Nu we dan toch bezig zijn, hier komt nog een
fragment aan uit Een magisch-realist in Mysterieus België:
Mijn grootvader, ‘Petjen’, was mijn held… en
omgekeerd was dat ongetwijfeld ook het geval. Petjen maakte voor mij een boog
van essenhout, en in de Zavelputten gingen we riet snoeien, en als je dan wat
modder in zo’n uiteinde van een stuk riet stopte, kreeg je een pijl die goed
rechtdoor kon vliegen en ook recht naar beneden kwam.
Hij leerde mij ‘muziekskes’ blazen op een stugge
grasspriet, en vertelde mij bij de Duivelsputten verhalen over de stuikrover
Jan De Lichte. In het moeras kon je nog de restanten van de postkoets zien
drijven die zijn bende daar had overvallen. En hij drukte me op het hart nooit
voorbij het roestige ijzeren hek te gaan dat het domein ‘van de baron’ afsloot,
want daar lagen allemaal wolfsijzers en schietgeweren.
Petjen toonde me hoe je op een landerige
zaterdagnamiddag spannende avonturen kon beleven, door een lege portefeuille
aan een dun touwtje te hangen en op het fietspad te leggen – hij woonde op de
Brusselse Steenweg, daar kwamen behalve tamelijk veel auto’s ook wel wat
fietsers voorbij. Hij deed me voor hoe ik me in het struikgewas kon verstoppen,
wachtend op de argeloze fietser die de portefeuille zou opmerken en van zijn
fiets stappen, net voor de top van de Boechoutberg (67 meter boven de
zeespiegel, leerden we in de gemeenteschool) en volstrekt buiten adem. En hoe
ik ten slotte heel hard lachend heel hard moest wegrennen, met portefeuille en
al.
Ik vertelde hem op zijn vraag vanalles over wat ik
op school had geleerd. Hoe de mensen tegenwoordig naar de maan vlogen en zo –
al begrijp ik dat zelf nog altijd niet goed – en hoe de Romeinen destijds ons
land hadden bezet – daar wist ik dan weer alles over – en wanneer ik iets aan
het lezen was, vroeg hij me soms een stukje voor te lezen. Want zelf kon hij
amper lezen, hij was maar tot zijn veertiende naar school geweest, en dan nog
vooral ‘achter de haag’.
Ik was gek op paarden; dat kwam door al die boeken
over Winnetou en Old Shatterhand. Ik las Petjen bij voorkeur een passage voor
waarin paarden opdraafden, en schetste in geuren en kleuren hoe je als ruiter
één kon worden met je paard en dat je ermee kon praten, maar dat je elkaar ook
begreep zonder woorden. En daar op de Boechoutberg had Petjen een heel grote
moestuin en hield hij ook veel kippen en konijnen, maar daarachter kon hij nog
wel een wei huren om het paard op te zetten dat hij voor mij zou kopen.
Er was maar één probleem. Mijn moeder zei ‘nee’.
Maar toen kregen we nieuwe overburen, en op de wei
waar mijn paard had moeten staan, stond nu dat van de dochter van de overburen.
Het paard heette Cry. En Petjen regelde het zo dat hij het paard mocht
verzorgen als de eigenaars op reis waren – ze waren nogal rijk, die overburen,
en dus gingen ze skiën in de winter, naar de Côte d’Azur in de zomer, en
tussendoor bezochten ze allerlei wereldsteden. Zo kwam ik dan toch nog op de
rug van een paard terecht. Dat van die eenheid van mens en dier viel wat tegen,
maar praten met een paard kon ik als de beste.
Vanuit mijn tuin – ik woon nu in het huis dat ooit
eigenhandig door mijn grootvader werd gebouwd – kan ik nog steeds de bedding
zien waar ooit de laatste tram tussen Gent en Brussel reed. En de wei waar
‘mijn’ paard stond. Tot Petjen in die mythische zomer van ’76 stierf en er een
einde kwam aan mijn weekfends en vakanties op de Boechoutberg. Voor een jaar of
tien dan toch.
Petjen had prostaatkanker en we wisten dat die zomer
zijn laatste zou worden. Ik was veertien, het werd september en ik ging met de
fiets naar school. Toen ik terugkeerde naar huis, kruiste ik ter hoogte van het
park van Aalst, net voor de Kapellekensbaan van Louis Paul Boon, een
lijkwagen. Plotseling voelde het alsof ik lood in de benen kreeg, ik wist
gewoon dat Petjen er niet meer zou zijn. Mijn voorgevoel had me niet bedrogen;
er waren nog lang geen smartphones, we hadden thuis zelfs nog maar sinds kort
telefoon… Maar toen ik de deur opende en mijn fiets stalde en mijn moeder in
het smalle gangetje verscheen, moest ze niets meer zeggen. Ik wist het al.
Petjen had een fatale hersenbloeding gekregen.
De foto die de motor is van deze stroom van
herinneringen staat aan het begin van dit stukje. Hij hing in groot formaat, in
een zwaar kader op de badkamer van het huis op de heuvel. Die badkamer had toen
nog alleen een bad en een lavabo, een toilet was er niet. Daarvoor moest je
naar tosjke of ‘het huisje’ dat was aangebouwd aan het stalletje dat was
aangebouwd aan de veranda die was aangebouwd aan de eigenlijke woning. In de
badkamer stond een nachtemmer – als kind moest ik ’s nachts nog niet opstaan om
te gaan plassen, maar ’s ochtends keken petjen, metjen en ‘ons moe’ altijd
sereen en ernstig op mij neer als ik het in de emmer liet klateren.
Het is een zorgvuldig gecomponeerd familieportret zoals
dat gebruikelijk was in de vroege jaren 1940. Alles wijst erop dat de foto werd
gemaakt in een studio, waar licht, houding en compositie zorgvuldig werden
geregisseerd om een beeld van respectabiliteit en familiale verbondenheid vast
te leggen.
Het kleine meisje, mijn moeder, zit vooraan op een
ronde kruk. Ze vormt letterlijk en figuurlijk het middelpunt van de compositie.
De enorme witte strik boven op haar hoofd, zo groot als haar gezicht, fungeert
als een visueel ankerpunt. Ze zit ontspannen, met de benen schuin over elkaar
op de kruk… als helemaal niet mijn moeder.
Wat het beeld zo ontroerend maakt, realiseer ik me nu,
is een subtiel evenwicht tussen ernst en tederheid. Petjen straalt bescherming
uit, metjen warmte, mijn moeder zorgt voor een vleugje onvoorspelbaarheid. Ze
vormen een driehoek van blikken en houdingen die bijna een klein verhaal
vertellen: van een papa en een mama die hun toekomst voor zich zien zitten op
een kruk, met een grote witte strik in het haar en de aandacht al half gericht
op de wereld die zich buiten het kader van de foto bevindt.


Geen opmerkingen:
Een reactie posten