Posts tonen met het label Hubert Lampo. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Hubert Lampo. Alle posts tonen

3.1.25

Toeval dat geen toeval is


De eerste aflevering van de podcast Het Mystiek Actie Front – niet helemaal voor niets afgekort tot MAF! – ging over synchroniciteit. Auteur en schrijfdocent Patrick Bernauw boog zich daarin samen met de redelijk mysterieuze Mi over dit fenomeen, 'uitgevonden' door de Zwitserse psychiater Carl Gustav Jung. U weet wel: Toeval met Grote T, dat zich verhoudt tot het 'normale' toeval als een olifant tot een mier en ook bekend staat als 'betekenisvolle coïncidentie'. 

Zij lanceerden daarop ook een oproep aan het grote publiek: bezorg ons sprekende voorbeelden van betekenisvolle coïncidenties. Met de inzendingen stelden zij een kleine bloemlezing samen, één ervan – HypoDroom van Marc Troch – werd bewerkt tot een monoloog en is te beluisteren op de podcast. In dit ebook zult u bovendien een voorpublicatie aantreffen uit het nieuwe boek van Patrick Bernauw, Een magisch-realist in Mysterieus België, het boek der synchroniciteiten, dat later in 2025 verschijnt. Het gaat om een essay over De komst van Joachim Stiller, de klassieke roman van Hubert Lampo, waarin synchroniciteit een hoofdrol speelt. Voorts met bijdragen van Christ'l Dullaert, Chantal Kuipers, Rita Laureys, Hanne Lemahieu, Ada Ostyn, Hilde Schockaert, Vera Van Nooten en Lotte Venema. En met een gedicht als synchroniciteitsbewijs van Katrien Dierick.

Het ebook Toeval dat geen toeval is, te verkrijgen in iedere online winkel aan 4,99 €, is gratis voor leden van de supporters club van de podcast Het Mystiek Actie Front MAF!


10.2.20

De Engelen van Mons, zoals verteld door Patrick Bernauw


Lang geleden las ik in De Zwanen van Stonehenge, het onvolprezen boek van Hubert Lampo over het magisch-realisme, over de schrijver Arthur Machen. Hoe hij met een kort verhaal in de vorm van een artikel verantwoordelijk werd voor een van de grootste mythes van de Grote Oorlog. In augustus 1914 stond het Britse leger bij het Belgische stadje Mons namelijk op het punt geheel vernietigd te worden door de Duitsers, die drie keer zo sterk waren. Tot een magisch schimmenleger aan hun zijde verscheen… 
'Ik heb ze verzonnen!' bleef Machen het nadien hardnekkig herhalen. 
'Onzin,' zeiden de veteranen die de eerste grote slag van de Eerste Wereldoorlog overleefden. 'Wij hebben de Engelen van Mons met onze eigen ogen gezien!' 


Het essay was de start van een jarenlange zoektocht naar de waarheid achter een verhaal, en naar de werkelijke aard van 'het mysterie van Mons'. Wat was daar precies aan de hand geweest? Ik schreef er twee boeken over, De Engel van Mons en Het geslacht van de engel en met Compagnie de Ballade maakte ik een bewerking voor muziektheater. Later werd een en ander ook met Theater Strobos verwerkt tot een musical.
In deze podcast vertel ik niet alleen het verhaal, maar heb ik ook enkele liedjes uit het muziektheater opgenomen. Voor de titelsong De Engel van Mons en voor Post Mortem schreef Luc Borms de muziek (hij zingt het ook). Aan de IJzer (maar daarvoor moet u wachten tot deel 2) is een traditioneel spotliedje uit de Grote Oorlog, dat door Fernand Bernauw werd bewerkt en gezongen.

De Engelen van Mons op Bol.com

Het stadsspel Het Mysterie van Mons (fotoboek in PDF - met Marc Borms)

The Angels of Mons (Arthur Machen)





Patrick Bernauw
Het geslacht van de engel
De griezelschrijver Arthur Machen was met een kort verhaal in de vorm van een artikel verantwoordelijk voor een van de grootste mythes van de Grote Oorlog. In augustus 1914 werd het Britse leger bij het Belgische stadje Mons gered door... engelen!
€20,57 Paperback


31.1.19

Geert Vandamme schrijft een magistrale biografie van Jean Ray/John Flanders


Bij de Gentse uitgeverij Poespa Producties van grafisch vormgever en illustrator Johnny Bekaert verschijnt in maart 2019 een magistraal werk van kunsthistoricus Geert Vandamme, die zich gespecialiseerd heeft in de geschiedenis van Gent. En die ik u hierbij ten zeerste gaat aanbevelen.
Het gaat dan meer bepaald om Soms overtreft de werkelijkheid de fantasie, een tweedelige biografie van de Gentse schrijver Raymond De Kremer, in totaal 650 pagina’s met 259 foto’s en illustraties.

 Alle info & bestellingen van het boek: www.poespaproducties.be



‘Raymond De Kremer,’ zegt u, ‘nooit van gehoord!’ – Dat kan best zijn, hij schreef dan ook in het Frans onder het pseudoniem Jean Ray, talloze fantastische, vaak magisch-realistische romans en griezelverhalen voor volwassenen. In het Nederlands is hij wellicht beter bekend als John Flanders, de auteur van voornamelijk griezelromans – en verhalen voor jongeren, legendarisch geworden door zijn talloze Vlaamse Filmpjes. In Frankrijk wordt zijn werk nog met de regelmaat van een klok herdrukt, bij ons is het op dat vlak een stuk stiller, al heeft hij ook hier een trouwe fanclub. Zijn meesterwerk uit 1943, de roman Malpertuis, werd in de vroege jaren 70 vertaald door Hubert Lampo en verfilmd door Harry Kümel, met Orson Welles in de rol van de vreeswekkende magiër Quinten Moretus Cassave.

Ik interviewde de auteur op een locatie die een duidelijke link heeft met Malpertuis:




Wie als eerste een mailtje stuurt naar info@stadsspel.be waarin het verband uit de doeken wordt gedaan én wie een fout weet te detecteren in het verhaal van een verdwenen paneel, ontvangt een gratis PDF stadsspel in Mysterieus België: Flanders Fantastica.








 

2.5.15

Waarom ik een magisch-realist ben...



Het overkomt mij voortdurend, zowel in mijn leven als in mijn werk: het verschijnsel dat door de Zwitserse psychiater Carl Gustav Jung synchroniciteit wordt genoemd. Of ook wel betekenisvolle coïncidentie. Wikipedia definieert het begrip als:

een acausaal, verbindend beginsel, in 1930 geformuleerd door de Zwitserse psychiater en psycholoog Carl Gustav Jung. Van synchroniciteit is sprake wanneer twee of meer gebeurtenissen min of meer tegelijkertijd optreden in een voor de betrokkene zinvol verband, dat niet noodzakelijk als causaal wordt ervaren. Eenvoudig gezegd: je ervaart het als "meer dan gewoon toeval"; omdat de twee gebeurtenissen voor jou met elkaar te maken schijnen te hebben, maar niet zo dat het ene het andere heeft voortgebracht. Jung zag synchroniciteit als een ander verklaringsmodel dat naast causaliteit zijn plaats verdiende. Dit concept stelt de causaliteit zelf niet ter discussie noch wil het ermee concurreren. Het beweert slechts dat, net zoals gebeurtenissen kunnen gegroepeerd worden onder 'oorzaak', ze net zo goed kunnen worden gegroepeerd onder hun betekenis. 

Ik kende het begrip al uit de boeken van Hubert Lampo die zijn magisch-realisme verklaarde en analyseerde aan de hand van de psychologie van Jung, de leer van het collectief onbewuste en de archeytpen. De schijnbaar 'wonderbaarlijke toevalligheden' uit zijn bekendste roman De komst van Joachim Stiller die ik las als puber, kwamen mij allerminst onbekend voor. In mijn eigen leven had ik er al mee te maken gekregen. Een verklaring zag ik er niet meteen voor... tot ik de boeken van Lampo begon te lezen, en zijn boeken over die boeken.


Maar ik zal het in dit artikel niet hebben over de betekenisvolle coïncidenties die zich voordoen in mijn persoonlijk leven, en mij beperken tot mijn eigen literair werk. Aan de basis van zowat alle boeken die belangrijk zijn geweest voor mijn ontwikkeling als schrijver ligt een betekenisvolle coïncidentie. Dat geldt voor Het Illuminati Complot met de ontdekking van het 'logboek' dat Gustaaf Schellinck bijhield over de zieneres van Onkerzele en haar zogenaamde visioen over 'de moord op Albert I'.  Maar ook voor de manier waarop een boek van André Castelot uit de jaren '40 op mijn weg kwam, dat mij op het spoor zette van Nostradamus in Orval en uiteindelijk naar De Zaak Louis XVII zou leiden.

Het sterkste geval van synchroniciteit, tot nu toe althans, deed zich voor in 1990, toen ik gefascineerd raakte door de geschiedenis van het paneel De Rechtvaardige Rechters dat in 1934 verdween uit Het Lam Gods. Ik wilde er een detectiveroman voor jongeren over schrijven en had het manuscript al helemaal klaar. Maar toen vond ik door een wonderbaarlijk toeval een dummy van Het Geheim van de Dubbele Muur, een detectiveroman uit de jaren '60 van Valère Depauw, over de Rechtvaardige Rechters, die een meisje van een jaar of achttien als dagboek had gebruikt...


Het maakte dat ik mijn hele research overdeed en ging focussen op een aantal schijnbare toevalligheden en onverklaarbare feiten in de geschiedenis van Het Lam Gods, maar ook op de mogelijke occulte en ketterse achtergronden van het altaarstuk. Dat onderzoek resulteerde een jaar later in een soort 'roman-essay' Mysteries van het Lam Gods. Via The Holy Blood & the Holy Grail van Baigent, Leigh & Lincoln belandde ik binnen de kortste keren bij katharen, Tempeliers, Ahnenerbe, Otto Rahn, het nazi occultisme en uiteindelijk in boeken als Het Bloed van het Lam en De Paus van Satan ook bij het Heilig Bloed van Brugge. Want ziedaar, met zijn Hemelse Jeruzalemkerk: de enige echte stad van de Graal. (Er is met Louis Van Haecke trouwens een priester actief geweest die model had kunnen staan voor Bérenger Saunière van Rennes-le-Château.)  


De Jeruzalemkerk in Brugge

En nu is het opnieuw van dattum. Ene Ysa Pastora - van wie ik alleen weet dat ze een jongedame van nog geen dertig lijkt en spreekt met een charmant (Slavisch?) accent - bezorgt mij informatie met betrekking tot de mysteries rond een nazi schat. Ik weet zo ongeveer waar ze naartoe wil, maar niet waar ze precies zal eindigen, en nogal wat tussenstations blijven in duisternis gehuld. Bovendien slaat ze al eens onverwachte zijpaden in en blijkt ze er op zijn minst toch wel énkele medewerk(st)ers op na te houden. Enfin, zo blijft het ook voor mij spannend. Maar anderzijds is het natuurlijk best wel frustrerend. Ik probeer méé te denken; doorgaans is ze me telkens één stap voor. Nu goed, eerst werk ik De Hamer van Thor af - als alles volgens plan verloopt, verschijnt dat eerste boek uit een reeks van vier in juni. En het volgende boek zal over de geheimen van de runen gaan, dat staat ook al vast. 

Het is woensdag - aka De Dag van Wodan - 29 april 2015 en ik loop na te denken over de post waarvan Ysa wil dat ze op donderdag - aka De Dag van Thor - verschijnt. Plotseling heeft ze het zeer uitdrukkelijk over getallensymboliek, numerologie en dat soort dingen. Het is een thema waar ik weinig of niets van afweet. Als het over (neo) nazi getallensymboliek gaat, weet ik dat het cijfer 18 staat voor Adolf Hitler (A = letter 1, H = letter 8 in het alfabet). En dat je op die manier met het cijfer 88 in geheimtaal Heil Hitler kunt zeggen. Maar dat is het zo ongeveer. En ik begrijp niet meteen hoe deze getallensymboliek van belang zou kunnen worden in het verhaal over de nazi schat. In De Hamer van Thor speelt het thema alleszins geen rol, en voor het tweede boek over de runen en het nazi occultisme zie ik vooralsnog geen verband.

Het is woensdag, wat betekent dat ik vanaf 17.30 in CC De Werf van Aalst een hele avond les geef, literaire creatie. Maar voor ik eraan begin, loop ik nog De Slegte binnen... misschien vind ik er wel wat interessante boeken over de onderwerpen die mij de jongste maanden bezighouden. En inderdaad: ik verzamel er een Complete gids runen van Nigel Pennick, een boekje van Cassandra Eason in de reeks Spirituele Raadgever ('Leer de runen lezen en ontwikkel uw vrouwelijke intuïtie en wijsheid!') en Runen, het eeuwige orakel van Renée Maas. Samen 20 euro rond, zoals je op het kassaticket kunt zien. Ik stop dat kassaticket in de zak van mijn jeansjas en loop naar buiten; het is al 17:17 uur geworden, op vijf minuten ben ik in De Werf - net op tijd dus.

Ik vergeet het kassaticketje. Tot gisteren, vrijdag 1 mei 2015. Tot ik ga wandelen, dat jeansjasje weer aantrek en zo ongeveer halverwege mijn handen in de zakken van mijn jeansjasje stop, en een papiertje vind. Ik kijk er even naar... ah, het kassaticketje van De Slegte! En dadelijk valt mijn oog op het bedrag exclusief BTW... 18,88 euro.

Het Getal van het Beest. Foto www.embee.be

Wedden dat de nazi getallensymboliek vroeg of laat belangrijk wordt in dit verhaal? Voor wie er meer wil over weten, hier vind je drie relevante links:





10.6.14

De Mythe van Mons - essay over de Engelen van Mons



Een jaar of vijftien geleden schreef ik een lang essay over 'de Engelen van Bergen (Mons)', dat uiteindelijk zou resulteren in de boeken De Engel van Mons en het recente Het Geslacht van de Engel.




De Mythe van Mons



Het was het einde van een tijdperk. De wereld wankelde op zijn grondvesten. Een hele generatie met al haar tradities en haar dromen zou in deze tragedie ten onder gaan. Het was alsof de angst en het lijden van die miljoenen doden hun schaduw vooruitwierpen. Wie er ook uit dit conflict als overwinnaar tevoorschijn zou komen, het leven zoals wij het kenden, het leven waar wij van hielden, zou voorgoed vernield zijn. Als de menselijke geest ooit in staat is de natuurwetten van materie, tijd en ruimte te doorbreken in een visioen, een voorspelling of een wonder, dan is het ongetwijfeld op zo’n scharnierpunt van de geschiedenis, als de deur naar een voorbij tijdperk onherroepelijk dichtzwaait en miljoenen menselijke zielen verenigd zijn indezelfde diepe emoties van angst, ontzetting en hoop. De hoop dat er een wonder gebeurt waardoor heel de machinerie van de oorlog plots tot stilstand komt vóór heel hun wereld erin wordt meegesleept en vermorzeld. Een hoop die irrationeel en verschrikkelijk is, maar waaraan mensen zich vastklampen als bezetenen. Hoe dan ook, bij Bergen zagen duizenden Britse soldaten die zich uitgeput en ontredderd terugtrokken een teken aan de hemel.

Marc Joris, in De Engelen van Bergen en andere verhalen


Het verhaal van The Angel(s) of Mons is één van de grootste en meest duurzame legenden van de Grote Oorlog en ze heeft mij altijd gefascineerd. Ze verenigt een aantal thema’s die mij eveneens al jarenlang fascineren: de Grote Oorlog,  de invloed die mythen en folklore (of wat wij nu ‘urban legends’ zouden noemen) en paranormale fenomenen ook uitoefenen op mensen en naties die zwaar onder stress staan, het verweven van feiten en fictie in het werk van auteurs als Arthur Machen die erin slagen ‘het ongeloof op te schorten’ en de manier waarop zij het publiek doen geloven in hun fantastische verzinsels.
Ik ken het verhaal van de Engelen van Bergen al sinds ik, lang geleden, de bijbel van het magisch-realisme en de fantastiek verslond die Hubert Lampo samenstelde en de titel De Zwanen van Stonehenge meegaf. Lampo wijdt in dat boek een heel hoofdstuk aan Arthur Machen en een paar alinea’s aan de Engelen van Bergen. Al die jaren heb ik ijverig alle mogelijke informatie over dat onderwerp verzameld en ik denk dat de tijd nu rijp is om de ideeën daaromtrent – zowel die van mij als die van anderen – eens op een rijtje te zetten.
Dat de legende van de Engelen zo sterk tot de verbeelding sprak van mensen die de Grote Oorlog aan den lijve hadden meegemaakt, kan merkwaardig genoemd worden, maar is alleszins begrijpelijk. Dat de legende nog steeds zo sterk tot de verbeelding spreekt van mensen die de Grote Oorlog uitsluitend uit de tweede hand kennen, is alleen begrijpelijk als men erkent dat in de legende van de Engelen een oerbeeld tot uitdrukking wordt gebracht, een archetype dat niet aan plaats en tijd gebonden is en waardoor ieder mens onweerstaanbaar wordt aangetrokken.
Neem nu de Dachau Children, een zeer experimentele en zeer electronische muziekgroep, gevormd in 1989 door ene Stephen Y. Je kunt hun muziek downloaden van het world wide web. Eén van hun instrumentale songs heet Bowmen of Mons.
De naar mijn gevoel wat al te rechtse auteur Marc Joris publiceerde in 1986 een verhalenbundel bij het Vormingsinstituut Wiens Moens. In het erg mooie titelverhaal De Engelen van Bergen geeft hij een beschrijving van een engel, die zo uit één van de talloze ‘ooggetuigenverklaringen’ geplukt zou kunnen zijn:

Toen zag ik de engel. Een brede waaier heel intens licht straalde door een bres in de grauwe, aardedonkere wolken, een uitwaaierende stroom van helder, zuiver licht met een eigen essentie, een waterval van kristallijn ijl zilver uit de hemel. Hij was in het wit. Hij had lange blonde haren en hij was heel groot. Ik weet niet of het een man was of een vrouw. Hij had geen vleugels zoals op die oude pranten in de kinderbijbels. Ik denk dat hij zweefde. Het licht van de zon was verblindend en mijn ogen traanden. Een heftige, koude rukwind blies over mij heen en drukte het gras plat, alsof er ergens een poort naar een koeler land wijd openzwaaide. Ik zag de engel. Hij keek mij aan. En ik sloeg mijn ogen neer. Ik kon zijn blik niet weerstaan. Vlak voor mij stond een soldaat in het veld. Zijn bajonet glinsterde als een zilveren fakkel in het zonlicht en leek veel groter dan ze echt kon zijn. Hij stond rechtop, roerloos, starend. Ik zag zijn verbijstering, zijn bewondering, de weerschijn van een buitenaardse schoonheid die zijn gloeiende, bezwete gezicht verheerlijkte, terwijl hij daar met wijdopen mond de engel aangaapte. Daarom weet ik zo zeker dat ik niet hallucineerde: ik zag ieder details van zijn bepakking, zijn doorzwete uniform, zijn slordige beenwindsels, zijn stoffige, afgetrapte schoenen met één losbungelende veter. Ik zag hem wijzen, aarzelend, ongelovig. Toen hoorde ik het wervelende fluiten van op ons af suizende obussen.

In zijn boek Angels A to Z uit 1996 haalt Matthew Bunson een versie van de legende aan, afkomstig van Duitse krijgsgevangen, waarin een spookleger beschreven wordt, gewapend met boog en pijl, en aangevoerd door een reusachtige figuur op een schitterend wit paard die de Britse troepen aanspoort tijdens een aanval op Duitse stellingen. In een ander verhaal is sprake van drie engelachtige wezens die door Britse soldaten worden waargenomen; ze zweven boven de Duitse linies en zijn ‘een bron van diepe inspiratie’ voor de Britten. Bunson haalt ook verklaringen van soldaten aan die beweerden de Aartsengel Michael gezien te hebben, de Heilige Maagd Maria en zelfs Jeanne d’Arc.
In The World War I Sourcebook (1983) geeft Philip Haythornthwaite een sprekend voorbeeld van de impact van de ‘mythe van Mons’. Een bediende van zijn grootvader, een veteraan van Bergen, was ervan overtuigd dat hij op het slagveld een engel moest hebben ontmoet. Voordien was hij namelijk een zware drinker geweest, daarna werd hij geheelonthouder.
Maar niet alleen voormalige dronkelappen lijken het idee genegen te zijn dat hemelse machten de soldaten van het Britse expeditieleger hebben bijgestaan tijdens hun aftocht uit Bergen. Ook vooraanstaande Britse historici durven al eens een langs te breken voor de Engelen van Bergen. Zo bijvoorbeeld A.J.P. Taylor in zijn standaardwerk The First World War (gepubliceerd in 1963!): ‘De Slag bij Bergen stelde, in het licht van wat nog volgen zou, niet zoveel voor. Het ging er niet heviger aan toe dan bij sommige gevechten in de Boerenoorlog. Maar het was de eerste Britse veldslag en het was ook de enige waarbij, min of meer betrouwbaar, een bovennatuurlijke interventie werd waargenomen aan Britse zijde. Inderdaad, de “Engelen van Bergen” vormden de enige erkenning van deze oorlog door de Hogere Machten.’
Meestal worden oorlogsverhalen over engelen beschreven en verteld vanuit Brits standpunt, en dan gaat het in zowat drie vierden van de gevallen om de Engelen van Bergen.  Maar net zoals beide strijdende partijen beweerden dat God met hen was, zijn er talloze getuigenissen over reddende engelen te sprokkelen aan beide kanten van de linies. Fernand Van Langenhove, wetenschappelijk medewerker van het sociologisch instituut Solvay te Brussel, publiceerde – wellicht in de jaren twintig – een bijzonder interessant werk over de mythe van de ‘franc-tireurs’ (vrijschutters) en de gruweldaden die begaan werden door Belgische burgers op Duitse soldaten. Hij opent zijn boek Hoe een cyclus van legenden ontstaat met een toepasselijk Duits spreekwoord: ‘Komt de oorlog in het land, dan krioelen de leugens als zand.’ – en vervolgt:

De huidige oorlog heeft deze volksbeschouwing niet weerlegd. Hij veroorzaakte inderdaad het ontstaan van een aantal legendarische verhalen.
Deze zijn van zeer verscheiden aard. Zekere onder hen dragen de kenteekenen van het wonderbaarlijke en maken melding van bovennatuurlijke tusschenkomst. Tot deze legendarische soort behoort b.v. de volgende geschiedenis, verhaald door den protestantschen kerkvoogd Von Römer te Stuttgart, die zelf den tekst ervan ontleent, naast ontelbare getuigenissen, aan een brief van een soldaat.
‘Wij kwamen,’ aldus schrijft deze soldaat, ‘in den nacht op een vooruitgeschoven post. Dreigend omhulde ons het nachtelijk donker. Daar wij maar met weinigen waren, gevoelden wij ons ietwat beangst; op hulp van menschen zou hier bij een overval niet kunnen worden gerekend. Toen besloten wij gemeenschappelijk de knieën te buigen en de hulp van den Almachtigen God af te smeeken. En plotseling aanschouwden wij een gestalte met een vlammend zwaard in de hand; deze gestalte bleef voor ons staan. Toen in de morgenschemering de gestalte verdween, ontdekten wij, dat wij nog slechts enkele meters van den vijand verwijderd waren en derhalve op wonderbaarlijke wijze gered waren geworden.’

Een engel of engelen zijn dus duidelijk niet alleen in Bergen opgedoken en ze zijn ook geen exclusief Britse aangelegenheid. Maar de Engelen van Bergen zijn wel uitgegroeid tot beroemdheden die vandaag de dag nog lang niet zijn vergeten – daarvan getuigen onder meer de talloze artikels over dit onderwerp die op het Internet te vinden zijn – en als we het heel specifiek over de Engelen van Bergen hebben, zijn het ongetwijfeld ook de Britten die de toon aangeven.
Generaal John Charteris behoorde tot de generale staf van het Britse expeditieleger in Bergen. Zijn brieven aan het thuisfront werden in 1931  gepubliceerd, in hun originele vorm. Een passage uit een brief van 5 september 1914 luidt als volgt:  ‘En dan is daar nog het verhaal van de Engelen van Bergen, dat nogal wat ophef maakt in het tweede legerkorps. Het vertelt hoe een engel van de Heer op het traditionele witte paard en geheel gekleed in het wit, met een vlammend zwaard, de oprukkende Duitsers bij Bergen in het gezicht keek en hen verbood nog verder door te stoten. De zenuwen van de mannen en hun verbeelding halen vreemde grappen uit in deze spannende tijden. Hoe dan ook, de engel van Bergen interesseert me. Ik slaag er maar niet in uit te vissen hoe deze legende ontstaan is.’
In zijn schitterende studie over mythen en legenden in oorlogstijd, The Smoke and the Fire – Myths and Anti-Myths of War, 1861-1945 vermeldt de historicus John Terraine dat soldaat Frank Richards over engelen schreef in de context van de aftocht naar Le Cateau, omstreeks 26 en 27 augustus. Indien er werkelijk iets speciaals te zien moet zijn geweest in de buurt van Bergen, dan zal dat waarschijnlijk gebeurd zijn in die periode. De getuigenissen van Charteris en Richards lijken er ook op te wijzen dat er reeds van de Engelen van Bergen strake was voordat Machen zijn beroemde verhaal The Bowmen publiceerde.  
Tegen Kerstmis 1915 was het gerucht reeds gemeengoed geworden onder Britse soldaten en op het thuisfront: de succesvolle aftocht uit Bergen was niet te danken aan de dapperheid van de soldaten die daar hadden gestreden, maar aan een bovennatuurlijke kracht. Saint George – bij ons bekend als Sint Joris -, de schutsengel van Engeland, had een horde engelen en geesten van krijgers uit het verleden aangevoerd om de terugtrekkende Britten te beschermen. Op dat moment verkeerde het oorspronkelijk verhaal over reddende engelen of een engel met een vlammend zwaard duidelijk al onder invloed van de ‘fictie’ van Arthur Machen, die zeer specifiek over Saint George had geschreven. Als het oorspronkelijke engelenverhaal authentiek mag genoemd worden, natuurlijk, en voor zover Arthur Machen met The Bowmen louter fictie bedreef. Maar daarover zullen we het later nog hebben.
Er is geen gebrek aan personen die beweren dat ze ‘iets’ gezien hebben in Bergen, of dat ze iemand kennen van wie de neef ‘iets’ gezien heeft in Bergen. Het probleem met de eerste groep ‘ooggetuigen’ is, dat zij niet kunnen bewijzen eind augustus 1914 aanwezig geweest te zijn in de streek van Bergen. Het probleem met de tweede groep is dan weer dat we rustig mogen spreken van een overvloed aan onrechtstreekse getuigenissen, maar dat er – in verhouding – nogal weinig verklaringen uit de eerste hand te noteren vallen. Dit alles pleit niet echt in het voordeel van de stelling dat er wel degelijk iets bovennatuurlijks aan de hand is geweest in Bergen, maar ook daar komen we later nog op terug.
Nog een probleem voor de ‘believers’ is dat allerlei ‘verklaringen’ over de Engelen van Bergen tijdens de Grote Oorlog maar ook nog lang daarna gretig ge- en ook wel misbruikt werden door lui van divers pluimage en met al even diverse motieven. Propaganda en psychologische oorlogsvoering speelden reeds tijdens die Grote Oorlog een bijzonder belangrijke rol – belangrijk genoeg om een heel hoofdstuk te wijden aan dat thema. Religieuze oogmerken liggen voor de hand, artistieke en financiële oogmerken wat minder, maar toch kunnen ook daar voorbeelden van aangehaald worden.
In die dagen was de grammofoon nog een ietwat vreemde doos waar een hoorn op stond en die je moest opwinden. Als een plaat rondjes draaide op de doos, kwam er geluid uit de hoorn – meestal het geluid van een menselijke stem. Stel je voor dat die stem dan een liedje zong over de Engelen van Bergen: ‘Why did you come with your white whings outspread?’ Er werden verscheidene liedjes en zelfs een paar films gewijd aan de Angels of Mons.
Hoewel het waarschijnlijk niet meteen in zijn bedoeling lag, luidde een verhaal van een paar pagina’s over de boogschutters van Bergen de come-back in van Arthur Machen. Hij had eerder al genoten van een vluchtig schandaalsucces, maar werd nu een regelrechte beroemdheid en de ontelbare herdrukken van The Bowmen zullen financieel ook wel één en ander opgeleverd hebben. Zowat een derde van alle fictieve oorlogsverhalen die in het zog van Machen gepubliceerd werden door de kranten of in boekvorm bestonden uit wat een geïrriteerde criticus omschreef als ‘onrealistische rotzooi die de lezers ervan moet overtuigen dat God aan onze kant staat en niemand het bijgevolg van ons kan winnen’.
Hun schrijvers en de verhalen die zij schreven, zijn nu al lang vergeten. Dat zal wellicht met een aantal factoren te maken hebben, waarvan talent niet de minste is. Weet u nog wie de auteur was van het destijds regelmatig herdrukte verhaal The Interval? Herinnert u zich nog Mary Raymond Shipman Andrews, die al voor de Grote Oorlog enige bekendheid had verworven met bovennatuurlijke oorlogsverhalen en wiens boek Joy in the Morning (1919) een aantal verhalen bundelde die duidelijk waren geïnspireerd door het succes van Machen? (Eentje speelt zich af in een Franse loopgracht, waarin het spook rondwaart van een krijgshaftige heilige.)
Zowel de legende van de Engelen van Bergen als het verhaal The Bowmen van Arthur Machen zijn sterk archetypisch geladen en spreken onder meer ook daardoor in grote mate het onderbewustzijn aan van een publiek dat snakt naar een sprankel licht in de duisternis. Maar zij richten zich ook tot de patriottische en de religieuze instincten van dat publiek, die in het thema van de reddende engelen verenigd worden. Kerk en staat hebben elkaar gevonden, zowel in de legende als in het verhaal van Machen – en ze hebben een monsterverbond gesloten, om het zomaar eens uit te drukken.
Dominee J. Green publiceerde een pamflet van een dertigtal pagina’s onder de titel The Angels of Mons, waarin hij visioenen beschrijft van mystieke krijgers en vreemde wolkenformaties. Deze fenomenen zouden niet alleen opgetreden zijn ter gelegenheid van de Britse aftocht uit Bergen, maar ook in Verdun, waar de geesten van gesneuvelde Franse verdedigers weigerden de aftocht te blazen. Het zijn stuk voor stuk bewijzen dat God bestaat, dat Hij almachtig is en dat Hij zich aan de geallieerde kant bevindt.
In zijn boek The Cross at the Front, fragments from the Trenches (1917) zegt   legeraalmoezenier Thomas Tiplady het zo: ‘Er zijn krachten om ons heen die we niet kunnen zien met onze ogen. Mozes maakte een natie uit het niets en leidde zijn volk door een wildernis van wanhoop en mislukking naar een land van belofte omdat hij Hem zag die onzichtbaar is. U hebt gehoord over de Engelen van Bergen. Het is een legende, maar het is ook een waarheid. In deze oorlog staan wij aan de zijde van de engelen en zij vechten voor ons. Toen de bediende van Elisha zag hoe de vijand zijn meester omsingelde, verloor hij alle hoop. Maar toen de ogen van zijn ziel open gingen, zag hij dat de heuvels in vuur en vlam waren gezet door Gods reddende engelen.’
In de kerken werd gepredikt over engelachtige wezens, dertien voet groot, die de Duitse cavalerie een halt toeriepen. Zo indrukwekkend waren deze hemelse wezens dat de paarden van de Duitsers steigerden en weigerden nog een stap te verzetten. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd in dezelfde stijl niet alleen verwezen naar de Engelen van Bergen, maar ook naar ‘het mirakel van Duinkerken’ of de Slag om Engeland.
Generaal Hanbury-Williams hield gedurende zijn verblijf aan het Russische hof een dagboek bij, waarin hij op 24 november 1916 een gesprek noteert met tsaar Nicolaas II over de Engelen van Bergen. ‘Hij zei dat, rond dezelfde tijd van de gebeurtenissen in Bergen, één van zijn dochters een gewond Russisch soldaat sprak die in het begin van de oorlog, aan de grens met Oost-Pruisen, samen met zijn kameraden de Heilige Maagd had gezien.’
Met de ‘religieuze instincten’ van daarnet heb ik het overigens lang niet alleen over instincten van christelijke aard. Voor theosofen en spiritisten – hun respectieve bewegingen waren rond de eeuwwisseling zeer en vogue - en later ook voor ufologen waren de Engelen van Bergen eveneens gevonden vreten. Zowat alle paranormale strekkingen konden hun voordeel doen met de Engelen van Bergen en zagen er de bevestiging in van hun geloof.
Ik citeer uit een artikel, verschenen in Time (Angels Among Us, 1993):

Gewonde soldaten werden naar veldhospitalen gebracht waar ze, de één na de ander, aan de verpleegsters vertelden dat ze engelen hadden gezien. De Fransen zagen de aartsengel Michael, rijdend op een wit paard. De Britten zeiden dat het Saint George was, een grote man met blonde haren in een gouden wapenrusting, gezeten op een wit paard, een zwaard in de hand en met de mond open, schreeuwend: ‘Victorie!’
Sommige soldaten vroegen zich naderhand af of hun uitputting hen misschien had doen hallucineren. Anderen dachten aan massahysterie, het resultaat van een veldslag waarvan de geallieerden geloofden dat ze die makkelijk konden winnen, maar die al snel ontaardde in een bittere nederlaag. Later doken echter ook aan Duitse zijde verhalen op over dezelfde incidenten. De soldaten van de Keizer verklaarden dat zij ‘absoluut machteloos waren om verder te gaan’ en dat hun paarden ‘zich scherp omdraaiden en vluchtten’. De Duitsers dachten dat de geallieerde stellingen door duizenden soldaten werden bemand, terwijl er slechts twee regimenten aanwezig waren.

Dergelijke pseudo-wetenschappelijke artikels eindigen nogal eens met een stelling, gevolgd door een suggestieve vraag. De stelling is: sommigen denken dat het verhaal van Machen deze soldaten, lijdend aan extreme vormen van ‘shellshock’, alleen maar deed hallucineren; sommigen geloven dat het makkelijk moet geweest zijn voor deze mannen om in dergelijke verschrikkelijke tijden een troostend beeld op te roepen uit hun eigen onderbewustzijn. De vraag is: waren dit dan werkelijk hallucinaties of hebben wij hier toch niet veeleer te maken met een visioen, met reële verschijningen zelfs, van krijgers uit een andere dimensie? Of met, ander voorbeeld, geen bovenaards maar een buitenaards ingrijpen?
Het is inderdaad zo dat het Britse expeditieleger bestond uit goed getrainde beroepssoldaten, die al voor op zijn minst even grote vuren hadden gestaan. Zouden zij in dergelijke, weliswaar dramatische omstandigheden, zo snel aan het hallucineren slaan? Ten slotte was dat ook niet gebeurd tijdens de Boerenoorlog, waar de gerespecteerde historicus A.J.P. Taylor eveneens naar verwees. Het waarnemen van engelen door geharde soldaten in een zware gevechtssituatie uitsluitend verklaren aan de hand van hallucinaties is ongetwijfeld een gemakkelijkheidsoplossing. Als er iets aan de hand is geweest, eind augustus 1914 in de buurt van Bergen, dan kan dat zeker niet alleen een geval van massahysterie geweest zijn. De paranormalen hebben hier met andere woorden een punt, al bewijst het natuurlijk nog niet dat zij het ook voor de rest bij het rechte eind hebben. We komen hier ook nog op terug.
Wat nogal eens uit het oog wordt verloren, is dat de legende van de Engelen van Bergen op zijn minst even veel weerklank heeft gevonden op het thuisfront als aan het front zelf. Het is niet eens zeker waar de legende precies is ontstaan. Bovendien kwam zij op het thuisfront als geroepen om de jonge mannen zo ver te krijgen dat zij vrijwillig dienst zouden nemen in het nieuwe grote leger dat Engeland zo dringend nodig had. Si non e vero, e bene trovato, zullen de campagneleiders en propagandisten wel gedacht hebben.
Na Bergen begonnen de Britten immers op grote schaal vrijwilligers te werven. Richard Heijster beschrijft het allemaal heel prangend in zijn boek Ieper 14/18 (Lannoo, 1999):

De campagnes lieten potentiële rekruten vaak weinig keus. Wie kon, moest meedoen; wie weigerde was een lafaard. Posters adviseerden jonge vrouwen om hun verloving te verbreken als de aanstaande weigerachtig zou blijven: ‘Als hij zijn plicht ten opzichte van Koning en Vaderland veronachtzaamde dan zou zonder twijfel de tijd komen dat hij ook zijn vrouw zou verwaarlozen.’ Door middel van raambordjes konden trotse vrouwen laten zien dat hun man of kind in militaire dienst verbleef.
 Binnen een maand hadden de eerste 500.000 vrijwilligers zich aangemeld. De opkomst was zo groot dat er aanvankelijk niet voldoende faciliteiten waren. Ook later in de oorlog ging de werving op indringende wijze door. Mannen zonder uniform kregen op straat van vaderlandslievende vrouwen regelmatig een duivenveer aangeboden, als teken van hun vermeende lafheid. De vrijwilligers konden wat betreft de lengte van hun diensttijd kiezen uit ‘a period of 3 years’ (voor de duur van drie jaar) of voor ‘until the war is concluded’ (totdat de oorlog voorbij is). De meesten kozen voor de laatste mogelijkheid want zoals algemeen bekend was zou de oorlog maar kort duren...

Ook deze elementen hebben meegespeeld in het ontstaan, in de verspreiding en in de vervorming van de legende van Bergen. Het waren hysterische tijden: ultimatum was gevolgd op ultimatum, mobilisatie op mobilisatie en uiteindelijk waren de Duitsers ten strijde getrokken in wat een frisse, vrolijke oorlog beloofde te worden, die hen binnen een paar weken in Parijs zou brengen. Maar de invasie van Frankrijk liep in de herfst van 1914 vast in de Belgische moddervlakten van de IJzer en aan de oevers van de Marne.
In het kleine België beging het grote en gefrustreerde Duitse leger onvoorstelbare wreedheden in Leuven, Aarschot, Dinant en zoveel andere steden, die in de as werden gelegd, waar gijzelaars werden genomen en koelbloedig doodgeschoten, waar werd geplunderd, verkracht en gemoord. Eén en ander was het logische gevolg van mythen, in het leven geroepen door de Duitse propagandamachine, over gewone burgers, verpleegsters, priesters die argeloze Duitse soldaten verraden hadden en hun medeburgers zelfs ophitsten om machinegeweren te plaatsen op kerktorens – de kreet ‘Man hat geschossen!’ werd mondgemeen -, over moorden, vergiftigingen, verminkingen van Duitse soldaten door Belgische burgers.
In zijn boek Hoe een cyclus van legenden ontstaat heeft Fernand Van Langenhove het over de manier waarop de Duitse soldaten geïndoctrineerd werden door een ‘voorafgaande suggestie van den franc-tireur’ en herinneringen aan de Frans-Duitse oorlog van 1870, waar eveneens sprake was van franc-tireurs, in de volksliteratuur en de militaire handboeken. Subjectieve voorstellingen zochten en vonden een bevestiging in wat de soldaten om hen heen zagen, zodra ze het Belgische grondgebied hadden betreden, en in officiële waarschuwingen van de legerleiding. Zo werd een werkelijkheid op een ‘vervalste manier’ waargenomen, soms als gevolg van vergissingen en dus onbewust, maar vaker nog als gevolg van opzet.
Wat Van Langehove ‘de populaire nieuwsgierigheid’ noemt, smeekt erom bevredigd te worden en om die te bevredigen, hangen soldaten die terugkeren van het front en nogal eens ‘het prestige van de eerste gekwetsten genieten’ sterke verhalen op, die voor een deel uit waarheid, voor een deel uit fantasie bestaan. Brieven van het front en publicaties in de pers versterken het ‘waarheidsgehalte’ van deze verhalen nog; door de censuur is er een duidelijk ‘gemis aan kritiek vanwege de dagbladen’. Novellen en romans, geïllustreerde postkaarten en etsen die dezelfde thema’s behandelen, zorgen er ten slotte voor dat deze mythen nog meer ‘bewijswaarde’ en zelfs ‘het gezag van waarheid’ krijgen. Ze worden opgenomen in ‘de geest des volks’ en zijn er niet meer uit weg te branden.
Identiek dezelfde mechanismen zien we aan het werk in de mythe van Mons, zij het soms in een andere volgorde. De door de Duitsers in het leven geroepen mythe van de Belgische vrijschutters leidde tot wreedheden op Belgische burgers, die op hun beurt weer koren op de molen waren van de Britse en Franse  propagandamachines die steeds meer kanonnenvlees nodig hadden. Zij maakten dan ook dankbaar gebruik van de wreedheden van de vijand en van de mythen die daar weer rond ontstonden  om hun mannen en vrouwen ervan te overtuigen dat zij een rechtvaardige oorlog voerden.
De mythe van Mons kaderde prachtig binnen het propagandamateriaal dat de Britten zo hard nodig hadden. Enerzijds diende de vijand ten allen prijze gedemoniseerd te worden, anderzijds moest het eigen volk de zekerheid krijgen dat het een rechtvaardige en goede oorlog voerde en dat alle offers niet vergeefs zouden zijn. En als de Engelen van Bergen iets bewezen, dan was het wel dat God en Zijn Engelen aan de zijde van de Britten streden…
In die dagen waren het overigens niet alleen God en Zijn Engelen die aan de kant van Groot-Brittannië stonden. In een andere beroemde mythe van de Grote Oorlog – zeg maar: een wensvervullende fantasie - kwamen de Russen daar ook al terecht, nogal letterlijk zelfs. Als de nood het hoogst is, is de redding nabij – en in dit geval kwam de redding niet uit de hemel, maar uit het oosten. Er verspreidde zich namelijk een gerucht, als het spreekwoordelijke lopend vuurtje, dat Russische troepen in het grootste geheim geland waren in Schotland – er lag nog sneeuw op hun laarzen – om de geallieerden aan het westelijk front een handje toe te steken. Men fluisterde dat de Russen in verzegelde treinen naar de havens in het zuiden van Engeland werden gevoerd, maar dat het groot aantal lege vodkaflessen dat werd aangetroffen langs de route hun aanwezigheid had verraden.
Voor de mythe van Mons lijkt de populaire pers de voornaamste katalysator geweest te zijn; wat de Russen in Engeland betreft, was het ongetwijfeld de telegraaf. Voor de oorlog werden er namelijk grote ladingen eieren geïmporteerd vanuit Rusland; Aberdeen was een van de havens waar ze ontscheepten. Een agent in Aberdeen stuurde bij deze speciale gelegenheid een telegram naar Londen, om zijn hoofdkwartier daar te verwittigen dat de eieren aangekomen en op de trein gezet waren. Hij bezuinigde op het aantal woorden en verstuurde een telegram met de boodschap: ‘100.000 Russen zijn nu op weg van Aberdeen naar Londen.’ 
In zijn boek Waiting for Daylight (1922) beschrijft H.M. Tomlinson de hysterische sfeer van die dagen met soms verbluffende luciditeit:

De heilige engelen waren in Mons; Britse soldaten zagen hen daar. Een Russisch leger was in Engeland in 1914; iedereen kende iemand die hen had gezien. En Jeanne d’Arc, in haar schitterend harnas, is teruggekeerd om de Fransen te helpen. Deze en zelfs nog ernstiger symptomen waarschuwen ons dat we misschien niet in die staat van gelijkmoedigheid verkeren die nodig is om een bewijs te onderzoeken. Deze week nog, in de betekenisvolle afwezigheid van de hond, propte een mysterieuze hand een document in mijn brievenbus dat bewees – zoals alleen propaganda dat kan – dat deze oorlog geheel werd verklaard in het Boek van Daniel. Waarom heeft men ons dat niet eerder verteld? Waarom las Lord Haldane Hegel als er ook Daniel was? Waarvoor betaalden wij hem? (…)
In Frankrijk, net zoals in Engeland, kende iedereen wel iemand die de Russen had gezien. Een groot kamp, zo vertelde men me, bevond zich in de buurt van Chartres, en in Parijs toonde men me de mantels van kozakken die uit dat kamp afkomstig waren. (…) Ik kon toen niet naar Chartres gaan om te bevestigen dat zich daar een kamp van kozakken bevond, net zomin als de Duitse Geheime Dienst. Ik geloof niet dat de Russen in Frankrijk waren, maar ik kon niet bewijzen dat ze er niet waren, en dat konden de Duitse generaals ook niet die natuurlijk eveneens van die Russen hadden gehoord. (…)
Het is van dergelijke broze feiten dat de uitslag van een gevecht afhangt en het lot van een rijk.



Podcast Luisterboeken