Posts tonen met het label geschiedenis. Alle posts tonen
Posts tonen met het label geschiedenis. Alle posts tonen

9.9.26

101 Familiefoto's van Patrick Bernauw - 012-014: Aan het Albertkanaal

 




Alle legerfoto’s waar "Petjen" op staat - mijn grootvader, Jan Ferdinand Onverwagt - zijn eigenlijk postkaarten, gedrukt op hard karton en met lijnen op de achterkant om een boodschap op te schrijven, en het adres. Tegenwoordig sturen we een selfie via WhatsApp, in 1939 liet een soldaat een fotopostkaart maken, liefst samen met enkele anderen, want een "gewone" foto laten maken, was duur.

De postkaarten in het Groene Boek van mijn moeder, Justine Onverwagt, tonen het leven zoals het was voor een gemobiliseerde Belgische soldaat tijdens de Schemeroorlog (1939-1940). Daar kwam met de inval van Duitsland op 10 mei 1940 een einde aan. De insignes op de legerfoto's van Jan Ferdinand als leidraad bevestigen de "oorlogsverhalen" waar ik hem zelf nooit over hoorde praten, maar die tot mij kwamen omdat mijn moeder erover vertelde. Zo probeerde ik tot een reconstructie te komen van zijn oorlogservaringen bij het Albertkanaal, waar hij ook krijgsgevangen werd gemaakt. Het werd een boeiende speurtocht waarvan ik graag verslag uitbreng op Mysterieus België.


Petjen zit links een brood te snijden.


In deze aflevering is ook het iconische Lied van de klas of Afzwaailied opgenomen, het volksliedje dat stamt uit het interbellum en decennia lang door dienstplichten werd gezongen om het einde van hun legerdienst te vieren. Tekst en uitleg vind je op Wreed & Plezant. De muziek maakte ik met Suno.

En we ze'n der van de klas
En we drinken bier met emmerkes
Terwijl die arme schachten aan 't patatten jassen zijn
Vergeten wij den troep en zijn droevige dagen
En roepen allen tegelijk:
Smeerlappen, ge zijt ons kwijt!    



Op dit studioportret draagt Petjen een Adrian helm
en een Belgische legerjas model 1935.
De bugel hielp me ook een eind op weg naar het Albertkanaal.
Het nummer 8794 is vermoedelijk het negatiefnummer
van de fotograaf.



De achterkant van de kaart identificeert de fotograaf als R. Morauw.
De Leuvense Steenweg was in die periode een belangrijke uitvalsweg van Brussel
naar de militaire infrastructuur rond Leuven, Evere en Schaarbeek.
Langs dergelijke grote verkeersaders bevonden zich vaak fotografen
die gespecialiseerd waren in militairen.


De oorspronkelijke foto van de podcast cover.

26.8.26

101 Familiefoto's van Patrick Bernauw - 008-011: Schemeroorlog


Hier zullen op termijn alle afleveringen van 101 Familiefoto's te vinden zijn.



De Schemeroorlog of Spookoorlog werd in Duitsland de Sitzkrieg genoemd, in Frankrijk de Drôle de Guerre en in het Engelse taalgebied de Phoney War. Na de Duitse inval in Polen was er aan het westelijk front nauwelijks sprake van militaire actie, ondanks Britse en Franse oorlogsverklaringen op 3 september 1939. 

Ook voor België kwam er een einde aan de Schemeroorlog toen de Duitsers op 10 mei 1940 ons land binnenvielen. Tot dat moment probeerde België buiten het Europese conflict te blijven door zijn neutraliteit te benadrukken, zoals tijdens de aanloop naar de Eerste Wereldoorlog. Vanaf eind augustus 1939 werd er echter grootscheeps gemobiliseerd door het Belgische leger, zonder dat er werd gevochten. In mei 1940 waren ongeveer 600.000 tot 650.000 mannen onder de wapens geroepen. Dit gigantische aantal vertegenwoordigde circa 8% van de totale Belgische bevolking van destijds en trof nagenoeg het volledige economisch actieve mannelijke deel daarvan.  


De oorspronkelijke "Schemeroorlog" postkaart



Eén van die soldaten was Jan Ferdinand Onverwagt, mijn "Petjen". Zijn dochter Justine Onverwagt, mijn moeder, verzamelde zijn foto's uit het leger in een fotoalbum gewijd aan de familie Onverwagt, het "Groene Boek". Deze aflevering van mijn reeks 101 Familiefoto's is gewijd aan foto's over "het leven zoals het was" voor een gemobiliseerde soldaat tijdens de Schemeroorlog. Het zijn in feite stuk voor stuk postkaarten, op één ervan is de mysterieuze vermelding "Voor Esschene, nog 29" te zien; op de achterkant bleek ooit een nauwelijks zichtbare boodschap neergekribbeld in potlood. De moeizame ontraadseling van de boodschap, met enige hulp van het artificieel intelligente Gemini, stelde me voor een nog groter raadsel...





In deze aflevering is het volksliedje Mijn kloefen opgenomen, omdat Petjen op één van de foto's zijn onafscheidelijke klompen draagt. Het zou zijn lijflied geweest kunnen zijn. De tekstversie van het destijds zeer bekende volksliedje die ik hier gebruikte, is afkomstig uit Oude liedjes, verzameld in het land van Asse, uit de tijd toen de mensen nog zongen, samengesteld door Jos Rogiers (vzw Gielen Zwak Asse, 1984). Aangezien Essene - het geboortedorp van Jan Ferdinand - vlakbij Asse ligt, zal dit ongetwijfeld "zijn" versie geweest zijn. De muziek van het liedje maakte ik met Suno.




De postkaart "Voor Esschene, nog 29" waarop Jan Ferdinand, mijn "Petjen",
uiterst links poseert op zijn klompen, die in Essene "kloefen" worden genoemd.
Op de achterkant bleek deze tekst te staan:



Aalst, 1939

Lieve Jan Ferdinand, Kom snel naar huis, het doet je voor de zekerheid geen [kwaad]. Stuur ons snel je portret (foto) of een andere.

Veel groeten van ons allen, van Ellen en Coecie. Oh, en van de 'gazeer' [de gasarbeider / man van de gasfabriek?] en [...] Smet, Blinker, broers en zusters van [...] niet vergeten. De jongere ook, en de Stany. Veel geluk!

En [groeten van] Kamilien, en tante en nonkels van Lie, en dan denk ik ook aan de kaart en veel vrienden van ons allen, van je vrouw en kinderen.

Uit ons hele hart en een kus van Ellen en Coecie en van de hele familie, oemien [ooms/tantes?], en van de bompies [grootouders].

Allez, tot ziens / tot gauw (tot rapens), Lot

 

Opvallende dialect- en taalwendingen in deze kaart:

·        ‘Rap’ / ‘Tot rapens’: Rap betekent snel. Tot rapens is een typisch (Oost-)Vlaamse dialectuitdrukking voor ‘tot gauw’ of ‘tot binnenkort’.

·        ‘Prtret’ (Portret): In die tijd werd er vaak gevraagd naar een 'portret' wanneer men een foto van een geliefde wilde hebben.

·        ‘Nonkels’ en ‘Bompies’: Nonkels zijn ooms, en bompies (of bompa's) verwijst naar de grootvaders of grootouders.

·        ‘Vrinds’: Fonetische spelling voor vrienden (vrienden -> vriende -> vrinds).

·        ‘Kamilien’: Dit zou een naam kunnen zijn (Camiel / Camilien), of een verbastering van 'familie'. Omdat er verderop ook famlie staat, is het vermoedelijk een eigennaam.

 




12.8.26

Joannes Onverwagt, het verhaal van een vondeling (101 Familiefoto's 007)

 


Aflevering 007 uit de reeks 101 Familiefoto's van Patrick Bernauw, is een 'specialleke'. Ze is bestemd voor persoonlijke luisterverhalen waarin oude familiefoto’s de deur openen naar herinneringen, familiegeheimen -en geschiedenissen, en verdwenen werelden. In dit geval startte het verhaal niet bij een familiefoto, maar bij de foto van een scan uit het bevolkingsregister: een 'acte de naissance' van 'Jean Onverwacht', een 'enfant trouvé'.


In aflevering 005, Onverwagt & Victime, vertelde ik al hoe ik best wel mijn reserves had bij de familielegende dat de naam 'Onverwagt' terugging op een vondeling. Ik raadpleegde mijn stamboom... en ik bleek geen nakomeling te zijn van één vondeling, maar van twee: Joannes Onverwagt en Melanie Victime. Dankzij de site Made in Aalst slaagde ik erin de geboorteakte van Joannes terug te vinden, met een 'marginale nota' - een proces-verbaal in de marge - van zijn vondst. Zijn echtgenote, eveneens een vondeling, kwam uit Brussel - maar zij kwamen allebei in het Brabantse gehucht Essene terecht, waar zij een familie stichtten, die zich uiteindelijk zou vertakken naar mijn moeder. De overgrootvader van mijn overgrootvader werd op een ochtend in februari 1808  aangetroffen voor de poort van Ambroise Boon, in de wijk Mijlbeek.

Hier zullen op termijn alle afleveringen van 101 Familiefoto's te vinden zijn.





Tot 19 janurari 1811 was het te vondeling leggen van kinderen strafbaar. Napoleon bracht daar met het instellen van vondelingenschuiven in elke hoofdstad van een arrondissement in zijn keizerrijk verandering in. Wie een kind achterliet in deze schuif, deed niets illegaals. Maar in 1808 - Melanie Victime werd drie jaar eerder gevonden - was dat nog niet zo. Ik probeerde met de marginale nota en wat ik zoal te weten kon komen over vondelingen het leven van mijn voorouder zo getrouw mogelijk te reconstrueren.



Hier volgt een zo nauwkeurig mogelijke transcriptie, analyse en Nederlandse vertaling van de akte over Jean Onverwacht (akte n° 40) en de bijbehorende langgerekte kantlijnnotitie over de vondeling.

1. Transkriptie van Akte N° 40

De standaard geboorteakte is grotendeels doorgestreept/niet ingevuld omdat de ouders onbekend waren, maar de specifieke gegevens zijn aangevuld en er wordt verwezen naar het proces-verbaal van de politie.

N° 40 ARRONDISSEMENT COMMUNAL DE TERMONDE. MAIRIE D’ALOST.

Du deuxième jour du mois de février dix-huit cent huit, à trois heures de relestée [relevée],

ACTE DE NAISSANCE DE Jean Onverwacht trouvée a la porte de la rue de moulin, fameuse de mijlbeke, le deux février dix-huit cent huit, à six heures du matin, fils d... né à ...

Le sexe de l’Enfant a été reconnu être Mâle. Premier Témoin Jean Longe âgé de quarante ans, profession de Cultivateur domicilié à Alost mijlbeke. Second Témoin Ambroise Boon âgé de vingt huit ans, profession de marchd d’allumettes domicilié à Alost.

Sur la réquisition à nous faite par [proces verbal de le commissaire de police de cette Ville d’alost] les témoins ont declare ne savoir ecrire.

Constaté par moi Van Boterdael Maire d’ALOST, faisant les fonctions d’Officier public de l’état civil. (Getekend:) Van Boterdael

2. Transcriptie van de tekst in de kantlijn ('Marginale nota / Relaas van de vondeling')

De tekst in de linkermarge beschrijft in detail de omstandigheden waarin het kind werd gevonden. Het Frans bevat heel wat spelfouten en dialectische constructies uit die tijd.

L’an 1808 le 2 du mois de février nous Louis Rymbaunt commissaire de police de la ville d’alost arrondissement de d’monde dept de la lys sur le rapport a nous fait ce jour d’hui vers les neuf heures du... qu’un enfant abandonné venait d’etre trouvé exposé sur la voie publique sous la maison d’ambroise boon merch.d d’allumettes domicilié hors de la porte des moulins at mijlbeke, a l’endroit appellé den biggenbagaert nous nous sommes rendu de suite a la maison du dit ambroise boon, ou étant entré nous y avons trouvé le nommé judoc boon avec un jeune enfant dans ses bras ainsi que le dit ambroise boon et son domestique jean lonyes les quels nous ont déclaré que ce matin vers les six heures sortant de leur maison pour se rendre en ville a l’église, ils avoient entendu sur la chausée de termonde un homme accompagné d’une femme, tous deux fort bien habillés, mais a eux inconnus, qui s’arrêtaient jusque a la maison d’ambroise boon et y ans entendu les cris d’un enfant, qu’ayant cherché dans l’obscurité, ils ont trouvé fameuse la porte de la maison d’ambroise boon l’enfant en question, qu’ayans frappé aux portes des maisons voisinnes le dit ambroise boon a sorti de sa maison, a pris l’enfant et l’a porté à sa femme dans la maison. Nous avons alors examiné l’etat du dit enfant que nous avons trouvé etre du sexe masculin paraissant agé d’environ dix jours, etant habillé d’une chemise blanche de lin, d’un camisole de vin coton pourpre et d’un petit mouchoir blanc portant sur la tete, deux petits bonnets blancs de toile, et etant emmailloté dans une mauvaise serviette et une partie de couverte de laine brune.

N’y ayant alors rien trouvés sur le dit ambroise boon de vouloir soigner le dit enfant et de lui procurer les alimens nécessaires ce qu’il a accepté et nous avons laissé le dit enfant entre ses mains. De tout ce que dessus nous avons dressé le présent procès verbal pour conformement a l’article cinquante huit du code napoléon etre remis a l’officier paisible [public] de l’état civil de cette commune d’alost. Fait à Alost le jour mois et an que dessus signés Rymbaunt com.

3. Nederlandse Vertaling

Het Geboorte- / Vondeling-Aktenummer 40

Gemeentelijk Arrondissement Dendermonde — Burgemeesterij Aalst

Op de tweede dag van de maand februari achttienhonderd acht, om drie uur in de namiddag.

GEBOORTEAKTE VAN: Jean Onverwacht, gevonden aan de poort van de Molenstraat, behorende tot Mijlbeek, op twee februari achttienhonderd acht, om zes uur ’s morgens, zoon van [onbekend]...

Het geslacht van het kind is vastgesteld als mannelijk.

  • Eerste getuige: Jean Longé, 40 jaar, landbouwer, wonende te Aalst (Mijlbeek).
  • Tweede getuige: Ambroise Boon, 28 jaar, lucifermaker/handelaar in zwavelstokken, wonende te Aalst.

Op verzoek aan ons gedaan via [het proces-verbaal van de commissaris van politie van deze stad Aalst]. De getuigen hebben verklaard niet te kunnen schrijven.

Vastgesteld door mij, Van Boterdael, Burgemeester van Aalst, vervullende de functie van Ambtenaar van de Burgerlijke Stand.

Het Relaas van de Politiecommissaris (Marginale nota)

In het jaar 1808, op de 2e van de maand februari, Wij, Louis Rymbaut, commissaris van politie van de stad Aalst, arrondissement Dendermonde, departement van de Leie (Lys):

Na een melding die ons vandaag rond negen uur is gedaan dat er een verlaten kind op de openbare weg was gevonden voor het huis van Ambroise Boon, lucifermaker wonende buiten de Molenpoort te Mijlbeek (op de plaats genaamd 'den Begijnen Bogaer'), hebben wij ons terstond begeven naar het huis van genoemde Ambroise Boon.

Daar binnengekomen troffen wij ene Judocus Boon aan met een klein kind in zijn armen, evenals genoemde Ambroise Boon en diens knecht Jean Longé. Zij hebben ons verklaard dat toen zij vanmorgen rond zes uur hun huis verlieten om naar de kerk in de stad te gaan, zij op de steenweg op Dendermonde een man en een vrouw hoorden. Beiden waren zeer goed gekleed, maar voor hen onbekend. Dit paar stopte vlak bij het huis van Ambroise Boon. Nadat zij het gehuil van een kind hoorden en in het donker zochten, vonden zij nabij de poort van het huis van Ambroise Boon het betreffende kind.

Nadat er op de deuren van de omliggende huizen was geklopt, kwam genoemde Ambroise Boon naar buiten, nam het kind op en bracht het naar zijn vrouw binnen in huis.

Wij hebben vervolgens de toestand van het kind onderzocht: het bleek een jongetje te zijn van ongeveer tien dagen oud. Hij was gekleed in een wit linnen hemdje, een jasje/vestje van paars/purperen katoen en een kleine witte zakdoek. Op het hoofd droeg hij twee kleine witte linnen mutsjes. Hij was ingebakerd in een versleten handdoek en een stuk van een bruine wollen deken.

Aangezien er verder niets is aangetroffen [omtrent de herkomst], hebben wij Ambroise Boon gevraagd om voor het kind te zorgen en het van het nodige voedsel te voorzien, wat hij heeft geaccepteerd. Wij hebben het kind dan ook in zijn handen gelaten.

Van al het bovenstaande hebben wij dit proces-verbaal opgemaakt om overeenkomstig artikel 58 van de Code Napoléon te worden overhandigd aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van deze gemeente Aalst.

Gedaan te Aalst op dag, maand en jaar als boven, getekend: Rymbaunt, comm.

4. Contextualisering & Opmerkingen

  • De naam "Jean Onverwacht": Vondelingen kregen in de Franse tijd vaak een achternaam die verwees naar de situatie waarin ze gevonden werden (Onverwacht / Onverwagt). "Jean" was een zeer gangbare Franse voornaam (Jan).
  • Locatie (Aalst / Mijlbeek): De gebeurtenis speelt zich af net buiten de historische stadswallen van Aalst (buiten de Molenpoort, in de wijk Mijlbeek bij 'den Begijnen Bogaert' of Boomgaard).
  • Historische Context: In 1808 viel Aalst onder het Franse Keizerrijk (Departement van de Leie / Département de la Lys). De akten werden verplicht in het Frans opgesteld volgens de regels van de Code Napoléon.
  • Status van de Vondeling: Het kind was vermoedelijk niet zomaar te vondeling gelegd door verpauperde ouders, gezien de opmerking dat de man en vrouw die het kind achterlieten "fort bien habillés" (zeer goed gekleed) waren en het kind netjes ingebakerd was.

 

10.8.26

101 Familiefoto's - 006: Brouwersgasten

 



De vrachtwagen is een Chevrolet, zwaar beladen met biervaten. Hij draagt de naam van een brouwerij die ooit bekend in de oren moet hebben geklonken in de cafés van het Pajottenland. Tous-saint Frères, gevestigd in de Aspergestraat 55 in Brussel.

De man rechts, met de arm om de schouder van zijn collega, is mijn grootvader: Jan Ferdinand Onverwagt, ‘Petjen’. Zijn collega is ook zijn broer: Jean Baptist Onverwagt, ‘Nonkel Zjang’. Ze hebben hun werk even onderbroken voor de fotograaf. En hun werk, dat is: de biervaten vervoeren, laden en lossen, door weer en wind, over Brusselse kasseien die toen nog geen toeristische attractie waren maar een dagelijkse beproeving voor mens en machine. Ze staan daar met een vanzelfsprekende trots, fier op wat ze doen. Zonder hen wordt er geen lambiek getapt, komt er geen gueuze op tafel.

Brouwerij Toussaint Frères houdt zich schuil in het doolhof van straten rond het centrum, niet ver van de huidige Dansaertwijk. Dat was destijds een buurt van ambachtslui, opslagplaatsen, kleine industrie en handelszaken. Op de laadbak zijn nog letters zichtbaar die verwijzen naar de geuze, het bier dat even Brussels is als Manneken Pis.

De foto dateert waarschijnlijk van eind jaren 30, wellicht net voor de algemene mobilisatie die een abrupt eind zou maken aan hun werkzaamheden. Het is ongetwijfeld een publiciteitsfoto gemaakt in opdracht van de brouwerij, op een moment dat die zich in de laatste bloeiperiode bevindt van een eeuwenoude Brusselse traditie. In de negentiende eeuw telde Brussel tientallen brouwerijen. Rond de Zenne, in de Marollen, Anderlecht, Molenbeek, Koekelberg en de Vijfhoek hing regelmatig de geur van mout en kokend wort in de lucht. Bier werd niet beschouwd als een luxeproduct, maar was bestemd voor de dagelijkse consumptie.  Vrijwel elke wijk had haar brouwerij, haar bierhandelaar en haar vaste cafés.

De wereld waarin de gebroeders Onverwagt werkten was nog die van de houten tonnen. Vandaag associëren we bier met flessen en blikjes, maar tot ver in de twintigste eeuw werd een aanzienlijk deel van het bier per vat geleverd. Brouwersgasten reden van café naar café, laadden volle tonnen af en namen de lege weer mee terug. Het was zwaar werk. Een houten vat kon makkelijk meer dan honderd kilogram wegen.  

Terwijl namen als Cantillon, Belle-Vue en later Mort Subite bekend bleven, verdwenen in de loop van de twintigste eeuw de meeste brouwerijen – door schaalvergroting, fusies, oorlogen en veranderende consumptiegewoonten. Net zoals Toussaint Frères lieten ze vrijwel geen sporen achter in het collectieve geheugen. Het ging waarschijnlijk om een lokale brouwerij die een eigen klantenkring bediende van cafés, estaminets en bierhuizen… en waarbij eerder al de vader van de twee broers, Henricus, had gewerkt. Het lijkt er sterk op dat de brouwerij gespecialiseerd was in de lambiek uit de Zennevallei en het Pajottenland, een biercultuur die zo uniek is dat ze wereldwijd als een van de meest karakteristieke Belgische tradities wordt beschouwd.


In zijn trouwboekje staat Onverwagt Jan Ferdinand geboekstaafd als 'brouwersgast'.


En ik die dacht dat Petjen altijd schrijnwerker was geweest. Blijkt nu dat hij aan de slag ging als brouwersgast, van vader op zoon. En samen met zijn vijf jaar oudere broer. Zat hij achter het stuur van het gevaarte, of was dat Nonkel Zjang? Of wisselden ze af? Mijn Petjen heeft altijd iets met auto’s gehad, ik weet dat hij er begin jaren 50 in één rondreed, een Austin, toen het nog lang niet gewoon was dat een ‘werkmens’ een auto bezat. Met zijn kleine gezinnetje maakte hij uitstapjes naar de zee of naar Bouillon. Daar zou hij, volgens ons moe, in het hotel waar ze logeerden op de vraag hoe laat ze wilden vertrekken, in zijn beste Frans ge-antwoord hebben: ‘A huit heures of om een uur of negen.’ Later koos hij voor Fiat, eerst een 500 en daarna een 850. Ik heb ze allebei nog meegemaakt. Dus misschien was hij het wel die ach-ter het stuur zat, want Nonkel Zjang heb ik nooit met een auto weten rijden.

 


31.7.26

101 Familiefoto's - 005: Onverwagt & Victime

 



Mijn vrouw, Elke, doet al vele jaren onderzoek naar haar stamboom, die voor een deel ook de mijne is. Daar zijn al enkele curieuze ontdekkingen uit voortgekomen – bijvoorbeeld, dat ik nog verre familie ben van die andere schrijver uit Erembodegem, Louis Paul Boon. Maar daar moet ik het een andere keer over hebben, omstreeks Familiefoto 90 of zo. Want nu zit ik met hetfotoalbum van ons moe op schoot omdat ik iets wil gaan schrijven over de mensen die daarin terug te vinden zijn. Geneanet kan daarbij een uitstekend hulpmiddel zijn, als je tenminste een poging wil doen om de feiten van de fictie te scheiden, al dan niet van eigen fabricaat, je herinneringen te checken en je memoires in min of meer correcte banen te leiden.



Het is mijn voornemen in eerste instantie te vertrekken vanuit mijn parate geheugen: de verzameling uitspraken, anekdotes en familielegendes die vooralsnog ergens in het voorgeborchte van de vergetelheid rondzweven. Vervolgens wil ik in de mate van het mogelijke achterhalen hoe groot hun waarheidsgehalte is. Wie mij en mijn werk een beetje kent, weet dat ik er ook niet voor terug zal schrikken, als de gelegenheid zich voordoet, met onversneden plezier een nieuwe legende te creëren. Ik woon nu eenmaal in twee werelden tegelijk: die van jouw en mijn werkelijkheid, en die van de verbeelding.

Wat de Nonkel Victor betreft van de familiefoto waarmee ik deze reeks begonnen ben, moet ik al meteen een bekentenis doen. In de verbeelding die mijn herinneringen creëerden, behoorde hij  tot het geslacht Temmerman (‘het Daensistisch nest’, weet je wel) maar blijkt dat niet zo te zijn en heb ik hem dus mogelijk ten onrechte ‘zwarte gedachten’ onder zijn panama geschoven. En het beeld dat ik in dat stukje ophang van Rosa klopt – wat de roodgestifte lippen en de rouge op haar wangen betreft – en het zal ongetwijfeld wel waar zijn dat zij ook een goeie partij huwde, maar als echtgenoot had ik een andere in gedachten, getrouwd met een andere tante van ons va (eveneens met roodgestifte lippen en rouge op de wangen, maar iets minder).

Nog zoiets: het is altijd mijn stellige overtuiging geweest dat Petjen uit een boerenfamilie kwam uit het gehucht Essene, gelegen op enkele flinke boogscheuten van Erembodegem, en dat hij altijd schrijnwerker is geweest, timmerman. In 2020, toen het fotoalbum van ons moe boven water kwam, bleek ineens dat hij in zijn jonge jaren als brouwersgast de baan op was gegaan, samen met zijn broer Jean Baptist, aka Nonkel Zjang. En dat hun vader, Henricus Onverwagt – de man van de foto bij dit stukje – in de huwelijksakte van Petjen niet als ‘landbouwer’ maar evenzeer als ‘brouwersgast’ vermeld staat. Het album van ons moe opent nogal pontificaal met een grote landscape foto uit de jaren 30 van de twee broers bij hun vrachtwagen. Was het dan dat brouwersgastenschap dat in de familie zat, in plaats van de boerderij?  Ook aan die kwestie moet ik nog een apart stuk wijden.

Ik wil maar zeggen dat ik enige reserves had bij misschien wel de grootste, maar ook – dacht ik – de moeilijkst verifieerbare familielegende van het geslacht Onverwagt. Zowel ons moe als Petjen waren nogal fier op hun naam, die ze – terecht – heel mooi en zelfs een tikje mysterieus vonden. ‘Wij zijn afkomstig van een vondeling!’ beweerden ze, die ergens onverwacht was opgedoken in een tijd toen de ch en de g in de spelling van de Nederlandse taal nog inwisselbaar waren.




Via Henricus Onverwagt, gehuwd met Joanna-Francisca Van Schuerbeeck brengt Geneanet mij onverwijld bij zijn ouders: Petrus Joannes Onverwagt en Barbara De Raedt. En een generatie verder bij ‘Joannes Onverwacht (sic), geboren op 2 februari 1808 te Aalst, 26 jaar oud, vondeling, wonende te Esschene, dienstbode van beroep, vondeling zonder bekende ouders geboren omstreeks 02-02-1808; voldaan aan wet op Militie’. De huwelijksakte is te vinden in de Open Archieven (openarchieven.nl) en op de website Familiegeschiedenis (familiegeschiedenis.be), in de parochieregisters. Henricus trouwde op 15 januari 1834 in Essene met ‘Melania Victime, geboren op 29 oktober 1805 te Brussel, meerderjarige, vondelinge, wonende te Esschene, dienstmeyt van beroep, vondelinge zonder (on)bekende ouders geboren omstreeks 07 brumaire jaar XIV.’ De alternatieve jaartelling slingert ons meteen terug naar revolutionaire tijden. Getuigen bij het huwelijk waren overigens twee landbouwers, een herbergier en een ‘veldwagter’.




De unieke achternamen van Joannes en Melania schijnen typerend te zijn voor de naamloze kinderen die destijds in het vondelingenhuis werden ‘afgegeven’. Enig speurwerk leert me dat Vlaanderen rond 1800 een sterke stijging kende van het aantal vondelingen als gevolg van zware armoede en de textielcrisis. Onder het Frans bewind werd in 1811 een decreet uitgevaardigd dat zorgde voor officiële vondelingentehuizen en de beruchte 'vondelingenschuif'. Vondelingen werden door de ambtenaar van de burgerlijke stand geregistreerd. Ze kregen een willekeurige voor- en achternaam, vaak afgeleid van de vindplaats, het tijdstip of de maand van vondst. De vondelingentehuizen fungeerden vooral als depots; de overlevingskans was daar zeer laag, door ondervoeding en ziektes. Zodra het kon, werden de baby’s uitbesteed aan pleeggezinnen op het platteland, die hiervoor een vergoeding kregen. Vanaf hun zesde of twaalfde jaar moesten de kinderen er vaak als dienstbode of landarbeider werken.

Vondelingen werden door ambtenaren of de kerk vaak bedacht met fantasierijke of symbolische namen, zoals Onverwacht (het kind kan het gevolg geweest zijn van een ‘ongelukje’) en Victime. Blijkbaar gebeurde het wel meer dan vondelingen met elkaar trouwden: zij groeiden nu eenmaal vaak op in dezelfde instellingen of bij specifieke pleeggezinnen in dezelfde regio.

Kunnen synchroniciteiten – in het oog springende toevalligheden, zie daarvoor Een magisch-realist in Mysterieus België – zich op magisch-realistische wijze ook manifesteren in je voorgeslacht? Blijkbaar zijn Petjen – Jan Ferdinand Onverwagt – en zijn gevonden overgrootvader Joannes getrouwd met exact honderd jaar verschil. En de ontvanger die negentig frank incasseerde voor de huwelijksakte van Jan Ferdinand in 1934, heette Toussaint… net zoals de brouwerij waar hij als brouwersgast aan de slag was.






 Alle 101 Familiefoto's zullen op termijn hier te vinden zijn.


21.7.26

101 Familiefoto's - 004: Het Groene Boek van ons Moe

 



Het fotoalbum is typisch jaren zeventig. Op een zacht glooiende grashelling, badend in warm namiddaglicht, schurkt een jong koppel dicht tegen elkaar aan. Hun gezichten zijn nauwelijks zichtbaar; ze lijken volledig op te gaan in elkaar, zich niet bewust van de camera – dit is een gestolen moment.

Rond hen strekt zich een uitgestrekt parklandschap uit. Het gazon golft zacht naar beneden, als een groene zee waarin het zonlicht brede banen van goud trekt. Hoge bomen omringen de scène als een natuurlijke kathedraal. Hun bladeren filteren het licht, waardoor overal kleine schitteringen ontstaan. Links hangen takken laag over een donkere waterpartij of een schaduwrijke greppel; rechts valt het zonlicht fel op een treurwilg waarvan de lange takken als een gordijn naar beneden hangen.

Precies dit in hels groen plastic verpakt album met een nostalgisch coverbeeld naar vervlogen zomers en jeugdige liefdes heeft ons moe uitgekozen als familiaal fotoalbum. Het past als de spreekwoordelijke tang op het dito varken, al besef ik dat ook die beeldspraak hier min of meer ongepast is. De handige cellofaan maakt het onhandig knoeien met klevertjes overbodig, misschien heeft ze daarom dit album gekozen. Of het lag in de solden, dat kan ook. Nu goed, het is het binnenste dat telt, nietwaar. Niet de verpakking, maar de inhoud.




Zonder dit Groene Boek zou er geen sprake zijn van deze reeks 101 Familiefoto’s. Zoals je kunt zien, heb ik het volgeplakt met papiertjes die me eraan moeten herinneren wat ik nog zoal wil vertellen bij de foto’s die het bevat. Ik ben er vrij zeker van dat ons moe eraan begonnen is kort na de dood van haar vader, mijn Petjen, in 1976. En ze is zeer selectief geweest: dit album was duidelijk bedoeld voor haar tak van de familie, voor het geslacht Onverwagt – en aangezien Jan Ferdinand trouwde met Florine Van Gheit, min of meer ook voor die vertakking. Een Bernauw of een Temmerman (mijn grootmoeder langs vaders kant) zijn nog in geen velden of wegen te bekennen.

Eigenlijk is het bijna symbolisch dat er toch tamelijk veel ruimte in het album wordt besteed aan ‘tante Louise’, de jongere zus van Florine. Je kon ons moe niet echt een fan noemen van tante Louise, het Orakel van de Brusselbaan die een glansrijke carrière als Gendarme of Dragonder had gemist. Tante Louise (spreek uit: ‘Lowis’) heeft op het reilen en zeilen van het gezin Onverwagt-Van Gheit erg veel invloed uitgeoefend, en doorgaans niet in de goede zin van het woord. Haar talent om onrust te zaaien heeft ook voor haar eigen gezin desastreuze gevolgen gehad. Maar daarover later meer.






Ik wist nauwelijks af van het bestaan van dit album tot 2020. Na de dood van ons va in 2009 had ons moe zich vrij snel ‘herpakt’, en was ze vol goede moed begonnen aan een nieuw leven zonder haar ‘halve trouwboek’. Fysiek mocht hij er dan niet meer zijn, in onze – en haar – gedachten en gevoelens bleef hij nog zeer levendig. Vanaf 2016 zo ongeveer begon ons moe lichamelijk en geestelijk erg achteruit te gaan: ze sloot zich af van vrienden, kennissen en buren – maar ook van haar naaste familie. Als Ferna en Johan – mijn twee broers – en ik op zondagvoormiddag kwamen aperitieven, trok ze naar buiten om bladeren op te rapen van het gazon. Ook als ze bij ons thuis kwam eten, nam ze nog nauwelijks deel aan de conversatie. Ze verwaarloosde zichzelf, het huis aan de Roomshofstraat raakte in verval, maar daarover met haar in gesprek gaan was onmogelijk.

Ik denk dat ze bang was dat ze dement werd. We gaven bij de Scriptomanen in die periode een dichtbundel van Eddy Vaernewyck uit, Over het geluk van oude zomers. Omdat ik meende dat ze deze poëzie wel zou kunnen smaken en omdat er enkele pakkende gedichten over dementie in stonden – ons moe was erg geïnteresseerd in dat onderwerp, sinds ze haar demente moeder had verzorgd – gaf ik haar een exemplaar cadeau. Ze gooide het weg, met de boodschap dat ze dat allemaal niet meer wilde lezen.

Eind december 2019 vond mijn jongste broer Johan haar in de gang, waar ook de telefoon stond. Ze had daar al een hele tijd gelegen, had een toeval gekregen, een attakske – of een reeks attakskes – en was gevallen toen ze wellicht op weg was naar de telefoon. Ze was erg verward, werd opgenomen in het ziekenhuis, knapte daar lichamelijk vrij goed op – al zou ze vanaf nu voortdurend aangewezen zijn op een rollator, of zelfs een rolstoel – en moest opgenomen worden in een woonzorgcentrum. We kozen voor de Gerstjens: het was dichtbij, in het hart van Erembodegem waar ze altijd gewoond had, en er verbleven al enkele oude bekenden van haar, onder wie ook een bijzonder goeie jeugdvriendin.

Begin januari 2020 verhuisde ze van het ziekenhuis recht naar het woonzorgcentrum – waar ze een paar maanden later al meteen geconfronteerd werd met corona – en werd haar huis aan de Roomshofstraat verkocht. Het huis moest leeg gemaakt worden, en bij die gelegenheid stootte ik op het Groene Boek, dat in mijn archieven belandde, op de zolder van de garage. In 2008 hadden we het huis van Nonkel Frans al leeggemaakt – de jongste broer van Petjen – en had ik mij ook ontfermd over zijn archief. Vroeg of laat zou ik daar eens iets mee aanvangen, had ik gedacht. En omdat hij de jongste van het geslacht Onverwagt was geweest, en al zijn broers en zussen inmiddels ook waren gestorven, waren veel memorabilia via hem ook al bij mij verzeild geraakt.

Op die manier wist ik dat veel foto’s het Groene Boek niet hadden gehaald, niet alleen omdat het hoogstwaarschijnlijk al kort na 1976 was samengesteld, maar ook omdat de focus ervoor duidelijk bij het gezin Onverwagt-Van Gheit had gelegen, met tante Lowis als onvermijdelijk aanhangsel.



Uiteraard dook het ook weer op bij het overlijden van ons moe in mei 2026, toen mijn broers en ik op zoek gingen naar foto’s voor de montage bij haar levensloop en het liedje In de ogen van ons moe dat we gemaakt hadden. Daar en dan heeft het idee voor dit boek vaste vorm aangenomen. Ik was verplicht een selectie te maken, maar bij elke mij al bekende of nog redelijk onbekende foto die ik onder ogen kreeg, ontsprong telkens ook weer een stroom herinneringen…

En wat doe je dan, als schrijver?

Dan schrijf je die op, natuurlijk.




14.7.26

101 Familiefoto's - 003: Petjen

 


Nu we dan toch bezig zijn, hier komt nog een fragment aan uit Een magisch-realist in Mysterieus België:

 

Mijn grootvader, ‘Petjen’, was mijn held… en omgekeerd was dat ongetwijfeld ook het geval. Petjen maakte voor mij een boog van essenhout, en in de Zavelputten gingen we riet snoeien, en als je dan wat modder in zo’n uiteinde van een stuk riet stopte, kreeg je een pijl die goed rechtdoor kon vliegen en ook recht naar beneden kwam.

Hij leerde mij ‘muziekskes’ blazen op een stugge grasspriet, en vertelde mij bij de Duivelsputten verhalen over de stuikrover Jan De Lichte. In het moeras kon je nog de restanten van de postkoets zien drijven die zijn bende daar had overvallen. En hij drukte me op het hart nooit voorbij het roestige ijzeren hek te gaan dat het domein ‘van de baron’ afsloot, want daar lagen allemaal wolfsijzers en schietgeweren.

Petjen toonde me hoe je op een landerige zaterdagnamiddag spannende avonturen kon beleven, door een lege portefeuille aan een dun touwtje te hangen en op het fietspad te leggen – hij woonde op de Brusselse Steenweg, daar kwamen behalve tamelijk veel auto’s ook wel wat fietsers voorbij. Hij deed me voor hoe ik me in het struikgewas kon verstoppen, wachtend op de argeloze fietser die de portefeuille zou opmerken en van zijn fiets stappen, net voor de top van de Boechoutberg (67 meter boven de zeespiegel, leerden we in de gemeenteschool) en volstrekt buiten adem. En hoe ik ten slotte heel hard lachend heel hard moest wegrennen, met portefeuille en al. 

Ik vertelde hem op zijn vraag vanalles over wat ik op school had geleerd. Hoe de mensen tegenwoordig naar de maan vlogen en zo – al begrijp ik dat zelf nog altijd niet goed – en hoe de Romeinen destijds ons land hadden bezet – daar wist ik dan weer alles over – en wanneer ik iets aan het lezen was, vroeg hij me soms een stukje voor te lezen. Want zelf kon hij amper lezen, hij was maar tot zijn veertiende naar school geweest, en dan nog vooral ‘achter de haag’.

Ik was gek op paarden; dat kwam door al die boeken over Winnetou en Old Shatterhand. Ik las Petjen bij voorkeur een passage voor waarin paarden opdraafden, en schetste in geuren en kleuren hoe je als ruiter één kon worden met je paard en dat je ermee kon praten, maar dat je elkaar ook begreep zonder woorden. En daar op de Boechoutberg had Petjen een heel grote moestuin en hield hij ook veel kippen en konijnen, maar daarachter kon hij nog wel een wei huren om het paard op te zetten dat hij voor mij zou kopen.

Er was maar één probleem. Mijn moeder zei ‘nee’.

Maar toen kregen we nieuwe overburen, en op de wei waar mijn paard had moeten staan, stond nu dat van de dochter van de overburen. Het paard heette Cry. En Petjen regelde het zo dat hij het paard mocht verzorgen als de eigenaars op reis waren – ze waren nogal rijk, die overburen, en dus gingen ze skiën in de winter, naar de Côte d’Azur in de zomer, en tussendoor bezochten ze allerlei wereldsteden. Zo kwam ik dan toch nog op de rug van een paard terecht. Dat van die eenheid van mens en dier viel wat tegen, maar praten met een paard kon ik als de beste.

Vanuit mijn tuin – ik woon nu in het huis dat ooit eigenhandig door mijn grootvader werd gebouwd – kan ik nog steeds de bedding zien waar ooit de laatste tram tussen Gent en Brussel reed. En de wei waar ‘mijn’ paard stond. Tot Petjen in die mythische zomer van ’76 stierf en er een einde kwam aan mijn weekfends en vakanties op de Boechoutberg. Voor een jaar of tien dan toch.

Petjen had prostaatkanker en we wisten dat die zomer zijn laatste zou worden. Ik was veertien, het werd september en ik ging met de fiets naar school. Toen ik terugkeerde naar huis, kruiste ik ter hoogte van het park van Aalst, net voor de Kapellekensbaan van Louis Paul Boon, een lijkwagen. Plotseling voelde het alsof ik lood in de benen kreeg, ik wist gewoon dat Petjen er niet meer zou zijn. Mijn voorgevoel had me niet bedrogen; er waren nog lang geen smartphones, we hadden thuis zelfs nog maar sinds kort telefoon… Maar toen ik de deur opende en mijn fiets stalde en mijn moeder in het smalle gangetje verscheen, moest ze niets meer zeggen. Ik wist het al. Petjen had een fatale hersenbloeding gekregen.



 

De foto die de motor is van deze stroom van herinneringen staat aan het begin van dit stukje. Hij hing in groot formaat, in een zwaar kader op de badkamer van het huis op de heuvel. Die badkamer had toen nog alleen een bad en een lavabo, een toilet was er niet. Daarvoor moest je naar tosjke of ‘het huisje’ dat was aangebouwd aan het stalletje dat was aangebouwd aan de veranda die was aangebouwd aan de eigenlijke woning. In de badkamer stond een nachtemmer – als kind moest ik ’s nachts nog niet opstaan om te gaan plassen, maar ’s ochtends keken petjen, metjen en ‘ons moe’ altijd sereen en ernstig op mij neer als ik het in de emmer liet klateren.  

Het is een zorgvuldig gecomponeerd familieportret zoals dat gebruikelijk was in de vroege jaren 1940. Alles wijst erop dat de foto werd gemaakt in een studio, waar licht, houding en compositie zorgvuldig werden geregisseerd om een beeld van respectabiliteit en familiale verbondenheid vast te leggen.

Het kleine meisje, mijn moeder, zit vooraan op een ronde kruk. Ze vormt letterlijk en figuurlijk het middelpunt van de compositie. De enorme witte strik boven op haar hoofd, zo groot als haar gezicht, fungeert als een visueel ankerpunt. Ze zit ontspannen, met de benen schuin over elkaar op de kruk… als helemaal niet mijn moeder.

Wat het beeld zo ontroerend maakt, realiseer ik me nu, is een subtiel evenwicht tussen ernst en tederheid. Petjen straalt bescherming uit, metjen warmte, mijn moeder zorgt voor een vleugje onvoorspelbaarheid. Ze vormen een driehoek van blikken en houdingen die bijna een klein verhaal vertellen: van een papa en een mama die hun toekomst voor zich zien zitten op een kruk, met een grote witte strik in het haar en de aandacht al half gericht op de wereld die zich buiten het kader van de foto bevindt.



11.7.26

101 Familiefoto's - 002: De laatste tram

 


In mijn ‘creatieve autobiografie’ Eenmagisch-realist in Mysterieus België (2025) beschrijf ik het als volgt:



Dit moet zo ongeveer mijn oudste herinnering zijn. Ik ben een jaar of vier en zit op de arm van mijn grootmoeder. Ze staat helemaal achteraan in de tuin van haar huis, bij het hekje dat rechtstreeks uitgeeft op iets dat lijkt op de bedding van een drooggevallen rivier. Maar het is geen rivier, er liggen tramsporen in het midden van de bedding.

Naast mijn grootmoeder staat mijn grootvader, in zijn hemdsmouwen. En mijn ouders zijn er ook. De hond blaft en springt op – hij is helemaal wit, behalve rond zijn ene oog: daar is ie zwart.

Het is warm, de zon schijnt. Het moet augustus zijn, zo zal ik mij later realiseren… want aan de overkant van de tramlijn ligt een graanveld, en het graan is geel.

En dan is daar de tram. Hij rijdt ons traag voorbij. En de hond blaft en springt op. De zonnestralen lijken mij helemaal warm te maken, ook vanbinnen. Ik ervaar een intens gevoel van geluk, zoals er nog veel zullen volgen in die gouden jeugd van me. Het graan kan ik bijna ruiken. Wat een mooie, mooie dag is dit…

Achteraan op de tram, op een platformpje, staan een drietal mensen – twee mannen en een vrouw. En ze wuiven naar ons. En wij wuiven terug.

‘Kijk jongen, dat was nu de laatste tram,’ hoor ik mijn grootvader zeggen.  

Vele jaren later – ik woon nu al geruime tijd in het huis van mijn grootouders – vertel ik aan een heemkundige dat ik als kleuter daar, achteraan in de tuin, de laatste tram heb uitgewuifd.

De man kijkt me kritisch aan. ‘Hoe oud ben jij dan?’

Ik zeg dat ik geboren ben in ’62.

‘Ik dacht al zoiets,’ grijnst hij. ‘De laatste tram reed uit in 1963.’

 

Het is een typische valse herinnering. Waarschijnlijk heb ik in de loop der jaren – misschien zelfs voor een verhaal dat ik ooit schreef – het relaas van mijn ouders of grootouders over die laatste tram gecombineerd met mijn herinneringen aan hoe we ooit in een gouden zomer van lang geleden achteraan in de tuin stonden. Er bestaat trouwens nog een foto van zo een in de tijd gestold moment. De witte hond met het zwarte oog ken ik eigenlijk alleen maar van die foto, en van mijn valse herinnering, want voor de rest komt hij in mijn herinneringen niet voor.

Ik heb in de loop der tijden een massa van dit soort valse herinneringen gefabriceerd. De pseudo-herinnering is een bekend psychisch gegeven. Een niet-schrijvende mens zal een gat in zijn geheugen proberen op te vullen in een doorgaans grotendeels onbewust proces. Hij zal bepaalde details en zelfs hele herinneringen verzinnen, of ze door logisch redeneren proberen te reconstrueren. Een schrijvende mens zal bewust stilstaan bij een gebeurtenis uit zijn verleden en er iets mee doen in functie van een personage dat hij tot leven wil wekken, een scène die hij wil inkleuren, het verhaal dat hij wil vertellen.

In de psychologie spreekt men in dit verband over het Lost in the Mall Experiment, waarmee werd aangetoond dat mensen nieuwe herinneringen kunnen aanmaken over gebeurtenissen die nooit hebben plaatsgevonden. Proefpersonen krijgen het verslag van een aantal gebeurtenissen uit hun jeugd te lezen, genoteerd door familieleden. Eén ‘feit’ is evenwel verzonnen: dat ze op vijfjarige leeftijd verdwaalden in een winkelcentrum. Toch wordt ook deze fictieve gebeurtenis voor waar aangenomen: sommige proefpersonen slagen er zelfs in allerlei details te vertellen over een verzinsel.

Een schrijver kan hier zijn voordeel mee doen. Voor een magisch-realistische schrijver zou dit fenomeen zelfs een fundament kunnen zijn waarop een belangrijk deel van zijn werk is gebouwd. Ga het na bij verschillende magisch-realistische schrijvers als Haruki Murakami, Jeanette Winterson, Hubert Lampo, Isabel Allende, Jorge Luis Borges of Gabriel Garcia Marquez… en je zult telkens een andere definitie krijgen van wat magisch-realisme voor hen betekent. Een aantal elementen keert noodzakelijkerwijze terug: aan de ene kant de werkelijkheid zoals wij die kennen – de ‘feiten’ zeg maar –, aan de andere kant de droom, de verbeelding, de fictie, de mythe, het bovennatuurlijke en het mystieke, een alternatieve realiteit, een parallelle wereld.




Tot daar het fragment waar ik voor de lezer een valse herinnering ontmasker en er tegelijk een nieuwe aanmaak. Want de foto waarvan sprake, met de hond met het ene zwarte oog, achteraan in de tuin… die bestaat niet. Bij het doorploegen van het familiale foto-archief na de dood van mijn moeder op 13 mei 2026 – de rechtstreekse aanleiding voor het schrijven van deze stukken – ging ik naarstig op zoek naar de bewuste foto die ik me haarscherp meende te herinneren… en die niet bestond.

Blijkbaar heb ik aan de hand van een onbestaande foto – opnieuw – een alternatieve realiteit geconstrueerd, een parallelle wereld. Ik ben er wel vrij zeker van welke foto voor de inspiratie heeft gezorgd, en dat moet deze zijn waarmee ik dit stukje open. Mijn grootvader en mijn grootmoeder achterin de tuin van het huis waar ik nog steeds woon, mijn grootmoeder met een hond op de arm. En tussen hen in… niet ik, maar mijn moeder.

Die hond – al dan niet met één zwart oog – verschijnt trouwens wel vaker op foto’s met mijn grootouders en/of mijn moeder. Hij maakte, zolang ik mij kan herinneren, deel uit van de familie.

Eind jaren 40 maakte je niet zomaar eventjes een foto. Ik vraag me dan af wie besloot mama, papa en de dochter even bij elkaar in de tuin. Het moet weer zomer zijn. Mijn grootvader is lang en opvallend mager, zijn houding zelfverzekerd, bijna uitdagend met die hand in zijn zij. Hij is in hemdsmouwen, werd hij onderbroken bij het werk in de tuin? In zijn blik meen ik een zweem van ongeduld te ontwaren. 

Het meisje dat mijn moeder zal worden vangt in haar lichte jurk het meeste licht. Ze staat keurig rechtop met beide handen voor zich gevouwen, heeft ze dat zo geleerd op school? Toch straalt ze geen verlegenheid uit, integendeel, ze lacht, ze vindt dit amusant, ze heeft er schik in. 

Metjen heeft een stevig postuur – heel anders dan het frêle oude vrouwtje dat zij later zou worden. Ze glimlacht als iemand die tevreden is met haar leven. Zowel mijn moeder als mijn groot-moeder lijken  heel anders op deze foto dan ik ze mij herinner.

De aandacht van de hond wordt volledig opgeëist door iets buiten beeld. Je krijgt het gevoel dat hij elk moment zou kunnen beginnen spartelen en vervolgens onherroepelijk buiten beeld springen…


Hier vind je alle Familiefoto's op een rijtje!

Podcast Luisterboeken