31.7.26

101 Familiefoto's - 005: Onverwagt & Victime

 



Mijn vrouw, Elke, doet al vele jaren onderzoek naar haar stamboom, die voor een deel ook de mijne is. Daar zijn al enkele curieuze ontdekkingen uit voortgekomen – bijvoorbeeld, dat ik nog verre familie ben van die andere schrijver uit Erembodegem, Louis Paul Boon. Maar daar moet ik het een andere keer over hebben, omstreeks Familiefoto 90 of zo. Want nu zit ik met hetfotoalbum van ons moe op schoot omdat ik iets wil gaan schrijven over de mensen die daarin terug te vinden zijn. Geneanet kan daarbij een uitstekend hulpmiddel zijn, als je tenminste een poging wil doen om de feiten van de fictie te scheiden, al dan niet van eigen fabricaat, je herinneringen te checken en je memoires in min of meer correcte banen te leiden.



Het is mijn voornemen in eerste instantie te vertrekken vanuit mijn parate geheugen: de verzameling uitspraken, anekdotes en familielegendes die vooralsnog ergens in het voorgeborchte van de vergetelheid rondzweven. Vervolgens wil ik in de mate van het mogelijke achterhalen hoe groot hun waarheidsgehalte is. Wie mij en mijn werk een beetje kent, weet dat ik er ook niet voor terug zal schrikken, als de gelegenheid zich voordoet, met onversneden plezier een nieuwe legende te creëren. Ik woon nu eenmaal in twee werelden tegelijk: die van jouw en mijn werkelijkheid, en die van de verbeelding.

Wat de Nonkel Victor betreft van de familiefoto waarmee ik deze reeks begonnen ben, moet ik al meteen een bekentenis doen. In de verbeelding die mijn herinneringen creëerden, behoorde hij  tot het geslacht Temmerman (‘het Daensistisch nest’, weet je wel) maar blijkt dat niet zo te zijn en heb ik hem dus mogelijk ten onrechte ‘zwarte gedachten’ onder zijn panama geschoven. En het beeld dat ik in dat stukje ophang van Rosa klopt – wat de roodgestifte lippen en de rouge op haar wangen betreft – en het zal ongetwijfeld wel waar zijn dat zij ook een goeie partij huwde, maar als echtgenoot had ik een andere in gedachten, getrouwd met een andere tante van ons va (eveneens met roodgestifte lippen en rouge op de wangen, maar iets minder).

Nog zoiets: het is altijd mijn stellige overtuiging geweest dat Petjen uit een boerenfamilie kwam uit het gehucht Essene, gelegen op enkele flinke boogscheuten van Erembodegem, en dat hij altijd schrijnwerker is geweest, timmerman. In 2020, toen het fotoalbum van ons moe boven water kwam, bleek ineens dat hij in zijn jonge jaren als brouwersgast de baan op was gegaan, samen met zijn broer Jean Baptist, aka Nonkel Zjang. En dat hun vader, Henricus Onverwagt – de man van de foto bij dit stukje – in de huwelijksakte van Petjen niet als ‘landbouwer’ maar evenzeer als ‘brouwersgast’ vermeld staat. Het album van ons moe opent nogal pontificaal met een grote landscape foto uit de jaren 30 van de twee broers bij hun vrachtwagen. Was het dan dat brouwersgastenschap dat in de familie zat, in plaats van de boerderij?  Ook aan die kwestie moet ik nog een apart stuk wijden.

Ik wil maar zeggen dat ik enige reserves had bij misschien wel de grootste, maar ook – dacht ik – de moeilijkst verifieerbare familielegende van het geslacht Onverwagt. Zowel ons moe als Petjen waren nogal fier op hun naam, die ze – terecht – heel mooi en zelfs een tikje mysterieus vonden. ‘Wij zijn afkomstig van een vondeling!’ beweerden ze, die ergens onverwacht was opgedoken in een tijd toen de ch en de g in de spelling van de Nederlandse taal nog inwisselbaar waren.




Via Henricus Onverwagt, gehuwd met Joanna-Francisca Van Schuerbeeck brengt Geneanet mij onverwijld bij zijn ouders: Petrus Joannes Onverwagt en Barbara De Raedt. En een generatie verder bij ‘Joannes Onverwacht (sic), geboren op 2 februari 1808 te Aalst, 26 jaar oud, vondeling, wonende te Esschene, dienstbode van beroep, vondeling zonder bekende ouders geboren omstreeks 02-02-1808; voldaan aan wet op Militie’. De huwelijksakte is te vinden in de Open Archieven (openarchieven.nl) en op de website Familiegeschiedenis (familiegeschiedenis.be), in de parochieregisters. Henricus trouwde op 15 januari 1834 in Essene met ‘Melania Victime, geboren op 29 oktober 1805 te Brussel, meerderjarige, vondelinge, wonende te Esschene, dienstmeyt van beroep, vondelinge zonder (on)bekende ouders geboren omstreeks 07 brumaire jaar XIV.’ De alternatieve jaartelling slingert ons meteen terug naar revolutionaire tijden. Getuigen bij het huwelijk waren overigens twee landbouwers, een herbergier en een ‘veldwagter’.




De unieke achternamen van Joannes en Melania schijnen typerend te zijn voor de naamloze kinderen die destijds in het vondelingenhuis werden ‘afgegeven’. Enig speurwerk leert me dat Vlaanderen rond 1800 een sterke stijging kende van het aantal vondelingen als gevolg van zware armoede en de textielcrisis. Onder het Frans bewind werd in 1811 een decreet uitgevaardigd dat zorgde voor officiële vondelingentehuizen en de beruchte 'vondelingenschuif'. Vondelingen werden door de ambtenaar van de burgerlijke stand geregistreerd. Ze kregen een willekeurige voor- en achternaam, vaak afgeleid van de vindplaats, het tijdstip of de maand van vondst. De vondelingentehuizen fungeerden vooral als depots; de overlevingskans was daar zeer laag, door ondervoeding en ziektes. Zodra het kon, werden de baby’s uitbesteed aan pleeggezinnen op het platteland, die hiervoor een vergoeding kregen. Vanaf hun zesde of twaalfde jaar moesten de kinderen er vaak als dienstbode of landarbeider werken.

Vondelingen werden door ambtenaren of de kerk vaak bedacht met fantasierijke of symbolische namen, zoals Onverwacht (het kind kan het gevolg geweest zijn van een ‘ongelukje’) en Victime. Blijkbaar gebeurde het wel meer dan vondelingen met elkaar trouwden: zij groeiden nu eenmaal vaak op in dezelfde instellingen of bij specifieke pleeggezinnen in dezelfde regio.

Kunnen synchroniciteiten – in het oog springende toevalligheden, zie daarvoor Een magisch-realist in Mysterieus België – zich op magisch-realistische wijze ook manifesteren in je voorgeslacht? Blijkbaar zijn Petjen – Jan Ferdinand Onverwagt – en zijn gevonden overgrootvader Joannes getrouwd met exact honderd jaar verschil. En de ontvanger die negentig frank incasseerde voor de huwelijksakte van Jan Ferdinand in 1934, heette Toussaint… net zoals de brouwerij waar hij als brouwersgast aan de slag was.






 Alle 101 Familiefoto's zullen op termijn hier te vinden zijn.


21.7.26

101 Familiefoto's - 004: Het Groene Boek van ons Moe

 



Het fotoalbum is typisch jaren zeventig. Op een zacht glooiende grashelling, badend in warm namiddaglicht, schurkt een jong koppel dicht tegen elkaar aan. Hun gezichten zijn nauwelijks zichtbaar; ze lijken volledig op te gaan in elkaar, zich niet bewust van de camera – dit is een gestolen moment.

Rond hen strekt zich een uitgestrekt parklandschap uit. Het gazon golft zacht naar beneden, als een groene zee waarin het zonlicht brede banen van goud trekt. Hoge bomen omringen de scène als een natuurlijke kathedraal. Hun bladeren filteren het licht, waardoor overal kleine schitteringen ontstaan. Links hangen takken laag over een donkere waterpartij of een schaduwrijke greppel; rechts valt het zonlicht fel op een treurwilg waarvan de lange takken als een gordijn naar beneden hangen.

Precies dit in hels groen plastic verpakt album met een nostalgisch coverbeeld naar vervlogen zomers en jeugdige liefdes heeft ons moe uitgekozen als familiaal fotoalbum. Het past als de spreekwoordelijke tang op het dito varken, al besef ik dat ook die beeldspraak hier min of meer ongepast is. De handige cellofaan maakt het onhandig knoeien met klevertjes overbodig, misschien heeft ze daarom dit album gekozen. Of het lag in de solden, dat kan ook. Nu goed, het is het binnenste dat telt, nietwaar. Niet de verpakking, maar de inhoud.




Zonder dit Groene Boek zou er geen sprake zijn van deze reeks 101 Familiefoto’s. Zoals je kunt zien, heb ik het volgeplakt met papiertjes die me eraan moeten herinneren wat ik nog zoal wil vertellen bij de foto’s die het bevat. Ik ben er vrij zeker van dat ons moe eraan begonnen is kort na de dood van haar vader, mijn Petjen, in 1976. En ze is zeer selectief geweest: dit album was duidelijk bedoeld voor haar tak van de familie, voor het geslacht Onverwagt – en aangezien Jan Ferdinand trouwde met Florine Van Gheit, min of meer ook voor die vertakking. Een Bernauw of een Temmerman (mijn grootmoeder langs vaders kant) zijn nog in geen velden of wegen te bekennen.

Eigenlijk is het bijna symbolisch dat er toch tamelijk veel ruimte in het album wordt besteed aan ‘tante Louise’, de jongere zus van Florine. Je kon ons moe niet echt een fan noemen van tante Louise, het Orakel van de Brusselbaan die een glansrijke carrière als Gendarme of Dragonder had gemist. Tante Louise (spreek uit: ‘Lowis’) heeft op het reilen en zeilen van het gezin Onverwagt-Van Gheit erg veel invloed uitgeoefend, en doorgaans niet in de goede zin van het woord. Haar talent om onrust te zaaien heeft ook voor haar eigen gezin desastreuze gevolgen gehad. Maar daarover later meer.






Ik wist nauwelijks af van het bestaan van dit album tot 2020. Na de dood van ons va in 2009 had ons moe zich vrij snel ‘herpakt’, en was ze vol goede moed begonnen aan een nieuw leven zonder haar ‘halve trouwboek’. Fysiek mocht hij er dan niet meer zijn, in onze – en haar – gedachten en gevoelens bleef hij nog zeer levendig. Vanaf 2016 zo ongeveer begon ons moe lichamelijk en geestelijk erg achteruit te gaan: ze sloot zich af van vrienden, kennissen en buren – maar ook van haar naaste familie. Als Ferna en Johan – mijn twee broers – en ik op zondagvoormiddag kwamen aperitieven, trok ze naar buiten om bladeren op te rapen van het gazon. Ook als ze bij ons thuis kwam eten, nam ze nog nauwelijks deel aan de conversatie. Ze verwaarloosde zichzelf, het huis aan de Roomshofstraat raakte in verval, maar daarover met haar in gesprek gaan was onmogelijk.

Ik denk dat ze bang was dat ze dement werd. We gaven bij de Scriptomanen in die periode een dichtbundel van Eddy Vaernewyck uit, Over het geluk van oude zomers. Omdat ik meende dat ze deze poëzie wel zou kunnen smaken en omdat er enkele pakkende gedichten over dementie in stonden – ons moe was erg geïnteresseerd in dat onderwerp, sinds ze haar demente moeder had verzorgd – gaf ik haar een exemplaar cadeau. Ze gooide het weg, met de boodschap dat ze dat allemaal niet meer wilde lezen.

Eind december 2019 vond mijn jongste broer Johan haar in de gang, waar ook de telefoon stond. Ze had daar al een hele tijd gelegen, had een toeval gekregen, een attakske – of een reeks attakskes – en was gevallen toen ze wellicht op weg was naar de telefoon. Ze was erg verward, werd opgenomen in het ziekenhuis, knapte daar lichamelijk vrij goed op – al zou ze vanaf nu voortdurend aangewezen zijn op een rollator, of zelfs een rolstoel – en moest opgenomen worden in een woonzorgcentrum. We kozen voor de Gerstjens: het was dichtbij, in het hart van Erembodegem waar ze altijd gewoond had, en er verbleven al enkele oude bekenden van haar, onder wie ook een bijzonder goeie jeugdvriendin.

Begin januari 2020 verhuisde ze van het ziekenhuis recht naar het woonzorgcentrum – waar ze een paar maanden later al meteen geconfronteerd werd met corona – en werd haar huis aan de Roomshofstraat verkocht. Het huis moest leeg gemaakt worden, en bij die gelegenheid stootte ik op het Groene Boek, dat in mijn archieven belandde, op de zolder van de garage. In 2008 hadden we het huis van Nonkel Frans al leeggemaakt – de jongste broer van Petjen – en had ik mij ook ontfermd over zijn archief. Vroeg of laat zou ik daar eens iets mee aanvangen, had ik gedacht. En omdat hij de jongste van het geslacht Onverwagt was geweest, en al zijn broers en zussen inmiddels ook waren gestorven, waren veel memorabilia via hem ook al bij mij verzeild geraakt.

Op die manier wist ik dat veel foto’s het Groene Boek niet hadden gehaald, niet alleen omdat het hoogstwaarschijnlijk al kort na 1976 was samengesteld, maar ook omdat de focus ervoor duidelijk bij het gezin Onverwagt-Van Gheit had gelegen, met tante Lowis als onvermijdelijk aanhangsel.



Uiteraard dook het ook weer op bij het overlijden van ons moe in mei 2026, toen mijn broers en ik op zoek gingen naar foto’s voor de montage bij haar levensloop en het liedje In de ogen van ons moe dat we gemaakt hadden. Daar en dan heeft het idee voor dit boek vaste vorm aangenomen. Ik was verplicht een selectie te maken, maar bij elke mij al bekende of nog redelijk onbekende foto die ik onder ogen kreeg, ontsprong telkens ook weer een stroom herinneringen…

En wat doe je dan, als schrijver?

Dan schrijf je die op, natuurlijk.




20.7.26

Blackout 04: De eerste keer dat hij stierf

 




De eerste keer dat hij stierf, merkte hij het nauwelijks.

Er was een ziekenhuiskamer geweest, een winteravond waarop de regen tegen de ramen tikte en een verpleegster die hem nog iets had gevraagd wat hij niet meer verstond omdat haar stem al van heel ver leek te komen. Daarna volgde een duisternis die zo volmaakt was dat zij niet eens als duisternis kon worden ervaren. Er waren geen dromen, geen herinneringen, geen tunnel van licht of reeds gestorven familieleden die hem stonden op te wachten. Er was eenvoudigweg Niets.

En vervolgens was er opnieuw Iets.

Toen hij zijn ogen opende, zat hij in de woonkamer van zijn ouderlijk huis. De versleten sofa stond nog naast de kachel, de klok boven de schoorsteenmantel wees tien over acht aan en door het raam zag hij de appelboom die vroeger precies in het midden van de tuin had gestaan. Alles was nog net zoals hij het zich herinnerde.

Aanvankelijk dacht hij dat hij droomde. Maar toen hij naar buiten liep, kreeg hij steeds sterker het gevoel dat niet hijzelf, maar de wereld rondom hem een droom was. De straat lag er verlaten bij, er reden geen auto's voorbij, er klonken geen stemmen. Hij wandelde door de stilte van een toneeldecor dat wacht tot de acteurs hun plaatsen innemen.

Maandenlang dwaalde hij door deze merkwaardige stad die de zijne was. Hij vond winkels waarvan de deuren nooit opengingen, cafés waarin glazen op tafels stonden alsof de klanten elk moment konden terugkeren en stations waar treinen aankwamen zonder passagiers.

Pas veel later ontmoette hij een andere mens. Een jonge vrouw zat op een bank aan een rivier die op geen enkele kaart voorkwam. Ze vroeg hem wanneer hij was gestorven en toen hij antwoordde dat dit vorige week was gebeurd, glimlachte ze en zei: "Dat denkt u maar."

Zijzelf werd geveld in 1912 door een longontsteking. Sindsdien woonde ze hier, in deze vreemde wereld waar mensen uit verschillende tijden elkaar soms ontmoetten alsof de geschiedenis was samengevouwen tot één enkele bladzijde.

In de jaren die volgden ontmoette hij nog lotgenoten: een zeeman uit de zeventiende eeuw, een monnik uit de middeleeuwen, een programmeur uit een verre toekomst die beweerde dat heel deze wereld niet meer dan een simulatie was. Hun verhalen verschilden in bijna alles, behalve in één detail: iedereen was gestorven, en hij of zij was daarna hier terechtgekomen.

Langzaam groeide het vermoeden dat deze plaats geen hiernamaals was, maar… iets anders. Gebouwen leken soms alleen te bestaan omdat iemand ze zich herinnerde. Straten verdwenen wanneer hun laatste bewoner vergeten werd... of ze vergat. De stad was niet opgebouwd uit steen en beton, maar uit herinneringen die hardnekkig weigerden te verdwijnen.

Op een avond bracht de vrouw hem naar een verlaten vlakte waar een eenzame deur stond, zonder muur eromheen, zonder huis - alsof ze daar door niemand en voor niemand was achtergelaten.

"Wat bevindt zich erachter?" vroeg hij.

"Dat weet niemand," antwoordde de vrouw. "Wie erdoor gaat, keert nooit terug."

Jarenlang bleef de deur hem achtervolgen - spreekwoordelijk, uiteraard. Uiteindelijk won zijn nieuwsgierigheid het pleit. Op een dag legde hij zijn hand op de koude klink, dacht aan de regen tegen het ziekenhuisraam op de avond van zijn dood en aan alle herinneringen waaruit deze wereld was opgebouwd.

Toen opende hij de deur.



Alle blackouts zullen op termijn te vinden zijn via deze link. Hier vind je ook alle info over het boek Groetjes uit de vierde dimensie, dat eveneens samengesteld is uit microfictie en illustraties (postkaarten) geïnspireerd door blackout poetry, en andere produkten van het Mystiek Actie Front MAF.

14.7.26

101 Familiefoto's - 003: Petjen

 


Nu we dan toch bezig zijn, hier komt nog een fragment aan uit Een magisch-realist in Mysterieus België:

 

Mijn grootvader, ‘Petjen’, was mijn held… en omgekeerd was dat ongetwijfeld ook het geval. Petjen maakte voor mij een boog van essenhout, en in de Zavelputten gingen we riet snoeien, en als je dan wat modder in zo’n uiteinde van een stuk riet stopte, kreeg je een pijl die goed rechtdoor kon vliegen en ook recht naar beneden kwam.

Hij leerde mij ‘muziekskes’ blazen op een stugge grasspriet, en vertelde mij bij de Duivelsputten verhalen over de stuikrover Jan De Lichte. In het moeras kon je nog de restanten van de postkoets zien drijven die zijn bende daar had overvallen. En hij drukte me op het hart nooit voorbij het roestige ijzeren hek te gaan dat het domein ‘van de baron’ afsloot, want daar lagen allemaal wolfsijzers en schietgeweren.

Petjen toonde me hoe je op een landerige zaterdagnamiddag spannende avonturen kon beleven, door een lege portefeuille aan een dun touwtje te hangen en op het fietspad te leggen – hij woonde op de Brusselse Steenweg, daar kwamen behalve tamelijk veel auto’s ook wel wat fietsers voorbij. Hij deed me voor hoe ik me in het struikgewas kon verstoppen, wachtend op de argeloze fietser die de portefeuille zou opmerken en van zijn fiets stappen, net voor de top van de Boechoutberg (67 meter boven de zeespiegel, leerden we in de gemeenteschool) en volstrekt buiten adem. En hoe ik ten slotte heel hard lachend heel hard moest wegrennen, met portefeuille en al. 

Ik vertelde hem op zijn vraag vanalles over wat ik op school had geleerd. Hoe de mensen tegenwoordig naar de maan vlogen en zo – al begrijp ik dat zelf nog altijd niet goed – en hoe de Romeinen destijds ons land hadden bezet – daar wist ik dan weer alles over – en wanneer ik iets aan het lezen was, vroeg hij me soms een stukje voor te lezen. Want zelf kon hij amper lezen, hij was maar tot zijn veertiende naar school geweest, en dan nog vooral ‘achter de haag’.

Ik was gek op paarden; dat kwam door al die boeken over Winnetou en Old Shatterhand. Ik las Petjen bij voorkeur een passage voor waarin paarden opdraafden, en schetste in geuren en kleuren hoe je als ruiter één kon worden met je paard en dat je ermee kon praten, maar dat je elkaar ook begreep zonder woorden. En daar op de Boechoutberg had Petjen een heel grote moestuin en hield hij ook veel kippen en konijnen, maar daarachter kon hij nog wel een wei huren om het paard op te zetten dat hij voor mij zou kopen.

Er was maar één probleem. Mijn moeder zei ‘nee’.

Maar toen kregen we nieuwe overburen, en op de wei waar mijn paard had moeten staan, stond nu dat van de dochter van de overburen. Het paard heette Cry. En Petjen regelde het zo dat hij het paard mocht verzorgen als de eigenaars op reis waren – ze waren nogal rijk, die overburen, en dus gingen ze skiën in de winter, naar de Côte d’Azur in de zomer, en tussendoor bezochten ze allerlei wereldsteden. Zo kwam ik dan toch nog op de rug van een paard terecht. Dat van die eenheid van mens en dier viel wat tegen, maar praten met een paard kon ik als de beste.

Vanuit mijn tuin – ik woon nu in het huis dat ooit eigenhandig door mijn grootvader werd gebouwd – kan ik nog steeds de bedding zien waar ooit de laatste tram tussen Gent en Brussel reed. En de wei waar ‘mijn’ paard stond. Tot Petjen in die mythische zomer van ’76 stierf en er een einde kwam aan mijn weekfends en vakanties op de Boechoutberg. Voor een jaar of tien dan toch.

Petjen had prostaatkanker en we wisten dat die zomer zijn laatste zou worden. Ik was veertien, het werd september en ik ging met de fiets naar school. Toen ik terugkeerde naar huis, kruiste ik ter hoogte van het park van Aalst, net voor de Kapellekensbaan van Louis Paul Boon, een lijkwagen. Plotseling voelde het alsof ik lood in de benen kreeg, ik wist gewoon dat Petjen er niet meer zou zijn. Mijn voorgevoel had me niet bedrogen; er waren nog lang geen smartphones, we hadden thuis zelfs nog maar sinds kort telefoon… Maar toen ik de deur opende en mijn fiets stalde en mijn moeder in het smalle gangetje verscheen, moest ze niets meer zeggen. Ik wist het al. Petjen had een fatale hersenbloeding gekregen.



 

De foto die de motor is van deze stroom van herinneringen staat aan het begin van dit stukje. Hij hing in groot formaat, in een zwaar kader op de badkamer van het huis op de heuvel. Die badkamer had toen nog alleen een bad en een lavabo, een toilet was er niet. Daarvoor moest je naar tosjke of ‘het huisje’ dat was aangebouwd aan het stalletje dat was aangebouwd aan de veranda die was aangebouwd aan de eigenlijke woning. In de badkamer stond een nachtemmer – als kind moest ik ’s nachts nog niet opstaan om te gaan plassen, maar ’s ochtends keken petjen, metjen en ‘ons moe’ altijd sereen en ernstig op mij neer als ik het in de emmer liet klateren.  

Het is een zorgvuldig gecomponeerd familieportret zoals dat gebruikelijk was in de vroege jaren 1940. Alles wijst erop dat de foto werd gemaakt in een studio, waar licht, houding en compositie zorgvuldig werden geregisseerd om een beeld van respectabiliteit en familiale verbondenheid vast te leggen.

Het kleine meisje, mijn moeder, zit vooraan op een ronde kruk. Ze vormt letterlijk en figuurlijk het middelpunt van de compositie. De enorme witte strik boven op haar hoofd, zo groot als haar gezicht, fungeert als een visueel ankerpunt. Ze zit ontspannen, met de benen schuin over elkaar op de kruk… als helemaal niet mijn moeder.

Wat het beeld zo ontroerend maakt, realiseer ik me nu, is een subtiel evenwicht tussen ernst en tederheid. Petjen straalt bescherming uit, metjen warmte, mijn moeder zorgt voor een vleugje onvoorspelbaarheid. Ze vormen een driehoek van blikken en houdingen die bijna een klein verhaal vertellen: van een papa en een mama die hun toekomst voor zich zien zitten op een kruk, met een grote witte strik in het haar en de aandacht al half gericht op de wereld die zich buiten het kader van de foto bevindt.



11.7.26

101 Familiefoto's - 002: De laatste tram

 


In mijn ‘creatieve autobiografie’ Eenmagisch-realist in Mysterieus België (2025) beschrijf ik het als volgt:



Dit moet zo ongeveer mijn oudste herinnering zijn. Ik ben een jaar of vier en zit op de arm van mijn grootmoeder. Ze staat helemaal achteraan in de tuin van haar huis, bij het hekje dat rechtstreeks uitgeeft op iets dat lijkt op de bedding van een drooggevallen rivier. Maar het is geen rivier, er liggen tramsporen in het midden van de bedding.

Naast mijn grootmoeder staat mijn grootvader, in zijn hemdsmouwen. En mijn ouders zijn er ook. De hond blaft en springt op – hij is helemaal wit, behalve rond zijn ene oog: daar is ie zwart.

Het is warm, de zon schijnt. Het moet augustus zijn, zo zal ik mij later realiseren… want aan de overkant van de tramlijn ligt een graanveld, en het graan is geel.

En dan is daar de tram. Hij rijdt ons traag voorbij. En de hond blaft en springt op. De zonnestralen lijken mij helemaal warm te maken, ook vanbinnen. Ik ervaar een intens gevoel van geluk, zoals er nog veel zullen volgen in die gouden jeugd van me. Het graan kan ik bijna ruiken. Wat een mooie, mooie dag is dit…

Achteraan op de tram, op een platformpje, staan een drietal mensen – twee mannen en een vrouw. En ze wuiven naar ons. En wij wuiven terug.

‘Kijk jongen, dat was nu de laatste tram,’ hoor ik mijn grootvader zeggen.  

Vele jaren later – ik woon nu al geruime tijd in het huis van mijn grootouders – vertel ik aan een heemkundige dat ik als kleuter daar, achteraan in de tuin, de laatste tram heb uitgewuifd.

De man kijkt me kritisch aan. ‘Hoe oud ben jij dan?’

Ik zeg dat ik geboren ben in ’62.

‘Ik dacht al zoiets,’ grijnst hij. ‘De laatste tram reed uit in 1963.’

 

Het is een typische valse herinnering. Waarschijnlijk heb ik in de loop der jaren – misschien zelfs voor een verhaal dat ik ooit schreef – het relaas van mijn ouders of grootouders over die laatste tram gecombineerd met mijn herinneringen aan hoe we ooit in een gouden zomer van lang geleden achteraan in de tuin stonden. Er bestaat trouwens nog een foto van zo een in de tijd gestold moment. De witte hond met het zwarte oog ken ik eigenlijk alleen maar van die foto, en van mijn valse herinnering, want voor de rest komt hij in mijn herinneringen niet voor.

Ik heb in de loop der tijden een massa van dit soort valse herinneringen gefabriceerd. De pseudo-herinnering is een bekend psychisch gegeven. Een niet-schrijvende mens zal een gat in zijn geheugen proberen op te vullen in een doorgaans grotendeels onbewust proces. Hij zal bepaalde details en zelfs hele herinneringen verzinnen, of ze door logisch redeneren proberen te reconstrueren. Een schrijvende mens zal bewust stilstaan bij een gebeurtenis uit zijn verleden en er iets mee doen in functie van een personage dat hij tot leven wil wekken, een scène die hij wil inkleuren, het verhaal dat hij wil vertellen.

In de psychologie spreekt men in dit verband over het Lost in the Mall Experiment, waarmee werd aangetoond dat mensen nieuwe herinneringen kunnen aanmaken over gebeurtenissen die nooit hebben plaatsgevonden. Proefpersonen krijgen het verslag van een aantal gebeurtenissen uit hun jeugd te lezen, genoteerd door familieleden. Eén ‘feit’ is evenwel verzonnen: dat ze op vijfjarige leeftijd verdwaalden in een winkelcentrum. Toch wordt ook deze fictieve gebeurtenis voor waar aangenomen: sommige proefpersonen slagen er zelfs in allerlei details te vertellen over een verzinsel.

Een schrijver kan hier zijn voordeel mee doen. Voor een magisch-realistische schrijver zou dit fenomeen zelfs een fundament kunnen zijn waarop een belangrijk deel van zijn werk is gebouwd. Ga het na bij verschillende magisch-realistische schrijvers als Haruki Murakami, Jeanette Winterson, Hubert Lampo, Isabel Allende, Jorge Luis Borges of Gabriel Garcia Marquez… en je zult telkens een andere definitie krijgen van wat magisch-realisme voor hen betekent. Een aantal elementen keert noodzakelijkerwijze terug: aan de ene kant de werkelijkheid zoals wij die kennen – de ‘feiten’ zeg maar –, aan de andere kant de droom, de verbeelding, de fictie, de mythe, het bovennatuurlijke en het mystieke, een alternatieve realiteit, een parallelle wereld.




Tot daar het fragment waar ik voor de lezer een valse herinnering ontmasker en er tegelijk een nieuwe aanmaak. Want de foto waarvan sprake, met de hond met het ene zwarte oog, achteraan in de tuin… die bestaat niet. Bij het doorploegen van het familiale foto-archief na de dood van mijn moeder op 13 mei 2026 – de rechtstreekse aanleiding voor het schrijven van deze stukken – ging ik naarstig op zoek naar de bewuste foto die ik me haarscherp meende te herinneren… en die niet bestond.

Blijkbaar heb ik aan de hand van een onbestaande foto – opnieuw – een alternatieve realiteit geconstrueerd, een parallelle wereld. Ik ben er wel vrij zeker van welke foto voor de inspiratie heeft gezorgd, en dat moet deze zijn waarmee ik dit stukje open. Mijn grootvader en mijn grootmoeder achterin de tuin van het huis waar ik nog steeds woon, mijn grootmoeder met een hond op de arm. En tussen hen in… niet ik, maar mijn moeder.

Die hond – al dan niet met één zwart oog – verschijnt trouwens wel vaker op foto’s met mijn grootouders en/of mijn moeder. Hij maakte, zolang ik mij kan herinneren, deel uit van de familie.

Eind jaren 40 maakte je niet zomaar eventjes een foto. Ik vraag me dan af wie besloot mama, papa en de dochter even bij elkaar in de tuin. Het moet weer zomer zijn. Mijn grootvader is lang en opvallend mager, zijn houding zelfverzekerd, bijna uitdagend met die hand in zijn zij. Hij is in hemdsmouwen, werd hij onderbroken bij het werk in de tuin? In zijn blik meen ik een zweem van ongeduld te ontwaren. 

Het meisje dat mijn moeder zal worden vangt in haar lichte jurk het meeste licht. Ze staat keurig rechtop met beide handen voor zich gevouwen, heeft ze dat zo geleerd op school? Toch straalt ze geen verlegenheid uit, integendeel, ze lacht, ze vindt dit amusant, ze heeft er schik in. 

Metjen heeft een stevig postuur – heel anders dan het frêle oude vrouwtje dat zij later zou worden. Ze glimlacht als iemand die tevreden is met haar leven. Zowel mijn moeder als mijn groot-moeder lijken  heel anders op deze foto dan ik ze mij herinner.

De aandacht van de hond wordt volledig opgeëist door iets buiten beeld. Je krijgt het gevoel dat hij elk moment zou kunnen beginnen spartelen en vervolgens onherroepelijk buiten beeld springen…


Hier vind je alle Familiefoto's op een rijtje!

3.7.26

Blackout 03: De tuin die terugkeerde

 



De oude man woonde alleen aan de rand van het dorp, in een huis dat langzaam door klimop en vergetelheid werd veroverd. Niemand wist precies hoe oud hij was. Sommige buren beweerden dat hij er altijd al had gewoond. Anderen herinnerden zich vaag dat hij ooit als jonge onderwijzer was aangekomen, ergens kort na de oorlog. “De eerste of de tweede?” vroeg ik. Daar kon niemand op antwoorden.

Tegen de tijd dat ik hem leerde kennen, leek hij niet meer tot dezelfde wereld te behoren als de rest van ons. Iedere avond zat hij op een houten bankje achter zijn huis en keek hij uit over een stuk braakliggend terrein dat ooit een tuin was geweest. Volgens hem had daar vroeger een wonderlijke verzameling planten gestaan: blauwe rozen, zilveren papavers, nachtbloemen die enkel opengingen wanneer de maan vol was. Niemand geloofde hem. De grond lag er kaal bij, op wat onkruid en een paar verwilderde struiken na.

"Je bent te laat geboren," zei hij vaak tegen mij. "Je had het moeten zien."

Ik glimlachte dan beleefd. Kinderen zijn bereid veel te geloven, maar zelfs ik vermoedde dat de man vooral sprak over herinneringen die mooier waren geworden naarmate de jaren verstreken.

Toen hij stierf, werd zijn huis leeggehaald. Zijn boeken verdwenen naar antiquairs, zijn meubels naar kringloopwinkels en zijn persoonlijke papieren werden opgehaald door de stadsreinigingsdiensten.

De tuin bleef achter.

Dat jaar kwam de winter vroeg. Dagenlang hing er mist boven de velden. Op een avond wandelde ik langs het verlaten huis toen ik iets vreemds opmerkte. Achter het verroeste hek leek een zacht licht te gloeien, alsof iemand tussen de struiken een reeks kleine lampen had verborgen.

Nieuwsgierig klom ik over het hek. De lucht voelde er anders aan, warmer. En plots rook ik bloemen. De geur had niets van de herfst, van natte aarde, maar alles van een bedwelmend parfum dat ik niet thuis kon brengen.

Voor mij strekte zich een tuin uit die daar onmogelijk kon zijn. Waar enkele uren eerder nog kale grond was geweest, zag ik nu kronkelende paadjes, vijvers waarin sterren weerspiegeld werden en bloemen die een zacht licht uitstraalden alsof ze hun eigen kleine maan bezaten. Hoge bomen bogen zich over het landschap, hun bladeren ritselden in een taal die ik bijna kon verstaan.

Ik liep verder, verbluft en sprakeloos. Op een open plek zat de oude man op zijn bankje. Of liever: daar zat iemand die op hem leek. 

Hij keek glimlachend naar de bloeiende wereld rondom zich. "Ik zei toch dat je te laat geboren was," zei hij.

"Wat is dit?" vroeg ik.

"Een glimp," antwoordde hij. "Meer kan ik je niet geven.”

En toen begon de wereld rondom ons al te vervagen. De lichtgevende bloemen doofden één voor één uit. De bomen werden schaduwen, de paden losten op in nevel. Het huis was weer donker, en het bankje leeg.


Alle blackouts zullen op termijn te vinden zijn via deze link. Hier vind je ook alle info over het boek Groetjes uit de vierde dimensie, dat eveneens samengesteld is uit microfictie en illustraties (postkaarten) geïnspireerd door blackout poetry, en andere produkten van het Mystiek Actie Front MAF.

Van alle blackouts is ook een luisterverhaal gemaakt, terug te vinden op de podcast Luisterboeken.


 


1.7.26

Een zoektocht naar het vervloekte Malpertuis van Jean Ray in Gent


 


Zoals in tal van romans en verhalen van Jean Ray is Gent alomtegenwoordig in zijn meesterwerk Malpertuis. Ondanks de vrij precieze situering van dit naargeestige huis in de Sint-Jacobswijk, blijft het onvindbaar voor de onderzoeker die zich verdiept in het oude Gent met zijn nog niet gedempte waterlopen en vergeten en verbeelde straten, stegen en pleintjes. Bestaat het echt of is dit imposante en onheilspellende gebouw, opgetrokken uit de herinneringen van de auteur, geput uit tal van boeken en prenten, en enkel te vinden in de vervaarlijke vierde dimensie die raakpunten heeft met onze realiteit?

Jean Ray verwittigde Henri Vernes, schrijver van de Bob Morane-verhalen: 'Zoek maar verder naar Malpertuis… het zij zo… maar vergeet niet dat, zo ge dat verdoemde duivelshuis niet vindt, het u misschien zal vinden… en dan…

Ik heb het onderzoek van Vernes voortgezet, en de uitdaging van Jean Ray aangenomen, in een driedelige podcast reeks van Mysterieus België naar het essay Malpertuis dat zopas verscheen in de Rare Boekjes Reeks van Fantastische Vertellingen en dat hier kan besteld worden aan 7,95 euro.

Wie over het boekje beschikt en graag de reclamevrije luisterboek versie gratis & voor niets in zijn mailbox wil ontvangen, kan een mailtje sturen naar info@inter-actief.be

Wie het boek gesigneerd via de post wil ontvangen, samen met 4 magisch-realistische postkaarten en de reclamevrije luisterboekversie, stuurt een mailtje naar hetzelfde adres en schrijft 20€ over op rekeningnummer IBAN BE 43 0016 9362 0101 – BIC GEBABEBB van vzw de Scriptomanen met vermelding "Malpertuis".







Een Gentse schrijver, het geheim van het vervloekte Malpertuis, ongeloof over het beweerde verscheiden van John Flanders, te rusten gelegd naast Virginie Bal. De werkelijkheid zoals wij die kennen staat op losse schroeven en uiteengezet wordt op grond waarvan.

Het magisch realisme spat er vanaf.

Malpertuis; literair essay; Patrick Bernauw; 

omslag- en binnenillustraties Gert-Jan van den Bemd; 

Rare Boekjes-reeks 73; ISBN 978-90-78499-74-9; 72 blz.; 1e druk 2026; 

uitg. Stichting Fantastische Vertellingen; 

omslagontwerp Ingrid Heit; biografie van auteur en omslagillustrator; 

Penguin-formaat pocketboek.

7,95€


Rare Boekjes-reeks
Via de Rare Boekjes-reeks biedt de Stichting Fantastische Vertellingen een springplank voor nieuw of miskend oorspronkelijk Nederlandstalig talent op het gebied van fantastische literatuur en kunst. De publicaties in deze reeks beogen de creativiteit te stimuleren en de geesten maximaal te verruimen.

26.6.26

Blackout 02 - Een lange stilte

 


Toen de werklui de oude abdijbibliotheek eindelijk openbraken, verwachtten ze stof, schimmel en ingestorte boekenkasten aan te treffen. Niemand verwachtte een man in een pij, gezeten aan een houten tafel, in een kamer die volgens de bouwplannen al meer dan tweehonderd jaar niet meer toegankelijk was geweest. Het licht van hun zaklampen gleed over vergeelde perkamenten, een omgevallen zandloper en een inktpot die allang moest zijn opgedroogd.

De man keek op, hij leek niet verrast. Een ogenblik bleef iedereen roerloos staan. De stilte in de ruimte had iets eigenaardigs. Het was niet de gewone stilte van een verlaten gebouw, maar een zware, bijna tastbare variante die op de borst drukte zoals water op een duiker. Later zou een van de arbeiders zeggen dat het voelde alsof de kamer al eeuwenlang haar adem had ingehouden.

"Wie bent u?" vroeg iemand uiteindelijk.

De man fronste zoals iemand die een vraag niet goed begrijpt. Toen begon hij te spreken. Zijn woorden klonken als Nederlands, en toch ook weer niet. Sommige klanken leken eeuwen oud. Andere hadden een vreemde melodie die niemand kon thuisbrengen.

Een jonge historica, die de restauratie begeleidde, voelde de haren op haar armen overeind komen. Ze herkende flarden Middelnederlands.

Men bracht de monnik - of wat het ook was - naar buiten. Daar startte de werkelijke verwarring. Hij kende geen auto's, geen elektriciteit, geen vliegtuigen. Geen Napoleon, geen Belgische Revolutie, geen Eerste Wereldoorlog, laat staan een Tweede. Hij kende wel de graaf van Vlaanderen en voor hem was Brugge nog steeds de navel van de wereld.

Dagenlang ondervroegen wetenschappers hem. Ze onderzochten zijn kleding, zijn tanden, zijn huid, zijn haar. Alles wees erop dat hij werkelijk uit de dertiende eeuw afkomstig was.

Op een avond zat de historica alleen met hem in de onderzoeksruimte. "Waar denkt u dat u zich eigenlijk bevindt?" vroeg ze.

De man keek haar een tijdje zwijgend aan en glimlachte toen, enigszins droevig. Hij keek naar het raam, waar de regen tegen het glas tikte. "Ik zat in de bibliotheek," zei hij zacht. "Ik sloeg een boek open. Er stond iets in geschreven dat geen mens mocht lezen. Daarna werd alles stil." 

Zijn blik dwaalde af naar iets wat zij niet kon zien. 

"Toen verschenen… de anderen. Gij."

Diezelfde nacht nog verdween hij. De beveiligingscamera's registreerden niets: geen deur die openging, geen raam dat werd geforceerd. Om twee uur drieëntwintig zat hij nog in zijn kamer, om twee uur vierentwintig was zijn stoel leeg.

Alsof hij altijd al een illusie was geweest.


Alle blackouts zullen op termijn te vinden zijn via deze link. Hier vind je ook alle info over het boek Groetjes uit de vierde dimensie, dat eveneens samengesteld is uit microfictie en illustraties (postkaarten) geïnspireerd door blackout poetry, en andere produkten van het Mystiek Actie Front MAF.

Van alle blackouts is ook een luisterverhaal gemaakt, terug te vinden op de podcast Luisterboeken.


24.6.26

De blinde vlek in het Mysterie van Albert I (Johan Op de Beeck)


Uit Kroniek van de 20ste eeuw, Elsevier 1985:
koning Albert valt dieper dan de rots hoog is.


Laat er geen twijfel over bestaan: ik ben (en blijf) een groot liefhebber van de non-fictie van Johan Op de Beeck. Ik heb bijzonder genoten van zijn boeken - en podcasts - over de Zonnekoning, Versailles, de Franse Revolutie, Napoleon, Leopold II. Af en toe ergerde ik me wel aan het soms niet al te zuivere Nederlands, aan hele passages zelfs waarbij de redacteur duidelijk was ingedommeld, of aan zijn stiefmoederlijke behandeling van de alinea. Maar Op de Beeck is nu eenmaal een rasechte verteller met oog voor sprekende details en dito anekdotiek, en dan kijk je al eens wat door de vingers. Zo staan het sanitaire imbroglio van Versailles mij nog levendig voor de geest, de lichamelijke ongemakken waarmee de Zonnekoning af te rekenen kreeg (met de behandeling door zijn 'tandarts' als pijnlijk hoogtepunt) of de geur die de laarzen van de jonge Napoleon met zich meebrachten in de Parijse salons. Zij kunnen zich meten met de etymologie van het woord copain uit De Bourgondiërs van die andere meesterverteller, Bart Van Loo, die daarenboven een briljant stilist is. Dat laatste kan jammer genoeg niet van Op de Beeck gezegd worden - maar hij is dan weer een fan van Bruce Springsteen, en die kunnen bij mij altijd op extra krediet rekenen, meer zelfs dan de fans van het Franse chanson. 

Van de historische thrillers van Johan Op de Beeck ben ik nooit wild geweest, om het voorzichtig uit te drukken. Aan Het complot van Laken en zijn opvolger De staatsvijand heb ik nog enig plezier beleefd, al moest ik even een blik werpen op de achterflap om mij te herinneren waar ze ook weer over gingen. De stijl waarin een boek is geschreven, staat wat mij betreft garant voor een groot - zoniet het grootste - deel van mijn leesplezier. En zekere minpunten die in zijn non-fictie nog ondergeschoffeld worden, dringen zich in fictie genadeloos op de voorgrond. De aanslag op Napoleon heb ik na een vijftigtal bladzijden weggelegd, wegens te taai en - sorry - te slecht geschreven. De personages komen niet tot leven, de lezer dient zich door ettelijke pagina's niet echt terzake doende uitweidingen te ploegen, zinnen draaien regelmatig in een grammaticale knoop en de taal is stroef, de verwoording bijwijlen tegelijk omslachtig en onhandig.

Het was dus met enige reserve dat ik aan Het Mysterie van Albert I begon - maar een historische thriller over het onderwerp waar ik tussen 1993 en 2008 drie boeken aan wijdde, kon ik toch niet laten liggen? In Het Nieuwsblad verscheen een juichende recensie, Op de Beeck dook her en der op in de media, en het boek bleek al een bestseller te zijn nog voor het in de rekken lag. Gelukkig is deze thriller niet zo saai als De aanslag op Napoleon en zit hij weer zo ongeveer op het niveau van Het complot van Laken. Wild word ik er niet van, maar het kon erger. Misschien ben ik ook te zeer in de watten gelegd door auteurs als Robert Harris of Stephen King, die hun inhoud 'in stijl' weten te brengen en voor wie de geloofwaardigheid van het personage primeert. 

Het stoort me enorm dat grote uitgevers voor hun bestsellers-bij-voorbaat blijkbaar niet meer de moeite doen om een redacteur op een tekst te zetten die zijn stiel kent, en stijlbloempjes aanpakt als 'Het mens laat van ontstentenis haar poetslap op de stoep vallen' of 'In het salon grijpt de ontstentenis om zich heen als een bosbrand'. Die een contaminatie van het slag dat je vroeger al in de basisschool afgeleerd kreeg - 'onmeedogenloos' - onmeedogend corrigeert in meedogenloos, of vice versa. Die taalfouten opspoort van het genre 'Ik speur mensen op'. In mijn klassen creatief schrijven aan de Academie vlogen die er al bij een eerste lezing uit; dat je ze nog uit een boek moet plukken waarvan geheid enkele duizenden exemplaren verkocht worden, verdient onverbiddeloos de karwats. Ook zou ik er in die klassen op gewezen hebben dat je moet opletten met 'expositie' en een Sprechhund als sergeant Kimpe, als daar compleet ongeloofwaardige dialogen van komen waarin twee personages aan elkaar uitleggen wat ze eigenlijk allebei al weten, om de broodnodige informatie bij de lezer te brengen. En dat het kundig gebruik van de alinea een stijlmiddel is en niet een overbodig tierlantijntje: lees er Over leven en schrijven van de al eerder genoemde Stephen King op na, of om het even welke cursus creatief schrijven voor beginners.

'Waar maak jij je toch druk over?' hoor ik mijn critici al zeggen. 'Zijn boeken gaan als zoete broodjes over de toonbank, hoor!'

Och ja, het zal wel. Maar het lucht op het eens te kunnen zeggen als de thermometer over de 30° gaat.




En ik zou het vooral over de inhoud hebben. In de media klinkt het alsof Johan Op de Beeck zich als eerste waagt aan dit heikel onderwerp. De piste die hij bewandelt, wordt heel erg serieus genomen, want hij heeft nu eenmaal een indrukwekkende pedigree in het genre van de historische fictie en non-fictie. In 1993, toen ik samen met Guy Didelez de young adult historische thriller De moord op Albert I op de wereld losliet, lagen de kaarten heel anders. Het was 'maar' een jeugdroman, ik was ook die schrijver van Vlaamse Filmpjes, en historici zowel als royalty watchers buitelden over elkaar heen om een moord op de Koning-Ridder weg te zetten als een hardnekkige legende en/of een perfect voorbeeld van complotdenken. Toen we met de uitvinding van het internet nog meer informatie vonden die onze hypothese van 1993 bekrachtigde en het boek herschreven tot Het  februaricomplot (1999) was dat niet anders. 

In 2004 verscheen De val van Albert I, een sterk staaltje true crime van de Waalse journalist Jacques Noterman. Hij was de eerste die het gerechtelijk dossier over de dood van koning Albert kon inkijken en kwam tot een onomstotelijke conclusie: de officiële versie van de feiten - een tragisch maar klassiek ongeval 'van het alpinisme' - is niet houdbaar. Onder meer dankzij dit boek (en verdere research die ik ondertussen had gedaan) schreef ik in 2008 mijn laatste woord over de kwestie in de historische faction thriller voor volwassenen, Het Illuminati Complot. Ik beweer niet dat ik de waarheid in pacht heb, en dat het zo en niet anders gebeurd moet zijn als ik in dit boek vertel. Maar ik ben het eens met Noterman - en Op de Beeck - dat de officiële versie van de feiten een sprookje is, en ik geloof nog steeds dat mijn piste niets sprookjesachtigs heeft, omdat ik vertrek van drie premisses waaraan niet te tornen valt. Nog tot in 2016 bleven 'serieuze' onderzoekers evenwel zeer weinig serieuze pogingen ondernemen om de these van een moord in Marche-les-Dames onderuit te halen. Op de Beeck verwijst er ook naar, ik heb mij er destijds enigszins over opgewonden op deze blog, in de post De Frivole Fratsen van VTM-Royalty Reporter Reinout Goddyn en het DNA van Albert I uit Marche-les-Dames

Wat zijn dan die drie premisses?
  
Patrick Bernauw
Het Illuminati Complot
Werd de Belgische koning Albert I het slachtoffer van een passioneel drama of van een politiek complot? En wat heeft een voorspelling van de zieneres van Onkerzele, Leonie Van den Dijck, met dit alles te maken?
€27,50 Paperback
  

Nog voor 1993 en De moord op Albert I merkte ik al hoe slordig er verslag werd uitgebracht over de dood van de koning. Exemplarisch daarvoor is De kroniek van de 20ste eeuw, een prestigieus historisch naslagwerk uitgegeven door Elsevier en samengesteld door een enorme redactie, waarin de koning zowaar een val van 80 meter heeft gemaakt (zie foto bovenaan deze post). Gesteld dat hij van de top gevallen is, zou hij bijgevolg eerst een dertigtal meter omhoog gesprongen zijn. In het broertje van deze klepper, Kroniek van België (Standaard Uitgeverij) is er dan weer sprake van een val van 12 meter. Die discrepantie vond ik vreemd. Ik vroeg mij toen al af: waar halen zij hun cijfers vandaan?

Maar goed - de drie premisses dus, die eigenlijk in elk artikel over de dood van de koning vermeld horen te worden: 

Eén: als je een val doet, zelfs maar van 12 meter, van een rots zoals Le Vieux Bon Dieu in Marche-les-Dames, dan zul je daar blauwe plekken en schrammen en builen en gebroken armen en benen aan overhouden - dat kan niet anders. Koning Albert had één gapend gat in zijn schedel, en verder niks. Alsof hij dus 30 meter omhoog was gesprongen en daarna loodrecht neergevallen, op zijn hoofd. Dat is onmogelijk en sluit de stelling van een ongeval of van zelfmoord uit. Ja, zo duizelingwekkend eenvoudig en eenduidig kan één simpel feit zijn.

Twee: het is onmogelijk dat de groep boeren en rijkswachters uit de streek, opgetrommeld door de kamerheer die de koning vergezelde, de locatie waar Albert zijn beklimming aanvatte grondig uitkamde en er niks niemendal aantrof... als het lijk en enige rekwisieten van de Klimmer-Koning precies daar enkele uren later wél worden gevonden, vlakbij de openbare weg trouwens, door een zoekploeg onder leiding van enkele lui die in allerijl uit Brussel zijn overgekomen. De enige conclusie die je uit deze feiten kunt trekken, is dat het lijk en de rekwisieten er eerst niet waren, en daarna wel.

En nu wordt het interessant. Want als we iets zinnigs willen vertellen over de fabelachtige officiële versie van de feiten, dan moeten we ons in eerste instantie de vraag stellen wie hiervoor verantwoordelijk is geweest. Eén man treedt in dat geval nadrukkelijk voor het voetlicht: graaf Xavier de Grunne, ooit klimmaatje van Albert, secretaris-generaal van de Belgische alpinistenclub, die een landgoed bezat in de buurt van Marche-les-Dames en tot de Brusselse zoekploeg behoorde. Hij slaagde er niet alleen in het lichaam van de koning op miraculeuze wijze terug te vinden en te 'bergen', in de letterlijke betekenis van het woord (het lijk werd in de wagen gelegd en samen met alle daar ook aangetroffen spullen van de koning tegen alle geplogenheden in naar Laken gevoerd), maar belangrijker nog: hij dicteerde aan het parket van Namen hoe het allemaal precies was gebeurd. Het parket, dat pas op de crime scene verscheen nadat hij het lijk en alle mogelijke bewijs had laten verdwijnen.  

Johan Op de Beeck is volledig mee wat premisse één en twee betreft, maar blijft merkwaardig blind voor premisse drie: de uiterst verdachte machinaties van graaf Xavier de Grunne. Nochtans bestaat mijn korte samenvatting van hierboven alweer uit louter feiten.  De rol van Xavier de Grunne in de cover-up - hoe wil je het anders noemen? - minimaliseert hij, de man wordt zelfs nauwelijks vernoemd. Over de motivatie van Xavier de Grunne om te doen wat hij gedaan heeft - door zijn vasthouden aan 'het ongeval' bleek ook een lijkschouwing overbodig - kunnen de meningen uiteenlopen. Hij kan gehandeld hebben uit eerbied voor de vorst, om het imago van de koning clean te houden, weet ik veel... Maar hoe dan ook smeekt zijn modus operandi om een nauwgezet onderzoek van zijn persoon. Johan Op de Beeck zwijgt op een oorverdovende wijze over dit cruciale gegeven,  omdat hij de aandacht van de lezer wil afleiden van de mogelijkheid van een politieke aanslag door Duitsland, naar eentje in opdracht van de Franse geheime dienst. Hij kan niet anders dan toegeven dat er meteen na de dood van Albert in de hoogste kringen gedacht werd aan een Duitse aanslag, maar veegt dit element in het dossier zonder veel argumenten van tafel om - ook weer zonder veel argumenten - de Franse piste te volgen. 

Dit verhaal is er bijgevolg één met een opzichtige dode hoek. Komt daarbij dat ik het een regelrecht zwaktebod vind voor deze historische thriller wanneer blijkt dat de auteur zijn toevlucht zoekt tot een volslagen fictieve barones als bewoonster van het kasteel van Boninne - gelegen bij de crime scene - terwijl er een zeer non-fictieve barones voorhanden is, Alice de Zualart, over wie geruchten de ronde deden dat zij een minnares van de koning was geweest. Ook dit gegeven zet Op de Beeck weg in zijn dode hoek, met één enkel zinnetje in zijn nawoord: 'Daar is natuurlijk geen bewijs van.' Dat er daar zelfs ooit een pad naar de koning is vernoemd dat als mogelijke sluiproute kon dienen - nee, geen bewijs. Dat Albert al veel langer dan februari '34 naar Marche-les-Dames kwam 'om te klimmen', met een kamerheer als alibi - nog steeds geen bewijs. Maar anderzijds vindt hij het kasteel van Boninne en haar fictieve bewoonster wel sterk genoeg om mee te spelen in een eveneens puur fictieve context, die - laten we wel wezen - redelijk van de pot gerukt is en vooral dient om nog een extra portie seks binnen te smokkelen, via haar verschijning in pornografische publicaties. 

Ik heb ook veel moeite met het opvoeren van het historische personage van ingenieur Van Steenberghe, die een erg kritisch rapport schreef over de dood van de koning, dat door justitie destijds werd bestempeld als 'een complottheorie'. Hij wordt in het verhaal van Op de Beeck vermoord 'omdat hij te veel wist'. Wat de auteur zogenaamd wil vermijden met Alice de Zualart - een historisch personage een rol toedichten waar geen hard bewijs voor bestaat -, is plotseling geen probleem meer voor een ander historisch personage dat hij zelfs laat vermoorden, terwijl dat in werkelijkheid niet is gebeurd. Op de Beeck vermeldt het allemaal wel netjes in zijn nawoord en je mag me best een azijnpissende purist noemen, maar ik hou nu eenmaal niet zo van dit soort 'geschiedvervalsing' in thrillers met historische ambities. Stick to the facts, was altijd mijn devies - of je krijgt het lastig met the suspension of disbelief van de min of meer geïnformeerde lezer en je haalt je het commentaar van kritische kwieten als ondergetekende op de hals. 




De Franse piste die Johan Op de Beeck ontvouwt, trekt de spanningen tussen Albert en zijn Franse (en Engelse) bondgenoten tijdens de Groote Oorlog zonder meer door naar het jaar 1934. Albert wilde het bevel over zijn leger behouden en niet nodeloos jonge Belgische levens opofferen. Hij voerde zelfs in het grootste geheim 'gesprekken' met Duitsland. Dat laatste is voor Op de Beeck een argument om te stellen dat Albert eigenlijk best wel op goede voet stond met de Duitsers, zodat hun geheime diensten niet in aanmerking komen om een moordaanslag op de koning te beramen. Dat de spanningen en het wantrouwen van 14-18 voor de Fransen nog zo zouden doorwegen dat zij meenden de koning uit de weg te moeten ruimen, lijkt mij echter op zijn minst een paar bruggen te ver. Johan Op de Beeck lijkt te vergeten dat Hitler in 1933 aan de macht gekomen is en dat zijn nazi-Duitsland een heel andere, totaal nieuwe situatie geschapen heeft die niet meer te vergelijken valt met die van de oorlogsjaren, of van de Weimar republiek waar hij een eind aan maakte.

Wat Johan Op de Beeck zo nadrukkelijk buiten beeld laat, is een scenario dat vertrekt vanuit de historische figuur van graaf Xavier de Grunne, de verantwoordelijke voor de volstrekt fictieve officiële versie van de feiten die de geschiedenisboeken heeft gehaald en nog al te vaak klakkeloos nagepapegaaid wordt. Omdat, wie zich in de persoon van de Grunne verdiept, onvermijdelijk een uiterst recht(s)e lijn moet trekken naar... jawel, nazi-Duitsland. Het Illuminati Complot is gebouwd op de vaststelling dat de kas van de fascistische politieke partij Rex in de jaren dertig regelmatig gespekt werd met grote sommen geld die Führer Léon Degrelle in Duitsland en Italië wist los te weken. 'Xavier de Grunne, toen nog een vooraanstaand senator van Rex, heeft verklaard dat zijn partij van 1933 tot 1936 ruim 19 miljoen Belgische frank kreeg van Italië alleen al. De eerste fondsen werden door koeriers van Mussolini overhandigd in zijn kasteel van Oppem. In 1936 richtte Degrelle zich tot de Duitse gezant in Brussel en slaagde hij er eindelijk in een ontmoeting te regelen met zijn grote idool Adolf Hitler. Dat leverde Rex niet minder dan 100.000 rijksmark op, waarvan beweerd werd dat ze bestemd waren voor pers- en propagandadoeleinden, maar in werkelijkheid wilde men daarmee een staatsgreep plegen.'

Die poging tot staatsgreep is er in dat jaar ook gekomen. Ze bezorgde Degrelle & Co. (onder wie de Vlaamse schrijver Paul De Mont, Führer van de Vlaamse vleugel van Rex) een kater van formaat, want toen het erop aankwam verkozen de militairen eerste minister Van Zeeland boven een grillige amokmaker. Nu viel de Rex-beweging van Léon Degrelle, Paul De Mont, rijkswachtkolonel Vigneron en alpinist Xavier de Grunne lang niet zo goed te rijmen met de figuur van Albert I als met deze van Leopold III die zij tot het autoritaire staatshoofd van België wilden kronen. De Grunne brak later met Degrelle en ging tijdens de Tweede Wereldoorlog in het verzet, maar dat heeft geen belang voor zijn positie in die vroege jaren dertig. 




Had de Rexist, ooit de rechterhand van Degrelle, een motief voor een cover-up? Als Rex de financiering door Hitler veilig wilde stellen, of gewoon goede maatjes wilde blijven met hun Germaanse geestesgenoten... denk ik van wel. Had Hitler dan een motief om koning Albert uit de weg te ruimen? Vies van een politieke moordaanslag in het buitenland waren de nazi's allerminst: zo zouden zij in juli 1934 de dictator van Oostenrijk neerleggen, Engelbert Dollfuss. En in oktober 1933 - een half jaar na zijn machtsovername - eiste Hitler al 'gelijkberechtiging' wat de bewapening betrof, en trok hij Duitsland terug uit de Ontwapeningsconferentie en de Volkerenbond. Albert I volgde deze gevaarlijke bocht en de breuk met de naoorlogse veiligheidsorde met argusogen. Hij was bang voor zowel een nieuw Duits militair overwicht én een nieuwe algemene wapenwedloop. Kort na zijn dood, op 6 maart 1934, hield eerste minister Charles de Broqueville een toespraak die wellicht ook de visie van Albert weerspiegelde: tegenover de razendsnelle Duitse herbewapening moest men kiezen tussen preventieve oorlog of een algemene beperking van bewapening. Het was beter te onderhandelen dan zich te laten meeslepen in een nieuwe wapenwedloop. 

De positie van België in dit alles was voor nazi-Duitsland van het allergrootste belang. Met de stem van Albert werd toen nog rekening gehouden op het politieke toneel. Voor Albert mocht neutraliteit geen papieren illusie zijn, België moest zich kunnen verdedigen. Voor zijn zoon, de latere Leopold III, betekende dit dat België zich moest losmaken uit te nauwe Frans-Britse of Frans-Belgische militaire afhankelijkheden en een strikt zelfstandige positie moest innemen. Die politiek werd in het jaar van de mislukte staatsgreep, op 14 oktober 1936, door Leopold tegenover zijn ministers verdedigd. Het moet Duitsland als muziek in de oren geklonken hebben: na 1936 leidde deze houding onder meer tot het stopzetten van officiële stafcontacten met Frankrijk. Albert I wantrouwde de herbewapening van Duitsland; voor Leopold was dat een reden om Belgische zelfstandigheid te verkiezen boven de zekerheid van een bondgenootschap. Dat lijkt me toch wel een fundamenteel verschil.
 
Is dit een bewijs? Nee, dat is het niet. Mijn hypothese houdt wel met àlle bekende factoren rekening, zonder de geschiedenis in de pure feiten geweld aan te doen, en laat niet met opzet cruciale elementen buiten beeld omdat ze niet in mijn kraam passen. Johan Op de Beeck maakt, zeer terecht, het onderscheid tussen 'een complottheorie' en 'complotdenken'. Het eerste is rationeel onderbouwd, het tweede hoeft dat niet te zijn. Maar dan moet je dit onderscheid ook toepassen op je eigen werk en in je historische fictie geen aanslag plegen op de ratio en op de feiten, om een (com)plot op te zetten dat, bij nader onderzoek, zelfs voor hardhorigen heel hard gaat rammelen.

  

Podcast Luisterboeken