![]() |
| Uit Kroniek van de 20ste eeuw, Elsevier 1985: koning Albert valt dieper dan de rots hoog is. |
24.6.26
De blinde vlek in het Mysterie van Albert I (Johan Op de Beeck)
Ware Misdaad: Hoe Dolly Oesterreich haar minnaar jarenlang verborg op zolder
Walburga Oesterreich behoort tot die zeldzame figuren
uit de misdaadgeschiedenis die zo onwaarschijnlijk lijken dat men denkt: dit moet
wel een romanpersonage zijn. Toch is dit verhaal van a tot z waargebeurd. Het speelde
het zich af, tussen de Amerikaanse industriestad Milwaukee en het snel
groeiende Los Angeles van het begin van de twintigste eeuw. Walburga – bijnaam ‘Dolly’
– was het stralende middelpunt van een geschiedenis van obsessie, seksuele
afhankelijkheid, bedrog, een verborgen leven op een zolder en uiteindelijk een
moord die jarenlang onopgelost bleef omdat de waarheid te ongeloofwaardig leek
om waar te kunnen zijn.
Walburga Korschel werd in 1880 geboren en trouwde op
jonge leeftijd met Fred Oesterreich, een welgestelde fabrikant van schorten en
andere textielproducten. Hun huwelijk leek voor de buitenwereld best wel
succesvol. Fred bezat een bloeiende onderneming en het echtpaar genoot een
comfortabele levensstijl. Achter de gesloten deuren van hun woning ging het er
echter minder harmonieus aan toe. Verschillende bronnen beschrijven Fred als
een dominante, moeilijke man, terwijl Walburga bekendstond als sociaal,
aantrekkelijk en niet bepaald een fan van huwelijkstrouw. Reeds vóór haar
ontmoeting met Otto Sanhuber deden geruchten de ronde over buitenechtelijke
affaires.
Otto verscheen ten tonele in 1913. Hij was zeventien
jaar oud en werkte als hersteller van naaimachines in het bedrijf van Fred
Oesterreich. Walburga was drieëndertig. Wat begon als een huisbezoek om een
defecte naaimachine te herstellen, mondde uit in een seksuele relatie die de
volgende zeventien jaar hun beider levens volledig zou beheersen. Volgens
latere getuigenissen ontwikkelde zich tussen Otto en Walburga een intense
afhankelijkheidsrelatie. Otto zou zichzelf later zelfs omschrijven als haar ‘seksslaaf’,
een woord dat wellicht evenveel zegt over zijn fascinatie voor haar als over
haar controle over hem.
De verhouding bracht een praktisch probleem met zich
mee. Hoe kon men een minnaar verborgen houden in een tijd waarin buren elk
bezoek opmerkten en een echtgenoot onverwacht kon thuiskomen? Walburga vond een
oplossing die even eenvoudig als krankzinnig was. Otto verhuisde naar de zolder
van het huis. Via een verborgen toegang bij de slaapkamer kon hij zich
verplaatsen zonder ontdekt te worden. Jarenlang leefde hij daar als een soort
vrijwillige kluizenaar. Hij beschikte over een bed, een lamp, boeken en
schrijfmateriaal. Overdag hielp hij soms in het huishouden; 's nachts las en
schreef hij sciencefiction verhalen. Walburga bracht hem eten en verzorgde zijn
contacten met de buitenwereld. Voor de buren was hij zogenaamd een
rondtrekkende halfbroer die af en toe opdook. Voor Fred bestond hij
eenvoudigweg niet.
Het meest verbijsterende aspect van de zaak is
wellicht niet dat Otto zich jarenlang verborg, maar dat hij dat bleef doen
terwijl het echtpaar verschillende keren verhuisde. Toen de Oesterreichs in
1918 naar Los Angeles trokken, stelde Walburga zelfs als voorwaarde dat hun
nieuwe woning een zolder moest hebben. Dat was in Zuid-Californië eerder
uitzonderlijk. Otto reisde vooruit en installeerde zich reeds in de nieuwe
woning voordat Fred en Walburga arriveerden. Zo verhuisde niet alleen het
echtpaar naar een andere staat, maar ook de verstekeling, ‘de gevangene der
liefde’, die officieel niet bestond.
Intussen verslechterde het huwelijk tussen Fred en
Walburga verder. Op 22 augustus 1922 bereikte de spanning een hoogtepunt. Het
echtpaar kwam ruziënd thuis. Op de zolder hoorde Otto de verhitte
woordenwisseling. Wat er vervolgens precies gebeurde, is nooit volledig
duidelijk geworden. Volgens latere verklaringen dacht Otto dat Fred zijn
geliefde aanviel. Hij greep twee pistolen en kwam van de zolder naar beneden.
Er ontstond een worsteling waarbij Fred werd neergeschoten. Hij stierf ter
plaatse.
De twee geliefden beseften onmiddellijk dat hun levens
op het spel stonden. Daarom besloten zij de scène te manipuleren. Het moest
lijken alsof onbekende inbrekers het huis waren binnengedrongen. Otto nam geld
en een kostbaar horloge mee om de schijn van roof te versterken. Vervolgens
sloot hij Walburga op in een kast en gooide de sleutel weg. Toen de politie
arriveerde, trof zij een kersverse weduwe aan die opgesloten zat en beweerde het
slachtoffer te zijn geworden van een gewelddadige overval. De rechercheurs
vertrouwden haar verhaal niet echt, maar slaagden er niet in een bevredigende
oplossing te vinden voor het raadsel. Want hoe had een vrouw haar echtgenoot
kunnen vermoorden terwijl zij zelf opgesloten zat in een kast? Zolang zij niets
afwisten van Otto's aanwezigheid ontbrak de ontbrekende schakel in de puzzel.
De zaak bleef jarenlang hangen tussen verdenkingen en gebrek
aan bewijs. Nog ongelooflijker is dat Otto na de moord niet vluchtte. Hij
keerde gewoon terug naar de zolder en bleef daar nog acht jaar wonen. Zijn leven
– men ging hem later Bat Man noemen – werd zo mogelijk nog absurder dan het
al geweest was. Nu Fred dood was, hoefde Otto niet langer doodstil te zijn en
kreeg hij zelfs toestemming een schrijfmachine te gebruiken. Terwijl de politie
vruchteloos op zoek bleef naar de moordenaar, zat die letterlijk boven hun
hoofd terwijl zij Walburga ondervroegen.
Uiteindelijk kwam de waarheid niet aan het licht door
speurwerk, maar door menselijke zwakheid. Dolly maakte het te dol, zij kreeg
nieuwe minnaars en één daarvan was haar advocaat Herman Shapiro. Toen deze
relatie verslechterde, begonnen oude geheimen naar boven te komen. Tegelijk
ontdekten onderzoekers dat Walburga jaren eerder verdachte vuurwapens had laten
verdwijnen. Een pistool werd teruggevonden in de beroemde teerputten van La
Brea, een ander onder een rozenstruik. De druk nam toe, Dolly werd opgesloten
en vroeg haar advocaat om eens naar haar mysterieuze ‘halfbroer’ te gaan
kijken, die bij haar op zolder woonde. Daar trof hij de bleke, magere Otto
Sanhuber aan, die uiteindelijk zijn rol in het drama bekende.
De pers smulde van het verhaal over Dolly en haar
Zolderspook. Het publiek kon nauwelijks geloven dat iemand bijna twee decennia
verborgen had geleefd in de woning van zijn geliefde en het proces groeide uit
tot een nationaal mediaspektakel. Toch leidde alle sensatie niet tot een
duidelijke juridische overwinning. Otto werd weliswaar schuldig bevonden aan
doodslag, maar omdat de verjaringstermijn inmiddels verstreken was, verliet hij
de rechtszaal als een vrij man. Walburga's eigen proces eindigde met een
verdeelde jury. Uiteindelijk werden de aanklachten tegen haar in 1936
definitief ingetrokken. Geen van beiden bracht ooit een dag door in de
gevangenis voor de dood van Fred Oesterreich.
Wat deze zaak zo fascinerend maakt, is dat zij veel
meer is dan een moordverhaal. Het is een studie van macht, afhankelijkheid en
vrijwillige gevangenschap. Otto leefde jarenlang opgesloten in een ruimte die
nauwelijks groter was dan een cel, maar hij bleef daar uit vrije wil. Walburga
creëerde een verborgen parallel universum boven het hoofd van haar echtgenoot,
die al die jaren onder hetzelfde dak leefde als zijn rivaal, zonder het te
beseffen. En de politie zocht jarenlang naar een moordenaar die de crime
scene nooit had verlaten…
Toen Walburga Oesterreich in 1961 stierf, liet zij een
aanzienlijk vermogen na. Otto Sanhuber verdween grotendeels uit het publieke
zicht. Hij had ondertussen een andere naam aangenomen en probeerde een gewoon
leven op te bouwen. Maar zijn plaats in de misdaadgeschiedenis was verzekerd.
Er zijn moordzaken die beroemd worden door hun geweld, andere door hun
juridische gevolgen. De zaak-Oesterreich leeft voort omdat zij iets veel
zeldzamers bezit: een werkelijkheid die vreemder is dan fictie…
13.4.26
500.000 downloads voor podcasts Mysteries België en Ware Misdaad
Mensen vragen mij wel eens: 'En... schrijf je nog?' Waarmee ze bedoelen: 'Schrijf je nog boeken?' Want het is door een samenloop van omstandigheden een hele tijd relatief stil gebleven op het front der drukwerken. De belangrijkste is dat ik erg veel les gegeven heb (creatief schrijven) sinds corona tot en met juni 2025; de op één na belangrijkste dat ik sinds pak weg 2016 mijn handen en vooral mijn hoofd meer dan vol had met het maken van podcasts (waarvoor ik doorgaans ook de scripts schrijf) en het uitgeven van boeken (waarvoor ik nogal eens de redactie doe). Eerlijk gezegd, was ik tot verleden jaar ook de 'goesting' om boeken te schrijven zo goed als helemaal kwijt, omdat ik - net zoals de meeste van mijn collega's - te kampen kreeg met afkalvende verkoopscijfers. Zodra je de zestig bent gepasseerd en al drie jaar geen 'groot' nieuw boek hebt gehad dat het nog meer dan aardig deed in de winkel, ben je tegenwoordig ook vergeten als schrijver, en afgeschreven. Ik zeg dat zonder enige bitterheid, het is niet meer dan een vaststelling.
Gelukkig kruipt de schrijfmicrobe waar ze niet gaan kan, en ben ik ondertussen toch weer volop gaan schrijven, voornamelijk omdat er sinds mijn 'pensioen' als schrijfdocent veel tijd vrijgekomen is. En nog voornamelijker, omdat ik boeken de wereld in kan sturen die een afgeleide zijn van een paar zeer succesvolle podcast reeksen. Zo ongeveer de helft van mijn creatieve autobiografie Een magisch-realist in Mysterieus België is op de podcast Mysterieus België terecht gekomen, en Duivelseilanden valt integraal te beluisteren op Ware Misdaad. Van mijn nieuwe boeken BeeldSpraak en Groetjes uit de Vierde Dimensie zijn ook weer tamelijk wat bijdragen te vinden op zowel Mysterieus België als Luisterboeken.
En dan zijn er zo van die mijlpalen in een schrijversleven, waar je toch graag even bij stilstaat. Sinds 2022 worden mijn podcasts door het platform Spreaker verspreid over Spotify, Apple, Podimo en alle mogelijke apps wereldwijd. Ben je op vakantie in Vietnam, Los Angeles, op Aruba of in Australië, dan kun je daar probleemloos luisteren. Met de drie reeksen die ik op Spreaker lopen heb, overschrijd ik vandaag de kaap van de 500.000 downloads. Daar ben ik toch wel redelijk fier op. Als een gieter, zelfs.
Voor deze cijfers zijn hoofdzakelijk Ware Misdaad en Mysterieus België verantwoordelijk, die de jongste jaren tweewekelijks hun nieuwe aflevering krijgen. Mysterieus België bestaat al sinds 2018 maar zat tot 2022 op een ander platform (Podomatic) en verzamelde daar in zijn eentje ook al bijna 200.000 downloads/beluisteringen die niet in dit half miljoen verrekend zijn. Voor Mysterieus België komt trouwens ook stilaan de kaap van de 100 afleveringen in het vizier; eigenlijk zitten we er al over, omdat er ook enkele afleveringen achter een betaalmuur zitten en ik in de loop der jaren enkele afleveringen verwijderd heb, omdat ik ze niet langer vond voldoen aan mijn kwaliteitseisen. Zoals uit het screenshot mag blijken, zitten we met de drie Scriptomanen podcast reeksen momenteel boven de 12.000 downloads of beluisteringen per maand.
Een schrijver wil gelezen worden... en in dit geval dus even goed beluisterd, gehoord. Ik ervaar het als een ontzaglijke luxe dat ik zelf kan kiezen wat ik vertel en hoe ik dat doe... en dat ik daar nog een breed en trouw publiek voor vind ook, dat me in het geval van Mysterieus België al acht jaar volgt.
Bij deze dus... ten zeerste dankjewel allemaal, zonder jullie zou de motivatie ontbreken om elke week weer een nieuwe aflevering klaar te stomen.
Dankjewel... en tot woensdag. Sinds kort is dit immers de vaste dag waarop de ene week een nieuwe aflevering van Ware Misdaad de wereld wordt ingestuurd, en de andere Mysterieus België aan de beurt komt.
En o ja... enkele sterretjes achterlaten of een review bij wijze van appreciatie, het kost niets en het helpt enorm om de podcast zicht- eh... hoorbaarder te maken!
17.10.25
Kun je een boek schrijven met iemand die al meer dan honderd jaar dood is?
In 2024 startte ik met het eerste seizoen van de erg succesvolle true crime podcast serie De Duivelseilanden, die vlot over de 6000 beluisteringen per aflevering ging. Ze behoren tot de best beluisterde afleveringen van mijn podcast Ware Misdaad. Net voor we met het tweede seizoen van start gaan, stel ik je graag het boek voor dat ik schreef met Eugène Degrave... die net 101 jaar geleden overleed. Kun je een boek schrijven met iemand die al meer dan honderd jaar dood is? Ja dus.
Bij wie
zich verdiept in het relaas van Eugène Degrave, rijzen vroeg of laat een aantal
vragen… Hij en zijn broer kunnen best wel het slachtoffer geworden zijn van een
gerechtelijke dwaling. Maar dan nog, waarom werden de beide broers zo
hardnekkig vervolgd door de Franse autoriteiten, en waarom kregen ze – net
zoals kapitein Dreyfus – een uitzonderingsbehandeling in het strafkamp? Waarom
ook bleek het zo lastig om gratie verleend te krijgen van de Franse overheid?
Ik
baseerde mij voor mijn bewerking op de Franstalige versie van Eugènes memoires,
Le Bagne, die hij in zeven nachten zou hebben geschreven en waarin ik
sommige passages heb geschrapt omdat ze te langdradig waren, al te pathetisch
of geen nieuwe informatie bevatten. Voor de rest heb ik wel scènes
gedramatiseerd, maar mij alleen vrijheden qua taal gepermitteerd, die ik zo
vlot mogelijk en modern klinkend wilde krijgen, zonder het patine van de tijd
helemaal te verliezen. Puur inhoudelijk heb ik weinig of geen wijzigingen
aangebracht. Oké, ik liet Eugène Degrave gaandeweg de vulkanische Iles du Salut
of Zaligheidseilanden omdopen tot Duivelseilanden, naar het kleinste maar
bekendste van de drie: het Ile du Diable. Maar dat is het zo ongeveer. En
nergens geeft Eugène Degrave ook maar een begin van een antwoord op die toch
wel prangende vragen, terwijl je tegelijk het gevoel krijgt dat hij allerlei
dieper liggende oorzaken suggereert. Werden Léonce en hijzelf het slachtoffer
van een complot, gesmeed door de Franse overheid?
Jan
Vandamme publiceerde in 1992 De Affaire Degrave-Rorique, moord en piraterij
in de Stille Zuidzee, die de geruchtmakende kwestie van destijds in al haar
facetten belicht. In zijn boek is ook een ‘hertaling’ van de Nederlandstalige
versie van Le Bagne opgenomen, die korte tijd later verscheen: Het
proces en de gevangenschap van de gebroeders Degrave (Rorique). Hij belicht
uitgebreid de mythevorming rond de affaire, de rol die de media daarin hebben
gespeeld, hoe de broers uitgegroeid zijn tot literaire helden in Les frères
Kip van Jules Verne of het ongelooflijk succesvolle toneelstuk van Cesar
van Cauwenberghe, De gebroeders Rorick-Degrave. Vandamme heeft het over
de gebroeders Degrave als typische ‘fin-de-siècle personages’ en over de
bredere betekenis van de affaire. Maar ook hier: geen spoor van een begin van
een antwoord. En dat vinden we evenmin in Verbannen naar het Duivelseiland (1991),
een hervertelling gelardeerd met persoonlijke bedenkingen, van de hand van
Roger Slosse.
Des
te vreemder wordt het omdat Jan Vandamme in zijn essay vrij veel aandacht
besteedt aan de bemoeienissen van de toenmalige minister van Financiën, August
Beernaert. Eugène Degrave vernoemt graag zijn verdedigers met naam en toenaam,
en hij doet dat ook met hooggeplaatste figuren zoals de koning van Noorwegen en
Zweden Oscar II, maar van Beernaert geen spoor. Nochtans is ‘de verwantschap
tussen de gebroeders Degrave’ en Beernaert, volgens Vandamme, ‘het
hardnekkigste gerucht’ dat destijds de ronde deed: ‘Al op 3 januari schrijft de
Brusselse progressistische krant La Liberté dat Léonce het petekind is van de
minister. De dag daarop bestempelt de eerbiedwaardige Journal de Bruxelles dat
gerucht als een puur verzinsel. Wel bevestigt ze dat minister Beernaert, die
van Oostende afkomstig is, de familie Degrave goed kent.’ Eugène vermeldt in
zijn boek wel de heer Van der Cruyssen, ‘die vergat dat hij ambtenaar was’ en
‘zijn positie honderd keer op het spel zette om met verve in de voorhoede te
strijden voor het leven van zijn oude vriend Léonce Degrave’. Deze Van der
Cruyssen was onderbureauchef op het ministerie van Financiën, wat – zo schrijft
Vandamme – ‘de pers meteen interpreteert
als een vingerwijzing van August Beernaert’. Verder luidt het als volgt,
wanneer de gebroeders Degrave ter dood veroordeeld zijn: ‘De Belgische
regering, die in de persoon van August Beernaert een overtuigd verdediger van
de gebroeders Degrave heeft, komt nu via haar ambassadeur in Parijs officieel
tussenbeide.’
Vandamme
vertelt dat Eugène en twee leden van het comité eind oktober 1899 een bezoek
hebben gebracht aan Beernaert. ‘Eugène belooft hem dat hij het vertrouwen dat
de staatsman in hem gesteld heeft nooit zal beschamen en dat hij alles in het
werk zal stellen om volledig eerherstel voor hem en zijn broer te verkrijgen.’
Hij voegt de daad bij het woord en procedeert tegen een Parijs dagblad dat zijn
naam en die van zijn broer, maar ook die van Beernaert door het slijk heeft
gesleurd in tal van artikelen. Het blad zal inderdaad veroordeeld worden wegens
laster.
Waarom
laat Eugène Degrave de minister zo uitdrukkelijk buiten beeld in zijn memoires,
die hij opdraagt aan de beroemde Parijse polemiste Séverine, een andere
verdedigster van het eerste uur? Uit een artikel in het Nieuwsblad over een
toneelstuk dat in 2013 in Oostende zijn première beleefde, blijkt dat Eugène
ook over een ander illuster persoon de discretie heeft bewaard. ‘Papillon’
fladdert op in Oostende titelt het stuk: Hét sensatieverhaal van de 19de
eeuw op de planken. En een uitvergroot citaat uit een interview met de
makers, stelt de kwestie aan de orde die ook mij zo intrigeerde en suggereert
meteen een mogelijke verklaring: ‘Waarom waren de koning en de premier zo
begaan met twee Oostendse avonturiers? Waren ze misschien koloniale
verkenners?’
De
makers van De gebroeders Degrave zijn de acteurs Kurt Defrancq en Jonas
Van Thielen en regisseur Dirk Opstaele. August Beernaert was van 1884 tot 1894
premier van België. Hij wordt algemeen beschouwd als een van de grootste
staatsmannen van België en werd ook benoemd tot minister van Staat. Hij heeft
nog steeds een reputatie als mensenrechtenactivist en pacifist – in 1909 won
hij de Nobelprijs voor de Vrede –, maar werd in 1876 ook lid van de pas
opgerichte Association Internationale Africaine. De Onafhankelijke Congostaat –
ook bekend als Congo Vrijstaat – was tussen 1885 en 1908 het persoonlijk
wingewest van Leopold II en werd met de steun van premier Beernaert opgericht
in 1885. Naderhand bleef Beernaert zich wel inzetten om de slavernij af te
schaffen en kloeg hij de koninklijke uitbuiting van Congo aan, wat hem in onmin
bracht met Leopold. Na 1894 werd Beernaert voorzitter van de Société Belge
d’Etudes Coloniales en bekleedde hij verschillende bestuursmandaten in
Congo-Vrijstaat.
Beernaert
zou samen met de koning druk hebben uitgeoefend op de Franse regering om de
gebroeders Degrave niet ter dood te veroordelen en hun gratie te verlenen.
Defrancq oppert dat die politieke inmenging misschien het gevolg was van een
opdracht die de broers gekregen hadden van Beernaert en/of de koning, die
naarstig op zoek was naar kolonies. Kregen de Fransen in de gaten dat de
Degraves eigenlijk koloniale verkenners waren geweest en reageerden ze daarop
met het uitspreken van de doodstraf, en daarna met het speciale regime op de
Duivelseilanden? Is dit ook de reden waarom Eugène Degrave het zwijgen bewaart
over de tussenkomsten van de premier en de koning? Wellicht zullen we het
definitieve antwoord nooit kennen.
De
biografie van Eugène Degrave, na de publicatie van zijn memoires, leest als een
verslag van twaalf stielen en dertien ongelukken. In 1902 trekt hij naar Tahiti
om alsnog en finaal zijn onschuld te bewijzen, maar de expeditie strandt in de
Verenigde Staten. Eugène gaat in een voorstad van Parijs wonen, samen met een
rijke weduwe, en verkoopt kant. Na het verschijnen van zijn boek, wordt hij een
graag geziene gast in de Parijse literaire salons. In 1903 krijgt hij een baan
aangeboden in Monaco, waar hij trouwt met zijn voormalige hospita. Het jaar
daarop vertrekken ze naar Venezuela, om een nieuw leven te beginnen. De kans is
groot dat hij nooit met zijn voormalige hospita getrouwd is geweest, maar wel
met haar jonge charmante dochter Jeanne, lezen we bij Vandamme. Dat zou dan in
Trinidad gebeurd zijn, waar hij een baan had gekregen bij de havenpolitie.
Eugène gaat dus weer varen, maar wanneer Jeanne ziek wordt, besluiten ze terug
te keren naar Frankrijk.
Een
ontdekkingsreiziger beweert in Colombia een smaragdmijn ontdekt te hebben. De
man, Georges Sogler, neemt contact op met Eugène en samen vertrekken ze in 1908
naar Colombia. Het loopt verkeerd af, er lijkt sprake te zijn van een zwendel
ten nadele van een voormalige vriend van Eugène – Claude Casimir Perier – en in
1912 worden hij en Sogler veroordeeld tot een flinke geldboete. Eugène houdt
zijn onschuld staande, maar is wel geruïneerd. Nog in dat jaar wordt hij
gearresteerd door de politie van Brussel omdat hij aan het hoofd zou staan van
een bende die kerkschatten uit de kathedraal van Namen heeft geroofd. Na een
goeie maand is hij weer op vrije voeten en wordt hem alleen verboden wapenbezit
aangewreven.
Eugène
zoekt met vrouw en kind opnieuw de anonimiteit op in de Verenigde Staten, meer
bepaald in Seattle. In 1924 gaat hij nogmaals naar Colombia zijn geluk zoeken.
Daar overlijdt hij op 28 juli in het ziekenhuis van een klein stadje te midden
van de Colombiaanse jungle. Er hangt een waas van mysterie rond zijn dood.
Eugène Degrave is amper 59 jaar geworden.
28.3.25
Schrijf jij een script voor de podcast Ware Misdaad?
Mijn podcast Ware Misdaad - goed voor enkele duizenden beluisteringen per aflevering -zet de microfoon open voor gastauteurs. Bezorg jij me een 'historisch true crime’ verhaal van minimum 100 jaar oud? Het is geschreven als een podcast script, en te brengen door één stem (die van mij... of van jezelf).
Je script wordt niet alleen gerealiseerd tot een professioneel klinkende productie die te beluisteren valt op alle grote podcast platformen, zoals Spotify, Apple Podcasts, Podimo of Spreaker... Het verhaal kan ook - eventueel licht herschreven - opgenomen worden in het boek en ebook Het beste uit Ware Misdaad dat gepland is voor einde 2025.
Het volledige reglement kun je hier nalezen:
https://www.spreaker.com/post/schrijf-jij-een-script-voor-de-podcast-ware-misdaad--65191856
9.3.25
Ook 3 gratis ebooks van podcast Ware Misdaad
14.3.24
Duivelseiland - een nieuw luisterboek van de podcast Ware Misdaad
Het
Duivelseiland ligt voor de kust van Frans-Guyana, het overzeese departement van
Frankrijk, in het noordelijke deel van Zuid-Amerika. Van 1852 tot 1938 hadden de Fransen daar een strafkolonie, een bagno. Er zaten vooral politieke
gevangenen vast, of lui die als staatsgevaarlijk werden beschouwd, zoals
spionnen en terroristen. De bekendste bagnard was de ten onrechte voor
spionage veroordeelde kapitein Alfred Dreyfus, die er van 1895 tot 1899
verbleef. Maar wellicht kennen de meesten onder ons het Duivelseiland van het
levensverhaal van de Franse avonturier Henri Charrière, Papillon. Het
boek verscheen in 1969, groeide uit tot een bestseller en werd in 1973 verfilmd,
met Dustin Hofmann en Steve McQueen. In 2017 kwam er zelfs een remake van, in
een regie van Michael Noer. Hoewel Charrière zijn verhaal voorstelde als een
autobiografie, werden er ook belevenissen van anderen in verwerkt… zoals die
van de gebroeders Degrave, uit Oostende. Eind negentiende eeuw waren zij
wereldberoemd, Jules Verne liet zich in 1902 door hen inspireren voor zijn
roman Les frères Kip en Cesar Van Cauwenberghe in 1907 voor een
toneelstuk dat meer dan duizend keer zou worden opgevoerd.
In 1892 schreeuwden de krantenjongens het uit: ‘Gruwelijk drama! Piraterij in de Stille Zuidzee! Zesvoudige moord!’ Aan boord van de schoener Niuroahiti zou plots muiterij uitgebroken zijn, en hadden zeven bemanningsleden de dood gevonden. Scheepskok Mirey beschuldigde de broers Alexandre en Joseph Rorique, die papieren bezaten op naam van de Britse broers Rorick… maar uiteindelijk Léonce en Eugène Degrave bleken te zijn, telgen uit een rijke Oostendse familie.
Op 13 maart 1894 werden beide broers in het Franse Brest, na een kort maar heftig leven vol avontuur, ter dood veroordeeld. Hun straf werd omgezet in een levenslange verbanning naar Frans-Guyana. Léonce stierf in de strafkolonie, Eugène kreeg gratie, keerde terug naar Europa en schreef zijn memoires - in zeven nachten, beweerde hij. Le Bagne verscheen in 1901, ook in het Nederlands als Het proces en de gevangenschap van de gebroeders Degrave (Rorique). Het boek werd zowel in het Frans als het Nederlands een enorm succes: naast een romantisch avonturenverhaal leest het ook als een aanklacht tegen de gerechtelijke dwaling waarvan de broers het slachtoffer werden, en de levensomstandigheden in de strafkolonie.
In 2013 maakten de acteurs Kurt Defrancq en Jonas Van Thielen een toneelstuk, waarin gesuggereerd werd dat de toenmalige premier van België, Auguste Beernaert, samen met de koning druk uitoefende op de Franse regering om de broers niet ter dood te veroordelen en later zelfs gratie te verlenen. ‘Die politieke inmenging doet heel wat vragen rijzen,’ zegt Defrancq. 'Waren zij misschien koloniale verkenners? Zat er meer achter? Welke complotten zijn er gesmeed?’
Waarbij de vraag rijst of niet alleen hun vrijlating, maar ook hun arrestatie en veroordeling moeten gezien worden in het licht van een ‘koloniale verkenning’ die de Fransen niet zo welgevallig was. Het is een vraag waarop min of meer recente boeken over de gebroeders Degrave – zoals Verbannen naar het Duivelseiland van Roger Slosse uit 1989, en De affaire Degrave-Rorique van Jan Vandamme uit 1992 – evenmin een antwoord bieden.
![]() |
| Brieven van de gebroeders Degrave |
Het eerste seizoen van Duivelseiland
kreeg de titel Naar
het Duivelseiland mee. Hierin vertelt Eugène Degrave over de liefde die hij en zijn broer koesterden voor de zee, over de muiterij op de Niuroahiti, het gekonkel van scheepskok Mirey,
de arrestatie op een klein Zuidzee eiland en het proces in Franse Brest… dat hen
uiteindelijk naar het Duivelseiland zal voeren. In het tweede seizoen, Op het Duivelseiland, komt
het verblijf van de broers in de strafkolonie aan bod. Zoals gewoonlijk
verzorgde Antoine Derksen de weer bijzonder filmische audio montage.
5.8.23
Het beste uit Ware Misdaad, 2022













