Posts tonen met het label Ware Misdaad. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Ware Misdaad. Alle posts tonen

24.6.26

De blinde vlek in het Mysterie van Albert I (Johan Op de Beeck)


Uit Kroniek van de 20ste eeuw, Elsevier 1985:
koning Albert valt dieper dan de rots hoog is.


Laat er geen twijfel over bestaan: ik ben (en blijf) een groot liefhebber van de non-fictie van Johan Op de Beeck. Ik heb bijzonder genoten van zijn boeken - en podcasts - over de Zonnekoning, Versailles, de Franse Revolutie, Napoleon, Leopold II. Af en toe ergerde ik me wel aan het soms niet al te zuivere Nederlands, aan hele passages zelfs waarbij de redacteur duidelijk was ingedommeld, of aan zijn stiefmoederlijke behandeling van de alinea. Maar Op de Beeck is nu eenmaal een rasechte verteller met oog voor sprekende details en dito anekdotiek, en dan kijk je al eens wat door de vingers. Zo staan het sanitaire imbroglio van Versailles mij nog levendig voor de geest, de lichamelijke ongemakken waarmee de Zonnekoning af te rekenen kreeg (met de behandeling door zijn 'tandarts' als pijnlijk hoogtepunt) of de geur die de laarzen van de jonge Napoleon met zich meebrachten in de Parijse salons. Zij kunnen zich meten met de etymologie van het woord copain uit De Bourgondiërs van die andere meesterverteller, Bart Van Loo, die daarenboven een briljant stilist is. Dat laatste kan jammer genoeg niet van Op de Beeck gezegd worden - maar hij is dan weer een fan van Bruce Springsteen, en die kunnen bij mij altijd op extra krediet rekenen, meer zelfs dan de fans van het Franse chanson. 

Van de historische thrillers van Johan Op de Beeck ben ik nooit wild geweest, om het voorzichtig uit te drukken. Aan Het complot van Laken en zijn opvolger De staatsvijand heb ik nog enig plezier beleefd, al moest ik even een blik werpen op de achterflap om mij te herinneren waar ze ook weer over gingen. De stijl waarin een boek is geschreven, staat wat mij betreft garant voor een groot - zoniet het grootste - deel van mijn leesplezier. En zekere minpunten die in zijn non-fictie nog ondergeschoffeld worden, dringen zich in fictie genadeloos op de voorgrond. De aanslag op Napoleon heb ik na een vijftigtal bladzijden weggelegd, wegens te taai en - sorry - te slecht geschreven. De personages komen niet tot leven, de lezer dient zich door ettelijke pagina's niet echt terzake doende uitweidingen te ploegen, zinnen draaien regelmatig in een grammaticale knoop en de taal is stroef, de verwoording bijwijlen tegelijk omslachtig en onhandig.

Het was dus met enige reserve dat ik aan Het Mysterie van Albert I begon - maar een historische thriller over het onderwerp waar ik tussen 1993 en 2008 drie boeken aan wijdde, kon ik toch niet laten liggen? In Het Nieuwsblad verscheen een juichende recensie, Op de Beeck dook her en der op in de media, en het boek bleek al een bestseller te zijn nog voor het in de rekken lag. Gelukkig is deze thriller niet zo saai als De aanslag op Napoleon en zit hij weer zo ongeveer op het niveau van Het complot van Laken. Wild word ik er niet van, maar het kon erger. Misschien ben ik ook te zeer in de watten gelegd door auteurs als Robert Harris of Stephen King, die hun inhoud 'in stijl' weten te brengen en voor wie de geloofwaardigheid van het personage primeert. 

Het stoort me enorm dat grote uitgevers voor hun bestsellers-bij-voorbaat blijkbaar niet meer de moeite doen om een redacteur op een tekst te zetten die zijn stiel kent, en stijlbloempjes aanpakt als 'Het mens laat van ontstentenis haar poetslap op de stoep vallen' of 'In het salon grijpt de ontstentenis om zich heen als een bosbrand'. Die een contaminatie van het slag dat je vroeger al in de basisschool afgeleerd kreeg - 'onmeedogenloos' - onmeedogend corrigeert in meedogenloos, of vice versa. Die taalfouten opspoort van het genre 'Ik speur mensen op'. In mijn klassen creatief schrijven aan de Academie vlogen die er al bij een eerste lezing uit; dat je ze nog uit een boek moet plukken waarvan geheid enkele duizenden exemplaren verkocht worden, verdient onverbiddeloos de karwats. Ook zou ik er in die klassen op gewezen hebben dat je moet opletten met 'expositie' en een Sprechhund als sergeant Kimpe, als daar compleet ongeloofwaardige dialogen van komen waarin twee personages aan elkaar uitleggen wat ze eigenlijk allebei al weten, om de broodnodige informatie bij de lezer te brengen. En dat het kundig gebruik van de alinea een stijlmiddel is en niet een overbodig tierlantijntje: lees er Over leven en schrijven van de al eerder genoemde Stephen King op na, of om het even welke cursus creatief schrijven voor beginners.

'Waar maak jij je toch druk over?' hoor ik mijn critici al zeggen. 'Zijn boeken gaan als zoete broodjes over de toonbank, hoor!'

Och ja, het zal wel. Maar het lucht op het eens te kunnen zeggen als de thermometer over de 30° gaat.




En ik zou het vooral over de inhoud hebben. In de media klinkt het alsof Johan Op de Beeck zich als eerste waagt aan dit heikel onderwerp. De piste die hij bewandelt, wordt heel erg serieus genomen, want hij heeft nu eenmaal een indrukwekkende pedigree in het genre van de historische fictie en non-fictie. In 1993, toen ik samen met Guy Didelez de young adult historische thriller De moord op Albert I op de wereld losliet, lagen de kaarten heel anders. Het was 'maar' een jeugdroman, ik was ook die schrijver van Vlaamse Filmpjes, en historici zowel als royalty watchers buitelden over elkaar heen om een moord op de Koning-Ridder weg te zetten als een hardnekkige legende en/of een perfect voorbeeld van complotdenken. Toen we met de uitvinding van het internet nog meer informatie vonden die onze hypothese van 1993 bekrachtigde en het boek herschreven tot Het  februaricomplot (1999) was dat niet anders. 

In 2004 verscheen De val van Albert I, een sterk staaltje true crime van de Waalse journalist Jacques Noterman. Hij was de eerste die het gerechtelijk dossier over de dood van koning Albert kon inkijken en kwam tot een onomstotelijke conclusie: de officiële versie van de feiten - een tragisch maar klassiek ongeval 'van het alpinisme' - is niet houdbaar. Onder meer dankzij dit boek (en verdere research die ik ondertussen had gedaan) schreef ik in 2008 mijn laatste woord over de kwestie in de historische faction thriller voor volwassenen, Het Illuminati Complot. Ik beweer niet dat ik de waarheid in pacht heb, en dat het zo en niet anders gebeurd moet zijn als ik in dit boek vertel. Maar ik ben het eens met Noterman - en Op de Beeck - dat de officiële versie van de feiten een sprookje is, en ik geloof nog steeds dat mijn piste niets sprookjesachtigs heeft, omdat ik vertrek van drie premisses waaraan niet te tornen valt. Nog tot in 2016 bleven 'serieuze' onderzoekers evenwel zeer weinig serieuze pogingen ondernemen om de these van een moord in Marche-les-Dames onderuit te halen. Op de Beeck verwijst er ook naar, ik heb mij er destijds enigszins over opgewonden op deze blog, in de post De Frivole Fratsen van VTM-Royalty Reporter Reinout Goddyn en het DNA van Albert I uit Marche-les-Dames

Wat zijn dan die drie premisses?
  
Patrick Bernauw
Het Illuminati Complot
Werd de Belgische koning Albert I het slachtoffer van een passioneel drama of van een politiek complot? En wat heeft een voorspelling van de zieneres van Onkerzele, Leonie Van den Dijck, met dit alles te maken?
€27,50 Paperback
  

Nog voor 1993 en De moord op Albert I merkte ik al hoe slordig er verslag werd uitgebracht over de dood van de koning. Exemplarisch daarvoor is De kroniek van de 20ste eeuw, een prestigieus historisch naslagwerk uitgegeven door Elsevier en samengesteld door een enorme redactie, waarin de koning zowaar een val van 80 meter heeft gemaakt (zie foto bovenaan deze post). Gesteld dat hij van de top gevallen is, zou hij bijgevolg eerst een dertigtal meter omhoog gesprongen zijn. In het broertje van deze klepper, Kroniek van België (Standaard Uitgeverij) is er dan weer sprake van een val van 12 meter. Die discrepantie vond ik vreemd. Ik vroeg mij toen al af: waar halen zij hun cijfers vandaan?

Maar goed - de drie premisses dus, die eigenlijk in elk artikel over de dood van de koning vermeld horen te worden: 

Eén: als je een val doet, zelfs maar van 12 meter, van een rots zoals Le Vieux Bon Dieu in Marche-les-Dames, dan zul je daar blauwe plekken en schrammen en builen en gebroken armen en benen aan overhouden - dat kan niet anders. Koning Albert had één gapend gat in zijn schedel, en verder niks. Alsof hij dus 30 meter omhoog was gesprongen en daarna loodrecht neergevallen, op zijn hoofd. Dat is onmogelijk en sluit de stelling van een ongeval of van zelfmoord uit. Ja, zo duizelingwekkend eenvoudig en eenduidig kan één simpel feit zijn.

Twee: het is onmogelijk dat de groep boeren en rijkswachters uit de streek, opgetrommeld door de kamerheer die de koning vergezelde, de locatie waar Albert zijn beklimming aanvatte grondig uitkamde en er niks niemendal aantrof... als het lijk en enige rekwisieten van de Klimmer-Koning precies daar enkele uren later wél worden gevonden, vlakbij de openbare weg trouwens, door een zoekploeg onder leiding van enkele lui die in allerijl uit Brussel zijn overgekomen. De enige conclusie die je uit deze feiten kunt trekken, is dat het lijk en de rekwisieten er eerst niet waren, en daarna wel.

En nu wordt het interessant. Want als we iets zinnigs willen vertellen over de fabelachtige officiële versie van de feiten, dan moeten we ons in eerste instantie de vraag stellen wie hiervoor verantwoordelijk is geweest. Eén man treedt in dat geval nadrukkelijk voor het voetlicht: graaf Xavier de Grunne, ooit klimmaatje van Albert, secretaris-generaal van de Belgische alpinistenclub, die een landgoed bezat in de buurt van Marche-les-Dames en tot de Brusselse zoekploeg behoorde. Hij slaagde er niet alleen in het lichaam van de koning op miraculeuze wijze terug te vinden en te 'bergen', in de letterlijke betekenis van het woord (het lijk werd in de wagen gelegd en samen met alle daar ook aangetroffen spullen van de koning tegen alle geplogenheden in naar Laken gevoerd), maar belangrijker nog: hij dicteerde aan het parket van Namen hoe het allemaal precies was gebeurd. Het parket, dat pas op de crime scene verscheen nadat hij het lijk en alle mogelijke bewijs had laten verdwijnen.  

Johan Op de Beeck is volledig mee wat premisse één en twee betreft, maar blijft merkwaardig blind voor premisse drie: de uiterst verdachte machinaties van graaf Xavier de Grunne. Nochtans bestaat mijn korte samenvatting van hierboven alweer uit louter feiten.  De rol van Xavier de Grunne in de cover-up - hoe wil je het anders noemen? - minimaliseert hij, de man wordt zelfs nauwelijks vernoemd. Over de motivatie van Xavier de Grunne om te doen wat hij gedaan heeft - door zijn vasthouden aan 'het ongeval' bleek ook een lijkschouwing overbodig - kunnen de meningen uiteenlopen. Hij kan gehandeld hebben uit eerbied voor de vorst, om het imago van de koning clean te houden, weet ik veel... Maar hoe dan ook smeekt zijn modus operandi om een nauwgezet onderzoek van zijn persoon. Johan Op de Beeck zwijgt op een oorverdovende wijze over dit cruciale gegeven,  omdat hij de aandacht van de lezer wil afleiden van de mogelijkheid van een politieke aanslag door Duitsland, naar eentje in opdracht van de Franse geheime dienst. Hij kan niet anders dan toegeven dat er meteen na de dood van Albert in de hoogste kringen gedacht werd aan een Duitse aanslag, maar veegt dit element in het dossier zonder veel argumenten van tafel om - ook weer zonder veel argumenten - de Franse piste te volgen. 

Dit verhaal is er bijgevolg één met een opzichtige dode hoek. Komt daarbij dat ik het een regelrecht zwaktebod vind voor deze historische thriller wanneer blijkt dat de auteur zijn toevlucht zoekt tot een volslagen fictieve barones als bewoonster van het kasteel van Boninne - gelegen bij de crime scene - terwijl er een zeer non-fictieve barones voorhanden is, Alice de Zualart, over wie geruchten de ronde deden dat zij een minnares van de koning was geweest. Ook dit gegeven zet Op de Beeck weg in zijn dode hoek, met één enkel zinnetje in zijn nawoord: 'Daar is natuurlijk geen bewijs van.' Dat er daar zelfs ooit een pad naar de koning is vernoemd dat als mogelijke sluiproute kon dienen - nee, geen bewijs. Dat Albert al veel langer dan februari '34 naar Marche-les-Dames kwam 'om te klimmen', met een kamerheer als alibi - nog steeds geen bewijs. Maar anderzijds vindt hij het kasteel van Boninne en haar fictieve bewoonster wel sterk genoeg om mee te spelen in een eveneens puur fictieve context, die - laten we wel wezen - redelijk van de pot gerukt is en vooral dient om nog een extra portie seks binnen te smokkelen, via haar verschijning in pornografische publicaties. 

Ik heb ook veel moeite met het opvoeren van het historische personage van ingenieur Van Steenberghe, die een erg kritisch rapport schreef over de dood van de koning, dat door justitie destijds werd bestempeld als 'een complottheorie'. Hij wordt in het verhaal van Op de Beeck vermoord 'omdat hij te veel wist'. Wat de auteur zogenaamd wil vermijden met Alice de Zualart - een historisch personage een rol toedichten waar geen hard bewijs voor bestaat -, is plotseling geen probleem meer voor een ander historisch personage dat hij zelfs laat vermoorden, terwijl dat in werkelijkheid niet is gebeurd. Op de Beeck vermeldt het allemaal wel netjes in zijn nawoord en je mag me best een azijnpissende purist noemen, maar ik hou nu eenmaal niet zo van dit soort 'geschiedvervalsing' in thrillers met historische ambities. Stick to the facts, was altijd mijn devies - of je krijgt het lastig met the suspension of disbelief van de min of meer geïnformeerde lezer en je haalt je het commentaar van kritische kwieten als ondergetekende op de hals. 




De Franse piste die Johan Op de Beeck ontvouwt, trekt de spanningen tussen Albert en zijn Franse (en Engelse) bondgenoten tijdens de Groote Oorlog zonder meer door naar het jaar 1934. Albert wilde het bevel over zijn leger behouden en niet nodeloos jonge Belgische levens opofferen. Hij voerde zelfs in het grootste geheim 'gesprekken' met Duitsland. Dat laatste is voor Op de Beeck een argument om te stellen dat Albert eigenlijk best wel op goede voet stond met de Duitsers, zodat hun geheime diensten niet in aanmerking komen om een moordaanslag op de koning te beramen. Dat de spanningen en het wantrouwen van 14-18 voor de Fransen nog zo zouden doorwegen dat zij meenden de koning uit de weg te moeten ruimen, lijkt mij echter op zijn minst een paar bruggen te ver. Johan Op de Beeck lijkt te vergeten dat Hitler in 1933 aan de macht gekomen is en dat zijn nazi-Duitsland een heel andere, totaal nieuwe situatie geschapen heeft die niet meer te vergelijken valt met die van de oorlogsjaren, of van de Weimar republiek waar hij een eind aan maakte.

Wat Johan Op de Beeck zo nadrukkelijk buiten beeld laat, is een scenario dat vertrekt vanuit de historische figuur van graaf Xavier de Grunne, de verantwoordelijke voor de volstrekt fictieve officiële versie van de feiten die de geschiedenisboeken heeft gehaald en nog al te vaak klakkeloos nagepapegaaid wordt. Omdat, wie zich in de persoon van de Grunne verdiept, onvermijdelijk een uiterst recht(s)e lijn moet trekken naar... jawel, nazi-Duitsland. Het Illuminati Complot is gebouwd op de vaststelling dat de kas van de fascistische politieke partij Rex in de jaren dertig regelmatig gespekt werd met grote sommen geld die Führer Léon Degrelle in Duitsland en Italië wist los te weken. 'Xavier de Grunne, toen nog een vooraanstaand senator van Rex, heeft verklaard dat zijn partij van 1933 tot 1936 ruim 19 miljoen Belgische frank kreeg van Italië alleen al. De eerste fondsen werden door koeriers van Mussolini overhandigd in zijn kasteel van Oppem. In 1936 richtte Degrelle zich tot de Duitse gezant in Brussel en slaagde hij er eindelijk in een ontmoeting te regelen met zijn grote idool Adolf Hitler. Dat leverde Rex niet minder dan 100.000 rijksmark op, waarvan beweerd werd dat ze bestemd waren voor pers- en propagandadoeleinden, maar in werkelijkheid wilde men daarmee een staatsgreep plegen.'

Die poging tot staatsgreep is er in dat jaar ook gekomen. Ze bezorgde Degrelle & Co. (onder wie de Vlaamse schrijver Paul De Mont, Führer van de Vlaamse vleugel van Rex) een kater van formaat, want toen het erop aankwam verkozen de militairen eerste minister Van Zeeland boven een grillige amokmaker. Nu viel de Rex-beweging van Léon Degrelle, Paul De Mont, rijkswachtkolonel Vigneron en alpinist Xavier de Grunne lang niet zo goed te rijmen met de figuur van Albert I als met deze van Leopold III die zij tot het autoritaire staatshoofd van België wilden kronen. De Grunne brak later met Degrelle en ging tijdens de Tweede Wereldoorlog in het verzet, maar dat heeft geen belang voor zijn positie in die vroege jaren dertig. 




Had de Rexist, ooit de rechterhand van Degrelle, een motief voor een cover-up? Als Rex de financiering door Hitler veilig wilde stellen, of gewoon goede maatjes wilde blijven met hun Germaanse geestesgenoten... denk ik van wel. Had Hitler dan een motief om koning Albert uit de weg te ruimen? Vies van een politieke moordaanslag in het buitenland waren de nazi's allerminst: zo zouden zij in juli 1934 de dictator van Oostenrijk neerleggen, Engelbert Dollfuss. En in oktober 1933 - een half jaar na zijn machtsovername - eiste Hitler al 'gelijkberechtiging' wat de bewapening betrof, en trok hij Duitsland terug uit de Ontwapeningsconferentie en de Volkerenbond. Albert I volgde deze gevaarlijke bocht en de breuk met de naoorlogse veiligheidsorde met argusogen. Hij was bang voor zowel een nieuw Duits militair overwicht én een nieuwe algemene wapenwedloop. Kort na zijn dood, op 6 maart 1934, hield eerste minister Charles de Broqueville een toespraak die wellicht ook de visie van Albert weerspiegelde: tegenover de razendsnelle Duitse herbewapening moest men kiezen tussen preventieve oorlog of een algemene beperking van bewapening. Het was beter te onderhandelen dan zich te laten meeslepen in een nieuwe wapenwedloop. 

De positie van België in dit alles was voor nazi-Duitsland van het allergrootste belang. Met de stem van Albert werd toen nog rekening gehouden op het politieke toneel. Voor Albert mocht neutraliteit geen papieren illusie zijn, België moest zich kunnen verdedigen. Voor zijn zoon, de latere Leopold III, betekende dit dat België zich moest losmaken uit te nauwe Frans-Britse of Frans-Belgische militaire afhankelijkheden en een strikt zelfstandige positie moest innemen. Die politiek werd in het jaar van de mislukte staatsgreep, op 14 oktober 1936, door Leopold tegenover zijn ministers verdedigd. Het moet Duitsland als muziek in de oren geklonken hebben: na 1936 leidde deze houding onder meer tot het stopzetten van officiële stafcontacten met Frankrijk. Albert I wantrouwde de herbewapening van Duitsland; voor Leopold was dat een reden om Belgische zelfstandigheid te verkiezen boven de zekerheid van een bondgenootschap. Dat lijkt me toch wel een fundamenteel verschil.
 
Is dit een bewijs? Nee, dat is het niet. Mijn hypothese houdt wel met àlle bekende factoren rekening, zonder de geschiedenis in de pure feiten geweld aan te doen, en laat niet met opzet cruciale elementen buiten beeld omdat ze niet in mijn kraam passen. Johan Op de Beeck maakt, zeer terecht, het onderscheid tussen 'een complottheorie' en 'complotdenken'. Het eerste is rationeel onderbouwd, het tweede hoeft dat niet te zijn. Maar dan moet je dit onderscheid ook toepassen op je eigen werk en in je historische fictie geen aanslag plegen op de ratio en op de feiten, om een (com)plot op te zetten dat, bij nader onderzoek, zelfs voor hardhorigen heel hard gaat rammelen.

  

Ware Misdaad: Hoe Dolly Oesterreich haar minnaar jarenlang verborg op zolder

 


MYSTERIES VAN ROODE

Er bestaan misdaadverhalen die zo onwaarschijnlijk zijn dat zelfs de meest ervaren romanschrijver ervoor terugschrikt om ze te vertellen, omdat ze zo ongeloofwaardig klinken. Toch zijn het vaak precies deze verhalen die werkelijk gebeurd zijn. De geschiedenis van de misdaad zit vol moorden, verdwijningen, oplichterijen, obsessies en complotten die de wildste verbeelding tarten. Een aantal ervan zijn zo vreemd dat ze alleen konden plaatsvinden in uw en mijn werkelijkheid...



Met Mysteries van Roode bevind ik mij opnieuw op het terrein waar ik al een heel schrijversleven vertoef: op de dunne grens tussen feit en fictie. Elke aflevering in deze reeks vertrekt vanuit een waargebeurde misdaadzaak, maar eenmaal aangekomen in Roode ondergaat die werkelijkheid een merkwaardige transformatie. Roode zul je vruchteloos zoeken op een kaart, toch is de kans groot dat je - als bewoner van de Lage Landen - het provinciestadje herkent. Want het is opgebouwd uit herinneringen, anekdotes, lokale legenden, vergeten krantenberichten en de schaduwen van tientallen echte gemeenten. Het ligt ergens tussen (ook) jouw werkelijkheid en mijn verbeelding in. Wie er eenmaal arriveert, ontdekt dat achter elke gevel een geheim schuilgaat...

Deze ingreep is niet gebeurd om de waarheid te verbergen, maar om haar zichtbaar te maken. Fictie laat ons soms scherper kijken naar de realiteit dan een letterlijk verslag ooit zou kunnen. Door afstand te creëren ontstaat ruimte voor verbeelding, ironie, tragiek en menselijkheid. Zo werd deze Mona Lisa van Roode geïnspireerd door de beruchte Amerikaanse zaak van Walburga Oesterreich, de vrouw die jarenlang haar minnaar verborgen hield op de zolder van haar woning, terwijl haar echtgenoot niets vermoedde...



Walburga Oesterreich behoort tot die zeldzame figuren uit de misdaadgeschiedenis die zo onwaarschijnlijk lijken dat men denkt: dit moet wel een romanpersonage zijn. Toch is dit verhaal van a tot z waargebeurd. Het speelde het zich af, tussen de Amerikaanse industriestad Milwaukee en het snel groeiende Los Angeles van het begin van de twintigste eeuw. Walburga – bijnaam ‘Dolly’ – was het stralende middelpunt van een geschiedenis van obsessie, seksuele afhankelijkheid, bedrog, een verborgen leven op een zolder en uiteindelijk een moord die jarenlang onopgelost bleef omdat de waarheid te ongeloofwaardig leek om waar te kunnen zijn.

Walburga Korschel werd in 1880 geboren en trouwde op jonge leeftijd met Fred Oesterreich, een welgestelde fabrikant van schorten en andere textielproducten. Hun huwelijk leek voor de buitenwereld best wel succesvol. Fred bezat een bloeiende onderneming en het echtpaar genoot een comfortabele levensstijl. Achter de gesloten deuren van hun woning ging het er echter minder harmonieus aan toe. Verschillende bronnen beschrijven Fred als een dominante, moeilijke man, terwijl Walburga bekendstond als sociaal, aantrekkelijk en niet bepaald een fan van huwelijkstrouw. Reeds vóór haar ontmoeting met Otto Sanhuber deden geruchten de ronde over buitenechtelijke affaires.

Otto verscheen ten tonele in 1913. Hij was zeventien jaar oud en werkte als hersteller van naaimachines in het bedrijf van Fred Oesterreich. Walburga was drieëndertig. Wat begon als een huisbezoek om een defecte naaimachine te herstellen, mondde uit in een seksuele relatie die de volgende zeventien jaar hun beider levens volledig zou beheersen. Volgens latere getuigenissen ontwikkelde zich tussen Otto en Walburga een intense afhankelijkheidsrelatie. Otto zou zichzelf later zelfs omschrijven als haar ‘seksslaaf’, een woord dat wellicht evenveel zegt over zijn fascinatie voor haar als over haar controle over hem.

De verhouding bracht een praktisch probleem met zich mee. Hoe kon men een minnaar verborgen houden in een tijd waarin buren elk bezoek opmerkten en een echtgenoot onverwacht kon thuiskomen? Walburga vond een oplossing die even eenvoudig als krankzinnig was. Otto verhuisde naar de zolder van het huis. Via een verborgen toegang bij de slaapkamer kon hij zich verplaatsen zonder ontdekt te worden. Jarenlang leefde hij daar als een soort vrijwillige kluizenaar. Hij beschikte over een bed, een lamp, boeken en schrijfmateriaal. Overdag hielp hij soms in het huishouden; 's nachts las en schreef hij sciencefiction verhalen. Walburga bracht hem eten en verzorgde zijn contacten met de buitenwereld. Voor de buren was hij zogenaamd een rondtrekkende halfbroer die af en toe opdook. Voor Fred bestond hij eenvoudigweg niet.

Het meest verbijsterende aspect van de zaak is wellicht niet dat Otto zich jarenlang verborg, maar dat hij dat bleef doen terwijl het echtpaar verschillende keren verhuisde. Toen de Oesterreichs in 1918 naar Los Angeles trokken, stelde Walburga zelfs als voorwaarde dat hun nieuwe woning een zolder moest hebben. Dat was in Zuid-Californië eerder uitzonderlijk. Otto reisde vooruit en installeerde zich reeds in de nieuwe woning voordat Fred en Walburga arriveerden. Zo verhuisde niet alleen het echtpaar naar een andere staat, maar ook de verstekeling, ‘de gevangene der liefde’, die officieel niet bestond.

Intussen verslechterde het huwelijk tussen Fred en Walburga verder. Op 22 augustus 1922 bereikte de spanning een hoogtepunt. Het echtpaar kwam ruziënd thuis. Op de zolder hoorde Otto de verhitte woordenwisseling. Wat er vervolgens precies gebeurde, is nooit volledig duidelijk geworden. Volgens latere verklaringen dacht Otto dat Fred zijn geliefde aanviel. Hij greep twee pistolen en kwam van de zolder naar beneden. Er ontstond een worsteling waarbij Fred werd neergeschoten. Hij stierf ter plaatse.

De twee geliefden beseften onmiddellijk dat hun levens op het spel stonden. Daarom besloten zij de scène te manipuleren. Het moest lijken alsof onbekende inbrekers het huis waren binnengedrongen. Otto nam geld en een kostbaar horloge mee om de schijn van roof te versterken. Vervolgens sloot hij Walburga op in een kast en gooide de sleutel weg. Toen de politie arriveerde, trof zij een kersverse weduwe aan die opgesloten zat en beweerde het slachtoffer te zijn geworden van een gewelddadige overval. De rechercheurs vertrouwden haar verhaal niet echt, maar slaagden er niet in een bevredigende oplossing te vinden voor het raadsel. Want hoe had een vrouw haar echtgenoot kunnen vermoorden terwijl zij zelf opgesloten zat in een kast? Zolang zij niets afwisten van Otto's aanwezigheid ontbrak de ontbrekende schakel in de puzzel.

De zaak bleef jarenlang hangen tussen verdenkingen en gebrek aan bewijs. Nog ongelooflijker is dat Otto na de moord niet vluchtte. Hij keerde gewoon terug naar de zolder en bleef daar nog acht jaar wonen. Zijn leven – men ging hem later Bat Man noemen – werd zo mogelijk nog absurder dan het al geweest was. Nu Fred dood was, hoefde Otto niet langer doodstil te zijn en kreeg hij zelfs toestemming een schrijfmachine te gebruiken. Terwijl de politie vruchteloos op zoek bleef naar de moordenaar, zat die letterlijk boven hun hoofd terwijl zij Walburga ondervroegen.

Uiteindelijk kwam de waarheid niet aan het licht door speurwerk, maar door menselijke zwakheid. Dolly maakte het te dol, zij kreeg nieuwe minnaars en één daarvan was haar advocaat Herman Shapiro. Toen deze relatie verslechterde, begonnen oude geheimen naar boven te komen. Tegelijk ontdekten onderzoekers dat Walburga jaren eerder verdachte vuurwapens had laten verdwijnen. Een pistool werd teruggevonden in de beroemde teerputten van La Brea, een ander onder een rozenstruik. De druk nam toe, Dolly werd opgesloten en vroeg haar advocaat om eens naar haar mysterieuze ‘halfbroer’ te gaan kijken, die bij haar op zolder woonde. Daar trof hij de bleke, magere Otto Sanhuber aan, die uiteindelijk zijn rol in het drama bekende.

De pers smulde van het verhaal over Dolly en haar Zolderspook. Het publiek kon nauwelijks geloven dat iemand bijna twee decennia verborgen had geleefd in de woning van zijn geliefde en het proces groeide uit tot een nationaal mediaspektakel. Toch leidde alle sensatie niet tot een duidelijke juridische overwinning. Otto werd weliswaar schuldig bevonden aan doodslag, maar omdat de verjaringstermijn inmiddels verstreken was, verliet hij de rechtszaal als een vrij man. Walburga's eigen proces eindigde met een verdeelde jury. Uiteindelijk werden de aanklachten tegen haar in 1936 definitief ingetrokken. Geen van beiden bracht ooit een dag door in de gevangenis voor de dood van Fred Oesterreich.

Wat deze zaak zo fascinerend maakt, is dat zij veel meer is dan een moordverhaal. Het is een studie van macht, afhankelijkheid en vrijwillige gevangenschap. Otto leefde jarenlang opgesloten in een ruimte die nauwelijks groter was dan een cel, maar hij bleef daar uit vrije wil. Walburga creëerde een verborgen parallel universum boven het hoofd van haar echtgenoot, die al die jaren onder hetzelfde dak leefde als zijn rivaal, zonder het te beseffen. En de politie zocht jarenlang naar een moordenaar die de crime scene nooit had verlaten…

Toen Walburga Oesterreich in 1961 stierf, liet zij een aanzienlijk vermogen na. Otto Sanhuber verdween grotendeels uit het publieke zicht. Hij had ondertussen een andere naam aangenomen en probeerde een gewoon leven op te bouwen. Maar zijn plaats in de misdaadgeschiedenis was verzekerd. Er zijn moordzaken die beroemd worden door hun geweld, andere door hun juridische gevolgen. De zaak-Oesterreich leeft voort omdat zij iets veel zeldzamers bezit: een werkelijkheid die vreemder is dan fictie…



13.4.26

500.000 downloads voor podcasts Mysteries België en Ware Misdaad


 

Mensen vragen mij wel eens: 'En... schrijf je nog?' Waarmee ze bedoelen: 'Schrijf je nog boeken?' Want het is door een samenloop van omstandigheden een hele tijd relatief stil gebleven op het front der drukwerken. De belangrijkste is dat ik erg veel les gegeven heb (creatief schrijven) sinds corona tot en met juni 2025; de op één na belangrijkste dat ik sinds pak weg 2016 mijn handen en vooral mijn hoofd meer dan vol had met het maken van podcasts (waarvoor ik doorgaans ook de scripts schrijf) en het uitgeven van boeken (waarvoor ik nogal eens de redactie doe). Eerlijk gezegd, was ik tot verleden jaar ook de 'goesting' om boeken te schrijven zo goed als helemaal kwijt, omdat ik - net zoals de meeste van mijn collega's - te kampen kreeg met afkalvende verkoopscijfers. Zodra je de zestig bent gepasseerd en al drie jaar geen 'groot' nieuw boek hebt gehad dat het nog meer dan aardig deed in de winkel, ben je tegenwoordig ook vergeten als schrijver, en afgeschreven. Ik zeg dat zonder enige bitterheid, het is niet meer dan een vaststelling.

Gelukkig kruipt de schrijfmicrobe waar ze niet gaan kan, en ben ik ondertussen toch weer volop gaan schrijven, voornamelijk omdat er sinds mijn 'pensioen' als schrijfdocent veel tijd vrijgekomen is. En nog voornamelijker, omdat ik boeken de wereld in kan sturen die een afgeleide zijn van een paar zeer succesvolle podcast reeksen. Zo ongeveer de helft van mijn creatieve autobiografie Een magisch-realist in Mysterieus België is op de podcast Mysterieus België terecht gekomen, en Duivelseilanden valt integraal te beluisteren op Ware Misdaad. Van mijn nieuwe boeken BeeldSpraak en Groetjes uit de Vierde Dimensie zijn ook weer tamelijk wat bijdragen te vinden op zowel Mysterieus België als Luisterboeken.

En dan zijn er zo van die mijlpalen in een schrijversleven, waar je toch graag even bij stilstaat. Sinds 2022 worden mijn podcasts door het platform Spreaker verspreid over Spotify, Apple, Podimo en alle mogelijke apps wereldwijd. Ben je op vakantie in Vietnam, Los Angeles, op Aruba of in Australië, dan kun je daar probleemloos luisteren. Met de drie reeksen die ik op Spreaker lopen heb, overschrijd ik vandaag de kaap van de 500.000 downloads. Daar ben ik toch wel redelijk fier op. Als een gieter, zelfs. 

Voor deze cijfers zijn hoofdzakelijk Ware Misdaad en Mysterieus België verantwoordelijk, die de jongste jaren tweewekelijks hun nieuwe aflevering krijgen. Mysterieus België bestaat al sinds 2018 maar zat tot 2022 op een ander platform (Podomatic) en verzamelde daar in zijn eentje ook al bijna 200.000 downloads/beluisteringen die niet in dit half miljoen verrekend zijn. Voor Mysterieus België komt trouwens ook stilaan de kaap van de 100 afleveringen in het vizier; eigenlijk zitten we er al over, omdat er ook enkele afleveringen achter een betaalmuur zitten en ik in de loop der jaren enkele afleveringen verwijderd heb, omdat ik ze niet langer vond voldoen aan mijn kwaliteitseisen. Zoals uit het screenshot mag blijken, zitten we met de drie Scriptomanen podcast reeksen momenteel boven de 12.000 downloads of beluisteringen per maand.

Een schrijver wil gelezen worden... en in dit geval dus even goed beluisterd, gehoord. Ik ervaar het als een ontzaglijke luxe dat ik zelf kan kiezen wat ik vertel en hoe ik dat doe... en dat ik daar nog een breed en trouw publiek voor vind ook, dat me in het geval van Mysterieus België al acht jaar volgt. 

Bij deze dus... ten zeerste dankjewel allemaal, zonder jullie zou de motivatie ontbreken om elke week weer een nieuwe aflevering klaar te stomen.

Dankjewel... en tot woensdag. Sinds kort is dit immers de vaste dag waarop de ene week een nieuwe aflevering van Ware Misdaad de wereld wordt ingestuurd, en de andere Mysterieus België aan de beurt komt. 

  


En o ja... enkele sterretjes achterlaten of een review bij wijze van appreciatie, het kost niets en het helpt enorm om de podcast zicht- eh... hoorbaarder te maken!

17.10.25

Kun je een boek schrijven met iemand die al meer dan honderd jaar dood is?


In 2024 startte ik met het eerste seizoen van de erg succesvolle true crime podcast serie De Duivelseilanden, die vlot over de 6000 beluisteringen per aflevering ging. Ze behoren tot de best beluisterde afleveringen van mijn podcast Ware MisdaadNet voor we met het tweede seizoen van start gaan, stel ik je graag het boek voor dat ik schreef met Eugène Degrave... die net 101 jaar geleden overleed. Kun je een boek schrijven met iemand die al meer dan honderd jaar dood is? Ja dus.


De broers Eugène en Léonce Degrave uit Oostende worden op het eind van de 19de eeuw onterecht veroordeeld voor moord en piraterij op de Stille Zuidzee, en ze komen terecht in de strafkolonie van Frans-Guyana. Deze bestaat uit drie rotsachtige eilanden, waar op dat moment ook Dreyfus verblijft. De memoires van Eugène - Léonce stierf in het strafkamp - lezen tegelijk als een ongelooflijk avonturenverhaal en als een scherpe aanklacht tegen de Franse justitie en de gevangenissen van 'het meest beschaafde land van Europa'. Onwillekeurig denk je daarbij aan de mensonterende omstandigheden in onze gevangenissen, meer dan een eeuw later. Is er dan zo weinig veranderd? Ja dus.
 
Ik ga het boek nergens voorstellen, maar reken erop dat het via de luisteraars van Ware Misdaad ook lezers vindt. De Duivelseilanden (22,96€) is beschikbaar in iedere plaatselijke of online boekhandel, zo ook bij Standaard BoekhandelHet ebook De Duivelseilanden (12,99€) is beschikbaar in de online boekhandel 

Wie het boek bestelt via de webshop van Bookmundo hieronder en tegelijk een mailtje stuurt naar info@inter-actief waarin de bestelling bevestigd wordt, kan rekenen op een presentje: een gratis luisterboek Het Beste uit Ware Misdaad 2022  en een ebook naar keuze uit mijn reeks historische thrillers die spelen in Mysterieus België. Het gaat om deze titels: Het Bloed van het Lam, Nostradamus in Orval, Het Illuminati Complot, De Paus van Satan, De Zaak Louis XVII, Het geslacht van de engel en Een magisch-realist in Mysterieus België.


Patrick Bernauw en Eugène Degrave
De Duivelseilanden
De broers Eugène en Léonce Degrave uit Oostende worden op het eind van de 19de eeuw onterecht veroordeeld voor moord en piraterij op de Stille Zuidzee, en komen terecht in de Franse strafkolonie van de Duivelseilanden.
€22,96 Paperback





Voor alle verdere info over De Duivelseilanden
met links naar de podcast serie en een eerder achtergrondartikel 
bij de eerste aflevering van seizoen 1: 


En dit is het voorwoord van het boek:

Bij wie zich verdiept in het relaas van Eugène Degrave, rijzen vroeg of laat een aantal vragen… Hij en zijn broer kunnen best wel het slachtoffer geworden zijn van een gerechtelijke dwaling. Maar dan nog, waarom werden de beide broers zo hardnekkig vervolgd door de Franse autoriteiten, en waarom kregen ze – net zoals kapitein Dreyfus – een uitzonderingsbehandeling in het strafkamp? Waarom ook bleek het zo lastig om gratie verleend te krijgen van de Franse overheid?

Ik baseerde mij voor mijn bewerking op de Franstalige versie van Eugènes memoires, Le Bagne, die hij in zeven nachten zou hebben geschreven en waarin ik sommige passages heb geschrapt omdat ze te langdradig waren, al te pathetisch of geen nieuwe informatie bevatten. Voor de rest heb ik wel scènes gedramatiseerd, maar mij alleen vrijheden qua taal gepermitteerd, die ik zo vlot mogelijk en modern klinkend wilde krijgen, zonder het patine van de tijd helemaal te verliezen. Puur inhoudelijk heb ik weinig of geen wijzigingen aangebracht. Oké, ik liet Eugène Degrave gaandeweg de vulkanische Iles du Salut of Zaligheidseilanden omdopen tot Duivelseilanden, naar het kleinste maar bekendste van de drie: het Ile du Diable. Maar dat is het zo ongeveer. En nergens geeft Eugène Degrave ook maar een begin van een antwoord op die toch wel prangende vragen, terwijl je tegelijk het gevoel krijgt dat hij allerlei dieper liggende oorzaken suggereert. Werden Léonce en hijzelf het slachtoffer van een complot, gesmeed door de Franse overheid?

Jan Vandamme publiceerde in 1992 De Affaire Degrave-Rorique, moord en piraterij in de Stille Zuidzee, die de geruchtmakende kwestie van destijds in al haar facetten belicht. In zijn boek is ook een ‘hertaling’ van de Nederlandstalige versie van Le Bagne opgenomen, die korte tijd later verscheen: Het proces en de gevangenschap van de gebroeders Degrave (Rorique). Hij belicht uitgebreid de mythevorming rond de affaire, de rol die de media daarin hebben gespeeld, hoe de broers uitgegroeid zijn tot literaire helden in Les frères Kip van Jules Verne of het ongelooflijk succesvolle toneelstuk van Cesar van Cauwenberghe, De gebroeders Rorick-Degrave. Vandamme heeft het over de gebroeders Degrave als typische ‘fin-de-siècle personages’ en over de bredere betekenis van de affaire. Maar ook hier: geen spoor van een begin van een antwoord. En dat vinden we evenmin in Verbannen naar het Duivelseiland (1991), een hervertelling gelardeerd met persoonlijke bedenkingen, van de hand van Roger Slosse.

Des te vreemder wordt het omdat Jan Vandamme in zijn essay vrij veel aandacht besteedt aan de bemoeienissen van de toenmalige minister van Financiën, August Beernaert. Eugène Degrave vernoemt graag zijn verdedigers met naam en toenaam, en hij doet dat ook met hooggeplaatste figuren zoals de koning van Noorwegen en Zweden Oscar II, maar van Beernaert geen spoor. Nochtans is ‘de verwantschap tussen de gebroeders Degrave’ en Beernaert, volgens Vandamme, ‘het hardnekkigste gerucht’ dat destijds de ronde deed: ‘Al op 3 januari schrijft de Brusselse progressistische krant La Liberté dat Léonce het petekind is van de minister. De dag daarop bestempelt de eerbiedwaardige Journal de Bruxelles dat gerucht als een puur verzinsel. Wel bevestigt ze dat minister Beernaert, die van Oostende afkomstig is, de familie Degrave goed kent.’ Eugène vermeldt in zijn boek wel de heer Van der Cruyssen, ‘die vergat dat hij ambtenaar was’ en ‘zijn positie honderd keer op het spel zette om met verve in de voorhoede te strijden voor het leven van zijn oude vriend Léonce Degrave’. Deze Van der Cruyssen was onderbureauchef op het ministerie van Financiën, wat – zo schrijft Vandamme –  ‘de pers meteen interpreteert als een vingerwijzing van August Beernaert’. Verder luidt het als volgt, wanneer de gebroeders Degrave ter dood veroordeeld zijn: ‘De Belgische regering, die in de persoon van August Beernaert een overtuigd verdediger van de gebroeders Degrave heeft, komt nu via haar ambassadeur in Parijs officieel tussenbeide.’

Vandamme vertelt dat Eugène en twee leden van het comité eind oktober 1899 een bezoek hebben gebracht aan Beernaert. ‘Eugène belooft hem dat hij het vertrouwen dat de staatsman in hem gesteld heeft nooit zal beschamen en dat hij alles in het werk zal stellen om volledig eerherstel voor hem en zijn broer te verkrijgen.’ Hij voegt de daad bij het woord en procedeert tegen een Parijs dagblad dat zijn naam en die van zijn broer, maar ook die van Beernaert door het slijk heeft gesleurd in tal van artikelen. Het blad zal inderdaad veroordeeld worden wegens laster.

Waarom laat Eugène Degrave de minister zo uitdrukkelijk buiten beeld in zijn memoires, die hij opdraagt aan de beroemde Parijse polemiste Séverine, een andere verdedigster van het eerste uur? Uit een artikel in het Nieuwsblad over een toneelstuk dat in 2013 in Oostende zijn première beleefde, blijkt dat Eugène ook over een ander illuster persoon de discretie heeft bewaard. ‘Papillon’ fladdert op in Oostende titelt het stuk: Hét sensatieverhaal van de 19de eeuw op de planken. En een uitvergroot citaat uit een interview met de makers, stelt de kwestie aan de orde die ook mij zo intrigeerde en suggereert meteen een mogelijke verklaring: ‘Waarom waren de koning en de premier zo begaan met twee Oostendse avonturiers? Waren ze misschien koloniale verkenners?’

De makers van De gebroeders Degrave zijn de acteurs Kurt Defrancq en Jonas Van Thielen en regisseur Dirk Opstaele. August Beernaert was van 1884 tot 1894 premier van België. Hij wordt algemeen beschouwd als een van de grootste staatsmannen van België en werd ook benoemd tot minister van Staat. Hij heeft nog steeds een reputatie als mensenrechtenactivist en pacifist – in 1909 won hij de Nobelprijs voor de Vrede –, maar werd in 1876 ook lid van de pas opgerichte Association Internationale Africaine. De Onafhankelijke Congostaat – ook bekend als Congo Vrijstaat – was tussen 1885 en 1908 het persoonlijk wingewest van Leopold II en werd met de steun van premier Beernaert opgericht in 1885. Naderhand bleef Beernaert zich wel inzetten om de slavernij af te schaffen en kloeg hij de koninklijke uitbuiting van Congo aan, wat hem in onmin bracht met Leopold. Na 1894 werd Beernaert voorzitter van de Société Belge d’Etudes Coloniales en bekleedde hij verschillende bestuursmandaten in Congo-Vrijstaat.

Beernaert zou samen met de koning druk hebben uitgeoefend op de Franse regering om de gebroeders Degrave niet ter dood te veroordelen en hun gratie te verlenen. Defrancq oppert dat die politieke inmenging misschien het gevolg was van een opdracht die de broers gekregen hadden van Beernaert en/of de koning, die naarstig op zoek was naar kolonies. Kregen de Fransen in de gaten dat de Degraves eigenlijk koloniale verkenners waren geweest en reageerden ze daarop met het uitspreken van de doodstraf, en daarna met het speciale regime op de Duivelseilanden? Is dit ook de reden waarom Eugène Degrave het zwijgen bewaart over de tussenkomsten van de premier en de koning? Wellicht zullen we het definitieve antwoord nooit kennen.

De biografie van Eugène Degrave, na de publicatie van zijn memoires, leest als een verslag van twaalf stielen en dertien ongelukken. In 1902 trekt hij naar Tahiti om alsnog en finaal zijn onschuld te bewijzen, maar de expeditie strandt in de Verenigde Staten. Eugène gaat in een voorstad van Parijs wonen, samen met een rijke weduwe, en verkoopt kant. Na het verschijnen van zijn boek, wordt hij een graag geziene gast in de Parijse literaire salons. In 1903 krijgt hij een baan aangeboden in Monaco, waar hij trouwt met zijn voormalige hospita. Het jaar daarop vertrekken ze naar Venezuela, om een nieuw leven te beginnen. De kans is groot dat hij nooit met zijn voormalige hospita getrouwd is geweest, maar wel met haar jonge charmante dochter Jeanne, lezen we bij Vandamme. Dat zou dan in Trinidad gebeurd zijn, waar hij een baan had gekregen bij de havenpolitie. Eugène gaat dus weer varen, maar wanneer Jeanne ziek wordt, besluiten ze terug te keren naar Frankrijk.

Een ontdekkingsreiziger beweert in Colombia een smaragdmijn ontdekt te hebben. De man, Georges Sogler, neemt contact op met Eugène en samen vertrekken ze in 1908 naar Colombia. Het loopt verkeerd af, er lijkt sprake te zijn van een zwendel ten nadele van een voormalige vriend van Eugène – Claude Casimir Perier – en in 1912 worden hij en Sogler veroordeeld tot een flinke geldboete. Eugène houdt zijn onschuld staande, maar is wel geruïneerd. Nog in dat jaar wordt hij gearresteerd door de politie van Brussel omdat hij aan het hoofd zou staan van een bende die kerkschatten uit de kathedraal van Namen heeft geroofd. Na een goeie maand is hij weer op vrije voeten en wordt hem alleen verboden wapenbezit aangewreven.

Eugène zoekt met vrouw en kind opnieuw de anonimiteit op in de Verenigde Staten, meer bepaald in Seattle. In 1924 gaat hij nogmaals naar Colombia zijn geluk zoeken. Daar overlijdt hij op 28 juli in het ziekenhuis van een klein stadje te midden van de Colombiaanse jungle. Er hangt een waas van mysterie rond zijn dood. Eugène Degrave is amper 59 jaar geworden.

  

28.3.25

Schrijf jij een script voor de podcast Ware Misdaad?

 


Mijn podcast Ware Misdaad - goed voor enkele duizenden beluisteringen per aflevering -zet de microfoon open voor gastauteurs. Bezorg jij me een 'historisch true crime’ verhaal van minimum 100 jaar oud? Het is geschreven als een podcast script, en te brengen door één stem (die van mij... of van jezelf). 

Je script wordt niet alleen gerealiseerd tot een professioneel klinkende productie die te beluisteren valt op alle grote podcast platformen, zoals Spotify, Apple Podcasts, Podimo of Spreaker... Het verhaal kan ook - eventueel licht herschreven - opgenomen worden in het boek en ebook Het beste uit Ware Misdaad dat gepland is voor einde 2025. 

Het volledige reglement kun je hier nalezen:

https://www.spreaker.com/post/schrijf-jij-een-script-voor-de-podcast-ware-misdaad--65191856



9.3.25

Ook 3 gratis ebooks van podcast Ware Misdaad

 



Ook de podcast Ware Misdaad geeft 3 ebooks weg, naar aanleiding van het verschijnen van mijn autobiografie Een magisch-realist in Mysterieus België, het boek der synchroniciteiten bij uitgeverij Les Iles, in juni 2025.  

Veel kan ik er nog niet over vertellen, tenzij dit: het Toeval met de grote T - ook wel bekend als "betekenisvolle coïncidentie" of "synchroniciteit" - speelde mij een dummy in de handen van een boek over de roof van het paneel de Rechtvaardige Rechters uit het Lam Gods, terwijl ik net met een boek over het onderwerp bezig was. Toen mijn kompaan Guy Didelez en ik besloten de zoektocht naar een "handschrift" te staken over leven en werk van Leonie Van den Dijck, de zieneres van Onkerzele, bezorgde hetzelfde Toeval mij een paar dagen later al de vuistdikke bundel fotokopies van een gestencild typoscript uit 1972 van meer dan 400 pagina’s. Schrijvend aan een boek over het neonazisme, twijfelde ik of er ook een hoofdstuk over numerologie in paste; prompt kreeg ik het antwoord in de vorm van een kassaticket. En over de dood heen ontving ik via de nagelaten geschriften van Philip Coppens – mijn co-auteur van het boek De Paus van Satan – als het ware een ansichtkaart met "groetjes van Philip". Het zijn slechts vier voorbeelden uit een veel langere rij magisch-realistische toevalligheden, waarvan telkens een concreet bewijs bestaat: de dummy, het typoscript, het kassaticket, een foto uit de nalatenschap van Philip Coppens. 

Over enkele van deze kwesties heb ik verslag uitgebracht op de podcast Ware Misdaad. In afwachting van de publicatie van het boek, en ook om de vele trouwe luisteraars van Ware Misdaad te bedanken, stel ik graag 3 true crime ebooks te beschikking die samen meer dan €25 kosten. Het enige wat je hoeft te doen, is lid worden van onze Supporters Club - voor één maand (€4.99). Langer mag ook, natuurlijk. Het aanbod loopt tot eind juni 2025. 

Lid worden van de Supporters Club doe je door deze link te openen: https://www.spreaker.com/podcast/ware-misdaad--5433901/support 

Het gaat om deze ebooks: 

De Paus van Satan: De negentiende eeuwse auteur Joris-Karl Huysmans - Frans moeder, Nederlandse vader - infiltreert in het satanistische milieu van Parijs en komt er op het spoor van... jawel! 
De Zaak Louis XVII: Zijn ouders eindigden op het schavot. Maar wat is er gebeurd met hun zoon, de kroonprins van Frankrijk, die tijdens de Revolutie spoorloos verdween? 
Het geslacht van de engel: Hoe een kort verhaal van de schrijver Arthur Machen in de vorm van een krantenartikel verantwoordelijk werd voor een van de grootste mythes van de Grote Oorlog... de Engelen van Mons.

14.3.24

Duivelseiland - een nieuw luisterboek van de podcast Ware Misdaad

 




Naar het Duivelseiland - Aflevering 1:



Het Duivelseiland ligt voor de kust van Frans-Guyana, het overzeese departement van Frankrijk, in het noordelijke deel van Zuid-Amerika. Van 1852 tot 1938 hadden de Fransen  daar een strafkolonie, een bagno. Er zaten vooral politieke gevangenen vast, of lui die als staatsgevaarlijk werden beschouwd, zoals spionnen en terroristen. De bekendste bagnard was de ten onrechte voor spionage veroordeelde kapitein Alfred Dreyfus, die er van 1895 tot 1899 verbleef. Maar wellicht kennen de meesten onder ons het Duivelseiland van het levensverhaal van de Franse avonturier Henri Charrière, Papillon. Het boek verscheen in 1969, groeide uit tot een bestseller en werd in 1973 verfilmd, met Dustin Hofmann en Steve McQueen. In 2017 kwam er zelfs een remake van, in een regie van Michael Noer. Hoewel Charrière zijn verhaal voorstelde als een autobiografie, werden er ook belevenissen van anderen in verwerkt… zoals die van de gebroeders Degrave, uit Oostende. Eind negentiende eeuw waren zij wereldberoemd, Jules Verne liet zich in 1902 door hen inspireren voor zijn roman Les frères Kip en Cesar Van Cauwenberghe in 1907 voor een toneelstuk dat meer dan duizend keer zou worden opgevoerd.




In 1892 schreeuwden de krantenjongens het uit: ‘Gruwelijk drama! Piraterij in de Stille Zuidzee! Zesvoudige moord!’ Aan boord van de schoener Niuroahiti zou plots muiterij uitgebroken zijn, en hadden zeven bemanningsleden de dood gevonden. Scheepskok Mirey beschuldigde de broers Alexandre en Joseph Rorique, die papieren bezaten op naam van de Britse broers Rorick… maar uiteindelijk Léonce en Eugène Degrave bleken te zijn, telgen uit een rijke Oostendse familie. 

Op 13 maart 1894 werden beide broers in het Franse Brest, na een kort maar heftig leven vol avontuur, ter dood veroordeeld. Hun straf werd omgezet in een levenslange verbanning naar Frans-Guyana. Léonce stierf in de strafkolonie, Eugène kreeg gratie, keerde terug naar Europa en schreef zijn memoires - in zeven nachten, beweerde hij. Le Bagne verscheen in 1901, ook in het Nederlands als Het proces en de gevangenschap van de gebroeders Degrave (Rorique). Het boek werd zowel in het Frans als het Nederlands een enorm succes: naast een romantisch avonturenverhaal leest het ook als een aanklacht tegen de gerechtelijke dwaling waarvan de broers het slachtoffer werden, en de levensomstandigheden in de strafkolonie.




Voor dit luisterboek dat de podcast Ware Misdaad zal vertellen in twee seizoenen, baseerde ik mij op de Franstalige versie van de memoires van Eugène Degrave. Ik vertaalde en bewerkte de van zichzelf al spannende belevenissen van de gebroeders Degrave en leende mijn stem ook uit aan Eugène Degrave. Het lijkt er inderdaad sterk op dat Léonce en Eugène het slachtoffer werden van een gerechtelijke dwaling, al blijft rond hun verhaal toch een waas van mysterie hangen. 

In 2013 maakten de acteurs Kurt Defrancq en Jonas Van Thielen een toneelstuk, waarin gesuggereerd werd dat de toenmalige premier van België, Auguste Beernaert, samen met de koning druk uitoefende op de Franse regering om de broers niet ter dood te veroordelen en later zelfs gratie te verlenen. ‘Die politieke inmenging doet heel wat vragen rijzen,’ zegt Defrancq. 'Waren zij misschien koloniale verkenners? Zat er meer achter? Welke complotten zijn er gesmeed?’ 

Waarbij de vraag rijst of niet alleen hun vrijlating, maar ook hun arrestatie en veroordeling moeten gezien worden in het licht van een ‘koloniale verkenning’ die de Fransen niet zo welgevallig was. Het is een vraag waarop min of meer recente boeken over de gebroeders Degrave – zoals Verbannen naar het Duivelseiland van Roger Slosse uit 1989, en De affaire Degrave-Rorique van Jan Vandamme uit 1992 – evenmin een antwoord bieden.


Brieven van de gebroeders Degrave



 

Het eerste seizoen van Duivelseiland kreeg de titel Naar het Duivelseiland mee. Hierin vertelt Eugène Degrave over de liefde die hij en zijn broer koesterden voor de zee, over de muiterij op de Niuroahiti, het gekonkel van scheepskok Mirey, de arrestatie op een klein Zuidzee eiland en het proces in Franse Brest… dat hen uiteindelijk naar het Duivelseiland zal voeren. In het tweede seizoen, Op het Duivelseiland, komt het verblijf van de broers in de strafkolonie aan bod. Zoals gewoonlijk verzorgde Antoine Derksen de weer bijzonder filmische audio montage.



 


5.8.23

Het beste uit Ware Misdaad, 2022

 



In 2022 startte ik met een nieuwe true crime podcast, Ware Misdaad, waarin ook minder bekende maar steeds boeiende en verrassende criminele kwesties onder de loupe worden genomen. Nu eens in een luisterverhaal, dan weer in een gespeelde monoloog of zelfs in een heus hoorspel. Altijd speelt de begeleidende muziek een vooraanstaande rol. Vaak is die afkomstig van mijn muziektheater Compagnie de Ballade (1998-2011), in het bijzonder van mijn broer Fernand, die je kunt vinden als Naami op Bandcamp.

De podcast nam een vliegende start, en het leek mij een goed idee de highlights van die eerste jaargang te bundel in een luisterboek, te vinden op o.a. Luisterrijk (€ 9,99) en in je Storytel abonnement. Natuurlijk kun je deze afleveringen én de lopende jaargang ook gratis maar niet reclamevrij beluisteren op de podcast:

Listen to "Ware Misdaad" on Spreaker.

In deze selectie waargebeurde misdaadverhalen, opgenomen en uitgezonden in 2022, wordt de vraag gesteld of Edgar Allan Poe dan werkelijk een verhaal schreef over een moord die hij zelf pleegde. Samen met Vera Van Nooten van mijn schrijversklas aan het Conservatorium van Mechelen zocht ik een verklaring voor de mysterieuze dood van Alfred Loewenstein, 'de man die uit de lucht viel'. En met een gezelschap van cursisten aan de Academie voor Podiumkunsten in Aalst, maakte ik een hoorspel over de moord op het operazangeresje Alice Renaud. Ten slotte kroop ik ook in de huid van Henri Landru, die wel eens de moderne Blauwbaard wordt genoemd, en in die van Erik Jan Hanussen. Deze variété artiest zou hebben opgetreden als toekomstvoorspeller voor Adolf Hitler, en werd wellicht daarom ook vermoord. Over deze kwestie schreef ik lang geleden samen met Guy Didelez het bekroonde en veelvuldig vertaalde jeugdboek In het teken van de ram.

Podcast Luisterboeken