![]() |
| Uit Kroniek van de 20ste eeuw, Elsevier 1985: koning Albert valt dieper dan de rots hoog is. |
Van de historische thrillers van Johan Op de Beeck ben ik nooit wild geweest, om het voorzichtig uit te drukken. Aan Het complot van Laken en zijn opvolger De staatsvijand heb ik nog enig plezier beleefd, al moest ik even een blik werpen op de achterflap om mij te herinneren waar ze ook weer over gingen. De stijl waarin een boek is geschreven, is wat mij betreft verantwoordelijk voor een groot - zoniet het grootste - deel van mijn leesplezier. En zekere minpunten die in zijn non-fictie nog ondergeschoffeld worden, dringen zich in fictie genadeloos op de voorgrond. De aanslag op Napoleon heb ik na een vijftigtal bladzijden weg gelegd, wegens te taai en - sorry - te slecht geschreven. De personages komen niet tot leven, de lezer dient zich door ettelijke pagina's niet echt terzake doende uitweidingen te ploegen, zinnen draaien om de haverslag in een grammaticale knoop en de taal is stroef, de verwoording bijwijlen tegelijk omslachtig en onhandig.
Het was dus met enige reserve dat ik aan Het Mysterie van Albert I begon - een historische thriller over het onderwerp waar ik tussen 1993 en 2008 drie boeken aan wijdde, die kon ik toch niet laten liggen? In Het Nieuwsblad verscheen een juichende recensie, Op de Beeck was niet weg te slaan uit de media, en het boek bleek al een bestseller te zijn nog voor het in de rekken lag. Gelukkig is deze thriller niet zo saai als De aanslag op Napoleon en zit hij weer zo ongeveer op het niveau van Het complot van Laken. Wild word ik er niet van, maar het kon erger. Misschien ben ik ook te zeer in de watten gelegd door auteurs als Robert Harris of - jawel - Stephen King, die hun inhoud 'in stijl' weten te brengen en voor wie de geloofwaardigheid van het personage primeert.
Het stoort me enorm dat grote uitgevers voor hun bestsellers-bij-voorbaat blijkbaar niet meer de moeite doen om een redacteur op een tekst te zetten die zijn stiel kent, en stijlbloempjes aanpakt als 'Het mens laat van ontstentenis haar poetslap op de stoep vallen' of 'In het salon grijpt de ontstentenis om zich heen als een bosbrand'. Die een contaminatie van het slag dat je vroeger al in de basisschool afgeleerd kreeg - 'onmeedogenloos' - onmeedogend corrigeert in meedogenloos, of vice versa. Die taalfouten opspoort van het genre 'Ik speur mensen op'. In mijn klassen creatief schrijven aan de Academie gingen die er onverbiddelijk uit, dat je ze nog uit een boek moet plukken waarvan geheid enkele duizenden exemplaren verkocht worden, verdient onverbiddeloos de karwats. Ook zou ik er in die klassen creatief schrijven op gewezen hebben dat je moet opletten met 'expositie' en een Sprechhund als sergeant Kimpe, als daar compleet ongeloofwaardige dialogen van komen waarin twee personages aan elkaar uitleggen wat ze eigenlijk al weten, om de broodnodige informatie bij de lezer te brengen. En dat het kundig gebruik van de alinea een stijlmiddel en niet een overbodige tierlantijntje, lees er Over leven en schrijven van de genoemde Stephen King op na, of om het even welke cursus creatief schrijven voor beginners.
'Waar maak jij je toch druk over?' hoor ik mijn critici al zeggen. 'Zijn boeken gaan als zoete broodjes over de toonbank, hoor!'
Och ja, het zal wel. Maar het lucht op het eens te kunnen zeggen als de thermometer over de 30° gaat.
En ik zou het ook nog over de inhoud hebben. In de media klinkt het alsof Johan Op de Beeck zich als eerste waagt aan dit heikel onderwerp. De piste die hij bewandelt, wordt heel erg serieus genomen, want hij heeft nu eenmaal die indrukwekkende pedigree in het genre van de historische fictie en non-fictie. In 1993, toen ik samen met Guy Didelez de young adult historische thriller De moord op Albert I op de wereld losliet, lagen de kaarten heel anders. Het was 'maar' een jeugdroman, ik was ook die schrijver van Vlaamse Filmpjes, en historici zowel als royalty watchers buitelden over elkaar heen om een moord op de Koning-Ridder weg te zetten als een hardnekkige legende, niet meer dan een staaltje van complotdenken. Toen we met de uitvinding van het internet nog meer informatie vonden die onze hypothese van 1993 bekrachtigde en het boek herschreven tot Het februaricomplot (1999) was dat niet anders.
In 2004 verscheen De val van Albert I, een sterk staaltje true crime van de Waalse journalist Jacques Noterman. Hij was de eerste die het gerechtelijk dossier over de dood van koning Albert kon inkijken en kwam tot een onomstotelijke conclusie: de officiële versie van de feiten - een tragisch maar klassiek ongeval 'van heet alpinisme' - is niet houdbaar. Onder meer dankzij dit boek (en verdere research die ik ondertussen had gedaan) schreef ik in 2008 mijn laatste woord over de kwestie in de historische faction thriller Het Illuminati Complot. Ik beweer niet dat ik de waarheid in pacht heb, en dat het zo en niet anders gebeurd moet zijn als ik in dit boek vertel. Ik ben het eens met Noterman - en Op de Beeck - dat de officiële versie van de feiten een sprookje is, en ik geloof nog steeds dat mijn piste niets sprookjesachtigs heeft, omdat ik vertrek van drie premisses waaraan niet te tornen valt. Nog tot in 2016 bleven 'serieuze' onderzoekers zeer weinig serieuze pogingen ondernemen om de these van een moord in Marche-les-Dames onderuit te halen. Op de Beeck verwijst er ook naar, ik heb mij er destijds enigszins over opgewonden op deze blog, in de post De Frivole Fratsen van VTM-Royalty Reporter Reinout Goddyn en het DNA van Albert I uit Marche-les-Dames.
Wat zijn dan die drie premisses?
Nog voor 1993 en De moord op Albert I merkte ik al hoe slordig er verslag werd uitgebracht over de dood van de koning. Exemplarisch daarvoor is De kroniek van de 20ste eeuw, een prestigieus historisch naslagwerk samengesteld door een enorme redactie (zie foto bovenaan deze post) waarin de koning zowaar een val van 80 meter heeft gemaakt, en dus - gesteld dat hij van de top gevallen is - eerst een dertigtal meter omhoog zou zijn gesprongen. In het broertje, Kroniek van België (Standaard Uitgeverij) is er dan weer sprake van een val van 12 meter. Die discrepantie vond ik vreemd. Ik vroeg mij toen al af: waar halen zij hun cijfers vandaan?
De drie premisses dus, die eigenlijk in elk artikel over de dood van de koning vermeld horen te worden.
Eén: als je een val doet, zelfs maar van 12 meter, van een rots zoals Le Vieux Bon Dieu in Marche-les-Dames, dan zul je daar blauwe plekken en schrammen en builen en gebroken armen en benen aan overhouden - dat kan niet anders. Koning Albert had één gapend gat in zijn schedel, en verder niks. Alsof hij dus 30 meter omhoog was gesprongen en daarna loodrecht neergevallen, op zijn hoofd. Dat is onmogelijk en sluit de stelling van een ongeval (of ook: van zelfmoord) uit.
Twee: het is onmogelijk dat de kamerheer die de koning vergezelde, bijgestaan door een groep boeren en rijkswachters uit de streek, de locatie waar hij zijn beklimming aanvatte grondig uitkamde en daar niks niemendal vond... als het lijk en enige spullen van de koning daar enkele uren later wél worden aangetroffen, vlakbij de openbare weg trouwens, door een zoekploeg onder leiding van enkele lui die in allerijl uit Brussel zijn overgekomen. De enige conclusie die je uit deze feiten kunt trekken, is dat het lijk en de spullen er eerst niet waren, en daarna wel.
En nu wordt het interessant. Want als we iets zinnigs willen vertellen over de officiële versie van de feiten - een ongeval, wat het dus absoluut niet geweest kan zijn - dan moeten we ons in eerste instantie de vraag stellen wie hiervoor verantwoordelijk is geweest. Eén man treedt in dat geval nadrukkelijk voor het voetlicht: graaf Xavier de Grunne, ooit klimmaatje van Albert, secretaris-generaal van de Belgische alpinistenclub, die een landgoed bezat in de buurt van Marche-les-Dames en tot de Brusselse zoekploeg behoorde. Hij slaagde er niet alleen in het lichaam van de koning op miraculeuze wijze terug te vinden en te 'bergen', in de letterlijke betekenis van het woord (het lijk werd in de wagen gelegd en samen met alle daar ook aangetroffen spullen van de koning tegen alle geplogenheden in naar Laken gevoerd), maar hij dicteerde ook aan het parket van Namen hoe het allemaal precies was gebeurd. Het parket, dat pas op de crime scene verscheen nadat hij het lijk en alle mogelijke bewijs had laten verdwijnen.
Johan Op de Beeck is volledig mee wat premisse één en twee betreft, maar blijft merkwaardig blind voor premisse drie: de uiterst verdachte machinaties van graaf Xavier de Grunne. Nochtans bestaat mijn korte samenvatting van hierboven ook uit niets anders dan feiten. De rol van Xavier de Grunne in de cover-up - hoe wil je het anders noemen? - minimaliseert hij, de man wordt zelfs nauwelijks vernoemd. Over de motivatie van Xavier de Grunne om te doen wat hij gedaan heeft - door zijn vasthouden aan 'het ongeval' bleek ook een lijkschouwing overbodig - kunnen de meningen uiteenlopen. De man kan gehandeld hebben uit eerbied voor de vorst, om het imago van de koning clean te houden, weet ik veel... Maar hoe dan ook smeekt zijn modus operandi om een nauwgezet onderzoek van zijn persoon. Johan Op de Beeck zwijgt op een oorverdovende wijze over dit cruciale gegeven, omdat hij de aandacht van de lezer wil afleiden van de mogelijkheid van een politieke aanslag door Duitsland, naar eentje in opdracht van de Franse geheime dienst. Hij kan niet anders dan toegeven dat er meteen na de dood van Albert in de hoogste kringen gedacht werd aan een Duitse aanslag, maar veegt dit element in het dossier zonder veel argumenten van tafel om - ook weer zonder veel argumenten - de Franse piste te volgen.
Dit verhaal is er bijgevolg één met een opzichtige dode hoek. Komt daarbij dat ik het een regelrecht zwaktebod vind voor deze historische thriller wanneer blijkt dat de auteur zijn toevlucht zoekt tot een volslagen fictieve barones als bewoonster van het kasteel van Boninne - gelegen bij de crime scene - terwijl er een zeer non-fictieve barones voorhanden is, Alice de Zualart, over wie geruchten de ronde deden dat zij een minnares van de koning was geweest. Ook dit gegeven zet Op de Beeck weg in zijn dode hoek, met één enkel zinnetje in zijn nawoord; 'Daar is natuurlijk geen bewijs van.' Dat er daar zelfs ooit een pad naar de koning is vernoemd dat als mogelijke sluiproute kon dienen - nee, geen bewijs. Dat Albert al veel langer dan februari '34 naar Marche-les-Dames kwam 'om te klimmen', met een kamerheer als alibi - nog steeds geen bewijs. Maar anderzijds vindt hij het kasteel van Boninne en haar bewoonster wel sterk genoeg om mee te spelen in een puur fictieve context, die - laten we wel wezen - redelijk van de pot gerukt is en vooral dient om nog een extra portie seks binnen te smokkelen, via haar verschijning in pornografische publicaties.
Bovendien heb ik veel moeite met het opvoeren van het historische personage van ingenieur Van Steenberghe, die een erg kritisch rapport schreef over de dood van de koning dat door justitie destijds werd bestempeld als 'een complottheorie', en die in het verhaal van Op de Beeck wordt vermoord 'omdat hij te veel wist'. Wat de auteur zogenaamd wil vermijden met Alice de Zualart - een historisch personage een rol toedichten waar geen hard bewijs voor bestaat -, is plotseling geen probleem meer voor een ander historisch personage dat hij zelfs laat vermoorden, terwijl dat in werkelijkheid niet is gebeurd. Op de Beeck vermeldt het allemaal wel in zijn nawoord en je mag me een purist noemen, maar ik hou nu eenmaal niet zo van dit soort 'geschiedvervalsing' in historische thrillers. Stick to the facts, was altijd mijn devies - of je krijgt het lastig met the suspension of disbelief van de min of meer geïnformeerde lezer n je haalt je het commentaar van kritische kwieten als ondergetekende op de hals.
De Franse piste die Johan Op de Beeck ontvouwt, trekt de spanningen tussen Albert en zijn Franse (en Engelse) bondgenoten tijdens de Groote Oorlog zonder meer door naar het jaar 1934. Albert wilde het bevel over zijn leger behouden en niet nodeloos jonge Belgische levens opofferen. Hij voerde zelfs in het grootste geheim 'gesprekken' met Duitsland. Dat laatste is voor Op de Beeck een argument om te stellen dat Albert eigenlijk best wel op goede voet stond met de Duitsers, zodat hun geheime diensten niet in aanmerking komen om een moordaanslag op de koning te beramen. Dat de spanningen en het wantrouwen van 14-18 voor de Fransen nog zo zouden doorwegen dat zij meenden de koning uit de weg te moeten ruimen, lijkt mij echter echt wel een paar bruggen te ver. Johan Op de Beeck lijkt te vergeten dat Hitler in 1933 aan de macht gekomen is en dat zijn nazi-Duitsland een heel andere, totaal nieuwe situatie geschapen heeft die niet meer te vergelijken valt met die van de oorlogsjaren, of van de Weimar republiek waar hij een eind aan maakte.
Wat Johan Op de Beeck zo nadrukkelijk buiten beeld laat, is een scenario dat vertrekt vanuit de historische figuur van graaf Xavier de Grunne, de verantwoordelijke voor - daar lijkt ondertussen wel voldoende consensus rond te bestaan - een volstrekt fictieve officiële versie van de feiten. Omdat, wie zich in de persoon van de Grunne verdiept, onvermijdelijk een uiterst recht(s)e lijn moet trekken naar... jawel, nazi-Duitsland. Het Illuminati Complot is gebouwd op de vaststelling dat de kas van de fascistische politieke partij Rex in de jaren dertig regelmatig gespekt werd met grote sommen geld die Führer Léon Degrelle in Duitsland en Italië wist los te weken. 'Xavier de Grunne, toen nog een vooraanstaand senator van Rex, heeft verklaard dat zijn partij van 1933 tot 1936 ruim 19 miljoen Belgische frank kreeg van Italië alleen al. De eerste fondsen werden door koeriers van Mussolini overhandigd in zijn kasteel van Oppem. In 1936 richtte Degrelle zich tot de Duitse gezant in Brussel en slaagde hij er eindelijk in een ontmoeting te regelen met zijn grote idool Adolf Hitler. Dat leverde Rex niet minder dan 100.000 rijksmark op, waarvan beweerd werd dat ze bestemd waren voor pers- en propagandadoeleinden, maar in werkelijkheid wilde men daarmee een staatsgreep plegen.'
Die poging tot staatsgreep is er in dat jaar ook gekomen. Ze zorgde voor Degrelle & Co. (onder wie de Vlaamse schrijver Paul De Mont, Führer van de Vlaamse vleugel) voor een kater van formaat, want toen het erop aankwam verkozen de militairen eerste minister Van Zeeland boven een grillige amokmaker. Nu viel de Rex-beweging van Léon Degrelle, Paul De Mont, rijkswachtkolonel Vigneron en alpinist Xavier de Grunne lang niet zo goed te rijmen met de figuur van Albert I als met deze van Leopold III die zij tot het autoritaire staatshoofd van België wilden kronen. De Grunne brak later met Degrelle en ging tijdens de Tweede Wereldoorlog in het verzet, maar dat heeft geen belang voor zijn positie in die vroege jaren dertig.
Had de Rexist, ooit de rechterhand van Degrelle, een motief voor een cover-up? Als Rex de financiering door Hitler veilig wilde stellen, of gewoon goede maatjes wilde blijven met hun Germaanse geestesgenoten... denk ik van wel. Had Hitler dan een motief om koning Albert uit de weg te ruimen? Vies van een politieke moordaanslag in het buitenland waren de nazi's allerminst: zo zouden zij in juli 1934 de dictator van Oostenrijk neerleggen, Engelbert Dollfuss.
In oktober 1933 - een half jaar na de machtsovername - eiste Hitler 'gelijkberechtiging' wat de bewapening betrof, en trok hij Duitsland terug uit de Ontwapeningsconferentie en de Volkerenbond. Albert I volgde deze gevaarlijke bocht en de breuk met de naoorlogse veiligheidsorde met argusogen. Hij was bang voor zowel een nieuw Duits militair overwicht én een nieuwe algemene wapenwedloop. Kort na zijn dood, op 6 maart 1934, hield eerste minister Charles de Broqueville een toespraak die wellicht ook de visie van Albert weerspiegelde: tegenover de razendsnelle Duitse herbewapening moest men kiezen tussen preventieve oorlog of een algemene beperking van bewapening. Het was beter te onderhandelen dan zich te laten meeslepen in een nieuwe wapenwedloop.
De positie van België in dit alles was voor nazi-Duitsland van het allergrootste belang. Met de stem van Albert werd toen ook nog rekening gehouden op het politieke toneel. Voor Albert mocht neutraliteit geen papieren illusie zijn, België moest zich kunnen verdedigen. Voor zijn zoon, de later Leopold III, betekende dit dat België zich moest losmaken uit te nauwe Frans-Britse of Frans-Belgische militaire afhankelijkheden en een strikt zelfstandige positie moest innemen. Die politiek werd in het jaar van de mislukte staatsgreep door Rex, op 14 oktober 1936, door Leopold tegenover zijn ministers verdedigd. Het moet Duitsland als muziek in de oren geklonken hebben: na 1936 leidde deze houding onder meer tot het stopzetten van officiële stafcontacten met Frankrijk. Albert I wantrouwde de herbewapening van Duitsland; voor Leopold was dat een reden om Belgische zelfstandigheid te verkiezen boven de zekerheid van een bondgenootschap. Dat lijkt me toch wel een fundamenteel verschil.
Is dit een bewijs? Nee, dat is het niet. Mijn hypothese houdt wel met àlle bekende factoren rekening, zonder de geschiedenis in de pure feiten geweld aan te doen, en laat niet met opzet cruciale elementen buiten beeld omdat ze niet in mijn kraam passen. Johan Op de Beeck maakt, zeer terecht, het onderscheid tussen 'een complottheorie' en 'complotdenken'. Het eerste is rationeel onderbouwd, het tweede hoeft dat niet te zijn. Maar dan moet je dit onderscheid ook toepassen op je eigen denkbeelden, toch? En in je historische fictie een (com)plot opzetten dat bij nader inzien zelfs voor hardhorigen heel luid gaat rammelen.



Geen opmerkingen:
Een reactie posten