aangetroffen in menselijk hersenweefsel.
Een gebrek aan licht kan, net als een gebrek aan slaap, een invloed hebben op het brein. En mensen hebben altijd geloofd dat de maanstanden niet alleen de getijden beïnvloeden, maar ook het menselijk gedrag. We kunnen waarnemingen van verschijnselen van paranormale aard ook verklaren aan de hand van autosuggestie – denken we maar aan het ‘placebo effect’. Een op het eerste gezicht ‘paranormaal fenomeen’ als het gevoel van deja vu dat we allemaal kennen – ‘ik ben hier eerder geweest! – kan toegeschreven worden aan het feit dat ons brein twee helften bezit, waarvan de ene helft een bepaalde input een fractie van een seconde eerder verwerkt dan de andere. We hebben het al over bijna-dood-ervaringen gehad, waarvan de beelden en gewaarwordingen volgens de wetenschapslui worden veroorzaakt door ‘biochemische stormen’ die ook optreden in momenten van grote spanning, pijn, vreugde of opwinding. Maar al deze fenomenen – van magnetische velden tot biochemische stormen – kunnen het mysterie van Mons niet afdoende verklaren.
Bepaalde gebeurtenissen worden geëvalueerd als ‘paranormale feiten’ omdat de rapportage niet accuraat genoeg was – lees: overdreven. Als een theorie om een of andere reden aantrekkelijk genoeg is, hebben we de neiging slordig om te springen met de feiten. Dan verkrijgen we een stof waarvan niet alleen dromen gemaakt zijn, maar waaruit ook urban legends worden geboren – de mythen van deze moderne tijden. Het mysterie van Mons heeft alle allures van de typische urban legend – maar is daarom nog niet geheel en al gebaseerd op verzinsels, zoals ze ook niet geheel en al kan verklaard worden aan de hand van bijna-dood-ervaringen.
Voor wie helemaal niets of vrij weinig voelt voor een of meerdere van de hier opgesomde verklaringsmodellen, bestaat er nog een laatste mogelijkheid: het mysterie van Bergen is het resultaat van een geslaagde mystificatie. Goochelaars doen voorwerpen verdwijnen voor onze ogen – David Copperfield liet zelfs het hele Vrijheidsstandbeeld van de Amerikanen voor hun verbaasde ogen verdwijnen. Het leek alleen mogelijk met behulp van een bovennatuurlijke, maar het was niets anders dan een truc, gezichtsbedrog, een fata morgana, een illusie van werkelijkheid.
Kunnen we er in dat geval van uitgaan dat de truc van Bergen een – gelukkig – schot in het donker is geweest van een eenzaam opererende en experimenterende illusionist, of moeten we ons veeleer een groep goochelaars voorstellen, die met opzet en met een welbepaald doel voor ogen zeer planmatig te werk zijn gegaan? Ik heb er geen idee van, maar ik heb wel het gevoel dat wij alle andere mogelijke verklaringsmodellen tegen het licht hebben gehouden, en dat zij stuk voor stuk niet geheel bevredigend kunnen genoemd worden – tenzij we wensen te geloven in een hemelse tussenkomst. Ik heb bovendien de indruk dat, indien wij voor de mystificatie gaan die werd opgezet door één enkel individu of door een groep van personen, wij vroeg of laat bij de figuur van Arthur Machen op ons pad zullen vinden.
Eerst wil ik u evenwel nog confronteren met een andere eenzame illusionist, die op zijn beurt misschien niets anders was dan een illusie van weer een andere illusionist. Ik heb het hier nu over kolonel Friedrich Herzenwirth, van wie ik de klinkende naam op deze pagina’s met opzet nog niet laten vallen heb. Ik ben er mij terdege van bewust dat ik uw geduld wel heel hard op de proef stel, maar Machen moeten we echt nog even in de kast laten zitten…

18.10.14

Malemort/Black-Out: Dit Huis zag Licht & Donkerte




De Malemort/Black-Out
Dit Huis zag Licht & Donkerte
maakte deel uit van de Poëzie Performance 
Open Mankementen Dag
in Beringen-Mijn, 7 & 14 september 2014
van en met Jeroen Bernaer, 
Patrick Bernauw & Ellen Lanckman



Stiftgedichten & Performance: Patrick Bernauw
Foto & Film: Jeroen Bernaer

Met tekstuele & live bijdragen van Ellen Lanckman,
uit haar bundel Over deugd en andere mankementen.

U kan dit programma (een locatieproject) boeken 
voor uw vereniging, organisatie, familie of vriendenkring,
tot zelfs in uw huiskamer toe!





1.10.14

Mijn eerste boeken als redacteur, literair agent, uitgever



Het was mij een eer en een genoegen te mogen optreden als redacteur, literair agent en uitgever van het nieuwe boek van Chris Noppe, De Openbaring van Arsène Goedertier. Dit non-fictie werk van meer dan 400 pagina's verenigt twee van mijn favoriete onderwerpen uit Mysterieus België: de mysteries van het Lam Gods en de moord op Albert I. Het boek wordt voorgesteld op 18 oktober, om 20 uur, in de Stijn Brouns Theater- en Filmschool, Sleepstraat 210D, Gent. Wil je er ook bij zijn? Graag een seintje! Tot 15 oktober kan de paperback van De Openbaring van Arsène Goedertier  besteld worden aan voorintekenprijs en afgehaald op de voorstelling. 

Alle info: hier!


En dan is er nog een boekvoorstelling op komst. Dit schreef ik over Pablo Perruche van Peter Lievens:

Peter Lievens woont in Erembodegem bij Aalst, het dorp van Louis Paul Boon. En er zijn wel meer parallellen denkbaar tussen deze twee auteurs. Allebei waren het dubbeltalenten: schilders en schrijvers. Allebei hanteren ze in hun proza een rauwe, razende stijl - omdat ze het leven zelf willen benaderen. De schoonheid van ongepolijste poëzie...

De lovende woorden van Josse De Pauw waren niet overdreven. Ik heb bijtijden zitten giechelen met dit boek - want Peter Lievens heeft humor (dat had LP Boon ook). Ik heb genoten van de manier waarop hij over zijn jeugd schrijft, in de jaren zestig en zeventig, en over de zeden en gewoonten en de muziek van toen... zo herkenbaar! Ik heb een krop in de keel gehad, meer dan eens... en wie kan onbewogen blijven onder de van erotiek zinderende passages? De lyrische liefdesbetuigingen? 

En ja, ondanks de in het oog springende gelijkenissen met Boon, is dit een schrijver met een uniek stemgeluid. Lezen, die handel!



17.9.14

Dolende Ridders, al of niet met Roze Paperclip, in Maliënkolder


Ik heb een zeer ernstige hersenhelft, en ook een bijzonder onnozele. Af en toe dient het precaire evenwicht tussen beide hersenhelften hersteld te worden, en dan ga ik bijvoorbeeld over Dolende Ridders schrijven, al of niet voorzien Roze Paperclip en meer van dat soort Maliënkolder.

In "ware kronieken" worden dan, pak weg, de avonturen van enkele ridders uit de stal van Karel de Grote uit de doeken gedaan. Waarbij moet gezegd dat de meisjes en vrouwen uit zijn tijd in emancipatorisch opzicht hun tijd ver vooruit waren. Er wordt dan ook niet op een anachronisme meer of minder gekeken in deze verhalen over monsters en engelen, helden en sukkels, hemel en hel. De absurde humor en de parodiërende stijl maken Karel de Grote niet gewoon groot, maar ontzettend groot - en nog een stukje groter zelfs. Ook niet mis zijn Angoulaffre met de Gele Tanden, de verliefde leeuw Oghris of Roland die in zijn eentje een bres slaat in de muren van Saragossa. Er vallen flink wat doden, gewonden en andere slachtoffers, maar gelukkig blijft de verteller van deze ongelooflijke gebeurtenissen er opvallend vrolijk onder!  











7.9.14

Malemort - Paranormaal Poëtisch Exorcisme in Beringen

Voilà, alles is in gereedheid gebracht om een Paranormaal Poëtisch Exorcisme uit te voeren in Beringen-Mijn met... Malemort / Black-Out... - en met medewerking van Ellen Lanckman en Jeroen Bernaer!







1.9.14

Wil jij ook 2 maanden gratis mijn ebooks lezen bij Scribd?



Een steeds interessanter wordende site om boeken op te ontdekken - zij het dan wel in ebook-formaat (de liefhebbers van papier kunnen zich daarna nog altijd het drukwerk aanschaffen) - is Scribd. Oké, zowat 90% van het aanbod zal Engelstalig zijn, maar ondertussen vind je er ook al behoorlijk wat kleine onafhankelijke Nederlandstalige uitgevers en auteurs op. Zo ook de Scriptomanen en Everstory Books... en via die weg ongeveer 60% van mijn nu al gedigitaliseerde Verzamelde Werken, maar ook nogal wat ebooks van collega auteurs als Guy Didelez, Johan Vandevelde, Mieke Vanpol, Koen D'haene, Stefaan Van Laere - om er maar een handvol (5 dus) te noemen. (Maar meer Goed Volk volgt nu in sneltreintempo!)




Scribd heeft een eigen "reader" die heel lekker leest op je PC of laptop: kijk hierboven maar eens naar mijn Dolende Ridders, dat geeft een idee). Nog leuker lezen is het natuurlijk op iPad, tablet of smartphone. Maar - en dat is het grote verschil met andere platformen en readers -, je kunt er ook erg goed PDF's op "lezen": kijk hieronder maar eens naar mijn Maliënkolder



En Scribd heeft nog meer voordelen... Eigenlijk is dit, samen met Oyster, de Netflix van de ebooks. Voor een kleine som van 8.99 dollar per maand  kun je ongelimiteerd alle boeken lezen die op Scribd te vinden zijn. Nieuwe potentiële abonnees krijgen zelfs twee maanden gratis proeftijd, en kunnen dan eenvoudig kiezen of ze een eerste keer 8.99 dollar betalen voor een maandabonnement (of het equivalent in euro), dan wel hun proeftijd niet omzetten in een abonnement. Het komt erop neer dat je gratis twee maanden alle ebooks kunt lezen - ook die van hoger genoemde auteurs, zoek ze maar even op - en vervolgens kun kiezen of je een maand- of jaarbonnement neemt, of niet... en bijvoorbeeld hier en daar gewoon een ebook aankoopt (want dat kan ook).

Wil je het ook eens proberen, klik dan op deze 2 maanden Scribd gratis proeftijd link , zet je account op... en that's it!

15.8.14

De Boogschutters van Bergen: 100 jaar geleden stonden de Engelen klaar om te verschijnen bij Mons...

Een jaar of vijftien geleden schreef ik een lang essay over
 'de Engelen van Bergen (Mons)', 
dat uiteindelijk zou resulteren in de boeken 
De Engel van Mons en het recente Het Geslacht van de Engel.



Een andere versie die, geloof ik, nooit werd gedrukt, vertelde hoe op het slagveld dode Pruisen werden gevonden met pijlwonden in hun lichamen. Dit amuseerde mij nogal, omdat ik  – toen ik nog over het verhaal nadacht – mij wel eens een scene had ingebeeld waarin een Duitse generaal voor de Keizer moest verschijnen om uit te leggen hoe het mogelijk was dat de Engelsen niet door hem waren vernietigd.
‘Hoogheid,’ zou de generaal dan zeggen, ‘het is waar, ik kan het onmogelijk ontkennen. Deze mannen werden gedood door pijlen; toen wij ze wilden begraven, hebben we de punten gevonden in hun lichamen.’
Ik verwierp het idee als zijde overdreven, zelfs voor een loutere fantasie. En het amuseerde mij dus nogal toen ik ontdekte dat wat ik had verworpen als zijnde te fantastisch voor een fantasie in zekere occulte kringen werd aanvaard als een hard feit.

Arthur Machen, in The Bowmen, An Introduction




Op 29 september 1914 – nauwelijks een maand na de Slag om Bergen - publiceerde het Londense blad The Evening News op pagina drie een bijdrage van Arthur Machen, die het midden hield tussen een verhaal en een artikel. 
De bijdrage was getiteld The Bowmen (De Boogschutters) en al in de eerste regel verontschuldigt Machen zich ervoor dat hij – vanwege de censuur – niet explicieter kan zijn. Hij vermeldt dan ook nergens de stad Bergen, maar laat er anderzijds geen twijfel over bestaan dat zijn verslag wel betrekking heeft op de Slag om Bergen: ‘Het was gedurende de Aftocht van de Tachtig Duizend (…), op die afschuwelijkste dag van die afschuwelijke tijd, op die dag toen de catastrofe zo dichtbij kwam dat haar schaduw zelfs over het verre Londen viel; en, zonder enige zekerheid, verloren de mensen langzaam maar zeker de moed, alsof de dooddstrijd van het leger op het slagveld hun ziel aanraakte.’
‘Op die verschrikkelijke dag,’ vervolgt Machen, ‘toen driehonderdduizend gewapende mannen met hun artillerie als een zondvloed over dat kleine Engelse legertje heen gingen’ was er één punt in de verdediging dat blootstond aan de complete vernietiging. Met de permissie van de censuur en de militaire expert zou Machen dit punt durven omschrijven als een versterking die – indien ze op dat ogenblik werd doorbroken – het geheel van het Britse leger zou verpletteren. Een hele ochtend werd het duizendtal Britse soldaten dat deze versterking verdedigde, bestookt door de Duitse kanonnen. De mannen maakten grapjes over de granaten, bedachten ze met gekke namen, begroetten ze met flarden uit music-hall songs. Maar de obussen ontploften in hun midden en ‘verscheurden deze goede Engelsen’. 
In een storm op zee komt er een moment waarop de mensen tot elkaar zeggen: ‘Nu is het op zijn ergst, erger kan niet meer,’ – waarop de wind nog tien keer harder gaat blazen dan daarvoor. ‘Zo was het in deze Britse loopgraven,’ schrijft Machen. Dapperder mannen waren niet denkbaar, maar zij werden overweldigd door de ‘seven-times-heated hell’ van de Duitse kanonnade. Vijfhonderd mannen bleven nog over en nog steeds zagen zij vanuit hun loopgraven een enorme horde Duitse infanterie tegen hen oprukken, ‘een grijze wereld van mannen, tienduizend mannen zoals later zou blijken’.
Er was geen hoop meer. De Engelsen schudden elkaar de hand. Eén man improviseerde een nieuwe versie van het gekende strijdliedje, Good-bye, good-bye to Tipperary die eindigde met: ‘And we shan’t get there’. Ze bleven daarbij echter ononderbroken door vuren. Dode grijze lichamen vielen in hele compagnieën en bataljons, maar anderen namen hun plaatsen in.
Toen herinnerde één van de soldaten zich – later kon hij niet zeggen hoe of waarom – een vreemd vegetarisch restaurant in Londen, waar hij een paar maal een excentriek gerecht had gegeten, bestaande uit linzen en noten ‘die pretendeerden een steak te zijn’. Op alle borden in dat restaurant was een motief gedrukt dat St. George voorstelde, in het blauw, vergezeld van het motto Adsit Anglis Sanctus Georgius – Moge St. George de Engelsen helpen. De soldaat kende ‘enig Latijn en andere zinloze dingen’, en nu, terwijl hij vuurde op zijn man in de grijze oprukkende massa, nauwelijks een paar honderd meter verder op, mompelde hij dit vrome vegetarische motto.
De soldaat bleef maar schieten en een kameraad moest hem vriendelijk over zijn hoofd strijken om hem daarmee te doen ophouden; de munitie van de Koning kostte immers geld en was niet bedoeld om verspild te worden met het boren van gekke patronen in dode Duitsers. Want toen de soldaat die Latijn kende zijn invocatie mompelde, voelde hij iets door zijn lichaam gaan dat leek op een elektrische schok. Het rumoer van het gevecht doofde in zijn oren tot een zacht murmelen en – zo verklaarde hij – in plaats daarvan hoorde hij nu een zware stem roepen en schreeuwen, luider dan een donderslag: ‘In slagorde! In slagorde! In slagorde!’
Zijn hart werd heet als een brandende kool en koud als ijs tegelijk toen hij daarop meende uit duizenden kelen de schreeuw te horen: ‘St. George! St. George! St. George!’ – ‘Ha messire; ha! Sweet Saint, grant us good deliverance!’ – ‘St. George for merry England!’ – ‘Harrow! Harrow! Monseigneur St. George, succour us.’ – ‘Ha! St. George! Ha! St. George! A long bow and a strong bow!’ – ‘Heaven’s Knight, aid us!’
En terwijl deze soldaat die stemmen hoorde zag hij voor hem, aan de andere kant van de loopgracht, ‘een lange lijn van gedaanten met een schittering om hen heen. Het waren net boogschutters en met nog een andere schreeuw vloog hun wolk van pijlen zingend door de lucht naar de Duitse horden.’ En al die grijze uniformen gingen neer, in honderdtallen, in duizendtallen – een heel regiment verdween in een oogopslag. De Engelsen konden de bevelen van de Duitse officieren horen, het kraken van hun revolvers waarmee zij onwillige soldaten neerschoten, terwijl lijn na lijn bleef neergaan. En heel die tijd hoorde de soldaat die Latijn kende de kreet: ‘St. George, help ons! Ridder uit den Hoge, verdedig ons!’ De zingende pijlen vlogen zo vlug en zo dik dat ze de hemel verduisterden en de heidense horde smolt voor hen.
‘Inderdaad,’ besluit Machen zijn relaas in die typische stijl van hem – een curieuze mengeling van feitelijke, flegmatiek-journalistieke frazen en ronduit geëxalteerde, mystiek aandoende passages – ‘er bleven tienduizend dode Duitsers achter bij die versterking van het Engelse leger.’ In Duitsland – een natie geregeerd door wetenschappelijke principes – besliste de Generale Staf dat de ‘verachtelijke Engelsen’ granaten met een onbekend gifgas moesten gebruikt hebben, aangezien er geen wonden werden aangetroffen op de lijken van de Duitse soldaten. ‘Maar de man die wist hoe een noot smaakte die zichzelf een steak noemde, wist ook dat St. George zijn boogschutters van Azincourt had aangevoerd om de Engelsen te helpen.'
Als ervaren griezelauteur kende Arthur Machen het belang van een goede ‘punch-line’ om een stuk mee te besluiten, en deze uitsmijter mag er dan ook wezen. Opmerkelijk is ook dat Machen heel bewust het woord ‘contemptible’ gebruikt in zijn laatste alinea, wanneer hij het heeft over de reactie van de Duitse Generale Staf op de gebeurtenissen bij Bergen. De veteranen van het Britse expeditieleger zouden voortaan immers gekend worden als The Old Contemptibles – een bijnaam die hoger werd geschat en als eervoller werd beschouwd dan een decoratie, en die zij dan ook met gepaste trots droegen.

Arthur Machen heeft verscheidene malen gereageerd op al de heisa die zijn verhaal teweeg had gebracht. In 1915 verscheen The Bowmen voor het eerst in boekvorm onder de titel The Bowmen and Other Legends of the War en met als boventitel The Angels of Mons. Machen schreef voor deze collectie, op vraag van de uitgever, een uitgebreide inleiding bij The Bowmen – eigenlijk nogal tegen zijn zin, als we hem mogen geloven: ‘Die affaire met The Bowmen is zo vreemd geweest, van begin tot einde; er zijn zoveel eigenaardige complicaties opgetreden, zoveel stromen en tegenstromen van geruchten en speculaties, dat ik - eerlijk gezegd – niet zou weten waar te beginnen.’
Hij stelt dan maar voor dit probleem op te lossen door zich eerst en vooral uitgebreid te verontschuldigen, want introducties horen nu eenmaal bij meesterwerken, bij klassieken uit de wereldliteratuur, bij grote en oude en algemeen aanvaarde zaken - wat zou hij hier dus een kort verhaaltje van zichzelf gaan introduceren, dat zo’n tien maanden voordien verscheen in The Evening News? Qua captatio benevolentiae kan dit tellen, natuurlijk.
De auteur stelt vervolgens dat hij zich maar al te goed bewust is van de absurditeit en het grotekske zelfs van de situatie. Zijn excuus voor deze bladzijden moet dan ook de volgende zijn: ‘hoewel het verhaal op zichzelf niets voorstelt, heeft het zulke vreemde en onvoorziene gevolgen gehad en avonturen beleefd, dat hùn relaas wel van enige betekenis kan zijn’. Bovendien meent hij dat het relaas van de geruchten rond en discussies over zijn verhaal ook ‘een zekere psychologische moraal’ bezit.
‘Het was eind augustus,’ vertelt Machen dan. ‘Om meer precies te zijn, het was op de laatste zondag van augustus. Er stonden verschrikkelijke dingen te lezen op die hete zondagochtend tussen het ontbijt en de mis. Het was in The Weekly Dispatch dat ik een afschuwelijk verslag las over de aftocht uit Bergen. Ik kan mij de details niet meer herinneren, maar ik ben de indruk niet vergeten die het op mij maakte. I seemed to see a furnace of torment and death and agony and terror seven times heated, and in the midst of the burning was the British Army. In the midst of the flame, consumed by it and yet aureoled in it, scattered like ashes and yet triumphant, martyred and for ever glorious.’
Hij zag ‘onze jongens’ met een schittering om hen heen en hij nam deze gedachten met zich mee, naar de kerk, ‘and, I am sorry to say, was making up a story in my head while the deacon was singing the Gospel.’
U mag het mij niet kwalijk nemen dat ik Machen af en toe letterlijk en onvertaald citeer.  Ik zou u graag een zo precies mogelijk idee geven, niet alleen van wat deze auteur te vertellen heeft, maar vooral van de manier waarop hij dat vertelt: met die onvergelijkbare vermening van het hoge en het lage, het geëxalteerde en het grappige en soms ook met de tongue quite firmly in his cheeck. Bovendien is het ook zo dat ik zelfs na herhaalde pogingen nog altijd niet het gevoel had alle nuances van zijn tekst passend tot uitdrukking gebracht te hebben in mijn diverse vertalingen.
Nu goed, wat Machen daar in de kerk zat te bedenken, was niet het verhaal dat later bekend zou worden als The Bowmen. Het was als het ware een eerste vage glimp van wat later The Soldiers’ Rest zou worden, één van zijn andere oorlogsverhalen, gebundeld in The Bowmen and Other Legends of the War. Machen betreurt alleen dat hij niet in staat was dat verhaal te schrijven zoals het geconcipieerd werd. Wat uiteindelijk als The Soldiers’ Rest gepubliceerd werd, schat hij – literair gezien - een heel stuk hoger in dan The Bowmen, maar het verhaal dat zich aan hem opdrong as the blue incense floated above the Gospel Book on the desk between the tapers en waarin hij de doden door de vlammen en in de vlammen zag opdoemen en begroet worden in een Eeuwige Taverne met liedjes en melk en honing was nog een stuk beter, was ‘waarlijk een nobel verhaal; zoals alle verhalen die nooit geschreven raken.’
Uit dat moment van ‘goddelijke inspiratie’ – de uitdrukking komt van mij, niet van Machen – ontsproten twee verhalen: eentje dat levensvatbaar zou blijken en bekend zou worden als The Soldier’s Rest en een ‘waarlijk nobel verhaal’, dat nooit geschreven zou worden, maar waar hij later de toon, de sfeer, de essentie en de plot van The Bowmen op entte.
‘Nu werd er in alle soorten hoeken gefluisterd en gesuggereerd en geroddeld dat ik, voordat ik het verhaal schreef, iets gehoord zou hebben. De meest decoratieve van deze legenden is ook de meest precieze: “Ik weet dat het een feit is dat hem het hele ding in typoscript werd gegeven door een zwangere vrouw.” Dit was niet het geval.’
The Bowmen heeft meer dan één oorsprong, stelt Machen. ‘Eerst en vooral kennen alle landen en alle tijden de notie dat spirituele wezens de aardse legers ter hulp kunnen snellen, en dat goden en helden en heiligen vanuit hun hoge en onsterfelijke plaatsen zijn neergedaald om te vechten voor de mensen die hen aanbidden. Een verhaal van Kipling over een spookachtig regiment in India spookte door mijn hoofd en vermengde zich met de middeleeuwse dat daar altijd aanwezig is. Op die manier werd The Bowmen geschreven. Het stelde me ernstig teleur. Ik vond het – en ik vind het nog altijd – een middelmatig werkje. (…)
In de regel koestert een journalist evenwel niet het vooruitzicht roem te vergaren; en als hij een avondjournalist is, reiken zijn verzuchtingen van onsterfelijkheid niet verder dan middernacht; en het kan best zijn dat insecten die bij zonsopgang tot leven komen en bij zonsondergang al dood zijn zichzelf onsterfelijk wanen. Toen ik mijn verhaal had geschreven en erom had gegromd en geknord en het in druk had gezien, verwachtte ik niet er ooit nog enig woord over te horen. Mijn collega van The Londoner prees het, zoals zijn vriendelijke gewoonte is; en stelde – zeer terecht – een technisch euvel aan de orde, zoals de taal waarin de strijdkreten van de boogschutters. “Waarom zouden Engelse boogschutters Franse termen gebruiken?” zei hij. Ik repliceerde dat de enige reden was, dat een “Monseigneur” hier en daar mij wel pittoresk leek; ik bracht hem in herinnering dat, en dit is een historisch feit, de meeste boogschutters van Azincourt huurlingen waren van Gwent, mijn geboortestreek, die Mihangel zouden aangeroepen hebben en heiligen die niet gekend waren door de Saksen – Teilo, Iltyd, Dewi, Cadwaladyr, Vendigeid. En ik meende dat dit de eerste en de laatste discussie omtrent The Bowmen moest zijn.’
Maar een paar dagen na de publicatie schreef de uitgever van The Occult Review een brief naar Machen. Hij wilde weten of het verhaal was gebaseerd op feiten. Machen vertelde hem dat dit niet zo was. ‘Ik ben vergeten of ik eraan toevoegde dat het ook niet gebaseerd was op geruchten, maar ik denk dat ik dat niet heb gedaan, aangezien er – naar ik aannam – geen geruchten van hemelse tussenkomsten waren op dat ogenblik. In ieder geval had ik er geen gehoord.’
Kort daarop schreef de uitgever van Light aan Machen en stelde hem een gelijkaardige vraag, waarop Machen een gelijkaardig antwoord gaf. Een paar maanden later ontving hij plotseling verscheidene brieven van uitgevers van parochiebladen, met het verzoek of zij het verhaal mochten herdrukken. De uitgever van Machen verleende die toelating en weer een paar maanden later ontving hij een brief van de samensteller van zo’n parochieblad, waarin deze vertelde dat de editie met The Bowmen erin was uitverkocht. Er bestond nog steeds een grote vraag naar het verhaal. Of de schrijver zo goed wilde zijn hem de toestemming te verlenen het verhaal te herdrukken in de vorm van een pamflet, of hij dan meteen in een korte toelichting een exacte bronvermelding kon opnemen? Machen antwoordde dat hij wel zijn toestemming kon geven om het verhaal te herdrukken, maar dat hij geen bronvermelding in zijn toelichting kon opnemen, om de eenvoudige redenen dat er geen bronnen waren: ‘Het verhaal is een puur verzinsel.’
‘De priester schreef terug en suggereerde – tot mijn verwondering – dat ik mij moest vergissen, dat de belangrijkste “feiten” beschreven in The Bowmen echt hadden plaatsgevonden, dat mijn aandeel in de hele zaak moest teruggeschroefd worden tot het uitwerken en aankleden van een waargebeurde geschiedenis. Het leek erop dat mijn stukje fictie door de congregatie van deze bepaalde kerkgemeenschap was aanvaard als het meest solide feit; en het was toen dat het mij begon te dagen dat indien ik had gefaald in de kunst der letteren, ik was geslaagd – onopzettelijk – in de kust der misleiding. Dit gebeurde, geloof ik, ergens in april, en de sneeuwbal van geruchten die op dat moment begon te rollen is sindsdien blijven rollen, alsmaar groter en groter wordend, en heeft nu monsterachtige aangenomen.’
Volgens Machen was het ook ongeveer in die periode dat varianten van zijn verhaal begonnen op te duiken als authentieke geschiedenissen. Meestal figureerde in deze verhaal echter een vegetarisch restaurant of speelde St. George er een rol in,  zodat hun relatie tot het origineel zich al te gemakkelijk liet raden. ‘In één bepaald geval zei een officier – naam en adres onbekend – dat er een portret van St. George hing in een zeker Londons restaurant, en dat een gedaante die sterk leek op dat portret aan hem was verschenen op het slagveld, door hem geïnvoceerd, met het best mogelijke resultaat.’
In andere versies plaatste een wolk zich tussen de Duitse aanvallers en de Britse verdedigers. Sommigen beweerden dat deze wolk de Britten aan het oog van de oprukkende Duitsers onttrok, anderen dat uit de wolk allerlei ‘schitterende vormen’ te voorschijn kwamen die de paarden van de achtervolgende Duitse cavalarie aan het schrikken brachten. ‘St. George, zo hebt u wellicht opgemerkt, is verdwenen – hij bleef een tijdje langer rondhangen in zekere roomskatholieke varianten – en er is geen sprake meer van boogschutters of van pijlen. Maar tot zo ver is er ook nog geen sprake van engelen; niettemin staan zijn klaar om ten tonele te verschijnen, en ik geloof dat ik de machine ontdekt heb die ze in mijn verhaal heeft gekatapulteerd.’
Machen wijst er vervolgens op dat hij de fictieve soldaat in zijn al even fictieve verhaal  ‘een lange lijn van gedaanten met een schittering om hen heen’ liet zien. En ene A.P. Sinnet die in het meinummer van The Occult Review rapporteerde wat hij zoal had vernomen, verklaarde dat ‘zij die het konden zien, zeiden dat zij “een rij van schitterende wezens”  zagen tussen de twee legers’. Voor Machen is dit een duidelijke afgeleide van zijn verhaal en in het volksgeloof worden ‘schitterende en welwillende bovennatuurlijke wezens’ gewoonlijk ‘engelen’ genoemd. Op die manier, meent Machen, zijn de boogschutters uit zijn verhaal de engelen van Bergen geworden. ‘In die vorm verdienden zij respect en geloof, overal – of toch bijna overal.’
Volgens Machen ligt hier ook het antwoord op de vraag hoe deze ‘illusie’ zo veel ‘gelovers’ heeft gevonden. Engeland heeft al lang haar interesse voor heiligen verloren, schrijft hij. ‘In de recente revival van de cultus van St. George, is de figuur van de heilige weinig meer dan een patriottische mascotte.’ Het aanroepen van de heiligen is ook geen courante Engelse praktijk, het wordt door de meeste Engelsen als ‘te paaps’ ervaren. Maar engelen hebben in grote mate hun populariteit behouden, en zodra was vastgesteld dat het Engelse leger werd gered door engelen, lag de weg wijdopen voor een algemeen geloof in dit ‘feit’ en voor het onstuimige enthousiasme van het volksgeloof.
‘Zodra de legende bekend werd als “de Engelen van Bergen”, werd ze onvermijdelijk. Ze drong door in de pers, onmogelijk te negeren. Ze dook op in de meest ongewone hoeken – in Truth en Town Topics, The New Church Weekly (Swedenborgiaans) en John Bull. De uitgever van The Church Times legde een wijze reserve aan de dag: hij wacht op het bewijs dat tot dusver ontbreekt; maar in een bepaalde editie van zijn blad merkte ik dat het verhaal de inhoud van een preek stoffeerde, en het onderwerp van een ingezonden brief en een artikel was. De mensen sturen me knipsels uit provinciale bladen waarin heftig gedebatteerd wordt over de precieze aard van de verschijningen (…). The Daily Chronicle suggereert een aantal wetenschappelijke verklaringen voor de hallucinaties. (…) Dr. Horton predikte over “engelen” in Manchester: sir Joseph Compton Rickett (…) verklaarde dat soldaten aan het front visioenen gezien hadden en dromen droomden, en dat zij getuigenissen hadden afgelegd van krachten en entiteiten die voor of tegen hen vochten. Brieven bereiken de uitgever van The Evening News vanuit alle uithoeken van de wereld, brieven waarin theorieën ontvouwd worden, een geloof beleden, verklaringen gegeven, suggesties gedaan. Het is allemaal vrij wonderbaarlijk; men zou kunnen zeggen dat de hele zaak een psychologisch fenomeen van de eerste orde is, heel goed vergelijkbaar met de grote Russische illusie van augustus en september 1914.’
Uit zijn opmerkingen en uit de toon waarin die zijn gesteld, schrijft Machen, zou men kunnen opmaken dat hij niet gelooft in de mogelijkheid van een bovennatuurlijke interventie. Niet is minder waar. Het is niet zo dat hij ‘mirakels in Judea geloofwaardig maar mirakels in Frankrijk of Vlaanderen ongeloofwaardig acht’. Hij noemt dat zelfs absurd.
‘Maar ik beken, heel eerlijk, dat ik niet geloof in “de Engelen van Bergen”, voor een deel omdat ik merk – of meen te merken – dat zij een afgeleide zijn van mijn eigen kleine fictie, maar vooral omdat ik tot dusver geen spat bewijs heb gekregen dat mij zou aansporen erin te geloven. Het is ijdel en dwaas, inderdaad, te zeggen: “Ik ben er zeker van dat dit verhaal op een leugen berust, omdat het bovennatuurlijke elementen bevat.” (…) Maar even dwaas is hij die zegt: “Als het verhaal iets bovennatuurlijks bevat, is het waar, en hoe minder bewijs er is, hoe beter.’ Ik ben bang dat dit lijkt op de attitude van velen die zichzelf occultisten noemen. (…) Dus zeg ik, niet dat supranormale interventies onmogelijk zijn, niet dat zij niet plaatsgevonden hebben gedurende deze oorlog – ik weet daar niets over – maar dat er tot dusver geen atoom bewijs is om de huidige verhalen over de engelen van Bergen te ondersteunen. (…) Het zijn verhalen die verteld worden uit de tweede, derde, vierde, vijfde hand – door “een soldaat”, door  “een officier”, door “een katholieke correspondent”, door “een verpleegster”, door een groot aantal anonieme mensen.’
Arthur Machen bedenkt ook de expert van The Psychical Research Society met een sneer. Die zou verklaard hebben dat er geen echt bewijs was voorgelegd aan de Society, maar ‘accepteert het als een feit dat sommige mannen op het slagveld zouden “gehallucineerd” hebben (…). Ze vergeet wat ze zelf heeft aangetoond, namelijk dat er geen enkele reden is om aan te nemen dat iemand zelfs maar gehallucineerd heeft. Sommige (onbekenden) hebben een verpleegster (niet bij name genoemd) ontmoet die gesproken heeft met een soldaat (anoniem) die engelen heeft gezien. Maar dàt is geen bewijs (…)  Er kan nog steeds een bewijs geleverd worden en als dit gebeurt, zal dat interessant zijn en meer dan interessant.’
Machen vraagt zich vervolgens af hoe het mogelijk is voor natie, geheel opgetrokken uit wat hij ‘het platste materialisme’ noemt, geruchten en roddels over het bovennatuurlijke te omarmen als een waarheid die boven iedere verdenking staat. De vraag bevat het antwoord, meent hij: ‘Precies omdat onze hele atmosfeer materialistisch is, zijn we bereid om wat dan ook te geloven – behalve de waarheid. (…) Er waren harde, praktische zakenlui, vooruitstrevende denkers, vrijdenkers nodig om te geloven in Madame Blavatsky.’ De verantwoordelijkheid voor die gang van zaken rust volgens hem op de schouders van de Kerk van Engeland: het christendom is in wezen een religie van het Mysterie, ‘het is dé Mysterie Religie.’ De priesters van deze religie worden geroepen om de bruggenbouwers te zijn tussen de zintuigelijke wereld en de spirituele wereld. ‘And, in fact, they pass their time in preaching, not the eternal mysteries, but a twopenny morality, in changing the Wine of Angels and the Bread of Heaven into gingerbeer and mixed biscuits: a sorry transsubstantiaton, a sad alchemy, as it seems to me.’