11.7.26

101 Familiefoto's - 002: De laatste tram

 


In mijn ‘creatieve autobiografie’ Eenmagisch-realist in Mysterieus België (2025) beschrijf ik het als volgt:



Dit moet zo ongeveer mijn oudste herinnering zijn. Ik ben een jaar of vier en zit op de arm van mijn grootmoeder. Ze staat helemaal achteraan in de tuin van haar huis, bij het hekje dat rechtstreeks uitgeeft op iets dat lijkt op de bedding van een drooggevallen rivier. Maar het is geen rivier, er liggen tramsporen in het midden van de bedding.

Naast mijn grootmoeder staat mijn grootvader, in zijn hemdsmouwen. En mijn ouders zijn er ook. De hond blaft en springt op – hij is helemaal wit, behalve rond zijn ene oog: daar is ie zwart.

Het is warm, de zon schijnt. Het moet augustus zijn, zo zal ik mij later realiseren… want aan de overkant van de tramlijn ligt een graanveld, en het graan is geel.

En dan is daar de tram. Hij rijdt ons traag voorbij. En de hond blaft en springt op. De zonnestralen lijken mij helemaal warm te maken, ook vanbinnen. Ik ervaar een intens gevoel van geluk, zoals er nog veel zullen volgen in die gouden jeugd van me. Het graan kan ik bijna ruiken. Wat een mooie, mooie dag is dit…

Achteraan op de tram, op een platformpje, staan een drietal mensen – twee mannen en een vrouw. En ze wuiven naar ons. En wij wuiven terug.

‘Kijk jongen, dat was nu de laatste tram,’ hoor ik mijn grootvader zeggen.  

Vele jaren later – ik woon nu al geruime tijd in het huis van mijn grootouders – vertel ik aan een heemkundige dat ik als kleuter daar, achteraan in de tuin, de laatste tram heb uitgewuifd.

De man kijkt me kritisch aan. ‘Hoe oud ben jij dan?’

Ik zeg dat ik geboren ben in ’62.

‘Ik dacht al zoiets,’ grijnst hij. ‘De laatste tram reed uit in 1963.’

 

Het is een typische valse herinnering. Waarschijnlijk heb ik in de loop der jaren – misschien zelfs voor een verhaal dat ik ooit schreef – het relaas van mijn ouders of grootouders over die laatste tram gecombineerd met mijn herinneringen aan hoe we ooit in een gouden zomer van lang geleden achteraan in de tuin stonden. Er bestaat trouwens nog een foto van zo een in de tijd gestold moment. De witte hond met het zwarte oog ken ik eigenlijk alleen maar van die foto, en van mijn valse herinnering, want voor de rest komt hij in mijn herinneringen niet voor.

Ik heb in de loop der tijden een massa van dit soort valse herinneringen gefabriceerd. De pseudo-herinnering is een bekend psychisch gegeven. Een niet-schrijvende mens zal een gat in zijn geheugen proberen op te vullen in een doorgaans grotendeels onbewust proces. Hij zal bepaalde details en zelfs hele herinneringen verzinnen, of ze door logisch redeneren proberen te reconstrueren. Een schrijvende mens zal bewust stilstaan bij een gebeurtenis uit zijn verleden en er iets mee doen in functie van een personage dat hij tot leven wil wekken, een scène die hij wil inkleuren, het verhaal dat hij wil vertellen.

In de psychologie spreekt men in dit verband over het Lost in the Mall Experiment, waarmee werd aangetoond dat mensen nieuwe herinneringen kunnen aanmaken over gebeurtenissen die nooit hebben plaatsgevonden. Proefpersonen krijgen het verslag van een aantal gebeurtenissen uit hun jeugd te lezen, genoteerd door familieleden. Eén ‘feit’ is evenwel verzonnen: dat ze op vijfjarige leeftijd verdwaalden in een winkelcentrum. Toch wordt ook deze fictieve gebeurtenis voor waar aangenomen: sommige proefpersonen slagen er zelfs in allerlei details te vertellen over een verzinsel.

Een schrijver kan hier zijn voordeel mee doen. Voor een magisch-realistische schrijver zou dit fenomeen zelfs een fundament kunnen zijn waarop een belangrijk deel van zijn werk is gebouwd. Ga het na bij verschillende magisch-realistische schrijvers als Haruki Murakami, Jeanette Winterson, Hubert Lampo, Isabel Allende, Jorge Luis Borges of Gabriel Garcia Marquez… en je zult telkens een andere definitie krijgen van wat magisch-realisme voor hen betekent. Een aantal elementen keert noodzakelijkerwijze terug: aan de ene kant de werkelijkheid zoals wij die kennen – de ‘feiten’ zeg maar –, aan de andere kant de droom, de verbeelding, de fictie, de mythe, het bovennatuurlijke en het mystieke, een alternatieve realiteit, een parallelle wereld.




Tot daar het fragment waar ik voor de lezer een valse herinnering ontmasker en er tegelijk een nieuwe aanmaak. Want de foto waarvan sprake, met de hond met het ene zwarte oog, achteraan in de tuin… die bestaat niet. Bij het doorploegen van het familiale foto-archief na de dood van mijn moeder op 13 mei 2026 – de rechtstreekse aanleiding voor het schrijven van deze stukken – ging ik naarstig op zoek naar de bewuste foto die ik me haarscherp meende te herinneren… en die niet bestond.

Blijkbaar heb ik aan de hand van een onbestaande foto – opnieuw – een alternatieve realiteit geconstrueerd, een parallelle wereld. Ik ben er wel vrij zeker van welke foto voor de inspiratie heeft gezorgd, en dat moet deze zijn waarmee ik dit stukje open. Mijn grootvader en mijn grootmoeder achterin de tuin van het huis waar ik nog steeds woon, mijn grootmoeder met een hond op de arm. En tussen hen in… niet ik, maar mijn moeder.

Die hond – al dan niet met één zwart oog – verschijnt trouwens wel vaker op foto’s met mijn grootouders en/of mijn moeder. Hij maakte, zolang ik mij kan herinneren, deel uit van de familie.

Eind jaren 40 maakte je niet zomaar eventjes een foto. Ik vraag me dan af wie besloot mama, papa en de dochter even bij elkaar in de tuin. Het moet weer zomer zijn. Mijn grootvader is lang en opvallend mager, zijn houding zelfverzekerd, bijna uitdagend met die hand in zijn zij. Hij is in hemdsmouwen, werd hij onderbroken bij het werk in de tuin? In zijn blik meen ik een zweem van ongeduld te ontwaren. 

Het meisje dat mijn moeder zal worden vangt in haar lichte jurk het meeste licht. Ze staat keurig rechtop met beide handen voor zich gevouwen, heeft ze dat zo geleerd op school? Toch straalt ze geen verlegenheid uit, integendeel, ze lacht, ze vindt dit amusant, ze heeft er schik in. 

Metjen heeft een stevig postuur – heel anders dan het frêle oude vrouwtje dat zij later zou worden. Ze glimlacht als iemand die tevreden is met haar leven. Zowel mijn moeder als mijn groot-moeder lijken  heel anders op deze foto dan ik ze mij herinner.

De aandacht van de hond wordt volledig opgeëist door iets buiten beeld. Je krijgt het gevoel dat hij elk moment zou kunnen beginnen spartelen en vervolgens onherroepelijk buiten beeld springen…

Geen opmerkingen:

Podcast Luisterboeken